de Bijbel Rechters/Richteren 9 ‘de fabel van Jotam’

Op een dag wilden de bomen een koning hebben.
Ze vroegen aan de olijfboom:
‘Wil jij onze koning worden?’
Maar de olijfboom antwoordde:
‘Waarom zou ik jullie koning willen worden?
Dan zou ik geen olijven meer kunnen geven voor olijfolie,
die gebruikt wordt om de goden en de mensen te eren!’
Toen vroegen de bomen aan de vijgenboom:
‘Wil jij onze koning worden?’
Maar de vijgenboom antwoordde:
‘Waarom zou ik jullie koning willen worden?
Dan zou ik geen heerlijke, zoete vijgen meer kunnen geven!’
Toen vroegen de bomen aan de druivenplant:
‘Wil jij onze koning worden?’
Maar de druivenplant antwoordde:
‘Waarom zou ik jullie koning willen worden?
Dan zou ik geen druiven meer kunnen geven voor wijn,
waar de goden en de mensen vrolijk van worden!’
Toen vroegen de bomen aan de doornstruik:
‘Wil jij onze koning worden?’
En de doornstruik antwoordde:
‘Als jullie mij echt koning willen maken,
dan mogen jullie in mijn schaduw komen zitten.
Maar pas op!
Als jullie me voor de gek houden,
zal er vuur uit mijn takken komen.
En dan zullen alle cederbomen
van de Libanon-bergen verbranden!’

 

Als Den Haag een oorlog bespreekt,
gaat het vooral over Den Haag.
En nu al helemaal,
want er is iets
veel belangrijkers aan de hand:
de gemeenteraadsverkiezingen.
Ja, ja prioriteiten.

Dus terwijl de VS en Israël bommen
op Iran gooien
en de wereldorde
een beetje uit elkaar
begint te vallen,
is Den Haag druk met… blokjes.
Dinsdag: diesel.
Woensdag: een fregat.
Donderdag: een debat over Iran.
Alles netjes opgeknipt,
alsof je een verjaardagstaart snijdt.
Niemand wil het hele ding op tafel zien,
want dat wordt rommelig.

Het hoogtepunt kwam
toen de minister het had
over zijn “favoriete blokje”:
de veranderende wereldorde.
Favoriet, ja.
Alleen niet belangrijk genoeg
om tijd voor te maken.
Binnen een paar minuten
werd het onderwerp
vriendelijk edoch resoluut
naar de toekomst verwezen.
Komt later wel.
Net als die ene goede voornemens
die je elk jaar opnieuw uitstelt.

Ondertussen gebeurt er iets
dat nét iets groter is
dan een blokje:
de machtigste landen
trekken zich niets meer aan van regels.
Parlement?
Bondgenoten?
Internationaal recht?
Ach, details.
De sterkste wint gewoon.
En de rest mag daar
een commissiedebat over plannen.

Maar in Den Haag
spelen we nog steeds
de oude hitjes.
Links zegt:
we zijn tegen domme oorlogen.
Rechts zegt:
kies een kant, anders ben je fout.
En zo krijg je een soort
politiek karaoke,
waarbij iedereen zijn
favoriete nummer uit 2005 zingt
terwijl buiten het gebouw
de wereld verandert.

“Aan welke kant sta je?”
klinkt het dan.
Alsof geopolitiek
een aflevering van The Voice is.
Druk op de knop
voor Team Amerika
of Team Iran.
Bonuspunten als je erbij
een verontwaardigde tweet uit perst.

En ergens snap je het ook wel.
Want het alternatief is ingewikkeld.
Dan moet je nadenken
over wat het betekent
als regels verdwijnen.
Als macht het enige argument wordt.
Als kleine landen,
zoals Nederland,
vooral toeschouwer zijn
bij hun eigen toekomst.

Maar ja,
daar win je geen
gemeenteraadsverkiezingen mee.

Dus gaat het weer over stoeptegels wippen.
Over afvalcontainers.
Over parkeerdruk.
Terwijl de benzineprijs
straks explodeert
door een afgesloten
Straat van Hormuz,
discussiëren wij
of er nog een fietsenrek
bij kan in de binnenstad.

En alsof het nog niet wrang genoeg is,
lijkt uitgerekend Forum voor Democratie
– u weet wel, de partij
die Rusland meestal
net iets te interessant vindt –
lokaal te groeien.
Dezelfde partij die niet eens
kwam opdagen
bij het debat over die oorlog.
Te druk met belangrijkere zaken,
vermoedelijk.

Het heeft iets tragikomisch.
De wereld schuift richting
een soort geopolitieke jungle,
en wij stemmen morgen
over drempels en hondenveldjes.
Alsof je tijdens een woningbrand
eerst even de kleur
van de voordeur gaat bespreken.

Natuurlijk, lokale politiek doet ertoe.
Maar timing is ook een vak.

Wat je nu ziet, is iets anders:
een land dat zich verschuilt
in het kleine,
omdat het grote te ongemakkelijk is.
Een Kamer die liever praat
over diesel dan over macht.
En een kiezer die straks braaf
naar de stembus gaat,
terwijl niemand hem vertelt
in wat voor wereld
hij eigenlijk wakker wordt.

Maar geen paniek. Alles onder controle.

Morgen stemmen we gewoon.
Daarna zien we wel verder.
Misschien komt die wereldorde
dan eindelijk aan bod.

En de wereldorde?
Die komt later wel.
In een apart blokje.

Zoals het hoort.

Misschien.

 

In Moskou,
zo vertelde de verbannen
Russische journalist Michaïl Zygar op CNN,
vergelijken ze de VS van nu
met de Sovjet-Unie vlak voor de val in 1989.
Niet omdat alles hetzelfde is, maar om één reden:
mensen geloven niet meer in het officiële verhaal.
Ze zijn cynisch geworden.
En toen dat in de Sovjet-Unie gebeurde,
stortte het systeem in.

De vraag is nu:
zien we iets vergelijkbaars in het Westen?
Gaat hier echt iets fundamenteels kapot?
En zo ja, wat precies?

Als je naar Europa en de VS kijkt,
zie je een politieke cultuur
die steeds harder wordt.
Radicale en autoritaire partijen winnen terrein,
democratische regels worden opgerekt of genegeerd,
en veel mensen voelen zich
niet meer vertegenwoordigd.
Tegelijk groeit de polarisatie.
Mensen zijn somber, boos en wantrouwig.
Het gevoel dat ‘het systeem’
er niet meer voor hen is, zit diep.

Daarbovenop komt een hele reeks
andere problemen:
online radicalisering, complotdenken, vrouwenhaat,
steeds minder respect voor zorgverleners
en andere publieke beroepen.
Mensen leven in bubbels,
de onderlinge verbondenheid brokkelt af.
De sociale lijm laat los.

Dat is zorgwekkend,
want de westerse democratie
is eigenlijk een vrij nieuw experiment.
Het idee dat iedereen dezelfde rechten,
kansen en waardigheid heeft,
komt voort uit de Verlichting
en kreeg na de Tweede Wereldoorlog vorm
in democratische rechtsstaten.
Dat gebeurde in concurrentie met de Sovjet-Unie.
Toen die instortte, dacht het Westen:
zie je wel, wij hebben gewonnen.

Maar zo simpel was het niet.
De liberale democratie bleek
geen eindpunt van de geschiedenis.
China liet zien dat kapitalisme
prima kan zonder democratie.
Oorlogen brachten geen democratie.
En zelfs binnen het Westen
begonnen landen afstand te nemen
van liberale waarden.
Ook in de VS staat de democratie onder druk.

Langzaam veranderde daardoor
de houding tegenover democratie zelf.
Vooral jongeren hebben steeds minder vertrouwen
in instellingen en kiezen vaker
voor het idee van een ‘sterke leider’.
Media, rechters, universiteiten en parlementariërs
worden verdacht gemaakt.
Populisten zetten ‘gewone mensen’
tegenover elites, migranten
en kosmopolieten.

Ironisch genoeg kwam dat juist
na een periode van zelfgenoegzaamheid.
Liberale samenlevingen
gingen geloven
dat hun succes bewijs was
van morele superioriteit.
Die overmoed maakte blind
voor wat er ondertussen veranderde.

Globalisering haalde industrie weg,
de arbeidersbeweging verzwakte,
en links richtte zich steeds meer
op identiteit en cultuur.
Veel traditionele kiezers
voelden zich achtergelaten.
Ze gingen er niet op achteruit in absolute zin,
maar wel in perspectief.
Sociale migratie stokte.
De meerderheid gelooft inmiddels
dat hun kinderen
het slechter zullen hebben.

Daarbovenop kwam
een groeiende kloof tussen
hoogopgeleide, stedelijke elites
en mensen die minder mobiel zijn,
vaker op het platteland wonen
en traditioneler denken.
Hun waarden werden weggezet
als achterlijk of fout.
Maar groepen die zich
structureel vernederd voelen,
accepteren dat niet eindeloos.
Economisch gebeurde iets soortgelijks.
Winsten en macht kwamen
steeds meer terecht bij een kleine groep,
vooral in de techsector.
Die bedrijven beschikken nu
over ongekende invloed en technologie.
Democratische controle loopt
daar ver achteraan.
Het risico is dat we afglijden
naar een vorm van digitaal feodalisme:
veel controle, weinig inspraak,
alles verpakt in gemak en entertainment.

Dat is geen sciencefiction.
Veel voorwaarden voor zo’n systeem zijn er al.

De kern van het probleem lijkt dezelfde
als in de late Sovjet-Unie:
mensen zijn het geloof kwijtgeraakt.
Niet in één leider of partij,
maar in het idee
zelf van een liberale democratie.
Dat systeem kan alleen werken
als er minimaal vertrouwen is,
als mensen de spelregels accepteren
en elkaar als legitieme tegenstanders zien.

Als grote groepen dat niet meer doen,
houden ze op met meespelen.
Dan zoeken ze iemand
die belooft het hele spel kapot te maken.

Is dit dan het einde van het Westen?
Ja, misschien het einde van een tijdperk.
Maar de echte crisis speelt zich niet alleen af
in economie of geopolitiek.
Ze speelt zich af in onze hoofden.
Of zoals Hemingway schreef:
eerst geleidelijk, en dan… INEENS.

De vraag is nu of de idealen
van vrijheid, gelijkheid en solidariteit
sterk genoeg zijn om zich opnieuw uit te vinden.
Ze zijn onvolmaakt en vaak misbruikt.
Maar zonder dat gedeelde verhaal
blijven er vooral macht, angst en groepsdenken over.
En dat weten we in Europa maar al te goed.

kerstverlichting in Zwolle

 

In zijn jaarlijkse persconferentie met het volk van dit jaar
schetst Vladimir Poetin zich als een zelfverzekerde wereldspeler,
terwijl ondertussen het feit is dat Rusland steeds dieper vastzit
in de oorlog tegen Oekraïne en de gevolgen daarvan.

Eerder in 2025 stond Poetin op 
een belangrijk Russisch debatpodium.
Daar werd hij bijna neergezet
als de grote architect van een nieuwe wereldorde.
Poetin zelf deed alsof hij bescheiden was,
maar benadrukte wel dat de wereld
in een radicale overgangsfase zit
en dat de inzet extreem hoog is.
Voor de mensen in Oekraïne is dat geen theorie:
zij leven al bijna vier jaar met oorlog,
met doden, onzekerheid en wisselende steun uit het Westen.

Poetin voert de druk ondertussen op.
Aan het einde van het jaar kwam hij met steeds agressievere taal.
Hij beweerde dat Rusland
grote successen boekt in Oekraïne
en gaf Europa en Kyiv opnieuw de schuld van het conflict.
Europese leiders noemde hij zelfs ‘biggetjes’
en hij dreigde meer Oekraïens grondgebied
met geweld in te nemen
als er geen vredesgesprekken komen.

Wat opvallend is:
ondanks zware sancties en militaire blunders
is Rusland overeind gebleven.
Het land wist sancties te omzeilen,
de wapenindustrie weer op gang te krijgen
en tegenstanders het zwijgen op te leggen.
Daarbij kreeg Poetin onverwachte steun uit de VS.
De wispelturige houding van de Amerikaanse president Donald Trump
werkt in het voordeel van Moskou,
omdat het verdeeldheid zaait tussen bondgenoten.
Ondertussen beschuldigt Rusland Europa ervan
dat zij de Amerikaanse vredespogingen proberen te saboteren.

Oekraïners vragen zich ondertussen af
wat een mogelijk akkoord waard is.
Ze vrezen dat Poetin vanuit bezet gebied
gewoon verder zal werken
aan de vernietiging van hun land.
Andere Russische leiders
blijven bovendien waarschuwen
voor een zogenaamd agressief Europa
en NAVO-plannen voor een toekomstig conflict.

Een belangrijk strijdpunt is het Russische geld
dat in Europa is bevroren.
Europa besloot dat geld niet direct
aan Oekraïne te geven,
maar Kyiv via de EU-begroting te steunen.
Rusland ziet dat als winst en dreigt met rechtszaken,
onder andere tegen Euroclear in België.
Er zijn zelfs aanwijzingen
dat Russische en Amerikaanse inlichtingendiensten
Europese politici en medewerkers onder druk zetten met dreigementen.
Tegelijk klinken er in Moskou ook zachtere geluiden:
sommige bronnen zeggen
dat het Kremlin onder strenge voorwaarden
openstaat voor het inzetten van een deel
van dat geld voor wederopbouw.

Binnen Rusland houdt Poetin het beeld van succes stevig vast.
Tijdens de jaarlijkse live toespraak sprak hij
alleen over militaire winst
en noemde hij het gebruik van Russische tegoeden ‘roof’.
Slecht nieuws, zoals Oekraïense aanvallen, werd genegeerd.
Toch maken veel Russen zich vooral zorgen over de economie.

Die zorgen zijn niet onterecht.
De oorlogseconomie draait,
maar gewone sectoren zitten in de problemen.
Inflatie is hoog, rentes stijgen, banen worden schaarser
en de olieprijs – cruciaal voor Rusland –
staat op een dieptepunt.
Analisten zeggen dat Rusland leeft op een ‘geleende toekomst’.
Toch zal Poetin de oorlog niet stoppen om economische redenen.
De kosten worden simpelweg
doorgeschoven naar de bevolking:
hogere belastingen, lagere lonen en minder subsidies.

Ook politiek wordt de greep in Rusland steeds strakker.
Oppositie is vrijwel uitgeschakeld,
kritische partijen worden aangepakt
en populaire apps en platforms verdwijnen.
Richting de parlementsverkiezingen van 2026
wordt vooral ingezet op thema’s
als stabiliteit en nationalisme,
niet op de oorlog.

Om alles te verhullen, zijn Russische steden dit jaar extra feestelijk verlicht.
Dat staat in schril contrast met arme regio’s
zonder basisvoorzieningen.
Russische woordvoerders beweren ondertussen
dat Europa in ‘duisternis’ leeft,
maar Europese steden reageerden
met foto’s van uitbundig verlichte straten.
Het symboliseert het grotere verhaal:
Rusland probeert kracht uit te stralen,
terwijl de scheuren onder de oppervlakte steeds zichtbaarder worden.

de titel van deze webpost is ontleend aan de titel van de roman ‘For Whom the Bell Tolls’ van Ernest Hemingway 

 

Eerder schreef ik al eens over de ‘stille opwekking’ die gaande is.
Volgens onderzoek zou het zo zijn dat jongeren
meer belangstelling hebben voor het christendom.
Veel van hen lijken meer open te staan
voor geloof in het bovennatuurlijke
dan ooit tevoren in de afgelopen decennia.

En gelovig zijn is dan helemaal in de mode met Kerst.
Het is te vinden in bijna elk kerstliedje,
prijkt op winkelruiten en is verwerkt in feestelijke truien.

‘Geloof je?’ wordt aan kinderen gevraagd,
vaak met een vleugje magie.
In de film The Polar Express bijvoorbeeld
draait het hele verhaal om geloof.
Geloven de kinderen nog in de Kerstman?
In iets wat niet te zien is?
En de fluit wordt alleen gehoord
door degenen die geloven;
de anderen weten niet wat ze missen.

In zulke verhalen worden volwassenen
vaak afgeschilderd als mensen die verloren zijn
en ten prooi zijn gevallen aan cynisme, rationalisme en frustratie.
De boodschap is duidelijk:
zelden zijn volwassenen geneigd om dieper na te denken over geloof.

Maar deze openheid voor geloof is complex.
Het onderzoek suggereert dat
het aantal bekeringen tot het christendom
onder jongeren voortkomt uit een bredere interesse in spiritualiteit.
Anderen hebben opgemerkt dat jonge mannen beïnvloed worden
door een vermeende verschuiving
naar waarden die lijken op een soort van patriarchaat.
Toch suggereren sommigen
dat het christendom
waartoe jongeren massaal toestromen
geen ‘echt christendom’ is,
maar een verwrongen beeld van de Jezus
waarover in het Nieuwe Testament wordt gelezen.

De vraag is niet of mensen geloven,
maar wat ze geloven
en hoe dat geloof, soms achteloos,
wordt ver- of gevormd door ideologie of verlangen.

In een maatschappij die gekenmerkt wordt
door polarisatie
en de constante behoefte aan boegbeelden
om die op het schild te hijsen of af te kraken,
is het misschien tijd dat wij volwassenen
de kunst van het geloven herontdekken.

Deze gedachte begon bij mij deze adventsperiode:
Het was een kalme, vredige zondagochtend in de kerk.
De kaarsen brandden en we zongen bekende adventsliederen.
De kerststal was al opgesteld. Prachtig.

Terwijl we weer een lied zongen,
kwam er een figuur door het middenpad.
Het was een vrouw
die goed bekend was in het kerkcafé.
In eerste instantie dacht ik nieuwsgierigheid te zien
en was ontroerd door haar bereidheid
om naar voren te komen.

Totdat ze met één hand het kindje Jezus uit de kribbe greep,
hem in haar zak stopte en snel door de zijdeur verdween.

Het was even aanstootgevend, onmiskenbaar grappig
en vreemd genoeg ook onthullend.

Want hoe gemakkelijk was het voor Jezus
om weggehaald te worden,
uit het middelpunt te worden verwijderd,
en zomaar ergens anders neergezet te worden?
Ondanks tweeduizend jaar aan afbeeldingen van Jezus
als het hulpeloos kind van Kerst,
leerde deze ontvoering uit de kerststal
me de verantwoordelijkheid van goed geloven;
met integriteit, respect en zorg.

Als een christen immers zijn geloof niet onderzoekt,
loopt hij het risico het karakter van Jezus
te herinterpreteren naar zijn eigen ideologieën en verlangens.
Of het weg te geven aan iemand anders;
waardoor de integriteit ervan verloren gaat.
Geloof kan dan worden behandeld
als iets draagbaars,
waarbij overtuiging wordt vervangen
door voorkeur en Jezus wordt overgeleverd
aan de zaak die het hardst schreeuwt.

In de huidige culturele context zien we
een toe-eigening van geloof in de politiek.
Steeds meer publieke figuren beroepen zich
op de naam van Jezus
om hun agenda te ondersteunen,
en Jezus wordt voor eigen gebruik ingezet
naar gelang als liberaal, mannelijk, progressief of nationalistisch,
zonder veel respect te tonen voor zijn ware karakter.

Geloof is minder gericht op de ontmoeting
met de Jezus die we in de Bijbel lezen
– een man uit het Midden-Oosten
zonder vaste woonplaats
die als baby de vervolging ontvluchtte
en zich als volwassene aansloot
bij mensen aan de rand van de samenleving –
en meer op het inpassen van Hem
in ieders unieke categorie
van de strijd in de 21e eeuw.

Onze cultuur accepteert over het algemeen
dat Jezus heeft bestaan
– en staat positief tegenover het idee dat hij bestaat –
maar wat we geloven over de betekenis hiervan,
en waarom we erom geven,
is een meer controversiële kwestie.

De realiteit is dat geloven vaak rommelig is.

Toen ik dit jaar een kerstboom uitkoos,
zag ik gezinnen de selectie
met bijna forensische precisie inspecteren:
perfecte puntige toppen, gelijkmatig verdeelde takken,
geen zwierige twijgen.

Maar dé perfecte kerstboom bestaat alleen in plastic.
Levende bomen zijn onvoorspelbaar.
Hun schoonheid schuilt in de geur van dennen,
de tijd die je besteedt aan het bewonderen
van hun vorm
en hoe hun karakter zich ontvouwt
naarmate de feestdagen vorderen.

Het valt me op dat geloof hierop lijkt.
We verlangen naar iets dat perfect gepolijst is,
vacuüm verpakt en immuun voor twijfel.
Maar echt geloof is complexer:
het hoort levend te zijn, te groeien en geworteld in veerkracht.
Het kost tijd en vereist regelmatige aandacht.

Als we perfectie eisen,
kunnen we uiteindelijk een geloof overhouden
dat er misschien enorm indrukwekkend uitziet,
maar oppervlakkig en gemakkelijk te wankelen is.

Voor volwassenen is Advent en Kerst
een tijd om geloof te koesteren
dat niet met de versieringen wordt meegesleept.
Laten we, net als de kinderen in The Polar Express
die wachten op de fluit,
erop vertrouwen dat er nog meer te ontdekken valt,
dat er nog meer wonderen te zien zijn.

 

Ja, vandaag is het dan eindelijk officieel Black Friday,
Deze koopjesgekte is ontstaan in de Verenigde Staten
en valt op de dag na Thanksgiving Day,
dat wordt gevierd op de vierde donderdag in november.
Op deze vrijdag hebben de meeste werknemers
in de Verenigde Staten vrijaf.
Black Friday wordt beschouwd
als het begin van het seizoen voor kerstaankopen.
Maar Black Friday is overal al lang verworden
tot een Black Week of Month, met allerlei (nep)kortingen
om je in aanloop naar december zo veel mogelijk
van je overvloed en (spaar)centen af te helpen.
Want ondanks ons eeuwige geklaag;
de meesten van ons leven momenteel
in een voor veel anderen
onvoorstelbare overvloed.

Want gedurende de geschiedenis
bezaten en produceerden de meeste mensen
ongeveer net genoeg om in leven te blijven.
Lange tijd maakten boeren
(d.w.z. mensen met beperkte of geen landeigendomsrechten
die afhankelijk waren van een lokale heer)
een groot deel van de bevolking uit.
En hoewel boeren in sommige gevallen
welvaart bereikten,
was dit eerder de uitzondering
op de regel van zelfvoorzienende arbeid,
Voor bijna iedereen was de kans
op hongersnood allesbehalve theoretisch.

In dat opzicht verschilde de situatie
in de vroegmiddeleeuwse Lage Landen
nauwelijks van die in het eerste-eeuwse Palestina.
Ook daar verdienden negen van de tien mensen
net genoeg om te overleven
– en soms zelfs niet zoveel.
Zowel Josephus als het Nieuwe Testament
maken melding van de hongersnood
die Judea van 44-48 na Christus teisterde.
Er was in die tijd en plaats geen sociaal vangnet.
Mensen stierven van de honger.

Het was dus tegen dit soort mensen
die zich permanent bewust waren
van schaarste
dat een zekere rabbijn – tot voor kort zelf een dagloner – zei:

‘maak je geen zorgen over je leven,
over wat je zult eten of drinken,
noch over je lichaam, over wat je zult aantrekken.
Is het leven niet meer dan voedsel
en het lichaam niet meer dan kleding?
(…) Zoek liever eerst het koninkrijk van God
en zijn gerechtigheid,
dan zullen al die andere dingen
je erbij gegeven worden.
Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen,
want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf.’
(Matteüs 6)

Jezus’ publiek zou het er nog mee eens zijn geweest
dat alles uiteindelijk van God komt.
Maar: ‘wees niet bezorgd over morgen’?
In een wereld waar hongersnood
altijd slechts één mislukte oogst verwijderd is?
Jezus, instrueert dus in die context,
zijn publiek met een stalen gezicht,
om te leven alsof overvloed,
en niet schaarste,
de ultieme realiteit in het leven is.
Niet voor het eerst
lijkt Hij meer dan een beetje losgezongen te zijn
van hoe het werkelijk is om op deze planeet te leven.

Voor zover sommigen van ons moderne mensen
in geïndustrialiseerde samenlevingen
zich iets minder zorgen maken
over verhongeren of sterven
door blootstelling aan de elementen,
is dit te danken
aan de menselijke vindingrijkheid (hartelijk dank)
die manieren heeft bedacht
om onze productiviteit radicaal te verhogen.
Een onmiskenbaar magnifieke prestatie
maar ook een die andere vormen
van schaarste heeft verergerd.

Denk bijvoorbeeld aan de ‘aandachtseconomie’:
de strijd om steeds korter wordende aandachtsspanne te behouden.
Dezelfde computertools
die onze huidige levensstandaard
mogelijk hebben gemaakt,
hebben ons ook aangesloten
op een constante stroom
van veel meer informatie
dan we ooit zouden kunnen verwerken.
Zozeer zelfs dat aandacht schenken,
ogenschijnlijk een fundamenteel kenmerk
van het mens-zijn,
steeds meer gewaardeerd wordt.

Of neem tijd.
De econoom John Maynard Keynes, speculeerde
halverwege de twintigste eeuw,
dat automatisering
en een hogere productiviteit
vanzelfsprekend zouden leiden
tot minder stress en meer vrije tijd.
Maar wat hij niet voorzag,
is dat een toenemende productiviteit
de verwachtingen over hoe productief
we zouden moeten zijn, verhoogt.
Tijd, altijd en overal,
is het ultieme ‘verdwijnende bezit’,
maar de wildgroei aan timemanagementstrategieën
en gadgets vertelt ons,
denk ik, dat tijd nog schaarser lijkt
wanneer van ons verwacht wordt
(of van onszelf verwacht wordt)
dat we leven ‘to the max’.

Ik denk niet dat het overdreven is
om te stellen dat schaarste
de meest urgente realiteit is
in de menselijke ervaring.
In de een of andere vorm geldt dit
voor elke menselijke cultuur.
We bestrijden schaarste
met de drang om te vereenvoudigen, te stroomlijnen,
meer te doen met minder,
lifehacks te vinden
of nieuwe technologieën uit te vinden.

Jezus zegt echter dat we het moeten negeren.
Of in ieder geval dóen
alsof schaarste
niet zo interessant of belangrijk is.
God voedt de vogels en bekleedt de lelies;
jij bent belangrijker dan een vogel of lelie voor God;
dus zal God voor je zorgen.

Stop met stressen.

Dit voelt niet ambitieus of inspirerend.
Het voelt krankzinnig:
Ik heb een hypotheek.
Ik heb geld, energie, focus en tijd nodig;
niet de bizarre aansporingen
van een of andere mysticus.
Weet Jezus überhaupt wel iets van inflatie?

Maar het vreemde is dat hij dat wel weet.
Jezus staat absoluut niet los
van de realiteit van het dagelijks leven
in zijn tijd en omgeving.
Hij is op de hoogte van actuele gebeurtenissen
zoals instortende torens
en de machinaties van Herodes Antipas
(‘die vos’, noemt Jezus hem. Geen compliment).
Hij lijkt zich een beetje te vervelen om het politieke spel,
maar hij is zeker niet naïef over de machtsstructuren
en de grote spelers in Galilea en Judea.
Hij maakt van een sluwe,
oneerlijke kleine manager
de held van een van zijn verhalen.
Politiek, belastingen, sektarisch geweld,
instortende infrastructuur;
de evangeliën beschrijven Jezus
in zijn interactie met een wereld
die heel anders is dan de onze,
maar die toch direct herkenbaar is.

Het verschil is dat ik inflatiecijfers,
begrotingsgevechten, geopolitieke manoeuvres
om schaarse hulpbronnen
en toeleveringsketens beschouw
als ‘de echte wereld’,
terwijl het Koninkrijk der hemelen uit de Bijbel
iets moois is, maar ook een beetje zweverig,
en een beetje abstract.

Maar Jezus zag de dingen precies andersom.
Het koninkrijk is de Realiteit,
terwijl de heren der heidenen,
het betalen van belastingen,
zelfs de dringende dagelijkse zorgen
over voedsel en kleding,
allemaal vluchtig of hooguit secundair zijn.
En het koninkrijk is overvloedig,
want de Koning geeft geen stenen
wanneer zijn kinderen brood nodig hebben.

Wat betekent het om te leven
alsof overvloed
en niet schaarste
het laatste woord heeft?
Ik weet het niet.
Wat ik wel weet,
is dat het vaak echt te krankzinnig voelt,
om te denken dat ik genoeg tijd,
geld, energie, focus
of wat dan ook kan besparen
om een leven op te bouwen
waarin ik vervulling of vrede vind.
Er zitten barsten in mijn nuchtere,
economisch rationele wereld
die me doen afvragen:
wat als ik geen geld, tijd, energie heb
– niets anders dan mijn dagelijks brood –
en ik er vervolgens achter kom
dat ik alles al heb wat ik nodig heb?

 

Dit jaar herdenken we dat het zeventienhonderd jaar geleden is
dat de vroege christenen langzaam op weg gingen naar een historische verklaring:
De Geloofsbelijdenis van Nicea was het resultaat van 300 jaar worstelen
met een vraag die centraal stond in deze nieuwe beweging:
als de Jezus die zij aanbaden in zekere zin de ‘Zoon van God’ was, wat betekende dat dan?
Was hij een menselijke profeet, beter dan de meesten, maar in wezen net als wij?
Was hij God in menselijke gedaante?
Of een soort halfbloed – half mens en half goddelijk?
Theologen verspilden bloed, zweet en tranen (letterlijk) aan deze vragen.
Simplistische antwoorden werden aangedragen, maar bleken tekort te schieten.
Er werden verhandelingen geschreven, synodes gehouden,
tegenstanders werden gegeseld en geëxcommuniceerd.
Er braken zelfs rellen uit
toen de debatten in de Romeinse wereld hevig oplaaiden.

Uiteindelijk, in 325, bracht het Concilie van Nicea
een zorgvuldig geformuleerde en moeizaam verkregen verklaring uit.
Er stond dat Jezus ‘God uit God, licht uit licht, ware God uit ware God,
geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader’ was.
Elk woord was zorgvuldig gekozen en het resultaat
van lang debat, diep gebed en overpeinzingen.
Het loste niet alle problemen op, maar het heeft de tand des tijds doorstaan
en wordt nog steeds in kerken over de hele wereld uitgesproken.

Ik heb hier deze zomer over nagedacht, terwijl onze politieke debatten woedden.

Neem de kwestie van immigratie.
Aan de ene kant zijn er de spandoeken met ‘vluchtelingen welkom’,
en dat de uitingen van tegenstanders een teken is van beginnend fascisme,
en dat beweren dat we een immigratieprobleem hebben inherent racistisch is.

Aan de andere kant is er de ‘Nederland is vol’-campagne,
zijn er oproepen tot massadeportaties, protesten tegen de komst van AZC’s,
de suggestie dat alle immigranten profiteurs zijn
die de ziel ‘de Nederlander’ vernietigen
en er wordt opgeroepen om de grenzen snel te sluiten.

Maar het is veel ingewikkelder.
Er zijn aanzienlijke verschillen tussen de claims van legale migranten,
asielzoekers en illegale immigranten.
De meesten zullen het er waarschijnlijk over eens zijn
dat het bieden van welkom aan mensen
die oorlog, vervolging en hongersnood in hun thuisland ontvluchten,
juist en gepast is, en in lijn met een lange traditie van Nederland
dat een toevluchtsoord bood aan anderen in nood.
Mensen zullen altijd onderweg zijn,
en het sluiten van alle grenzen is onrealistisch en onrechtvaardig.
Het gematigde, vruchtbare Nederlandse klimaat,
onze historische economische en politieke stabiliteit,
ons goed gereguleerde rechtssysteem,
het christelijk geloof dat onze cultuur heeft gevormd,
zelfs de relatieve netheid van onze straten en platteland,
zijn geschenken die we uit het verleden erven
en waar we gul mee moeten zijn.

Toch zijn dit zegeningen die niet als vanzelfsprekend kunnen worden beschouwd.
Ze moeten worden beschermd, niet alleen omwille van ons,
maar ook voor degenen die een legitieme claim hebben om hier een thuis te hebben.

De meesten zullen het er dus ook over eens zijn
dat illegale immigratie een plaag is,
waarbij de meedogenloze schurken wanhopige migranten verleiden
om op hun wankele bootjes de Middellandse Zee over te steken
en weinig anders verdienen dan een strafrechtelijke straf.
Toch zal zelfs massale ‘legale’ migratie het karakter van het land veranderen.
Wanneer 40% van de kinderen in de basisschoolleeftijd
minstens één in het buitenland geboren ouder heeft,
en voor één op de vijf Nederlands niet hun moedertaal is,
kan dat niet anders dan een impact hebben
op het karakter van het land.

Maar deze complexiteit gaat verloren in de behoefte aan een pakkende kop.
Noch ‘stuur ze naar huis’, noch ‘alle migranten welkom’
vat het dilemma samen.
Het behoeft nuance.
Er is zorgvuldig en geduldig werken nodig
om de juiste balans te vinden
tussen de verschillende eisen;
medeleven met de vreemdeling
en het behoud van de dingen
die juist de vluchtelingen hierheen trekken.

Hetzelfde geldt voor Israël en Gaza.
Voor de pro-Israëllobby is het bijna al antisemitisch
om alleen al de aandacht te vestigen op het lijden in Gaza.
Aandringen op terughoudendheid met betrekking
tot Israëls vastberadenheid om Hamas te vernietigen,
zelfs als dat betekent dat Gaza en een groot deel van de bevolking
in de tussentijd vernietigd moeten worden,
is een echo van de vernietigingskampen
en een manier om de zionistische woede te temperen.
Maar voor de pro-Palestinabeweging en haar aanhangers
lijkt Israëls legitieme behoefte om in vrede te leven
zonder een buurstaat die zich erop toelegt
haar te vernietigen, niets te betekenen.
Hoe kan van Israël verwacht worden
dat het naast een regime leeft
dat op brute wijze 1400 burgers op één dag heeft vermoord?

Het is ingewikkeld. De belangrijkste dingen wel.
Iedereen die ooit een grote organisatie heeft geleid,
weet dat het vaak een delicate kwestie is
om een pad voorwaarts uit te stippelen
en tegelijkertijd concurrerende belangen
en perspectieven te behouden.
Je verliest onderweg wel wat mensen,
maar je kunt het je niet veroorloven om iedereen te verliezen,
vooral niet als beide kanten van het debat enige legitimiteit hebben.

De lange strijd van de vroege kerk om orthodoxie te definiëren
vergde tijd, geduld, zorgvuldige overweging en zelfbeheersing;
ook al was ze daar soms niet erg goed in.
Het resultaat was een genuanceerde uitspraak die tussen de ene pool;
dat Jezus gewoon een heel goed mens was
en de andere; dat hij God was, gekleed in menselijke kleding.
De waarheid die uiteindelijk werd blootgelegd en omarmd,
was niet het ene uiterste of het andere,
en zelfs geen slap compromis,
maar het zorgvuldig uitgewerkte, onwaarschijnlijke idee
dat de beste inzichten van beide kanten samenbracht;
dat hij niet ‘slechts menselijk’ of ‘slechts goddelijk’ was,
of 50% van beide,
maar 100% menselijk en 100% goddelijk,
en dat dit (om redenen die te ingewikkeld zijn om hier op in te gaan)
geen contradictio in terminis was.

De waarheid en de oplossing van onze dilemma’s
over immigratie, of Gaza, zijn zelden eenvoudig.
Ze vereisen nuance. Ze vereisen geduld.
Ze vereisen zorgvuldige aandacht en luisteren
naar de mensen met wie je het instinctief
oneens bent om de waarheid te achterhalen.
Toch pleiten ons verlangen naar een dramatische headline,
onze honger naar simpele oplossingen,
onze algoritmes die de meest extreme meningen promoten,
allemaal tegen dit soort geduldige, waakzame politieke
en sociale cultuur die ons zou helpen
tot betere oplossingen te komen.

Het leven is ingewikkeld. Mensen zijn ingewikkeld.
Oplossingen voor lastige kwesties zijn zelden eenvoudig.
We hebben nuance nodig.

 

De Goeroes leken
op het eerste gezicht
op de Profeten en de Agitators.
Maar in de generaties na die eerdere tijdperken
was het moeilijker geworden om
respect te tonen voor traditie
– wat prima was, aangezien de erosie van instellingen
de tradities toch al had verzwakt
en een pad had geopend voor Goeroes
om meer invloed te verwerven
dan hun destructieve voorgangers.
Religieuze en filosofische traditie
was in de handen van de Goeroes
niet langer een vaste gids,
maar een palet om illusies
van onafhankelijkheid te schetsen.
Soms gebruikten ze het om een nieuwe realiteit te schetsen
die ondoordringbaar was voor factcheckers.

“Goeroe”, wat in het Sanskriet “verwijderaar van duisternis” betekent,
was oorspronkelijk een religieuze term.
Maar in het derde decennium van de 21e eeuw
was de meest prominente Goeroe van het land
een zakenman genaamd Donald Trump.
Trump was persoonlijk geen toonbeeld
van conventionele religieuze toewijding.
Toch hing zijn politieke carrière af van een honger
onder zijn meest toegewijde aanhangers
die alleen spiritueel genoemd kan worden.
Zoals zoveel relaties tussen charismatische leiders
en hun volgelingen,
stuitte het op verzet en woede bij buitenstaanders.
Tegen de achtergrond
van de Amerikaanse charismatische traditie
is zijn succes echter volkomen logisch.

Hoe konden vroegmoderne mystici en puriteinse ketters,
die de stem van de Heilige Geest hoorden,
dan veranderen in toegewijden
op een moderne presidentsverkiezingsbijeenkomst,
die zich verdrongen om de kandidaat
met zijn iPhone als eerste te zien,
biddend voor een selfie?
Tegen het begin van de 21e eeuw
waren de meeste religieuze instellingen
in het Westen afgegleden
tot een overblijfsel van hun vroegere gezag;
althans volgens de gebruikelijke maatstaven.
Tegenwoordig wenden commentatoren
zich meer dan ooit tot
materialistische verklaringen voor politiek disfunctioneren,
polarisatie en de algehele vertrouwenscrisis van de cultuur.
Ze wijzen op groeiende sociale ongelijkheid,
onoverbrugbare meningsverschillen over beleid,
aanhoudend racisme en xenofobie,
en kwaadaardige, geautomatiseerde krachten
die op het internet loeren.
Allemaal waar; maar allemaal ontoereikend.
Als we de religieuze impuls definiëren
als een honger naar transcendente betekenis
en een reflex om te aanbidden, te adoreren,
dan is het een menselijk instinct
dat slechts iets minder fundamenteel is
dan de behoefte aan voedsel en onderdak,
en Amerikanen zijn
niet minder religieus dan ooit tevoren.
Ze zullen altijd een manier vinden
om deze verlangens te bevredigen,
zelfs als charismatici
hen langs vreemde en kostbare paden voeren.

De beginvraag die Worthen opwierp was:
‘Wat gebeurt er als Amerikanen het vertrouwen
in hun religieuze instellingen verliezen
en politici de leegte vullen?’
Mijn vraag na lezing van dit boek is:
‘In hoeverre zien we soortgelijke ontwikkelingen in Europa?’
Want laten we eerlijk zijn:
ook in Europa is het vertrouwen
in religieuze instellingen gedecimeerd
en ook bij ons zien we dat (charismatische) politici
proberen de leegte op te vullen.
Zou de uitspraak van Nietzsche bewaarheid worden
waar hij zegt:
‘Wij hebben God vermoord, jullie en ik!
Wij zijn allemaal zijn moordenaars!‘ […]
Dwalen we niet als door een oneindig niets?
Gaapt de holle ruimte ons niet aan?
Is het niet kouder geworden?
Komt de nacht niet voortdurend sneller en sneller?’

Proberen ook wij Europeanen niet die leegte op te vullen
door achter (charismatische) politici aan te lopen?

De titel van deze post is gebaseerd op het effect bekend uit de politicologie genaamd het ‘rally ‘round the flag’: pas tijdens een crisis zien we dat burgers van een land zich massaal achter hun leider(s) scharen. Ik pas het in deze post natuurlijk letterlijk toe als ‘rondom de vlag’.

 

In de aflopen campagne
voor de Tweede Kamerverkiezingen
nam de Nederlandse vlag ineens een prominente plaats in
toen Rob Jetten de vlag als teken
van nationale eenheid en identiteit ging inzetten.
Hij zei:
‘Ik vertel daarin waarom we de Nederlandse vlag
niet mogen overlaten aan de PVV.
Want die vlag is niet van één partij.
Ze is van ons allemaal.’

Een vlag symboliseert die eenheid binnen een natie.
Maar de afgelopen tijd werden vlaggen in het Nederland
minder een bron van saamhorigheid
en meer een brandpunt van verdeeldheid.
Rechtse partijen en groeperingen
zetten de vlag doelbewust daarvoor in.
We hoeven alleen maar te kijken
naar de pins met de Nederlandse vlag
op de kleding van Kamerleden,
of de Nederlandse en geuzevlaggen
die meegevoerd werden met diverse demonstraties.

Eerder verschenen deze vlaggen
– vaak ondersteboven –
In dorpen en steden,
op bruggen,
lantaarnpalen en gebouwen
door het hele land.
De motieven van degenen die de vlaggen hijsen waren divers,
maar de manier waarop verschillende groepen mensen
deze vlaggen ervaren,
draagt een alarmerende boodschap uit
over de groeiende kloof die nu in onze natie bestaat.

Mensen met racistische motieven eisen de natie van hen ‘terug’,
want zij voelen dat zij stateloos achterblijven
en nergens meer bij horen.
Maar voor hen die zich in het centrum of links
van het politieke spectrum bevinden,
voelen de vlaggen daarentegen
als een regelrechte machtsclaim van extreemrechts
en een teken van de groeiende populariteit
van hun beleid en retoriek.
Voor deze mensen zijn de vlaggen sinister
en roepen een diep gevoel van dreiging op. 
De vlaggen dragen een intimiderende boodschap uit.

Maar er speelt nog een ander verhaal mee.
Want terwijl de vlaggen blijven wapperen in de herfstbries,
is iets wat voor de ene groep mensen een symbool van angst is,
voor de andere groep een welkom teken van hoop:
de vlaggen staan voor het herwinnen
van een zelfverzekerde Nederlandse identiteit,
die verloren was gegaan
door een mislukt experiment
in multiculturalisme
dat de eigen gemeenschap diep angstig heeft gemaakt.
En beide groepen hebben zo lijkt geen mogelijkheid meer
om elkaar te verstaan.

Ik denk dat ‘de kerk’ hierbij een essentiële taak heeft
om de verschillende groepen
weer met elkaar in gesprek te brengen.
Geloofsgemeenschappen zijn als geen ander staat om
in een cultuur van echokamers en algoritmen,
om elke kant van een conflict te begrijpen.

Want aan de ene kant moeten we ons bewust zijn
van de duistere kant van het vlagfenomeen.
Maar we dienen ook te begrijpen
wat de behoeften en angsten zijn
van de mensen voor wie de vlaggen welkom zijn.

En de grens tussen mensen is soms heel dubbel.
Het kan bijvoorbeeld best zo zijn
dat een vrijwilliger
die in haar kerk meehelpt met projecten
voor kwetsbaren
en goed bevriend is met asielzoekers in haar gemeente,
toch nog steeds een vlag laat wapperen
omdat ze vindt dat de immigratie ‘te ver is gegaan’.

Want de vlaggen kunnen fungeren
als een uitlaatklep voor de intense frustratie
van mensen die zich achtergesteld en genegeerd voelen
of leven met de chronische desillusie
over een politiek systeem
dat hen in de steek heeft gelaten.
Vlaggen wapperen soms als uiting
van een wanhopige roep
om een land dat beter voor hen zou zorgen.
Een beetje zoals een verwaarloosd kind
dat iedereen eraan probeert te herinneren
dat ook hij deel uitmaakt van de familie.
Anderen voelen zich gefrustreerd
omdat hun instellingen bereid lijken
om veel verschillende vlaggen te voeren
– de Oekraïense vlag of de LGBTQI+-vlag –
maar zij vinden dat diezelfde instellingen
zich schamen voor de vlag van hun eigen land.

Uiteindelijk zijn veel mensen
oprecht trots op de vlaggen
die boven hun gemeenschap wapperen,
omdat het hen de kans geeft om hun trots te uiten
voor een land dat zich vaak overdreven verontschuldigt
voor zijn verleden en zich schaamt voor patriottisme.

Voor veel groepen is de globalisering
en het transnationalisme,
die door degenen die de macht hebben
als de weg naar meer welvaart worden gezien,
slecht nieuws geweest.
Het heeft banen uitbesteed, lonen verlaagd,
waardoor veel werkenden
nog steeds afhankelijk zijn van uitkeringen,
en het heeft geleid
tot grote demografische veranderingen
in gemeenschappen
waarbij de lokale bevolking
geen inspraak had.

Dit gecombineerd met jaren van slopende bezuinigingen
en een politieke klasse die snel belooft maar traag levert,
heerst er een krachtige en intense woede
in veel groepen mensen
en voor hen zijn de vlaggen
een bliksemafleider geworden.

Het lijkt erop dat één vlag
nu twee naties symboliseert.
En wat zo alarmerend is,
is dat de ene kant de andere nauwelijks begrijpt.

Hoe moeten christenen reageren?
Want een verdeelde natie
wil dat de kerk partij kiest
en ziet ons zelfs
als zwak en wankelmoedig
als we dat niet doen.
Maar de taak van een christen is niet
om in elk binair debat
de ene of de andere kant te kiezen.
De opdracht is om aan de kant van de Heer te staan.
En in deze context denk ik
dat dat een tweeledig antwoord betekent.

Het betekent aandachtig luisteren naar iedereen.
We moeten de angsten horen
van hen voor wie vlaggen
een teken zijn van groeiende intolerantie
en daarom racisme en haat veroordelen.
Maar even belangrijk is dat we,
zelfs als we het niet met elkaar eens zijn,
de woede van mensen moeten begrijpen
en er een stem aan moeten geven.
Want zij vrezen dat de natie die ze liefhebben,
hen wordt afgenomen.
Als die stem niet gehoord en begrepen wordt,
zal extreemrechts maar al te graag
het vacuüm opvullen dat ontstaat.
In een verdeelde natie
is het een deel van de roeping van de kerk
om de ene kant te helpen de andere te begrijpen.

Het betekent ook om
op de plek van conflict woorden
van christelijke vrede te spreken.
We mogen wijzen
op het verlossende werk van Jezus Christus,
waardoor we verzoend worden
met de Vader en zo met elkaar.
Laten we luisteren en begrijpen,
maar bovenal het kruis hoog houden,
want in dat symbool schuilt
de enige ware en blijvende bron van eenheid.

The Great Depression (1929-1939)

 

De Agitators kregen
aan het begin van de twintigste eeuw de overhand
en protesteerden tegen de moderniteit als een rauwe deal
en democratie als vermomde tirannie.
De Veroveraars hadden de overheidsbevoegdheid
over het leven van Amerikanen
over het algemeen uitgebreid
en een gouden idee van vooruitgang gepromoot.
Nu sloeg de slinger weer om
naar oproepen tot vernietiging.
De Agitators vonden een markt om de staat aan te vallen
en de zogenaamde vooruitgang
als een leugen te bestempelen.
Ze definieerden zichzelf als buitenstaanders,
of ze dat nu waren of niet,
en ontdekten dat het verkrijgen van materiële macht
niet betekent dat men moet stoppen
met het vertellen van een verhaal
over ballingschap en ellende.
Dit bleek een belangrijke les
in een tijdperk van wereldoorlog en economische rampspoed:
wereldwijde crises hebben de neiging
een verstoten dissident te transformeren
tot een geloofwaardige bedreiging
voor de gevestigde orde.
En ondertussen werden christenen steeds wilder in hun uitingen
van nieuwtestamentische charismatici
– omdat het, paradoxaal genoeg, makkelijker was om te gaan
met wat Max Weber de “ijzeren kooi” van de moderniteit noemde,
door steeds meer buitenissige tekenen
van goddelijke macht te omarmen.