In deze coronatijd is de kerk naarstig op zoek naar hoe zij in en na deze tijd kerk kunnen zijn. Misschien scherper gesteld: Hoe kunnen de kerken zich ontworstelen aan het dilemma tussen verstarring en beleving? Moet zij zich onveranderlijk vasthouden aan haar oude dogmatische wortels, of geeft zij zich over aan grenzeloze vrijzinnigheid. In beide gevallen mist ze aansluiting bij de behoeften van de (post)moderne mens. In beide stromingen blijft de liturgie strak en conservatief terwijl de kern van het geloof en de essentie van het Evangelie worden verdrongen door respectievelijk krampachtig kerk-zijn of juist niet langer op een kerk willen lijken. Een kerk die zich openlijk afvraagt of God wel bestaat en de Bijbel tot een interessant literair verschijnsel maakt, reduceert God tot een menselijk bedenksel dat op den duur het opstaan op de vroege zondagmorgen niet meer waard is. Zij verliest haar angel, het mysterie van de opgestane Christus, de ongemakkelijke wrijving die het geloof in een God die niet te doorgronden valt, met zich meebrengt. Ondertussen dendert de wereld door en bereikt de kerk in haar verschijningsvorm in snel tempo haar uiterste houdbaarheidsdatum.
Als er nu niets verandert, is het christendom in Nederland binnen enkele decennia op sterven na dood en verliest onze samenleving voor altijd haar diepste

We zijn zulke individualisten geworden, dat het eerste woord dat vier- of vijfjarige kinderen leren schrijven ik is: ik, een losstaand, eigen individu. Maar wie ben ik dan? Wat betekent die ik? Wie geeft er invulling aan de identiteit van onze jonge kinderen? Als onze ouders in niets geloven en niet weten waarvoor ze staan, hoe zouden onze kinderen dat dan moeten weten?
Mensen gaan op zoek en nemen beslissingen die hen dichter brengt bij hun levensdoel – of niet. Dit is het twijfelachtige wonder van de vrije wil.

In die zoektocht kan een levende en betrokken kerk voeding geven aan de zoekende ziel en haar volgelingen helpen hun levensbestemming te vinden.
Onze maatschappij is verweesd en schreeuwt om leiders met een verhaal. Het geloof biedt die noodzakelijke richting en houvast. De kerk kan het broodnodige sociale vangnet vormen in onze wankelende welvaartstaat, maar uitgerekend deze christelijke stem is verstomd. De christelijke stilte ten aanzien van de grote vragen van vandaag zoals milieuproblematiek, armoede en sociale ongelijkheid is een fluisterstem geworden. Gebrek aan een uitgesproken en principieel getuigenis heeft de rol van religie in de moderne maatschappij tot bijna nul gereduceerd.

In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam een ontkerkelijking op gang die tot op de dag van vandaag doorgaat. Maar al eerder is de kerk ontzield geraakt. Sprankelend geloof werd door papier en inkt verstoten. Levende ervaring door ratio verdreven. Niet God, maar religie is een heilige zaak geworden. Wat we vergeten is dat God ons niet nodig heeft om te bestaan. God is. 

Willen we mensen weer terug de kerk in krijgen en voorkomen dat nog meer gemeenteleden vroeg of laat de kerk verlaten, dan moet zij geen geloof van angstig “gij zult niet” maar van opgewekt “u mag wel!” prediken. Hierin ligt vooral een uitdaging voor de kerken.

Van gebrokenheid naar heelheid, van scheiding naar eenheid, dat is de grote uitdaging voor de postmoderne christen anno nu. Dit nieuwe christen-zijn vereist een grote ommezwaai in ons denken. Het zal geen eenvoudige weg zijn, de kerk zal verkeerde afslagen blijven nemen (zoals christenen door de eeuwen heen zo vaak hebben gedaan) maar stil zijn is geen optie meer. En dus moeten we op zoek naar een nieuwe manier van christen zijn – het christen 2.0 zoals ik dat noem. Levend en overtuigend, maar ook transparant en eerlijk.

De eerste stap op weg naar dit nieuwe christendom is een terugkeer naar de kern van het Evangelie. Het goede nieuws van de dood en opstanding van Jezus Christus is radicaal en zal altijd op weerstand stuiten. Zij is echter ook een boodschap van oneindige inclusieve liefde en genade.
De grenzeloze liefde van God en Zijn genade voor ons feilbare mensen is wat het christelijk geloof van andere religies onderscheidt, en wat ons in staat stelt bruggen te slaan. Wat voor mij onvervreemdbaar is dat ik Jezus Christus belijd  als mijn Opgestane Heer. Over de invulling van kerkelijke dogma’s en theologische zienswijzen valt te discussiëren, over de essentie van het Evangelie niet.

De tweede stap is het erkennen van de diepe pijn die de kerk haar volgelingen door de eeuwen heen heeft berokkend – en blijft toebrengen.
Het wordt tijd dat de kerk op de knieën gaan en haar zonden belijden: het onrecht dat zwarten is aangedaan, kleurlingen, vrouwen en kinderen, andersdenkenden en andersgelovigen.

De derde stap is niet langer kijken naar dat wat verdeelt, maar wat samenbindt – als kerken onderling, maar ook als kerk en alles wat daarbuiten ligt. We zijn allen schepselen van God die mogen rekenen op Zijn onvoorwaardelijke liefde.

Het wordt tijd dat de kerk leiderschap toont. Dat wij leiderschap gaan tonen. Iedereen die zich christen noemt is gewild of ongewild de kerk. Ik als gelovige ben deel van de gemeente van God en zal dus als gelovige mijn verantwoordelijkheid moeten nemen en leiderschap moeten tonen op de plaats en plek die God mij heeft toebedeeld.
Het is zoals de vrouwelijke pastor Bridget Willard schreef: “Kerk is niet waar je samenkomt, kerk is geen gebouw, kerk is wat je bent. Laten we niet naar de kerk gaan, laten we de kerk zijn.”