Als zij zouden zwijgen, zouden de stenen het uitschreeuwen.

 

In deze dagen van de Goede Week
lopen wij als het ware mee,
de weg op van Betanië naar Jeruzalem.
We zien Jezus Christus gaan,
omringd door zijn leerlingen.
Er hangt iets in de lucht.
Verwachting. Hoop.
En misschien ook wel verwarring.

Hij kiest een ezelsveulen.
Geen strijdros,
geen vertoon van macht.
Maar eenvoud. Nederigheid.
En toch:
een koninklijk teken,
zoals de profeet ooit beloofde.
Een koning die anders is dan verwacht.

De mensen langs de weg begrijpen er iets van.
Ze leggen hun mantels neer.
Ze zwaaien met takken.
Ze roepen: “Hosanna – Heer, red ons.”
Hun stemmen vullen de lucht.
Hun hoop krijgt woorden.

En dan die opmerking van Jezus,
bijna achteloos, maar zo veelzeggend:
Als zij zouden zwijgen,
zouden de stenen het uitschreeuwen.

Stenen die roepen.

In de traditie van vandaag
denken we misschien aan struikelstenen – stolpersteine.
Kleine stenen in de weg,
die je even uit je pas halen.
Stenen die herinneren.
Die je dwingen
om niet gedachteloos door te lopen.

Zo liggen er ook stenen
op onze weg naar Pasen.

Stenen van teleurstelling.
Stenen van twijfel.
Stenen van niet-begrijpen
waarom God anders handelt
dan wij hopen.

De mensen die “Hosanna” roepen,
zullen een paar dagen later zwijgen.
Of erger:
ze zullen roepen om het tegenovergestelde.
Hun verwachting
van een machtige koning
botst met de werkelijkheid
van een lijdende Messias.

En is dat niet herkenbaar?

Ook wij struikelen.
Over ons eigen beeld van God.
Over wat wij denken
dat Hij zou moeten doen.
Over gebeden
die anders verhoord worden
dan wij willen.

De Veertigdagentijd is een weg.
Geen rechte, gladde weg,
maar een pad vol stenen.
Geen obstakels om te vermijden,
maar tekens om bij stil te staan.

Elke struikelsteen kan een uitnodiging zijn.

Om langzamer te gaan.
Om beter te kijken.
Om opnieuw te luisteren.

Misschien roepen die stenen nog steeds.
Niet luid en oorverdovend,
maar zacht en aandringend:
“Kijk naar Hem.”
“Volg Hem.”
“Blijf niet staan bij wat je verwachtte,
maar ga mee in wat komt.”

Want de weg van Jezus Christus
loopt niet alleen
naar Jeruzalem,
maar naar het kruis.
En voorbij het kruis, naar nieuw leven.

Dat zien we nu nog niet volledig.
Net als de mensen toen.

Maar juist daarom klinkt in deze week
die oude roep opnieuw:
“Hosanna – Heer, red ons.”

Niet omdat wij alles begrijpen.
Maar omdat wij Hem willen volgen.

Misschien is dat
wel de opdracht van deze dagen:
niet om zonder struikelen te lopen,
maar om, struikelend en wel,
toch verder te gaan achter Hem aan.

 

Het boek Exodus, laat ons de namen herinneren,
niet alleen van de zonen van Israel,
maar ook van twee dappere vrouwen,
verzetsstrijders: Sifra en Pua.
Ze staan op tegen de kwade macht
die dood wil.

Deze kwade macht is naamloos.
Hoe de farao heette vertelt het verhaal niet.
Wel zien we duistere trekken
die dit volk maar al te goed herkent:
van slavenarbeid, tot genocide.
Terwijl in de tussentijd, van kwaad tot erger,
de woonplaatsen langzaam
zijn verandert tot werkkampen.
Het kwaad mag dan geen naam hebben,
we kijken hier de dood recht in de ogen.

Is het verhaal hier afgelopen?
Is dit de moraal van het verhaal?
Dat het goed met je gaat, als je je verzet…?

Wat ik van verzet weet, komt uit jongensboeken,
en het stoere beeld wat ik ervan heb,
is ongetwijfeld geromantiseerd.
Maar de werkelijkheid was rauwer;
het gaat op leven en dood.
En misschien wel meer van dat laatste:
de dood.

Als je je verzet tegen het kwaad, stoot je je.
Een Stolpersteen,
een steen waarover je struikelt.
Van hen herinneren we ons de namen.
Maar zo’n struikel-steen laat ook zien:
We vertillen ons snel aan het kwaad.
Het botst, het schuurt.
Blijkbaar lukt het ons als mensen niet,
om nee te zeggen tegen kwaad:
Het is zo groot, en zo universeel.

Wat zou jij doen?
Zou ik de moed hebben om op te staan?
Of is mijn gebrek aan lef nu precies
hoe diep het kwaad in de wereld zit?

Zelfs al heeft iemand de moed
om in verzet te komen,
vaak lijkt het zinloos.
Je kunt het zien het aan die laatste regel:
Toen gaf de farao aan heel zijn volk het bevel
om alle Hebreeuwse jongens
die geboren werden in de Nijl te gooien;
de meisjes mochten in leven blijven.
Die twee kraamvrouwen, heldinnen,
hadden zich verzet.
maar het kwaad neemt alleen maar toe.
De kinderen die zij hebben gekregen,
je hoopt maar, dat het meisjes waren;
zouden ze het anders hebben overleefd?

Maar toch; verzet denkt niet na over zin.
Die vrouwen, Sifra en Pua,
gaan niet berekenen,
of hun lef levens zal kosten.
Net zomin als dat je afwoog
of het wel verantwoord was,
om een kind
illegale kranten te laten rondbrengen.
Verzet kost je soms alles,
en toch doe je het.

En door dat verzet heen klinkt dat hogere doel,
dat intense verlangen naar bevrijding.
Opkomen voor dat Godgegeven leven,
waar je net als die vrouwen ontzag voor hebt,
ja, ontzag voor de Heer zelf.

Het Wilhelmus zingt eerst:
‘den Koning van Hispanje
heb ik altijd geëerd.’
Verzet is nooit de basis;
de uitgangspositie.
En doorgaans,
is gehoorzaamheid iets goeds.
We proberen het aan te zien,
tot het echt niet langer gaat.
Of moeten tot onze schaamte erkennen
dat we gewoon het lef niet hebben.
Maar als je doorzingt,
komt toch echt de bede:
‘dat ik toch de tirannie mag verdrijven,
die mij mijn hart doorwondt.’
Dat is verzet.
En dan raakt het me dat deze regel
wordt voorafgegaan door de wens:
‘dat ik toch vroom mag blijven.’
Ik hoor daarin het vroedvrouwen-verzet:
het ontzag voor God.

Het boek Exodus
laat ons de namen herinneren
van deze Sifra en Pua.
Het boek gaat verder,
want bij verzet kan het niet blijven.
Exodus is een boek van bevrijding.
Vol ontzag uitkijkend
naar het werk dat de Bevrijder verzet.