Het is sabbat. Stille Zaterdag.

De stad is tot rust gekomen.
Het geschreeuw van gisteren is verstomd.
Het kruis staat er niet meer, het lichaam is begraven.
De steen is voor de ingang gerold.
En dan die ene sobere zin:
“Op de sabbat rustten zij naar het gebod.”

Jezus Christus is gestorven.
Vrijdag klonk zijn laatste woord:
“Het is volbracht.”
Daarna werd het stil.
Jozef van Arimathea vroeg om het lichaam,
wikkelde het in linnen
en legde het in een nieuw graf.
De vrouwen keken toe.
Ze wilden meer doen.
Zorgen. Zalven.
Liefhebben tot het einde.
Maar de zon ging onder.
De sabbat begon.

En dus rustten zij.

Dat voelt bijna ongemakkelijk.
Hoe kun je rusten
als alles in je roept om iets te dóén?
Als je hart gebroken is?
Als je wereld instort?

Toch is dit geen kille gehoorzaamheid.
Het is een vorm van overgave.

Stille Zaterdag is de dag tussen wanhoop en hoop.
Tussen kruis en opstanding.
Een lege, stille ruimte waarin niets lijkt te gebeuren.
God zwijgt.
De hemel blijft dicht.
De leerlingen wachten
verward, verdrietig,
misschien ook bang.

En toch: het is sabbat.

In de Bijbel is sabbat
de dag waarop God
rustte na de schepping.
Niet omdat Hij moe was,
maar omdat het werk voltooid was.
Alles was gedaan.
Het was goed.
Die rust was geen leegte,
maar vervulling.

Zo ligt nu ook Jezus in het graf.
Zijn werk is volbracht.
Wat vrijdag werd uitgeroepen,
wordt op zaterdag bewaard in stilte.
De rust van deze dag zegt:
het is echt klaar.
Er hoeft niets meer bij.

Dat is moeilijk voor mensen zoals wij.
Wij willen iets doen
al is het maar
om onze onmacht te verdrijven.
Wij willen zorgen,
regelen, begrijpen.
Maar Stille Zaterdag
leert ons wachten.
Vertrouwen.
Rusten.

Niet uit onverschilligheid,
maar in geloof.

De vrouwen rusten “naar het gebod”.
Dat gebod was ooit gegeven
als een geschenk:
één dag om niet te leven
van je eigen inspanning,
maar van Gods trouw.
Eén dag om te ontvangen
in plaats van te presteren.

Misschien is dat vandaag
nog steeds de uitnodiging.

Er zijn momenten in een mensenleven
die lijken op Stille Zaterdag.
Gebeden die niet verder lijken te komen
dan het plafond.
Beloften lijken begraven.
Je staat bij een graf
— letterlijk of figuurlijk —
en weet niet hoe het verder moet.

En dan zegt deze dag niet:
begrijp het.
Ook niet: los het op.

Deze dag zegt: rust.

Rust in wat Hij heeft gedaan,
ook als je het nog niet ziet.
Rusten in Gods trouw,
ook als alles zwijgt.
Rusten,
omdat het werk
niet op jouw schouders ligt.

Stille Zaterdag is geen dag van grote woorden.
Het is een dag van stille hoop.
De hoop die nog geen bewijs heeft,
maar wel een belofte.

De steen ligt nog voor het graf.
De nacht is nog niet voorbij.

Maar onder de stilte klopt het volbrachte werk van Christus.
En wie bij Hem hoort,
mag — midden in het wachten — rusten.

Morgen is het Pasen.
De nieuwe morgen komt!

 

Het was maar een heuvel buiten de stad.
Een executieplek.
Zo’n plaats waar je liever
met een boog omheen loopt.
En toch…
wat daar gebeurde op Golgotha
heeft de wereld doormidden gesneden.

Zie je het voor je?
Die dag voelde niet als een kantelpunt.
Geen engelenkoren.
Geen applaus uit de hemel.
Gewoon stof, zweet, bloed.
Soldaten die hun werk doen.
Omstanders die grappen maken.
Religieuze leiders die tevreden knikken.
En ergens daarboven,
vastgespijkerd tussen hemel en aarde: Jezus.

De aarde wilde Hem niet meer.
De hemel leek stil.
Hij hing daar in het niemandsland.
Dat is wat een kruis doet.
Het is niet alleen een martelwerktuig.
Het is een statement:
jij telt niet meer mee.
Jij bent afgeschreven.
Door mensen.
En, zo voelt het althans, ook door God.

En toch.

Terwijl de hamerslagen nog naklinken,
bidt Hij.
Niet om wraak.
Niet om vuur uit de hemel.
Hij zegt: Vader, vergeef het hun,
want ze weten niet wat ze doen.

Dat is geen zwakte. Dát is koningschap.

Op die heuvel leek de duisternis te winnen.
De massa heeft geschreeuwd.
Pilatus heeft zijn handen gewassen.
Barabbas loopt vrij rond.
Jezus hangt vast.
Als je er met menselijke ogen naar kijkt,
is dit het failliet van hoop.

Maar luister naar Zijn woorden.
Daar, midden in de vernedering, regeert Hij.
Niet met geweld, maar met genade.
Niet door Zijn vijanden neer te slaan,
maar door voor hen te bidden.

‘Ze weten niet wat ze doen.’

Echt niet?
Die soldaten wisten precies
hoe je iemand moest kruisigen.
De leiders wisten precies
wat ze wilden:
van Hem af.
De menigte wist precies
hoe je iemand kapot schreeuwt.

En toch zegt Hij: ze weten het niet.

Ze weten niet Wie Ik ben.
Ze weten niet wat hier gebeurt.
Ze weten niet dat ze,
terwijl ze Mij afwijzen, gered worden.

Dat is het schurende van Goede Vrijdag.
Want laten we eerlijk zijn:
wij weten vaak ook niet wat we doen.
We kiezen voor onszelf.
We lopen God voorbij.
We praten goed wat krom is.
We noemen duisternis nuance.

En ondertussen bidt Hij.

Niet pas nadat wij berouw tonen.
Niet pas nadat wij het snappen.
Nee, terwijl wij nog bezig zijn
met onze eigen hamerslagen.
Dat is wat Paulus later schrijft in de Romeinenbrief:
toen wij nog zondaars waren,
stierf Christus voor ons.

Dat is genade die je uit het veld slaat.

Wij denken vaak:
eerst inzicht, dan vergeving.
Eerst schoon schip maken,
dan mag je thuiskomen.
Maar aan dat kruis
wordt de volgorde omgedraaid.
Daar klinkt vergeving
vóórdat iemand ‘sorry’ zegt.

Dat voelt bijna te makkelijk.
Te royaal. Te riskant.

Maar kijk naar die misdadiger naast Hem.
Een man met bloed aan zijn handen.
Geen tijd meer om zijn leven te beteren.
Geen kans om iets goed te maken.
En Jezus zegt:
vandaag nog zul je met Mij in het paradijs zijn.

Hoe dan?

Omdat vergeving niet rust op onze prestatie,
maar op Zijn overgave.
Omdat er iets rechtgezet moest worden
tussen God en ons
en wij dat niet konden.
Dus deed Hij het.

Daarom is het kruis niet het einde
van een tragisch verhaal,
maar het begin van een uittocht.
Uit de greep van schuld.
Uit de macht van zonde.
Uit de leugen
dat jij voorgoed bent afgeschreven.

“Het is volbracht.”

Dat is geen zucht van nederlaag.
Dat is de adem van overwinning.

En dan, als alles gezegd is,
legt Hij Zijn leven terug
in de handen van Zijn Vader.
Alsof Hij wil zeggen:
het is goed zo. De weg is open.

Dus ja,
het was een donkere dag op Golgotha.
Maar het was ook de dag
waarop de liefde het laatste woord kreeg.

En dat woord klinkt nog steeds.

Voor hen.
Voor jou.
Voor mij.

 

Bij voorbaat verontschuldig ik dat nu alvast
een beetje op de zaken vooruitloop,
maar ik wil graag iets zeggen over de Opstanding van Christus.
We zijn nog maar net begonnen aan het Triduüm, de drie dagen voor Pasen
en her en der horen we dan:
‘Als we niet met Hem sterven op Goede Vrijdag,
kunnen we niet met Hem opstaan op Paasmorgen.’

Maar een deel van het probleem dat deze zin oproept,
is dat we niet zozeer Goede Vrijdag overslaan,
maar Paasmorgen.
In onze vastberadenheid om ons te concentreren op het lijden van Christus,
kan Pasen misschien een vreugdevolle preek zijn, een prachtige uitroep:
‘Hij is opgestaan!’
en dan gaan we weer verder.

Dus als het om wonderen gaat,
is het maar al te vaak het Grote Wonder
waar we onze aandacht van afwenden.
En we kunnen het zelfs helemaal overslaan.

Net als de omvang van het heelal
is Pasen bijna te groot voor ons menselijk verstand om te bevatten.
Dus beperken we ons tot het opdreunen van feiten en overtuigingen.
Zoiets van:
‘Ons heelal is 13 miljard lichtjaar breed
en is letterlijk uit het niets ontstaan.
Jezus Christus stond op uit de dood
en verscheen aan zijn discipelen.’
Feiten, maar we kunnen er met ons verstand niet bij…
Dus maar weer door!

Onder de gelovigen heerst er een reële angst voor de opstanding.
Niet zoals de Bijbel spreekt over de vrees voor God,
maar een veel fundamentelere angst
van bijvoorbeeld het schoolkind dat iets niet goed lijkt te begrijpen.
Het is alsof we moeten geloven, maar het niet kunnen,
met een vleugje van die vreselijke angst
zoals zij die zeggen dat – net als bij Donald Trump –
je het niet letterlijk maar serieus moeten nemen,
misschien wel gelijk hebben.

Het is de angst voor de gapende kloof
tussen de letterlijke waarheid (in het Grieks: logos)
en de metaforische of allegorische waarheid (mythos).
En het is alsof we gedwongen worden een keuze te maken
die we, in in alle gemoede, niet kunnen.
Als zodanig wordt het wat Paulus een struikelblok zou noemen,
iets dat in de weg staat in plaats van verlicht.
En het is er een die we stilletjes negeren.

Ik denk dat ik wil zeggen dat we bevrijd moeten worden
van de zorg dat er een juiste manier is om het te interpreteren,
of dat er een keuze moet worden gemaakt
tussen letterlijke en metaforische waarheid.
Met de gebeurtenissen van Paasmorgen
wordt ons een en/en-antwoord aangeboden in plaats van een of/of-keuze.

In dit model is historiciteit nuttig, maar onvoldoende.
We weten als een historisch feit dat Jezus van Nazareth
door de Romeinse autoriteiten werd gekruisigd
en we kunnen, in historische termen,
zeer redelijkerwijs aannemen dat een van zijn discipelen,
een vrouw uit Magdala, Maria genaamd,
na de Joodse sabbat naar zijn graf ging en het leeg aantrof.

Daarna wordt de ervaring van de Opstanding moeilijker,
zo niet onmogelijk, te beschrijven.
Niet alleen voor ons, maar vooral voor de eerste getuigen ervan.
Dat is deels de reden
waarom deze evangelietekst
op een manier is geschreven die anders is
dan alle andere, adembenemender,
persoonlijker, anekdotischer en meer ervaringsgericht.
Het is alsof de opstandige Jezusbeweging voor het eerst in kleur ziet.

Als we overigens op zoek zijn naar een wonder, dan is dit het.
Wat er ook is gebeurd, de totale nederlaag en verstrooiing
van deze kleine, provinciale groep rebellen
in dood en wanhoop
is binnen drie dagen onomkeerbaar veranderd.
De moderne term voor dit fenomeen zou kunnen zijn:
‘Stel je voor’.

Maar we moeten onze ogen niet afwenden
van minder gemakkelijke verschijnselen,
bewijs dat niet alleen metaforisch of allegorisch is,
maar ook ronduit werelds en gemotiveerd door opportunisme.
Het is niet controversieel om op te merken
dat er een verschil is tussen de verhalen over het lege graf
en de verschijningen van de verrezen Christus,
waarbij de laatste deels voortkwamen
uit concurrerende partijen om patriarchale autoriteit,
bij de vroegste vorming van de Kerk.

Het lege graf is niet alleen een bewijs van de verrezen Christus.
Het is er om ons symbolisch te laten zien
waar God niet is.
In het evangelie van Johannes ziet Maria engelen zitten
aan het hoofdeinde en voeteneinde van de steen
waarop het lichaam lag,
een weerspiegeling van het verzoendeksel
van de ark van het verbond,
de lege troon van de onzichtbare Joodse God.
Christus is ‘vooruitgegaan’
om het levende werk van God
in zijn ontluikende Kerk van het nieuwe verbond
voort te zetten.

Bovenal roept deze dualistische benadering van de opstanding
de toeschouwers op om er ontspannen mee om te gaan,
om ons begrip ervan los te laten.
De woorden en daden van de verrezen Christus
lijken dit vaak te bevestigen:
‘Houd mij niet vast’,
‘Sjalom’ (vrede zij met u),
‘Kom en eet’,
‘Voed mijn lammeren’.

Dus worstelen met het begrijpen van de opstanding
is geen breekpunt.
In zekere zin is de Goddelijke boodschap
dat het allergrootste wonder niet zo bijzonder is.
Het leven gaat echt door.

Als zij zouden zwijgen, zouden de stenen het uitschreeuwen.

 

In deze dagen van de Goede Week
lopen wij als het ware mee,
de weg op van Betanië naar Jeruzalem.
We zien Jezus Christus gaan,
omringd door zijn leerlingen.
Er hangt iets in de lucht.
Verwachting. Hoop.
En misschien ook wel verwarring.

Hij kiest een ezelsveulen.
Geen strijdros,
geen vertoon van macht.
Maar eenvoud. Nederigheid.
En toch:
een koninklijk teken,
zoals de profeet ooit beloofde.
Een koning die anders is dan verwacht.

De mensen langs de weg begrijpen er iets van.
Ze leggen hun mantels neer.
Ze zwaaien met takken.
Ze roepen: “Hosanna – Heer, red ons.”
Hun stemmen vullen de lucht.
Hun hoop krijgt woorden.

En dan die opmerking van Jezus,
bijna achteloos, maar zo veelzeggend:
Als zij zouden zwijgen,
zouden de stenen het uitschreeuwen.

Stenen die roepen.

In de traditie van vandaag
denken we misschien aan struikelstenen – stolpersteine.
Kleine stenen in de weg,
die je even uit je pas halen.
Stenen die herinneren.
Die je dwingen
om niet gedachteloos door te lopen.

Zo liggen er ook stenen
op onze weg naar Pasen.

Stenen van teleurstelling.
Stenen van twijfel.
Stenen van niet-begrijpen
waarom God anders handelt
dan wij hopen.

De mensen die “Hosanna” roepen,
zullen een paar dagen later zwijgen.
Of erger:
ze zullen roepen om het tegenovergestelde.
Hun verwachting
van een machtige koning
botst met de werkelijkheid
van een lijdende Messias.

En is dat niet herkenbaar?

Ook wij struikelen.
Over ons eigen beeld van God.
Over wat wij denken
dat Hij zou moeten doen.
Over gebeden
die anders verhoord worden
dan wij willen.

De Veertigdagentijd is een weg.
Geen rechte, gladde weg,
maar een pad vol stenen.
Geen obstakels om te vermijden,
maar tekens om bij stil te staan.

Elke struikelsteen kan een uitnodiging zijn.

Om langzamer te gaan.
Om beter te kijken.
Om opnieuw te luisteren.

Misschien roepen die stenen nog steeds.
Niet luid en oorverdovend,
maar zacht en aandringend:
“Kijk naar Hem.”
“Volg Hem.”
“Blijf niet staan bij wat je verwachtte,
maar ga mee in wat komt.”

Want de weg van Jezus Christus
loopt niet alleen
naar Jeruzalem,
maar naar het kruis.
En voorbij het kruis, naar nieuw leven.

Dat zien we nu nog niet volledig.
Net als de mensen toen.

Maar juist daarom klinkt in deze week
die oude roep opnieuw:
“Hosanna – Heer, red ons.”

Niet omdat wij alles begrijpen.
Maar omdat wij Hem willen volgen.

Misschien is dat
wel de opdracht van deze dagen:
niet om zonder struikelen te lopen,
maar om, struikelend en wel,
toch verder te gaan achter Hem aan.

‘Jezus huilde’

 

Halverwege de Olijfberg,
met uitzicht over Jeruzalem,
staat een klein kerkje.
Het heet Dominus Flevit
dat betekent:
de Heer weende.
Het gebouw heeft zelfs de vorm van een traan.
En als je daar staat,
terwijl beneden het verkeer gewoon doorraast, voel je:
dit is een plek om even stil te worden.

Want hier denken we aan
dat ene, aangrijpende moment:
Jezus die huilt.

Dat zijn we misschien niet zo gewend.
We zien Hem eerder
als degene die binnengehaald wordt
met gejuich.
Mensen roepen: “Hosanna!”
Ze zwaaien, ze juichen,
ze verwachten iets groots.
Eindelijk komt er verandering.
Eindelijk komt er vrede.
Eindelijk een koning die alles rechtzet.

Jezus rijdt op een ezel de stad binnen.
Geen strijdpaard,
maar een teken van vrede.
Hij komt als Koning van de vrede,
als Brenger van echte shalom.
De mensen hopen
op bevrijding van de Romeinen.
Op een nieuw begin.

Maar terwijl iedereen juicht… huilt Jezus.

Waarom?
Omdat Hij ziet wat anderen niet zien.
Hij kijkt verder dan het moment.
Hij ziet niet alleen de stad
zoals die nu is,
maar ook wat er gaat gebeuren.
Hij weet dat zijn weg
niet eindigt op een troon,
maar aan een kruis.

Hij weet dat dezelfde mensen
die nu roepen “Hosanna”,
straks misschien zullen roepen:
“Kruisig Hem.”

En dat breekt zijn hart.

Zijn tranen komen niet voort
uit zwakte,
maar uit liefde.
Diepe, intense liefde.
Liefde voor de stad.
Liefde voor de mensen.
Liefde die ziet
dat mensen
zo dicht bij vrede kunnen zijn…
en het toch missen.

“Als je toch eens wist wat je vrede brengt…”
zegt Hij.

Dat is de pijn.
Niet dat God ver weg is.
Maar dat mensen
Hem niet herkennen
wanneer Hij zo dichtbij komt.
Dat ze hun eigen verwachtingen volgen,
hun eigen ideeën,
en daardoor
voorbijgaan aan wat God werkelijk doet.

En eerlijk? Dat raakt ook ons.

Want hoe vaak gebeurt
dat niet in ons eigen leven?
Dat God dichtbij komt
— in een moment, in een woord, in een ontmoeting —
en dat we het niet doorhebben.
Dat we zo druk zijn,
zo vol van onze eigen plannen,
dat we missen wat er echt toe doet.

Jezus huilt
niet alleen over Jeruzalem toen.
Zijn hart is nog steeds bewogen.
Ook om ons.
Niet uit verwijt, maar uit verlangen.
Verlangen dat we zien.
Dat we herkennen.
Dat we ons openen voor zijn vrede.

En dat is precies de uitnodiging
voor deze dinsdag in de Goede Week.

Sta even stil.
Al is het maar een paar minuten.
Tussen alles wat doorgaat in jouw leven.
Leg je telefoon weg.
Adem even rustig.
En vraag jezelf:
zie ik waar God
vandaag naar mij omziet?

Want dat doet Hij. Echt.

Misschien heel klein. Heel stil.
Maar wel echt.

En het mooie is:
zijn tranen zijn geen eindpunt.
Ze zijn een begin.
Een teken dat zijn liefde niet opgeeft.
Dat Hij blijft zoeken.
Blijft roepen.
Blijft uitnodigen.

Misschien is vandaag wel zo’n moment.
Dat je het wél ziet.

En dat je Zijn vrede binnenlaat.

‘de hand van hem, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel’

 

Handen vertellen eigenlijk precies wie je bent.
Denk maar eens aan je eigen handen.
Wat hebben ze allemaal al gedaan, vastgehouden,
misschien ook losgelaten?
De kleine handjes van een pasgeboren baby
zijn totaal anders
dan de handen van een oudere,
soms vol rimpels en levensverhalen.
De handen van iemand die studeert
zien er anders uit
dan die van een boer
die elke dag vroeg opstaat om te werken.
Je handen verraden iets van je leven.
Van wat je doet.
Maar ook van wat je drijft, diep vanbinnen.

In deze week, de Goede Week,
worden we uitgenodigd
om eens te kijken naar handen.
Vooral naar de handen rondom Jezus.
Op die laatste avond, aan tafel,
gebeurt er iets bijzonders.
Daar raken twee handen elkaar.

De ene hand is de hand van Jezus.
Het is een hand die zoveel goed heeft gedaan.
Een hand die brood brak
en vermenigvuldigde
zodat niemand honger
hoefde te hebben.
Een hand die kinderen optilde en hen zegende.
Een hand die zieken aanraakte
en mensen weer hoop gaf.
Een hand die zelfs
een gestorven meisje
weer tot leven riep.
Maar ook:
een hand die knielde
om de voeten
van zijn leerlingen te wassen.
Een dienende hand.
Een liefdevolle hand.

En dan is daar die andere hand.
De hand van Judas.
Ook hij hoorde erbij.
Ook hij was een leerling, een volgeling.
Iemand die dichtbij Jezus leefde.
Maar zijn hand vertelt een ander verhaal.
Het is de hand van verraad.
De hand die geld aannam
om Jezus uit te leveren.
Alsof er nog iets kleeft aan die hand,
iets van schuld, van verkeerde keuzes.

En toch…
die twee handen raken elkaar.
Gewoon, aan dezelfde tafel.
In dezelfde schaal.
Liefde en verraad zo dicht bij elkaar.
Dat is confronterend.
Want als we eerlijk zijn,
herkennen we daar misschien
ook wel iets van onszelf in.
We willen het goede,
maar we maken ook fouten.
Soms zijn onze handen open en gevend…
en soms sluiten ze zich of grijpen ze mis.

Maar kijk nog eens beter.
Want er is nog een derde hand.
Niet zo zichtbaar,
een beetje op de achtergrond.
De hand van God, de Vader.
Hij is niet afwezig.
Integendeel.
Midden in alles wat er gebeurt
— in alle chaos, alle keuzes van mensen —
is Hij aanwezig.
Stil, maar zeker.

In deze week komen er zoveel mensen voorbij.
Judas, Petrus, Pilatus, soldaten, vrouwen, vrienden…
allemaal met hun eigen handen, hun eigen rol.
En toch loopt er één lijn door alles heen:
God houdt vast.
Hij laat niet los.

Uiteindelijk is er dat moment waarop Jezus zelf zegt:
“Vader, in Uw handen leg Ik mijn leven.”
Dat is geen nederlaag.
Dat is vertrouwen.
Diep vertrouwen.

En misschien is dat wel de uitnodiging voor vandaag.
Om ook jouw leven, jouw handen
— met alles wat daarin zit —
in Gods hand te leggen.
Met je goede momenten,
maar ook met je fouten en je vragen.

Want waar jouw handen soms tekortschieten,
blijft Gods hand trouw.
En dat is hoopvol.

Zeker in deze week.

 

Er is veel volk op de been in Jeruzalem.
De straten puilen uit. het Paasfeest staat immers voor de deur.
Het feest dat herinnert aan de uittocht van het volk van Israël
uit het slavenhuis van Egypte.
En dan is het opeens donker. Midden op de dag. Rond het middaguur.
Een duisternis, die als een donker kleed het hele land overvalt.
Hier zijn krachten aan het werk, die wij mensen niet kunnen verklaren.
Alle natuurwetten worden opzijgeschoven.
God grijpt in!
Wat eens de profeet Amos – in het Oude Testament – profeteerde
gaat vandaag in vervulling:
‘Op die dag – spreekt God, de HEER –
zal Ik op het middaguur de zon doen ondergaan,
en het land verduisteren op klaarlichte dag.’ (Amos 8: 9)
Veel mensen lopen weg.
Nee, om iemand te zien sterven aan een kruis … daar hebben ze geen moeite mee.
Maar voor het onheilspellende donker gaan ze op de loop.
Een angstwekkende duisternis die doet denken
aan de bevrijding uit Egypte.
Het symbool van verschrikking, van ongeluk, verderf en dood.
Het teken van het oordeel van God!
Uit die diepe, angstwekkende duisternis klinkt een langgerekte klacht omhoog:
‘Eli, Eli, lema sabachtani?’
Dat betekent:
‘Mijn God, mijn God, waarom heb U Mij verlaten?’ (Matteüs 27: 46)
Het is het ‘waarom?’ uit de duisternis. Woorden uit Psalm 22.
Woorden waarin een mens een brug zoekt,
die uit de godverlatenheid tot God voert.
Woorden van een mens die bespot wordt en veracht.

‘Waarom?’

We horen zijn diepe smart, zijn diepe eenzaamheid en onbegrip.
Jezus voelt in de duisternis, dat God Zich van Hem afkeert.
Een krachtig antwoord van God blijft uit.
Uit de hemel komt geen antwoord.
Wat heeft Jezus in deze godverlatenheid moeten lijden!
En toch: Hij blijft gehoorzaam aan zijn roeping –
tot het bittere einde toe.
Hoezeer door God verlaten, Jezus blijft roepen in de duisternis:
‘Mijn God …’
In dat ene woordje ‘Mijn’
ligt heel zijn hoop en verwachten besloten.

Drie uren duisternis.
Daarin wordt het oordeel van God over een zondige wereld openbaar.
Drie uur … dan zegt God: ‘Nu is het genoeg!’
‘Het is volbracht!’
Op dat moment treedt God uit zijn verborgenheid.
Het voorhangsel van de tempel scheurt – van boven naar beneden.
De toegang tot God is weer mogelijk!
Die godverlatenheid, die diepe, donkere duisternis,
waarin alle machten op je aankomen
… dat is voor Jezus … de hel.
Daar aan het vervloekte hout van het kruis
geeft Jezus in deze helse godverlatenheid
zijn leven om de deuren van de hemel weer van slot te krijgen.
Wanneer dáár aan het recht van God is voldaan …
Wanneer dáár de schuld voor een zondige wereld is voldaan …
Wanneer dáár de toorn van God is verzoend …
wijkt de duisternis voor het licht!
Het is drie uur in de middag.
Vanaf het tempelplein klinken duidelijk hoorbaar de stoten van de bazuin.
Tijd voor het avondoffer in de tempel. Uur van het gebed.
Dan knielt – in de voorhof van de tempel – het volk van Gods verbond.
Terwijl in het heilige een priester het reukoffer op het altaar ontsteekt.
Zo vloeien gebeden en wierook samen
tot een stroom van smeken tot God.
In dát uur van gebed en offer brengt Jezus
als de grote Priester het offer van zijn leven.
Zijn kruis is tegelijk het altaar
waar eens voorgoed hét offer ter verzoening wordt gebracht.
Tegelijkertijd worden alle menselijke offers daarmee aan de kant geschoven.
Ze hebben geen waarde meer.
Het offer dat Jezus brengt is uniek, onherhaalbaar, onvervangbaar.
Daar kan geen mens iets meer aan toevoegen of afdoen.

En wij?

Vanaf het kruis van Golgotha klinkt het ‘waarom’
van de godverlatenheid.
De gekruisigde Jezus werd verlaten
opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden.
In mijn angst, in mijn pijn, in de aanvechting en de verzoeking,
mag ik vasthouden aan die belofte van de Vader.

Dat is het geheim van dit vierde bewogen kruiswoord!

Morgen begint de Stille week, de Goede week, de Lijdensweek,
kortom de week voorafgaand aan de herdenking van het lijden,
sterven en opstanding van Jezus Christus.

Bovenstaand een handige ‘routekaart’
die we de komende week kunnen gebruiken.
http://www.luthersekerkhaarlem.nl

De komende week wil ik elke dag een meditatie publiceren
aan de hand van de zogenaamde kruiswoorden van Christus:
De woorden die Hij volgens de Bijbel sprak toen hij aan het kruis hing.
In de vier Evangeliën wordt de kruisdood van Jezus
vanuit interpretaties door vier verschillende personen besproken.

Hoe vrij zijn we eigenlijk? Er zit een diep verlangen in ons om vrij te zijn. Maar wie van u hier kan volmondig zeggen:
ik ben vrij, en daar leef ik elke dag weer uit?
Ik geniet van het leven zoals God het bedoeld heeft?

Ja, als christenen belijden we dat in het bloed van Christus
een diepe vrijheid verborgen ligt…
toch zie je daar in de praktijk van je leven soms weinig van terug.
We zijn gebonden door het leven en door onszelf.
Ik denk dat we dat allemaal wel herkennen,
dat ook als je Christus kent en als je Zijn naam belijdt,
je leven niet plots over rozen gaat.
En we weten soms niet zo goed hoe we daar mee om moeten gaan.
Want ergens verwacht je toch, dat als je God kent,
dat je leven makkelijker zal zijn dan daarvoor.
Je dacht vrijheid te hebben gevonden bij God – maar niets is minder waar.

‘Wees niet bang’, zegt God bij monde van Jesaja ‘want ik zal je vrijkopen,
ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij!
Moet je door het water gaan – ik ben bij je;
of door rivieren – je wordt niet meegesleurd.
Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren,
de vlammen zullen je niet verschroeien.’

God bevrijdde de Israëlieten uit de handen van de Egyptenaren,
Hij bevrijdde Daniël uit de leeuwenkuil,
Hij bevrijdde Christus uit de dood.
En zal jou bevrijden uit alles wat je maar gebonden houdt.

God doet geen half werk. Hij bevrijdt je uit Egypte
en neemt je aan als zijn kind op grond van het bloed van Jezus.
Daar wees het bloed aan de deurposten in Egypte al op.
Maar dan wil Hij u ook elke dag weer bevrijden
wanneer je in moeilijke situaties terecht komt.

Maar als je niet meer kan?
Wat als er geen droog pad door de Rietzee lijkt te komen?
Wat nou als je al zo lang gevangen zit in je eigen gevoelens
van angst of onzekerheid. Wat nou als ziekte het wint van mensen die je dierbaar zijn.

Moet je dan maar stil zijn?
Moet je dan maar vertrouwen?
Waar is God dan?

Want dan, dan blijft het van Gods kant soms zo stil.
Ja – Soms blijft het van Gods kan heel stil.
Maar God strijdt ook in die stilte wel voor ons.
Toen Jezus berecht en veroordeeld werd deed hij zijn mond niet open.
Hij stierf aan het kruis en nog nooit was het zo stil in de wereld,
als de dag dat God dood was.
Nog nooit was het zo stil als op stille zaterdag.
En nog nooit was de strijd van God voor ons zo groot.

Elke stilte in ons leven is betekenisvol, niet omdat we zwijgen.
Niet omdat we geen antwoorden weten
en ons verloren voelen in de wereld.
Maar omdat God gesproken heeft. God zei: Er zij licht.
Zo sprak Hij in Genesis
en zo sprak hij op die eerste dag van de week
toen Christus opstond uit de dood.
Als we nu stil zijn omdat we oog in oog staan
met ziekte, met druk, met stress,
dan weten wij dat het altijd slechts de stilte van Stille Zaterdag is.
Als we de overwinning nu nog niet zien, dan straks wel.
Want Christus leeft!!

En die waarheid, die waarheid maakt ons vrij.

als alles duister is

God, van U is de toekomst, kome wat komt!

Soms hult het leven zich in duisternis.
Dan lijkt het alsof de wereld om ons heen alleen maar zwart en donker is.

We kennen allemaal van die momenten in ons leven:
als een dierbare overlijdt; als iemand iets ergs overkomt;
als vriendschappen uit elkaar vallen;
of als we een hevige teleurstelling moeten verwerken.
Het is dan alsof we in een donkere tunnel rijden,
waaraan geen einde schijnt te komen.
De nacht lijkt niet meer over te gaan in daglicht. Duisternis alom.
Het licht lijkt voorgoed te zijn gedoofd.
‘Maar in het holst van de nacht, begint de nieuwe dag.’ heeft eens iemand gezegd.
Toen wij in het diepste donker zaten, kwam Christus als het verlossende licht.
Toen Hij stierf en in het graf werd gelegd leek alles voorbij.
Zijn volgelingen waren radeloos
Maar in het holst van de nacht, begon ook voor hen de nieuwe dag.
Want bij het ochtendgloren bleek het graf leeg. De steen was weggerold.
Christus was verrezen. Het leven had de dood overwonnen.
Het licht bleek sterker dan de duisternis.

Niet ondanks zijn lijden,
maar juist dankzij het feit dat Christus niet voor het lijden wegliep,
Zijn kruis oppakte, was hij in staat om – zelfs – de dood te overwinnen.
Dát is de boodschap van Pasen.
Wij maken in ons leven allemaal moeilijke momenten mee. Ieder van ons persoonlijk. En wij als geloofsgemeenschap, wij als Gods Volk onderweg.
Die momenten doen pijn. Soms heel veel pijn.
Maar het heeft geen zin om in de duisternis te blijven ronddolen.
‘Zoekt de levende niet bij de doden,’ lezen we bij de evangelist Lucas.
Christus is niet in het graf te vinden, niet in de dood, niet in duisternis.

Als wij het geloof willen vinden,
moeten we door het donker heen op zoek naar het licht.
Letterlijk op zoek naar lichtpuntjes in ons leven.
Ooit is het in ons hart ontstoken. Soms lijkt het gedoofd. Geblust.
Maar als wij geloven in Christus, als wij geloven in Zijn kracht,
dan kan dat licht weer oplaaien. Dan kunnen we de duisternis overwinnen.
Dan kunnen we lijden en verdriet achter ons laten.
Het is niet gemakkelijk. Het gaat niet vanzelf. Maar het kan wel.
Want wij hoeven het niet alleen te doen. God zal óns nooit verlaten!
Pasen vertelt ons over Jezus die is opgestaan.
Pasen vertelt ook over vrouwen die zijn opgestaan.
De mannen leggen zich er – zo blijkt het – bij neer dat Jezus gestorven is.
De vrouwen niet, zo hoorden we in het evangelie.
Eerst dus zijn het vrouwen die zijn opgestaan. Pas daarna zijn anderen opgestaan.
Pasen vraagt ook dat wij opstaan.
Pasen vraagt dat wij opstaan tegen al wat mensen kwaad doet en onnodig verdriet. Pasen vraagt dat wij opstaan uit de verlammende idee
dat geloven uit de tijd is en dat samen kerk-zijn voorbij is.
Pasen vraagt dat we opstaan en fier en trots zingen
over licht dat ons aanstoot in de morgen.
Geloof in opstanding en geloof dat je ook zelf tot die opstanding kunt komen.
Ga ermee aan de slag om in veel situaties nu vandaag al op te staan.
Het is waar! In het holst van de nacht begint de nieuwe dag.
Pasen: Het feest vieren van de Opstanding uit alle ellende.
Hij zegt ons aan dat en nieuwe wereld kan!
Gods verbond schept nieuwe verbanden
Roept ons tot leven.
God, van U is de toekomst, kome wat komt!

‘In het holst van de nacht, begint de nieuwe dag.’
Laten wij reikhalzend uitzien naar het nieuwe licht, het Licht van Christus.