In een denkbeeldige boksring
staan ze tegenover elkaar:
een paus en een president.
Aan de ene kant een man in wit
die tot zijn dood blijft zitten waar hij zit.
Aan de andere kant een man
in een rood stropdasje die,
als het een beetje meezit,
in 2029 gewoon moet vertrekken.
Mijn geld?
Niet op de man van Mar-a-Lago.

Kijk, die paus – Leo XIV –
is geen heilige in de zin van foutloos,
maar wel iemand die snapt
wat woorden doen.
Hij noemt oorlog oorlog,
een oorlogsstoker
gewoon een oorlogsstoker,
en zegt vervolgens:
mijn taak is vrede prediken.
Punt.
Geen CAPS LOCK, geen memes,
geen digitale zelfverheerlijking.

En dan: stilte.
Terug aan het werk.

Aan de overkant heb je Trump.
Die reageert zoals Trump reageert:
met een AI-plaatje van zichzelf
als een soort messias-light.
Gewaden, lichtstralen, vrouwen aan zijn voeten.
Officieel is hij dan ineens “arts”.

‘Tuurlijk.
De man die zichzelf als Jezus afbeeldt,
maar dan met een medische specialisatie.
“Zuster, wilt u even meekijken?”

Het contrast is bijna te mooi.
De een trekt zich terug uit de ruzie.
De ander voert hem op als spektakel.

En ergens voelt het vertrouwd.
Alsof we dit al eens gezien hebben.
Neem Henry VIII, de koning van Engeland.
Ook zo’n man die dacht
dat zijn wil uiteindelijk boven Rome stond.
IJdel, driftig,
geobsedeerd door nalatenschap
en mannelijk nageslacht.
Hij had de valkenjacht,
Trump heeft golf.
Andere hobby, zelfde leegte.

Maar Henry wist tenminste
nog met wie hij ruzie maakte.
Hij kende de paus, de theologie, de inzet.
Hij worstelde – op zijn manier –
met schuld, geloof, lotsbestemming.
En Trump?
Die lijkt oprecht te denken
dat een paus een soort Europese bestuurder is
die je kunt paaien
met een complimentje en een deal.

En toch zit de echte clou niet in die vergelijking.
Die zit in iets groters:
de verlosserfantasie.

Want Trump is niet zomaar een politicus.
Net als Orbán en Poetin
en al die anderen
speelt hij een rol
die ouder is dan democratie:
die van redder.

De man die chaos ordent,
die een gekrenkt volk
erkenning geeft.
Zolang zij erin slagen
dat diepe verlangen aan te boren
– naar erkenning, naar trots,
naar een simpel verhaal
waarin alles weer klopt –
blijven ze relevant.
Niet omdat ze gelijk hebben,
maar omdat ze iets vervullen.
Die zegt:
volg mij,
en alles komt goed.

Dat werkt. Niet omdat het waar is,
maar omdat het voelt als waarheid.
Zoals Max Weber al beschreef:
charismatisch leiderschap
is geen eigenschap van één man,
maar een relatie.
Een hongerig publiek
en een leider
die precies serveert
wat er verlangd wordt.

En soms gaat dat nog een stap verder.
Dan wordt die leider een soort halfgod.
Onaantastbaar. Onfeilbaar.
De werkelijkheid
moet zich aanpassen aan het verhaal,
niet andersom.

Totdat dat niet meer lukt.

Want op een gegeven moment wringt het.
Beloftes botsen met feiten.
De magie slijt.
Corruptie wordt zichtbaar,
leugens te groot,
de tegenstrijdigheden ondraaglijk.
Dat moment heet,
in droge academische taal,
“contaminatie”.
In gewoon Nederlands:
de rot slaat erin.

Dat zagen we bij Orbán.
Dat gaan we ook elders zien.
De vraag is niet óf,
maar wanneer.

En belangrijker: wat daarna komt.

Want als de ene verlosser valt,
staat de volgende al klaar.
De behoefte verdwijnt namelijk niet.
Dat gat
– die honger naar erkenning, orde, identiteit –
blijft.
En wie denkt dat je dat oplost
met alleen economische cijfers
of beleidsmaatregelen,
snapt het probleem niet.

Mensen willen geen spreadsheet.
Ze willen een verhaal.

De paus begrijpt dat.
Hij biedt er één aan
dat draait
om vrede en terughoudendheid.
Trump biedt er één aan
dat draait om strijd en zelfverheerlijking.

En ergens,
in die denkbeeldige boksring,
is de uitslag al bekend.
Niet omdat de paus fysiek sterker is,
maar omdat hij iets heeft wat Trump mist:

Een Verhaal dat ook zonder hem kan bestaan.

 

Er zijn van die momenten waarop religie en realpolitik elkaar kruisen
en je even niet weet of je moet bidden
of je wenkbrauwen optrekken.
Neem Paus Leo XIV,
die op Palmzondag droogjes opmerkte dat Jezus
“niet luistert naar de gebeden van hen die oorlog voeren.”
Vrij vertaald: je kunt wel “amen” zeggen,
maar als je handen nog nadruppelen
van het vergoten bloed,
komt je verzoek niet
door de spamfilter van de hemel.

Hij leent daarvoor even bij
de Bijbelse profeet Jesaja:
“Al bidden jullie veel,
Ik zal niet luisteren,
want jullie handen
zijn bevlekt met bloed.”
Geen namen, geen landen.
Maar timing is alles,
en toevallig had Pete Hegseth
net een gebed uitgesproken
dat klonk alsof het door een PR-team
van een raketfabrikant was geschreven:
of elke kogel vooral lekker doel mag treffen,
graag met “overweldigende gewelddadigheid”.
Je hoort bijna de artillerie op de achtergrond.

Natuurlijk, context, nuance, theologie
– we kennen het riedeltje.
Niet elke oorlog is fout,
zeggen veel christenen.
Er bestaat zoiets als een “rechtvaardige oorlog”.
Denk aan de Tweede Wereldoorlog:
daar zat een vrij duidelijk verschil
tussen dader en verdediger.
Maar een preventieve oorlog
verkopen als morele noodzaak
is een beetje alsof je iemand
eerst een klap geeft
en daarna klaagt
dat het zo’n gewelddadige wereld is.

Voor deze oorlog niet bestaat
gewoonweg geen theologische keuring.
Want er was geen directe dreiging,
geen onvermijdelijkheid
– dus ook geen rechtvaardiging.
De paus sluit daar
eigenlijk vrij nuchter bij aan.
Geen kruistocht tegen oorlog op zich,
wel tegen de reflex
om geweld alvast
van een zegen te voorzien.

En dan het gebed van Pete Hegseth zelf.
Want daar zit de echte pijn.
Gebed is blijkbaar verworden
tot een soort hemelse klantenservice:
“Beste God, hierbij mijn bestelling:
succes, overwinning
en graag een beetje extra geweld,
dank U wel.”
Alsof je met genoeg “halleluja’s”
een luchtaanval
kunt upgraden naar premium.

Maar volgens mensen
die er verstand van claimen te hebben
– theologen, mystici, dat soort types –
werkt het net andersom.
Bidden is niet praten tegen God
alsof Hij je persoonlijke assistent is.
Het is luisteren. Stil worden.
De controle loslaten.
Je zou het het zelfs een soort
innerlijke sloop kunnen noemen:
jezelf tegenkomen
op manieren
waar je niet om had gevraagd.

En daar zit precies het probleem.
Want luisteren is ingewikkeld
als je al precies weet wat de uitkomst moet zijn.
Stilte helpt niet
als je eigenlijk bevestiging zoekt.
En overgave is nu eenmaal
geen populair beleidsinstrument.

Misschien is dat
wat er bedoeld wordt
met zo’n oude zin van Jesaja.
Niet dat er nooit gebeden mag worden
in tijden van oorlog,
maar dat sommige gebeden
vooral laten zien
dat we niet echt luisteren.
Dat we God eerder gebruiken
als stempel van goedkeuring
dan als gesprekspartner.

Dus ja,
misschien luistert God inderdaad niet.
Niet omdat Hij het te druk heeft,
maar omdat “het gesprek”
nooit echt begonnen is.
Als je alleen praat
om je eigen plannen te zegenen,
voer je geen dialoog.
Dan hou je een monoloog met applausband.

En als dat het geval is,
dan is het eigenlijk niet zo vreemd
dat het stil blijft aan de Andere Kant.

 

Pasen is niet te geloven. Echt niet.

Het is het kernfeest van de kerk,
het hart van het christelijk geloof.
Zonder Pasen geen christendom.
Als je erover begint,
ga je vanzelf zachter praten.
Alsof je op heilige grond staat.

Voor mensen totaal onvoorstelbaar.
Ik hoorde laatst een collega theoloog op Radio 1.
De vraag was simpel:
wat betekenen Goede Vrijdag en Pasen?
Hij zei: “De bottomline?
De dood heeft niet het laatste woord.”
Punt.
En precies op dat moment werd hij onderbroken.
Er was ergens een doelpunt gevallen
op een Nederlands voetbalveld.

Typisch.
De dood overwonnen
en hup,
we schakelen over naar de eredivisie.

Maar hij had gelijk.
Dat is Pasen:
de dood heeft niet het laatste woord.

En tegelijk: het is niet te geloven.
Wie ooit bij een dode heeft gestaan,
weet hoe definitief de dood voelt.
Hoe koud. Hoe stil.
Hoe onomkeerbaar.
Dood is dood.
Ook bij Jezus.
Hij hing daar, zichtbaar voor iedereen.
Hij stierf. Hij gaf de geest.
Geen schijnvertoning.
Geen bijna-doodervaring.
Gewoon: gestorven.

En dan dat verhaal
uit het evangelie van Matteüs.
Vrouwen bij het graf. Een aardbeving.
Een engel die de steen wegrolt
en er doodleuk op gaat zitten.
“Wees niet bang.
Hij is niet hier.
Hij is opgestaan.”
Het graf is leeg.

Niet te geloven.

Tenminste, niet als je denkt
dat Pasen betekent
dat Jezus na drie dagen
gewoon weer verderging
waar Hij gebleven was.
Alsof er een pauzeknop was ingedrukt.
Dat is een karikatuur.
Pasen is geen terugspoelen.
Geen weder-opstanding in de zin van:
we pakken de draad weer op.

Door Pasen is alles anders.

De opstanding zelf zien we niet.
Geen camera’s in het graf.
Geen verslaggevers.
Het blijft een mysterie.
Wat we zien, is een leeg graf.
Wat we horen, is een boodschap:
Hij leeft.
En wat we merken in de verhalen:
niemand herkent Hem meteen.
Er is angst.
Twijfel.
Ontzetting.
En steeds weer die woorden:
wees niet bang.

Pasen is geen truc.
Het is een lens.
Je kijkt naar dezelfde wereld
– met oorlog, verlies, ziekte, onrecht –
maar je ziet méér.
Je ziet dat liefde
niet is weggevaagd door geweld.
Dat wat Jezus leefde en verkondigde
niet is geëindigd aan een kruis.

De liefde van God laat zich niet begraven.

De dood heeft niet het laatste woord.
Dat betekent niet dat de dood er niet meer is.
Het betekent dat hij niet beslissend is.
Niet ultiem.
Niet het einde van het verhaal.

En dat verandert alles.

Het bevrijdt je van cynisme.
Van dat harde stemmetje dat zegt:
“Het wordt toch nooit wat.”
Het bevrijdt je
– wonderlijk genoeg –
zelfs van de verlammende angst voor de dood.
Als de dood niet het laatste is,
dan hoef ik niet krampachtig vast te houden.
Dan mag ik leven. Voluit.
Breken en delen.
Liefhebben zonder garantie.

Pasen is niet alleen iets om te geloven.
Het is iets om te doen.

De vrouwen worden weggestuurd bij het graf.
Weg van het verleden.
De wereld in.
“Hij gaat jullie voor.”
Dat is Pasen:
in beweging komen.
Opstandig worden tegen alles wat doods is
tegen onrecht, haat, onverschilligheid.
Omdat je gelooft dat leven sterker is.

“In Christus is een nieuwe schepping,” schrijft Paulus.

Dat is geen theorie.
Dat is een manier van bestaan.
Een nieuwe mens worden.
Hier.
Nu.

Dus ja, Pasen is niet te geloven.

Maar misschien
is dat precies de bedoeling.

Niet dat je het kunt verklaren.
Maar dat je het aandurft.

Te leven want de dood
heeft niet het laatste woord.

Werkelijk niet.

 

Het was maar een heuvel buiten de stad.
Een executieplek.
Zo’n plaats waar je liever
met een boog omheen loopt.
En toch…
wat daar gebeurde op Golgotha
heeft de wereld doormidden gesneden.

Zie je het voor je?
Die dag voelde niet als een kantelpunt.
Geen engelenkoren.
Geen applaus uit de hemel.
Gewoon stof, zweet, bloed.
Soldaten die hun werk doen.
Omstanders die grappen maken.
Religieuze leiders die tevreden knikken.
En ergens daarboven,
vastgespijkerd tussen hemel en aarde: Jezus.

De aarde wilde Hem niet meer.
De hemel leek stil.
Hij hing daar in het niemandsland.
Dat is wat een kruis doet.
Het is niet alleen een martelwerktuig.
Het is een statement:
jij telt niet meer mee.
Jij bent afgeschreven.
Door mensen.
En, zo voelt het althans, ook door God.

En toch.

Terwijl de hamerslagen nog naklinken,
bidt Hij.
Niet om wraak.
Niet om vuur uit de hemel.
Hij zegt: Vader, vergeef het hun,
want ze weten niet wat ze doen.

Dat is geen zwakte. Dát is koningschap.

Op die heuvel leek de duisternis te winnen.
De massa heeft geschreeuwd.
Pilatus heeft zijn handen gewassen.
Barabbas loopt vrij rond.
Jezus hangt vast.
Als je er met menselijke ogen naar kijkt,
is dit het failliet van hoop.

Maar luister naar Zijn woorden.
Daar, midden in de vernedering, regeert Hij.
Niet met geweld, maar met genade.
Niet door Zijn vijanden neer te slaan,
maar door voor hen te bidden.

‘Ze weten niet wat ze doen.’

Echt niet?
Die soldaten wisten precies
hoe je iemand moest kruisigen.
De leiders wisten precies
wat ze wilden:
van Hem af.
De menigte wist precies
hoe je iemand kapot schreeuwt.

En toch zegt Hij: ze weten het niet.

Ze weten niet Wie Ik ben.
Ze weten niet wat hier gebeurt.
Ze weten niet dat ze,
terwijl ze Mij afwijzen, gered worden.

Dat is het schurende van Goede Vrijdag.
Want laten we eerlijk zijn:
wij weten vaak ook niet wat we doen.
We kiezen voor onszelf.
We lopen God voorbij.
We praten goed wat krom is.
We noemen duisternis nuance.

En ondertussen bidt Hij.

Niet pas nadat wij berouw tonen.
Niet pas nadat wij het snappen.
Nee, terwijl wij nog bezig zijn
met onze eigen hamerslagen.
Dat is wat Paulus later schrijft in de Romeinenbrief:
toen wij nog zondaars waren,
stierf Christus voor ons.

Dat is genade die je uit het veld slaat.

Wij denken vaak:
eerst inzicht, dan vergeving.
Eerst schoon schip maken,
dan mag je thuiskomen.
Maar aan dat kruis
wordt de volgorde omgedraaid.
Daar klinkt vergeving
vóórdat iemand ‘sorry’ zegt.

Dat voelt bijna te makkelijk.
Te royaal. Te riskant.

Maar kijk naar die misdadiger naast Hem.
Een man met bloed aan zijn handen.
Geen tijd meer om zijn leven te beteren.
Geen kans om iets goed te maken.
En Jezus zegt:
vandaag nog zul je met Mij in het paradijs zijn.

Hoe dan?

Omdat vergeving niet rust op onze prestatie,
maar op Zijn overgave.
Omdat er iets rechtgezet moest worden
tussen God en ons
en wij dat niet konden.
Dus deed Hij het.

Daarom is het kruis niet het einde
van een tragisch verhaal,
maar het begin van een uittocht.
Uit de greep van schuld.
Uit de macht van zonde.
Uit de leugen
dat jij voorgoed bent afgeschreven.

“Het is volbracht.”

Dat is geen zucht van nederlaag.
Dat is de adem van overwinning.

En dan, als alles gezegd is,
legt Hij Zijn leven terug
in de handen van Zijn Vader.
Alsof Hij wil zeggen:
het is goed zo. De weg is open.

Dus ja,
het was een donkere dag op Golgotha.
Maar het was ook de dag
waarop de liefde het laatste woord kreeg.

En dat woord klinkt nog steeds.

Voor hen.
Voor jou.
Voor mij.

Als zij zouden zwijgen, zouden de stenen het uitschreeuwen.

 

In deze dagen van de Goede Week
lopen wij als het ware mee,
de weg op van Betanië naar Jeruzalem.
We zien Jezus Christus gaan,
omringd door zijn leerlingen.
Er hangt iets in de lucht.
Verwachting. Hoop.
En misschien ook wel verwarring.

Hij kiest een ezelsveulen.
Geen strijdros,
geen vertoon van macht.
Maar eenvoud. Nederigheid.
En toch:
een koninklijk teken,
zoals de profeet ooit beloofde.
Een koning die anders is dan verwacht.

De mensen langs de weg begrijpen er iets van.
Ze leggen hun mantels neer.
Ze zwaaien met takken.
Ze roepen: “Hosanna – Heer, red ons.”
Hun stemmen vullen de lucht.
Hun hoop krijgt woorden.

En dan die opmerking van Jezus,
bijna achteloos, maar zo veelzeggend:
Als zij zouden zwijgen,
zouden de stenen het uitschreeuwen.

Stenen die roepen.

In de traditie van vandaag
denken we misschien aan struikelstenen – stolpersteine.
Kleine stenen in de weg,
die je even uit je pas halen.
Stenen die herinneren.
Die je dwingen
om niet gedachteloos door te lopen.

Zo liggen er ook stenen
op onze weg naar Pasen.

Stenen van teleurstelling.
Stenen van twijfel.
Stenen van niet-begrijpen
waarom God anders handelt
dan wij hopen.

De mensen die “Hosanna” roepen,
zullen een paar dagen later zwijgen.
Of erger:
ze zullen roepen om het tegenovergestelde.
Hun verwachting
van een machtige koning
botst met de werkelijkheid
van een lijdende Messias.

En is dat niet herkenbaar?

Ook wij struikelen.
Over ons eigen beeld van God.
Over wat wij denken
dat Hij zou moeten doen.
Over gebeden
die anders verhoord worden
dan wij willen.

De Veertigdagentijd is een weg.
Geen rechte, gladde weg,
maar een pad vol stenen.
Geen obstakels om te vermijden,
maar tekens om bij stil te staan.

Elke struikelsteen kan een uitnodiging zijn.

Om langzamer te gaan.
Om beter te kijken.
Om opnieuw te luisteren.

Misschien roepen die stenen nog steeds.
Niet luid en oorverdovend,
maar zacht en aandringend:
“Kijk naar Hem.”
“Volg Hem.”
“Blijf niet staan bij wat je verwachtte,
maar ga mee in wat komt.”

Want de weg van Jezus Christus
loopt niet alleen
naar Jeruzalem,
maar naar het kruis.
En voorbij het kruis, naar nieuw leven.

Dat zien we nu nog niet volledig.
Net als de mensen toen.

Maar juist daarom klinkt in deze week
die oude roep opnieuw:
“Hosanna – Heer, red ons.”

Niet omdat wij alles begrijpen.
Maar omdat wij Hem willen volgen.

Misschien is dat
wel de opdracht van deze dagen:
niet om zonder struikelen te lopen,
maar om, struikelend en wel,
toch verder te gaan achter Hem aan.

Het is Palmzondag.

Wat zegt u?
O ja, dat verhaal. Jezus op een ezel, Jeruzalem in.
Wereldnieuws hoor.
Elk jaar weer hetzelfde.
In die kerk van jullie zijn ze dol op herhaling.
Afgeknaagde verhalen,
opnieuw opgediend, met een palmtakje erbij.

Want zeg nou zelf: wie loopt daar vandaag nog warm voor?
Zelfs The Passion voelt als vaste prik.
Bekende liedjes, bekende gezichten.
Denk niet zwart, denk niet wit.
We kunnen het bijna meezingen.

En toch…
Het is veertigdagentijd.
Tijd om even niet door te zappen.
Tijd om niet meteen te roepen:
“Heb je niks nieuws? Iets vrolijks? Iets actueels?”

Want Palmzondag is geen feelgoodverhaal.
Het is een spiegel.

Daar komt hij binnen. Jezus.
Geen paard. Geen escorte. Geen machtsvertoon.
Een ezel. De sjofele koning.
Wereldvreemd, zou je zeggen.
Wie verwacht daar nou iets van?
Macht hoort te glimmen.
Macht komt met sirenes, auto’s met geblindeerde ramen,
rode lopers en ambtskettingen.
Macht laat zich graag zien.

Jezus niet.
Hij kiest een andere entree. Klein. Breekbaar.
Tegen de stroom in.

Naïef?
Zijn vrienden vonden van wel.
“Ga niet naar Jeruzalem. Dat is gevaarlijk.
Je hoeft de problemen niet op te zoeken.”

Hij ging toch. Omdat hij niet anders kon.
Omdat trouw zijn aan je weg
soms betekent dat je het risico neemt.

En het begint feestelijk. Hosanna!
Gejuich. Enthousiasme.
Maar wie ooit in een stadion stond of in een volle zaal,
weet hoe dun die lijn is.
Eén moment ben je mee op de golf,
het volgende moment denk je:
wat doe ik hier eigenlijk? Ben ik mezelf nog?

Vandaag Hosanna.
Morgen: kruisig hem.

Zo wispelturig zijn wij mensen.
We bouwen voetstukken en trappen ze net zo hard weer om.
Trainers, politici, idolen,
één fout en we keren ons af.
Soms met genot.

En Jezus?
Wat had hij verkeerd gedaan?
Niets.

Misschien is dat juist het probleem.
Dat wij moeite hebben met iemand die niet meespeelt.
Die het nette parkje omspit.
Die blijft kiezen voor liefde, zachtheid, geweldloosheid.
Die weigert hard te worden in een harde wereld.

Het is Palmzondag.
En daarmee staan we aan het begin van de stille week.
Een week die schuurt. Die vertraagt.
Die je uitnodigt om niet mee te juichen, maar mee te lopen.
Niet te oordelen, maar te kijken:
wie is deze man eigenlijk… voor mij?

In het verhaal stellen mensen die vraag ook:
Wie is dat?
Geen vrome interesse, maar wantrouwen.
Wat moet ’ie?

Het antwoord is opvallend simpel:
Jezus. Profeet. Uit Nazaret. Galilea.

Geen held van het centrum.
Geen man van boven.
Maar iemand van de rand.
Van de gewone mensen.
Van wie niet meetelt.
En juist daar, zegt dit verhaal, woont God.

Het is Palmzondag.
Ik sta langs de kant van de weg.
Niet zo snel meer juichend.
Misschien ouder. Voorzichtiger.

Maar ergens fluistert het:
Als ik wil leren leven,
eenvoudig, liefdevol, met open handen,
waar zou ik dan beter kunnen kijken?

Ik kijk.
Ik zwijg.
En jij?

 

Hoop.
We doen alsof het een knuffelwoord is.
Iets met kaarsjes, zachte muziek
en “het komt wel goed”.
Maar zeg in 2026 hardop dat je hoopt,
en je krijgt meewarige blikken.
Hoop?
Serieus?
Heb je het nieuws wel gezien?

Zelfs schrijvers als Tommy Wieringa
pleiten voor “optimisme zonder hoop”.
Klinkt stoer.
Laat de hoop maar varen,
dan kun je ook niet teleurgesteld worden.
Lekker in het nu blijven.
Geen luchtkastelen,
geen religieuze roze wolk.
Gewoon dóór.

En eerlijk gezegd; ik snap het wel.
Want hoop kan een verdovingsmiddel zijn.
Dat stigma hangt er al langer aan.
Hoop is
uitgestelde teleurstelling
Alsof hoop je week maakt.
Alsof je helemaal bent losgezongen
van de werkelijkheid.
Alsof in de hoop geloven
hetzelfde is als
je niet willen overgeven
aan je lot.

En christelijke hoop
is dan wel helemaal geframed:
passief.
“Stil maar, wacht maar.”
Een geestelijke hangmat.

Toch is dat een karikatuur.

Want hoop is geen verwachting.
Dat is het eerste misverstand.
Verwachting zegt: dit gáát gebeuren.
Hoop zegt: ik verlang hiernaar,
ook al acht ik de kans klein.
Zoals kerkvader Augustinus van Hippo al zei:
waar alles zeker is, daar is geen hoop meer nodig.
Hoop leeft juist bij onzekerheid.

En volgens theoloog Thomas van Aquino
gaat hoop meestal over de toekomst,
iets wat nog niet is,
maar kan worden.
Dat maakt hoop spannend. Riskant.
Je legt je hart in iets dat je niet in de hand hebt.

En daar zit ook de schurende kant.
Hoop kan pijn verlengen.
Friedrich Nietzsche noemde
hoop zelfs het gemeenste kwaad,
omdat ze het lijden uitrekt.
En ja, valse hoop, opgeblazen, blind, ongegrond als zij is,
is gevaarlijk.
De oude Grieken wisten dat al.
In ‘Prometheus geboeid’
van tragediedichter Aischylos
wordt gesproken
over “blinde hoop”
die in het menselijk hart wordt geplant.

Maar wie denkt dat de oplossing
dan maar cynisme is, vergist zich.

Cynisme is geen volwassenheid.
Het is teleurgestelde hoop
die zich vermomt als superioriteit.

De Bijbel is op dit punt verrassend nuchter.
In de brief aan de Romeinen, hoofdstuk 5,
schrijft Paulus dat hoop niet ontstaat
uit succes, maar uit verdrukking.
Verdrukking wekt volharding,
volharding beproefdheid,
en beproefdheid hoop.
Met andere woorden:
hoop is geen suikerlaagje
over de realiteit.
Ze wordt gesmeed in tegenslag.
En in hoofdstuk 15 bidt hij
dat God ons vervult met
“alle blijdschap en vrede
in het geloven,
zodat u overvloedig bent in de hoop”.
Overvloedig.
Dus niet zuinigjes.

Dat is geen escapisme.
Dat is brandstof.

Want zonder hoop geen verbeelding.
En zonder verbeelding geen verandering.

Je kunt eindeloos roepen
dat democratie, rechtsstaat
en mensenrechten belangrijk zijn.
Maar zonder hoop
dat ze toekomst hebben,
doe je… niets.
Dan word je ironisch.
Of boos. Of moe.

Hoop is geen hangmat.
Hoop is een anker.
Niet voor niets is dat het sterkste symbool.
Een zwaluw vliegt weg.
Een duif laat zich niet sturen.
Maar een anker gooi je zelf uit.
Je kiest waar je je vastlegt.

Hoop is dus geen gevoel dat je overkomt.
Het is een deugd.
Een keuze.
Een daad van verzet
tegen de vanzelfsprekendheid van verval.

Ja, ze kan ontsporen.
Politici weten
hoe ze hoop moeten bespelen.
“Yes we can”; “Het kan wél”
of “Make America Great Again”;
hoop en angst liggen
gevaarlijk dicht bij elkaar.
Maar misbruik maakt het origineel niet waardeloos.

De echte vraag is niet
óf we hopen.
De vraag is wáárop.

Op ons eigen gelijk?
Op nostalgie?
Op macht?

Of op een Verhaal
dat groter is dan wijzelf?

Want, zoals theoloog Stanley Hauerwas zegt:
cynisme is de vorm
die hopeloosheid aanneemt
bij mensen die niet meer geloven
dat ze deel zijn van
een Verhaal dat hoop geeft.

Misschien is dát het probleem van onze tijd.
Niet dat we te veel hopen.
Maar dat we het Verhaal kwijt zijn.

En dus is hoop geen luxe.
Ze is noodzaak.
Geen zachte deugd, maar een taaie.
Geen vlucht vooruit,
maar een gespannen koord
tussen wat is en wat moet worden.

Hoop schuurt. Hoop bijt.
Maar zonder hoop gebeurt er niets.

 

In de veertigdagentijd lopen we mee.
Op weg naar Pasen
laten we ons meenemen
langs de verhalen van het evangelie,
langs de levensweg van Jezus.

Het is geen snelle route, geen rechte lijn.
Het is een weg van wachten, aarzelen,
misverstanden en confronterende ontmoetingen.
Precies daarom past deze tijd zo goed bij ons leven nu.

Wie Jezus volgt in de evangeliën, ziet één rode draad:
zijn tomeloze inzet voor het leven.
Voor het leven van gewone mensen.
Bruiloftsgasten die zonder wijn dreigen te vallen,
een vrouw bij een bron die haar schaamte meedraagt,
een man die al zijn hele leven langs de kant zit.
Jezus is gekomen om leven te laten stromen
heilzamer, dieper, menselijker.

Dat wordt scherp zichtbaar bij het graf van Lazarus.
Het verhaal is ongemakkelijk.
Lazarus is echt dood.
Al vier dagen.
De dood is al begonnen aan zijn werk.
Geen ruimte voor romantiek of symboliek.
De stank is er.

En juist daar, op die plek,
bidt Jezus hardop: niet om Lazarus zelf, maar
“ter wille van de mensen hier”.
Opdat zij zouden geloven
dat het leven sterker is dan de dood.

En toch: Lazarus zelf zegt niets.
Geen verslag van het hiernamaals, geen getuigenis.
Hij zwijgt.
Alsof Johannes ons wil zeggen:
het gaat hier niet om wat er na de dood is,
maar om wat dit verhaal met ons doet.
Om de vraag die het oproept.

Want kijk eens naar Jezus.
Hij talmt. Hij wacht.
Hij roept verwarring op.
Hij laat het gevaar dichterbij komen.
En als hij eindelijk bij het graf staat,
huilt hij.
Hij ergert zich.
Hij wordt woedend.
Dit is geen afstandelijke wonderdoener,
maar iemand die zich met alles
wat in hem is verzet tegen de dood.
Tegen alles wat het leven verstikt,
voortijdig begraaft, klein houdt.

Dood is niet alleen het einde.
Er is ook zoveel dood in het leven.
Structuren die mensen vastzetten.
Angst die verlamt.
Idealen die allang zijn opgegeven.
Levend begraven, terwijl je nog ademt.

En dan klinkt die stem bij het graf:
“Lazarus, kom naar buiten.”
Maak hem los. Laat hem gaan.

Dat is Pasen in wording.
Dat is geloven tegen de feiten in.
Niet berusten, niet schouderophalend zeggen:
zo is het nu eenmaal.
Maar kiezen voor het leven. Hier en nu.

Veertig dagen oefenen we daarin.
Om ons te laten roepen.
Om los te komen van wat ons bindt.
En om, opnieuw ademhalend,
de wereld weer in te gaan.

 

Migratie.
Zeg het woord en je voelt
de temperatuur in de kamer dalen.
Alsof iemand net heeft voorgesteld
om de voordeur uit de scharnieren te halen.
In talkshows is het een crisis.
In de politiek is het een last.
En in de kerk?
Daar klinkt vaak precies hetzelfde riedeltje,
maar dan met een Bijbeltekst erop geplakt.

We praten elkaar na.
Rechts roept dat we desnoods
uit het EVRM moeten stappen
om “de instroom te stoppen”.
Links schuift ongemakkelijk mee
en heeft het ineens ook
over “verminderen van nettomigratie”.
Het frame staat vast:
migratie is een probleem dat beheerd,
begrensd,
ingedamd moet worden.
Punt.

En de kerk?
Die knikt vaak braaf mee.

Steeds meer christenen
hebben hun mening over migratie
vooral gevormd via krantenkoppen,
sociale media en politieke slogans.
Alsof de Schrift een bijlage is
bij een partijprogramma.
In peilingen hoor je kerkleden zeggen
dat afgewezen asielzoekers
onmiddellijk uitgezet moeten worden,
zonder beroep.
Hard.
Snel.
Klaar.

Begrijp me goed:
migratie is complex.
Europa kan niet simpelweg
alle grenzen openzetten
en maar hopen dat het goedkomt.
Maar is “het is een probleem”
echt het enige verhaal
dat wij als christenen
te vertellen hebben?

Lees je Bijbel eens
zonder de bril van Den Haag.

Abraham? Een migrant.
Weggeroepen uit zijn land,
zonder routeplanner,
zonder verblijfsvergunning,
levend van belofte.

Jozef? Slachtoffer van mensenhandel.
Gedwongen migratie. Trauma.
En toch wordt hij in Egypte een redder van velen.
“Jullie dachten kwaad tegen mij,
maar God dacht het ten goede.”
Dat is geen goedkope troost;
dat is een radicale herlezing
van migratiegeschiedenis.

Ruth? Buitenlander. Vluchteling.
Afhankelijk van de goedheid van anderen.
En juist zij wordt onderdeel van de messiaanse lijn.
Het verhaal van God dendert
niet voort ondanks migratie,
maar via migratie.

En wij?
Het Nieuwe Testament noemt christenen
vreemdelingen en bijwoners.
Pelgrims.
Mensen met een hemels burgerschap.
Dan is best ironisch
dat juist wij zo verknocht zijn geraakt
aan onze nationale identiteit
alsof het het elfde gebod is.

Misschien is de profetische taak van de kerk
niet om nóg een beleidsvoorstel te formuleren,
maar om een ander verhaal te vertellen.

Dat begint bij de opleiding van predikanten.
Hoe kan het dat we dominees klaarstomen
die alles weten over dogmatiek en kerkrecht,
maar met hun mond vol tanden staan
zodra het over migratie gaat?
Als dit hét thema van onze tijd is,
waarom is theologie van migratie
dan een keuzevak – als het al bestaat?
Alsof het optioneel is om na te denken
over een onderwerp dat de samenleving splijt.

Of ‘discipelschap’.
Als er op de kansel wordt gezwegen,
wie voedt dan de gemeente?
De Telegraaf? X? Partijprogramma’s?
Misschien moeten we in plaats
van nóg een studie over “persoonlijke zegen”
gewoon samen Genesis lezen.
En Ruth. En Efeziërs.
En onszelf de ongemakkelijke vraag stellen:
op wie lijk ik meer:
op de barmhartige Samaritaan
of op de priester die doorloopt?

En dan die zogeheten “omgekeerde missionarissen”.
Christenen uit Afrika, Azië, Latijns-Amerika
die hier kerken stichten
terwijl onze banken leeglopen.
Misschien zijn zij geen probleem
dat geïntegreerd moet worden,
maar een geschenk
dat ons iets leert
over Gods wereldwijde beweging.

Ja, migratie schuurt.
Het kost geld, energie, aanpassingsvermogen.
Maar sinds wanneer
is het evangelie comfortabel?

Misschien is migratie
niet alleen een politieke crisis,
maar ook een geestelijke test.
De vraag is niet alleen
hoeveel mensen ons land aankan.

De vraag is:
hoeveel Bijbel
kan onze kerk nog verdragen?

 

Een tijdje geleden
las ik een interview met Vincent Bijlo,
cabaretier en blind.
Hij zat met vrienden in een restaurant
toen ineens het licht uitviel.
Paniek alom.
Mensen tastten in het donker,
konden hun zaklamp op de telefoon niet vinden.

En Vincent?
Met hem was niets aan de hand.
Toen het licht weer aanging,
kwamen mensen geschrokken naar hem toe:
hij zal toch ook wel bang zijn geweest?
Maar nee.
Voor hem was er niets veranderd.
En juist hém noemen wij dan “beperkt”.

Vincent zei iets wat bleef hangen:
als je echt inclusief wilt zijn,
moet je je verdiepen in de wereld van de ander.
Voor zienden is donker
iets wat alleen bestaat
bij de gratie van licht.
Maar voor iemand
die nooit licht heeft gezien,
is het niet “donker”.
Het is gewoon zijn wereld.

In het verhaal van de blindgeborene gebeurd precies hetzelfde.
En let op hoe snel we alweer invullen.
“De blindgeborene”…
we praten óver hem, niet mét hem.
Net als de leerlingen,
die meteen willen weten:
wie heeft hier gezondigd?
Hijzelf? Zijn ouders?
Jezus kapt dat af. Verkeerde vraag.

Jezus houdt geen betoog. Hij doet iets.
Hij ziet hem staan,
dat is het eerste wat er staat.
Hij spuugt, maakt modder,
strijkt die over zijn ogen
en stuurt hem naar Siloam.
Ga je wassen.

En dan gebeurt het: hij ziet.

Maar wat volgt is geen jubelverhaal.
Het wordt ingewikkeld.
Buren geloven het niet.
Farizeeën raken geïrriteerd.
Ouders houden zich op de vlakte.
Iedereen praat, discussieert, verdenkt.
Maar niemand lijkt echt blij.

En de man zelf? Die blijft opvallend nuchter.
Geen groot verhaal.
Geen vrome taal.
Hij zegt steeds hetzelfde:
“Ik was blind en nu kan ik zien.”
Meer weet hij niet.
Meer heeft hij niet nodig.

Pas aan het eind,
als Jezus hem weer opzoekt,
komt het tot een persoonlijke ontmoeting.
“Geloof je in de Mensenzoon?” vraagt Jezus.
“Wie is dat dan?” zegt hij.
En als Jezus zegt:
“Je ziet hem. Hij staat voor je,”
knielt de man neer en zegt:
“Ik geloof, Heer.”

Dat is de veertigdagentijd ten voeten uit.
Minder praten, meer zien.
Minder verklaren, meer ontmoeten.
Niet alles dichttimmeren met meningen,
maar je laten raken.
Jezus gaat voorbij, ziet mensen, en brengt licht.
Juist daar waar wij het al hadden opgegeven.

Dat is geen theorie. Dat moet je zien.