Uncategorized


 

Europa droomt nog. En dat is gevaarlijk.

We doen alsof de wereld van gisteren nog bestaat:
Amerika als vangnet,
Europa als moreel kompas,
alles uiteindelijk onder controle.
Maar ondertussen schuift de werkelijkheid
onder onze voeten vandaan.
En wij?
Wij discussiëren, nuanceren,
stellen werkgroepen samen.

Intussen lachen anderen.
In Washington, Moskou, Beijing.
Niet omdat we zwak zijn;
maar omdat we weigeren
onze kracht te gebruiken.

En precies in dat vacuüm groeit iets anders.
Iets wat we liever niet onder ogen zien:
extremen die de democratie van binnenuit uithollen.
Niet met tanks, maar met stemmen.
Niet met geweld, maar met wantrouwen.

Extreemrechts dat de rechtsstaat gebruikt om haar af te breken.
Extreemlinks dat onder het mom van gelijkheid vrijheid relativeert.
Twee kanten, zelfde spel:
twijfel zaaien, instituties ondermijnen,
mensen tegen elkaar opzetten.
En wij maar denken dat “het systeem” zichzelf wel beschermt.

Dat is naïef.

Want democratie is geen vanzelfsprekendheid.
Het is een keuze.
Elke dag opnieuw.

En daar wringt het.
Want terwijl Europa zich zorgen maakt over externe dreigingen;
over Rusland, China,
een onbetrouwbare Donald Trump
groeit de echte kwetsbaarheid van binnenuit.
Polarisatie.
Wantrouwen.
Vermoeidheid.
Het gevoel dat “het toch niets uitmaakt”.

En precies daar slaan extremen toe.

Het is alsof we vergeten zijn
wat waakzaamheid betekent.
Terwijl die oproep al eeuwenoud is.
In de Eerste brief van Petrus
staat het messcherp:
wees nuchter en waakzaam.
Want het kwaad komt
niet altijd luidruchtig binnenvallen
het sluipt rond,
op zoek naar zwakke plekken.

En laten we eerlijk zijn:
die zwakke plekken zijn er.

Een Europa dat blijft hopen
dat Amerika het wel oplost.
Een Europa dat bang is
om keuzes te maken.
Een Europa dat liever appeaset
dan confronteert.
Dat is geen kracht, dat is uitstel.

En uitstel is precies
wat die extremen nodig hebben.

Want hoe langer wij twijfelen,
hoe makkelijker zij het verhaal overnemen.
Het simpele verhaal.
De zondebok.
De belofte van snelle oplossingen.
Klinkt aantrekkelijk
tot je beseft wat het kost.

Vrijheid.
Rechtsstaat.
Stabiliteit.

Dus ja, Europa
zal het zonder Amerika moeten kunnen.
Niet omdat we dat willen,
maar omdat het onvermijdelijk is.
De focus van de VS ligt elders,
en vertrouwen op grillige politiek
is geen strategie.

Maar de echte vraag is niet
of we het militair of economisch kunnen.

De echte vraag is: zijn we mentaal bereid?

Bereid om verantwoordelijkheid te nemen.
Om offers te brengen.
Om nee te zeggen tegen leiders
— van links of rechts —
die de spelregels willen buigen tot ze breken.

Want dat is de paradox:
de grootste vijanden
van de democratie
komen tegenwoordig niet van buiten,
maar van binnenuit.

Verkozen.
Legitiem.
En vastbesloten
om het systeem te gebruiken
tegen zichzelf.

“Bied weerstand,” zegt die oude tekst.
Niet passief, maar actief.
Niet angstig, maar standvastig.

Misschien is dat precies
wat Europa moet herontdekken.

Geen grootse woorden.
Geen morele superioriteit.

Maar ruggengraat.

Want zonder die ruggengraat
maakt het uiteindelijk niet eens meer uit
of Amerika blijft of vertrekt.

Dan hebben we onszelf al verloren.

 

In een denkbeeldige boksring
staan ze tegenover elkaar:
een paus en een president.
Aan de ene kant een man in wit
die tot zijn dood blijft zitten waar hij zit.
Aan de andere kant een man
in een rood stropdasje die,
als het een beetje meezit,
in 2029 gewoon moet vertrekken.
Mijn geld?
Niet op de man van Mar-a-Lago.

Kijk, die paus – Leo XIV –
is geen heilige in de zin van foutloos,
maar wel iemand die snapt
wat woorden doen.
Hij noemt oorlog oorlog,
een oorlogsstoker
gewoon een oorlogsstoker,
en zegt vervolgens:
mijn taak is vrede prediken.
Punt.
Geen CAPS LOCK, geen memes,
geen digitale zelfverheerlijking.

En dan: stilte.
Terug aan het werk.

Aan de overkant heb je Trump.
Die reageert zoals Trump reageert:
met een AI-plaatje van zichzelf
als een soort messias-light.
Gewaden, lichtstralen, vrouwen aan zijn voeten.
Officieel is hij dan ineens “arts”.

‘Tuurlijk.
De man die zichzelf als Jezus afbeeldt,
maar dan met een medische specialisatie.
“Zuster, wilt u even meekijken?”

Het contrast is bijna te mooi.
De een trekt zich terug uit de ruzie.
De ander voert hem op als spektakel.

En ergens voelt het vertrouwd.
Alsof we dit al eens gezien hebben.
Neem Henry VIII, de koning van Engeland.
Ook zo’n man die dacht
dat zijn wil uiteindelijk boven Rome stond.
IJdel, driftig,
geobsedeerd door nalatenschap
en mannelijk nageslacht.
Hij had de valkenjacht,
Trump heeft golf.
Andere hobby, zelfde leegte.

Maar Henry wist tenminste
nog met wie hij ruzie maakte.
Hij kende de paus, de theologie, de inzet.
Hij worstelde – op zijn manier –
met schuld, geloof, lotsbestemming.
En Trump?
Die lijkt oprecht te denken
dat een paus een soort Europese bestuurder is
die je kunt paaien
met een complimentje en een deal.

En toch zit de echte clou niet in die vergelijking.
Die zit in iets groters:
de verlosserfantasie.

Want Trump is niet zomaar een politicus.
Net als Orbán en Poetin
en al die anderen
speelt hij een rol
die ouder is dan democratie:
die van redder.

De man die chaos ordent,
die een gekrenkt volk
erkenning geeft.
Zolang zij erin slagen
dat diepe verlangen aan te boren
– naar erkenning, naar trots,
naar een simpel verhaal
waarin alles weer klopt –
blijven ze relevant.
Niet omdat ze gelijk hebben,
maar omdat ze iets vervullen.
Die zegt:
volg mij,
en alles komt goed.

Dat werkt. Niet omdat het waar is,
maar omdat het voelt als waarheid.
Zoals Max Weber al beschreef:
charismatisch leiderschap
is geen eigenschap van één man,
maar een relatie.
Een hongerig publiek
en een leider
die precies serveert
wat er verlangd wordt.

En soms gaat dat nog een stap verder.
Dan wordt die leider een soort halfgod.
Onaantastbaar. Onfeilbaar.
De werkelijkheid
moet zich aanpassen aan het verhaal,
niet andersom.

Totdat dat niet meer lukt.

Want op een gegeven moment wringt het.
Beloftes botsen met feiten.
De magie slijt.
Corruptie wordt zichtbaar,
leugens te groot,
de tegenstrijdigheden ondraaglijk.
Dat moment heet,
in droge academische taal,
“contaminatie”.
In gewoon Nederlands:
de rot slaat erin.

Dat zagen we bij Orbán.
Dat gaan we ook elders zien.
De vraag is niet óf,
maar wanneer.

En belangrijker: wat daarna komt.

Want als de ene verlosser valt,
staat de volgende al klaar.
De behoefte verdwijnt namelijk niet.
Dat gat
– die honger naar erkenning, orde, identiteit –
blijft.
En wie denkt dat je dat oplost
met alleen economische cijfers
of beleidsmaatregelen,
snapt het probleem niet.

Mensen willen geen spreadsheet.
Ze willen een verhaal.

De paus begrijpt dat.
Hij biedt er één aan
dat draait
om vrede en terughoudendheid.
Trump biedt er één aan
dat draait om strijd en zelfverheerlijking.

En ergens,
in die denkbeeldige boksring,
is de uitslag al bekend.
Niet omdat de paus fysiek sterker is,
maar omdat hij iets heeft wat Trump mist:

Een Verhaal dat ook zonder hem kan bestaan.

 

Er zijn van die momenten waarop religie en realpolitik elkaar kruisen
en je even niet weet of je moet bidden
of je wenkbrauwen optrekken.
Neem Paus Leo XIV,
die op Palmzondag droogjes opmerkte dat Jezus
“niet luistert naar de gebeden van hen die oorlog voeren.”
Vrij vertaald: je kunt wel “amen” zeggen,
maar als je handen nog nadruppelen
van het vergoten bloed,
komt je verzoek niet
door de spamfilter van de hemel.

Hij leent daarvoor even bij
de Bijbelse profeet Jesaja:
“Al bidden jullie veel,
Ik zal niet luisteren,
want jullie handen
zijn bevlekt met bloed.”
Geen namen, geen landen.
Maar timing is alles,
en toevallig had Pete Hegseth
net een gebed uitgesproken
dat klonk alsof het door een PR-team
van een raketfabrikant was geschreven:
of elke kogel vooral lekker doel mag treffen,
graag met “overweldigende gewelddadigheid”.
Je hoort bijna de artillerie op de achtergrond.

Natuurlijk, context, nuance, theologie
– we kennen het riedeltje.
Niet elke oorlog is fout,
zeggen veel christenen.
Er bestaat zoiets als een “rechtvaardige oorlog”.
Denk aan de Tweede Wereldoorlog:
daar zat een vrij duidelijk verschil
tussen dader en verdediger.
Maar een preventieve oorlog
verkopen als morele noodzaak
is een beetje alsof je iemand
eerst een klap geeft
en daarna klaagt
dat het zo’n gewelddadige wereld is.

Voor deze oorlog niet bestaat
gewoonweg geen theologische keuring.
Want er was geen directe dreiging,
geen onvermijdelijkheid
– dus ook geen rechtvaardiging.
De paus sluit daar
eigenlijk vrij nuchter bij aan.
Geen kruistocht tegen oorlog op zich,
wel tegen de reflex
om geweld alvast
van een zegen te voorzien.

En dan het gebed van Pete Hegseth zelf.
Want daar zit de echte pijn.
Gebed is blijkbaar verworden
tot een soort hemelse klantenservice:
“Beste God, hierbij mijn bestelling:
succes, overwinning
en graag een beetje extra geweld,
dank U wel.”
Alsof je met genoeg “halleluja’s”
een luchtaanval
kunt upgraden naar premium.

Maar volgens mensen
die er verstand van claimen te hebben
– theologen, mystici, dat soort types –
werkt het net andersom.
Bidden is niet praten tegen God
alsof Hij je persoonlijke assistent is.
Het is luisteren. Stil worden.
De controle loslaten.
Je zou het het zelfs een soort
innerlijke sloop kunnen noemen:
jezelf tegenkomen
op manieren
waar je niet om had gevraagd.

En daar zit precies het probleem.
Want luisteren is ingewikkeld
als je al precies weet wat de uitkomst moet zijn.
Stilte helpt niet
als je eigenlijk bevestiging zoekt.
En overgave is nu eenmaal
geen populair beleidsinstrument.

Misschien is dat
wat er bedoeld wordt
met zo’n oude zin van Jesaja.
Niet dat er nooit gebeden mag worden
in tijden van oorlog,
maar dat sommige gebeden
vooral laten zien
dat we niet echt luisteren.
Dat we God eerder gebruiken
als stempel van goedkeuring
dan als gesprekspartner.

Dus ja,
misschien luistert God inderdaad niet.
Niet omdat Hij het te druk heeft,
maar omdat “het gesprek”
nooit echt begonnen is.
Als je alleen praat
om je eigen plannen te zegenen,
voer je geen dialoog.
Dan hou je een monoloog met applausband.

En als dat het geval is,
dan is het eigenlijk niet zo vreemd
dat het stil blijft aan de Andere Kant.

 

Er is een hardnekkig idee
dat oorlogen gaan over ideologie, religie,
grondstoffen, invloedssferen
– u kent het rijtje.
Lekker ingewikkeld, lekker academisch.
Goed voor conferenties en dikke rapporten
waar niemand doorheen komt.
Maar soms denk ik:
wat als het allemaal
een stuk ordinairder is?

Wat als we gewoon kijken
naar een stel oudere heren met macht
en een naderende einddatum?

Spreuken 18:6
zegt het eigenlijk al genadeloos simpel:
De woorden van een dwaas zaaien tweedracht,
wat hij zegt, leidt tot een vechtpartij.
Vrij vertaald naar vandaag:
sommige leiders praten zichzelf
zo diep de ellende in
dat er vanzelf geweld volgt.
Nou, zet daar een kernarsenaal naast
en je hebt geopolitiek anno nu.

We doen in Nederland graag
alsof we geopolitiek begrijpen.
We gooien termen
rond als “geo-ideologisch”
en “multipolaire wereldorde”
en voelen ons dan even heel volwassen.
Ondertussen vliegen de raketten
ons om de oren
en blijkt dat overtuigingen
– religieus, ideologisch –
inderdaad een rol spelen.
Verrassing.
Maar dat is niet het hele verhaal.

Geschiedenis is geen Netflix-serie
met één duidelijke verhaallijn.
Geen “dit is de oorzaak, dit is de slechterik, klaar”.
Dus waarom blijven we doen alsof dat wel zo is?

Misschien omdat de echte verklaring ongemakkelijk is.

Misschien omdat het gênant is
om toe te geven dat oorlog
soms gewoon voortkomt uit gekrenkte ego’s.
Uit mannen die hun Wikipedia-pagina
nog even willen oppoetsen voordat het doek valt.

De één wil een fout uit het verleden rechtzetten.
De ander wil wraak nemen
– voor zichzelf, of voor papa.
Weer een ander
wil gewoon een monument.
Geen standbeeld van brons,
maar een conflict van duizenden doden.
Lekker permanent.
Lekker zichtbaar in de geschiedenisboeken.

“Legacy leadership”, heet dat dan chic.
In bedrijven betekent het
dat je een inspirerend verhaal achterlaat
en een koffiemok
met je naam erop in de kantine.
In de wereldpolitiek
betekent het:
een regio in brand steken
zodat jouw naam blijft hangen.

En wij maar denken dat het gaat over strategie.

Kijk naar hoe er gepraat wordt.
Over “doelwitten”, “boodschappen”, “historische correcties”.
Het klinkt allemaal alsof het om beleid gaat.
Maar luister iets beter en je hoort vooral:
trots, rancune, bewijsdrang.
Kinderachtige motieven,
verpakt in staatsmansretoriek.

En dan heb je nog de moderne variant:
leiders die tegelijkertijd oorlog voeren
én hun eigen werkelijkheid kneden.
Vandaag bombarderen,
morgen roepen
dat er “productieve gesprekken” zijn.
Niet omdat het waar is,
maar omdat het lekker klinkt.
Truthiness met raketten.

De markten kalmeren,
de achterban tevreden,
de tegenstander in verwarring.
En als het niet werkt?
Ach.
Dan bombarderen we gewoon lekker door.
Ook dat past in het narratief.

Het wrange is:
systemen corrigeren dit nauwelijks nog.
Macht concentreert zich,
tegenspraak verdampt (soms onder druk),
en persoonlijke obsessies worden beleid.
En zelfs als zo’n leider verdwijnt,
staat de volgende al klaar
– vaak nog bozer, nog radicaler.
Alsof wraak een estafette is.

Dus ja,
misschien moeten we oorlog
niet alleen analyseren
met kaarten en theorieën,
maar ook met een spiegel
en een beetje cynisme.

Want zolang wereldleiders
hun nalatenschap
verwarren met hun gelijk,
blijft Spreuken 18:6 pijnlijk actueel.

Alleen zijn het deze keer
geen woorden die twist brengen.

Het zijn bommen.

 

Er wordt weer gebeden voor oorlog.
Hardop.
Met Bijbelcitaten
en alles erop en eraan.
Alsof kogels ineens heiliger worden
als je er een psalm overheen giet.

De Amerikaanse minister van Oorlog, Pete Hegseth,
citeert doodleuk Psalm 144:
God die je handen traint voor de strijd.
Mooi beeld, zou je zeggen.
Tot je beseft dat die “training” neerkomt
op bommen boven Teheran.
En alsof dat nog niet genoeg is,
eindigt hij met een gebed
om “volledige overwinning”.
God als militaire adviseur.
Handig.
‘Praise the Lord and pass the ammunition’

En daar blijft het niet bij.
Soldaten klagen dat hun commandanten
deze oorlog verkopen als “Gods plan”.
Serieus.
Alsof er ergens
een hemelse PowerPoint rondgaat met:
Slide 3: Iran platleggen.
En natuurlijk komt Donald Trump
ook langs als “door Jezus gezalfd”.
Je verzint het niet,
maar blijkbaar
hoeft dat ook niet meer.

Kijk, religieuze taal in oorlog is niet nieuw.
George W. Bush
had het ook over God
die hem Irak in stuurde.
Barack Obama
bad voor gesneuvelden.
Maar wat er nu gebeurt,
is een tandje heftiger:
hier wordt buitenlands beleid
gewoon verpakt
als een soort eindtijdscript.

En Hegseth zelf?
Die loopt rond met kruistocht-tatoeages.
“Deus vult” — God wil het.
Dat riepen ze ook toen ze in de Middeleeuwen
halve continenten afslachtten.
Geschiedenislesje gemist, blijkbaar.
Of erger: bewust overgeslagen.

En dan heb je nog de Amerikaanse ambassadeur in Israël
die praat over “bijbelse grenzen”.
Van de Nijl tot de Eufraat.
Dat is geen geopolitiek meer,
dat is een landkaart
uit een oud zondagsschoolboekje.

Ondertussen doet Iran vrolijk mee
aan dezelfde religieuze escalatie.
Daar draait alles
om de terugkeer van de Mahdi.
Apocalyps als strategie.
De vijand verslaan
is niet alleen winst,
het is een stap
richting het einde der tijden.
De islamitische revolutionaire garde
ziet zichzelf letterlijk als een religieus leger.

Dus wat krijg je?
Twee kampen
die allebei denken
dat God aan hun kant staat.
Spoiler:
dat is historisch gezien
zelden een recept
voor terughoudendheid.

En dan Israël.
Premier Benjamin Netanyahu
die militaire operaties
“De brul van de leeuw” noemt.
Bijbelverzen erbij,
bloed en prooi inbegrepen.
Klinkt stoer.
Is het ook.
Maar het maakt van oorlog iets mythisch.
Iets onvermijdelijks.
En vooral:
iets wat je niet meer hoeft te bevragen.

Dat is misschien nog wel het gevaarlijkste.
Zodra oorlog een religieus verhaal wordt,
verdwijnen de remmen.
Doden zijn geen slachtoffers meer,
maar offers.
Twijfel wordt zwakte.
En vrede?
Dat is dan ineens
verraad aan een hoger plan.

Iedereen in dit conflict
zegt in feite hetzelfde:
wij zijn goed, zij zijn kwaad,
en God staat achter ons.
Dat is geen analyse.
Dat is propaganda
met een corona.

Misschien is het tijd
om God er even buiten te laten.
Gewoon, ouderwets.
Zodat we weer
kunnen zien wat dit echt is:
mensen die andere mensen doden,
en daar een heilig sausje
overheen gooien
om het beter te laten smaken.

Want oorlog blijft oorlog.
Ook als je ervoor bidt.

 

Als je aan passie-muziek denkt,
zou je snel kunnen denken aan verdriet.
Maar bij Johann Sebastian Bach ligt dat anders.
Van de vele Passievertolkingen
door Bach
is denk ik de Matthäus Passion
de bekendste in Nederland.
Rond Pasen vind je
bijna overal
een uitvoering
vanh deze Passion
Maar in deze post
wil ik licht laten schijnen
op zijn Johannes Passion.
Want die begint
niet klein en ingetogen
zoal de Matthäus Passion,
maar heel groots
en bijna overweldigend.
Glorieus zelfs.

En dat is geen toeval.

Bach volgt hier namelijk
het spoor van het Evangelie van Johannes.
Dat evangelie begint met
“In het begin…”
een directe echo van Genesis.
Daar zie je eerst de schepping,
met als hoogtepunt de mens,
en daarna… rust.
De zevende dag.
En precies dat patroon
zie je ook terug
bij Johannes én bij Bach:
eerst glorie, dan rust.

Alleen zit er een verschil.
Genesis vertelt een mooie, goede wereld.
Johannes laat een wereld zien
die ontspoord is.
Macht, angst, geweld;
het zit overal.
En toch zegt Johannes:
kijk goed,
want juist hier gebeurt iets groots.
Hier wordt overwinning behaald.

Dat is wennen.
Want eerlijk:
een proces vol spot, mishandeling
en uiteindelijk een kruis…
dat voelt niet als glorie.
Eerder als het tegenovergestelde.
Maar Bach zegt eigenlijk:
luister nou gewoon.
Ik laat je horen hoe dat tóch klopt.

Neem het begin: “Herr, unser Herrscher.”
Alleen al dat woord “Herr” (Heer)
hangt samen met “herrlich” “glorieus”.
Alles ademt: kijk met andere ogen.
Zie wat hier echt gebeurt.

En Bach trekt je er helemaal in.
Je zit niet veilig op afstand,
zoals bij de Matthäus Passion.
Nee, je staat er middenin.
Het ene moment
zing je bij wijze van spreken
nog vrolijk mee,
het volgende moment
zit je ineens
in het kamp van Petrus
die Jezus ontkent.
Of tussen de mensen
die schreeuwen: kruisig hem.

Best confronterend.
Want ergens voel je: dit gaat ook over mij.

Het kantelpunt zit in de aria “Es ist vollbracht”.
Dat klinkt als:
het is voorbij.
Maar precies dat bedoelt Bach niet.
Het is volbracht betekent:
het werk is af.
Klaar.
Missie geslaagd.

En midden in
die verdrietige muziek
breekt ineens iets krachtigs door.
Alsof er een deur openvliegt:
overwinning.
Niet ondanks de dood,
maar erdoorheen.
Dat is de bizarre,
maar ook hoopvolle kern
van het verhaal.

Daarna zakt alles weg in rust. “Ruht wohl.”
Alsof na een lange, zware dag
eindelijk de stilte komt.
Net als na de schepping:
de zevende dag.

Maar Bach laat het daar niet bij.
Hij stelt een vraag.
Eigenlijk heel simpel:
waar sta jij?

Ben je zoals Pontius Pilatus,
die het allemaal ingewikkeld vindt
en z’n handen ervan aftrekt?
Of zoals de menigte,
die meegaat
in de waan van de dag?
Of durf je iets anders?

Want uiteindelijk
botsen hier twee werelden.
De ene waarin macht bepaalt wat waar is.
De andere waarin liefde
en overgave het winnen.

Dat klinkt misschien
groot en ver weg.
Maar Bach
maakt het klein en dichtbij.
Hij laat het je niet alleen begrijpen…
hij laat je het ook voelen.

En misschien
is dat wel
het meest ongemakkelijke van alles:
dat die oude muziek
ineens iets zegt
over hoe wij vandaag leven.

 

Pasen is niet te geloven. Echt niet.

Het is het kernfeest van de kerk,
het hart van het christelijk geloof.
Zonder Pasen geen christendom.
Als je erover begint,
ga je vanzelf zachter praten.
Alsof je op heilige grond staat.

Voor mensen totaal onvoorstelbaar.
Ik hoorde laatst een collega theoloog op Radio 1.
De vraag was simpel:
wat betekenen Goede Vrijdag en Pasen?
Hij zei: “De bottomline?
De dood heeft niet het laatste woord.”
Punt.
En precies op dat moment werd hij onderbroken.
Er was ergens een doelpunt gevallen
op een Nederlands voetbalveld.

Typisch.
De dood overwonnen
en hup,
we schakelen over naar de eredivisie.

Maar hij had gelijk.
Dat is Pasen:
de dood heeft niet het laatste woord.

En tegelijk: het is niet te geloven.
Wie ooit bij een dode heeft gestaan,
weet hoe definitief de dood voelt.
Hoe koud. Hoe stil.
Hoe onomkeerbaar.
Dood is dood.
Ook bij Jezus.
Hij hing daar, zichtbaar voor iedereen.
Hij stierf. Hij gaf de geest.
Geen schijnvertoning.
Geen bijna-doodervaring.
Gewoon: gestorven.

En dan dat verhaal
uit het evangelie van Matteüs.
Vrouwen bij het graf. Een aardbeving.
Een engel die de steen wegrolt
en er doodleuk op gaat zitten.
“Wees niet bang.
Hij is niet hier.
Hij is opgestaan.”
Het graf is leeg.

Niet te geloven.

Tenminste, niet als je denkt
dat Pasen betekent
dat Jezus na drie dagen
gewoon weer verderging
waar Hij gebleven was.
Alsof er een pauzeknop was ingedrukt.
Dat is een karikatuur.
Pasen is geen terugspoelen.
Geen weder-opstanding in de zin van:
we pakken de draad weer op.

Door Pasen is alles anders.

De opstanding zelf zien we niet.
Geen camera’s in het graf.
Geen verslaggevers.
Het blijft een mysterie.
Wat we zien, is een leeg graf.
Wat we horen, is een boodschap:
Hij leeft.
En wat we merken in de verhalen:
niemand herkent Hem meteen.
Er is angst.
Twijfel.
Ontzetting.
En steeds weer die woorden:
wees niet bang.

Pasen is geen truc.
Het is een lens.
Je kijkt naar dezelfde wereld
– met oorlog, verlies, ziekte, onrecht –
maar je ziet méér.
Je ziet dat liefde
niet is weggevaagd door geweld.
Dat wat Jezus leefde en verkondigde
niet is geëindigd aan een kruis.

De liefde van God laat zich niet begraven.

De dood heeft niet het laatste woord.
Dat betekent niet dat de dood er niet meer is.
Het betekent dat hij niet beslissend is.
Niet ultiem.
Niet het einde van het verhaal.

En dat verandert alles.

Het bevrijdt je van cynisme.
Van dat harde stemmetje dat zegt:
“Het wordt toch nooit wat.”
Het bevrijdt je
– wonderlijk genoeg –
zelfs van de verlammende angst voor de dood.
Als de dood niet het laatste is,
dan hoef ik niet krampachtig vast te houden.
Dan mag ik leven. Voluit.
Breken en delen.
Liefhebben zonder garantie.

Pasen is niet alleen iets om te geloven.
Het is iets om te doen.

De vrouwen worden weggestuurd bij het graf.
Weg van het verleden.
De wereld in.
“Hij gaat jullie voor.”
Dat is Pasen:
in beweging komen.
Opstandig worden tegen alles wat doods is
tegen onrecht, haat, onverschilligheid.
Omdat je gelooft dat leven sterker is.

“In Christus is een nieuwe schepping,” schrijft Paulus.

Dat is geen theorie.
Dat is een manier van bestaan.
Een nieuwe mens worden.
Hier.
Nu.

Dus ja, Pasen is niet te geloven.

Maar misschien
is dat precies de bedoeling.

Niet dat je het kunt verklaren.
Maar dat je het aandurft.

Te leven want de dood
heeft niet het laatste woord.

Werkelijk niet.

 

Het is sabbat. Stille Zaterdag.

De stad is tot rust gekomen.
Het geschreeuw van gisteren is verstomd.
Het kruis staat er niet meer, het lichaam is begraven.
De steen is voor de ingang gerold.
En dan die ene sobere zin:
“Op de sabbat rustten zij naar het gebod.”

Jezus Christus is gestorven.
Vrijdag klonk zijn laatste woord:
“Het is volbracht.”
Daarna werd het stil.
Jozef van Arimathea vroeg om het lichaam,
wikkelde het in linnen
en legde het in een nieuw graf.
De vrouwen keken toe.
Ze wilden meer doen.
Zorgen. Zalven.
Liefhebben tot het einde.
Maar de zon ging onder.
De sabbat begon.

En dus rustten zij.

Dat voelt bijna ongemakkelijk.
Hoe kun je rusten
als alles in je roept om iets te dóén?
Als je hart gebroken is?
Als je wereld instort?

Toch is dit geen kille gehoorzaamheid.
Het is een vorm van overgave.

Stille Zaterdag is de dag tussen wanhoop en hoop.
Tussen kruis en opstanding.
Een lege, stille ruimte waarin niets lijkt te gebeuren.
God zwijgt.
De hemel blijft dicht.
De leerlingen wachten
verward, verdrietig,
misschien ook bang.

En toch: het is sabbat.

In de Bijbel is sabbat
de dag waarop God
rustte na de schepping.
Niet omdat Hij moe was,
maar omdat het werk voltooid was.
Alles was gedaan.
Het was goed.
Die rust was geen leegte,
maar vervulling.

Zo ligt nu ook Jezus in het graf.
Zijn werk is volbracht.
Wat vrijdag werd uitgeroepen,
wordt op zaterdag bewaard in stilte.
De rust van deze dag zegt:
het is echt klaar.
Er hoeft niets meer bij.

Dat is moeilijk voor mensen zoals wij.
Wij willen iets doen
al is het maar
om onze onmacht te verdrijven.
Wij willen zorgen,
regelen, begrijpen.
Maar Stille Zaterdag
leert ons wachten.
Vertrouwen.
Rusten.

Niet uit onverschilligheid,
maar in geloof.

De vrouwen rusten “naar het gebod”.
Dat gebod was ooit gegeven
als een geschenk:
één dag om niet te leven
van je eigen inspanning,
maar van Gods trouw.
Eén dag om te ontvangen
in plaats van te presteren.

Misschien is dat vandaag
nog steeds de uitnodiging.

Er zijn momenten in een mensenleven
die lijken op Stille Zaterdag.
Gebeden die niet verder lijken te komen
dan het plafond.
Beloften lijken begraven.
Je staat bij een graf
— letterlijk of figuurlijk —
en weet niet hoe het verder moet.

En dan zegt deze dag niet:
begrijp het.
Ook niet: los het op.

Deze dag zegt: rust.

Rust in wat Hij heeft gedaan,
ook als je het nog niet ziet.
Rusten in Gods trouw,
ook als alles zwijgt.
Rusten,
omdat het werk
niet op jouw schouders ligt.

Stille Zaterdag is geen dag van grote woorden.
Het is een dag van stille hoop.
De hoop die nog geen bewijs heeft,
maar wel een belofte.

De steen ligt nog voor het graf.
De nacht is nog niet voorbij.

Maar onder de stilte klopt het volbrachte werk van Christus.
En wie bij Hem hoort,
mag — midden in het wachten — rusten.

Morgen is het Pasen.
De nieuwe morgen komt!

 

Het was maar een heuvel buiten de stad.
Een executieplek.
Zo’n plaats waar je liever
met een boog omheen loopt.
En toch…
wat daar gebeurde op Golgotha
heeft de wereld doormidden gesneden.

Zie je het voor je?
Die dag voelde niet als een kantelpunt.
Geen engelenkoren.
Geen applaus uit de hemel.
Gewoon stof, zweet, bloed.
Soldaten die hun werk doen.
Omstanders die grappen maken.
Religieuze leiders die tevreden knikken.
En ergens daarboven,
vastgespijkerd tussen hemel en aarde: Jezus.

De aarde wilde Hem niet meer.
De hemel leek stil.
Hij hing daar in het niemandsland.
Dat is wat een kruis doet.
Het is niet alleen een martelwerktuig.
Het is een statement:
jij telt niet meer mee.
Jij bent afgeschreven.
Door mensen.
En, zo voelt het althans, ook door God.

En toch.

Terwijl de hamerslagen nog naklinken,
bidt Hij.
Niet om wraak.
Niet om vuur uit de hemel.
Hij zegt: Vader, vergeef het hun,
want ze weten niet wat ze doen.

Dat is geen zwakte. Dát is koningschap.

Op die heuvel leek de duisternis te winnen.
De massa heeft geschreeuwd.
Pilatus heeft zijn handen gewassen.
Barabbas loopt vrij rond.
Jezus hangt vast.
Als je er met menselijke ogen naar kijkt,
is dit het failliet van hoop.

Maar luister naar Zijn woorden.
Daar, midden in de vernedering, regeert Hij.
Niet met geweld, maar met genade.
Niet door Zijn vijanden neer te slaan,
maar door voor hen te bidden.

‘Ze weten niet wat ze doen.’

Echt niet?
Die soldaten wisten precies
hoe je iemand moest kruisigen.
De leiders wisten precies
wat ze wilden:
van Hem af.
De menigte wist precies
hoe je iemand kapot schreeuwt.

En toch zegt Hij: ze weten het niet.

Ze weten niet Wie Ik ben.
Ze weten niet wat hier gebeurt.
Ze weten niet dat ze,
terwijl ze Mij afwijzen, gered worden.

Dat is het schurende van Goede Vrijdag.
Want laten we eerlijk zijn:
wij weten vaak ook niet wat we doen.
We kiezen voor onszelf.
We lopen God voorbij.
We praten goed wat krom is.
We noemen duisternis nuance.

En ondertussen bidt Hij.

Niet pas nadat wij berouw tonen.
Niet pas nadat wij het snappen.
Nee, terwijl wij nog bezig zijn
met onze eigen hamerslagen.
Dat is wat Paulus later schrijft in de Romeinenbrief:
toen wij nog zondaars waren,
stierf Christus voor ons.

Dat is genade die je uit het veld slaat.

Wij denken vaak:
eerst inzicht, dan vergeving.
Eerst schoon schip maken,
dan mag je thuiskomen.
Maar aan dat kruis
wordt de volgorde omgedraaid.
Daar klinkt vergeving
vóórdat iemand ‘sorry’ zegt.

Dat voelt bijna te makkelijk.
Te royaal. Te riskant.

Maar kijk naar die misdadiger naast Hem.
Een man met bloed aan zijn handen.
Geen tijd meer om zijn leven te beteren.
Geen kans om iets goed te maken.
En Jezus zegt:
vandaag nog zul je met Mij in het paradijs zijn.

Hoe dan?

Omdat vergeving niet rust op onze prestatie,
maar op Zijn overgave.
Omdat er iets rechtgezet moest worden
tussen God en ons
en wij dat niet konden.
Dus deed Hij het.

Daarom is het kruis niet het einde
van een tragisch verhaal,
maar het begin van een uittocht.
Uit de greep van schuld.
Uit de macht van zonde.
Uit de leugen
dat jij voorgoed bent afgeschreven.

“Het is volbracht.”

Dat is geen zucht van nederlaag.
Dat is de adem van overwinning.

En dan, als alles gezegd is,
legt Hij Zijn leven terug
in de handen van Zijn Vader.
Alsof Hij wil zeggen:
het is goed zo. De weg is open.

Dus ja,
het was een donkere dag op Golgotha.
Maar het was ook de dag
waarop de liefde het laatste woord kreeg.

En dat woord klinkt nog steeds.

Voor hen.
Voor jou.
Voor mij.

 

Bij voorbaat verontschuldig ik dat nu alvast
een beetje op de zaken vooruitloop,
maar ik wil graag iets zeggen over de Opstanding van Christus.
We zijn nog maar net begonnen aan het Triduüm, de drie dagen voor Pasen
en her en der horen we dan:
‘Als we niet met Hem sterven op Goede Vrijdag,
kunnen we niet met Hem opstaan op Paasmorgen.’

Maar een deel van het probleem dat deze zin oproept,
is dat we niet zozeer Goede Vrijdag overslaan,
maar Paasmorgen.
In onze vastberadenheid om ons te concentreren op het lijden van Christus,
kan Pasen misschien een vreugdevolle preek zijn, een prachtige uitroep:
‘Hij is opgestaan!’
en dan gaan we weer verder.

Dus als het om wonderen gaat,
is het maar al te vaak het Grote Wonder
waar we onze aandacht van afwenden.
En we kunnen het zelfs helemaal overslaan.

Net als de omvang van het heelal
is Pasen bijna te groot voor ons menselijk verstand om te bevatten.
Dus beperken we ons tot het opdreunen van feiten en overtuigingen.
Zoiets van:
‘Ons heelal is 13 miljard lichtjaar breed
en is letterlijk uit het niets ontstaan.
Jezus Christus stond op uit de dood
en verscheen aan zijn discipelen.’
Feiten, maar we kunnen er met ons verstand niet bij…
Dus maar weer door!

Onder de gelovigen heerst er een reële angst voor de opstanding.
Niet zoals de Bijbel spreekt over de vrees voor God,
maar een veel fundamentelere angst
van bijvoorbeeld het schoolkind dat iets niet goed lijkt te begrijpen.
Het is alsof we moeten geloven, maar het niet kunnen,
met een vleugje van die vreselijke angst
zoals zij die zeggen dat – net als bij Donald Trump –
je het niet letterlijk maar serieus moeten nemen,
misschien wel gelijk hebben.

Het is de angst voor de gapende kloof
tussen de letterlijke waarheid (in het Grieks: logos)
en de metaforische of allegorische waarheid (mythos).
En het is alsof we gedwongen worden een keuze te maken
die we, in in alle gemoede, niet kunnen.
Als zodanig wordt het wat Paulus een struikelblok zou noemen,
iets dat in de weg staat in plaats van verlicht.
En het is er een die we stilletjes negeren.

Ik denk dat ik wil zeggen dat we bevrijd moeten worden
van de zorg dat er een juiste manier is om het te interpreteren,
of dat er een keuze moet worden gemaakt
tussen letterlijke en metaforische waarheid.
Met de gebeurtenissen van Paasmorgen
wordt ons een en/en-antwoord aangeboden in plaats van een of/of-keuze.

In dit model is historiciteit nuttig, maar onvoldoende.
We weten als een historisch feit dat Jezus van Nazareth
door de Romeinse autoriteiten werd gekruisigd
en we kunnen, in historische termen,
zeer redelijkerwijs aannemen dat een van zijn discipelen,
een vrouw uit Magdala, Maria genaamd,
na de Joodse sabbat naar zijn graf ging en het leeg aantrof.

Daarna wordt de ervaring van de Opstanding moeilijker,
zo niet onmogelijk, te beschrijven.
Niet alleen voor ons, maar vooral voor de eerste getuigen ervan.
Dat is deels de reden
waarom deze evangelietekst
op een manier is geschreven die anders is
dan alle andere, adembenemender,
persoonlijker, anekdotischer en meer ervaringsgericht.
Het is alsof de opstandige Jezusbeweging voor het eerst in kleur ziet.

Als we overigens op zoek zijn naar een wonder, dan is dit het.
Wat er ook is gebeurd, de totale nederlaag en verstrooiing
van deze kleine, provinciale groep rebellen
in dood en wanhoop
is binnen drie dagen onomkeerbaar veranderd.
De moderne term voor dit fenomeen zou kunnen zijn:
‘Stel je voor’.

Maar we moeten onze ogen niet afwenden
van minder gemakkelijke verschijnselen,
bewijs dat niet alleen metaforisch of allegorisch is,
maar ook ronduit werelds en gemotiveerd door opportunisme.
Het is niet controversieel om op te merken
dat er een verschil is tussen de verhalen over het lege graf
en de verschijningen van de verrezen Christus,
waarbij de laatste deels voortkwamen
uit concurrerende partijen om patriarchale autoriteit,
bij de vroegste vorming van de Kerk.

Het lege graf is niet alleen een bewijs van de verrezen Christus.
Het is er om ons symbolisch te laten zien
waar God niet is.
In het evangelie van Johannes ziet Maria engelen zitten
aan het hoofdeinde en voeteneinde van de steen
waarop het lichaam lag,
een weerspiegeling van het verzoendeksel
van de ark van het verbond,
de lege troon van de onzichtbare Joodse God.
Christus is ‘vooruitgegaan’
om het levende werk van God
in zijn ontluikende Kerk van het nieuwe verbond
voort te zetten.

Bovenal roept deze dualistische benadering van de opstanding
de toeschouwers op om er ontspannen mee om te gaan,
om ons begrip ervan los te laten.
De woorden en daden van de verrezen Christus
lijken dit vaak te bevestigen:
‘Houd mij niet vast’,
‘Sjalom’ (vrede zij met u),
‘Kom en eet’,
‘Voed mijn lammeren’.

Dus worstelen met het begrijpen van de opstanding
is geen breekpunt.
In zekere zin is de Goddelijke boodschap
dat het allergrootste wonder niet zo bijzonder is.
Het leven gaat echt door.

Volgende pagina »