Er zijn van die momenten waarop religie en realpolitik elkaar kruisen
en je even niet weet of je moet bidden
of je wenkbrauwen optrekken.
Neem Paus Leo XIV,
die op Palmzondag droogjes opmerkte dat Jezus
“niet luistert naar de gebeden van hen die oorlog voeren.”
Vrij vertaald: je kunt wel “amen” zeggen,
maar als je handen nog nadruppelen
van het vergoten bloed,
komt je verzoek niet
door de spamfilter van de hemel.

Hij leent daarvoor even bij
de Bijbelse profeet Jesaja:
“Al bidden jullie veel,
Ik zal niet luisteren,
want jullie handen
zijn bevlekt met bloed.”
Geen namen, geen landen.
Maar timing is alles,
en toevallig had Pete Hegseth
net een gebed uitgesproken
dat klonk alsof het door een PR-team
van een raketfabrikant was geschreven:
of elke kogel vooral lekker doel mag treffen,
graag met “overweldigende gewelddadigheid”.
Je hoort bijna de artillerie op de achtergrond.

Natuurlijk, context, nuance, theologie
– we kennen het riedeltje.
Niet elke oorlog is fout,
zeggen veel christenen.
Er bestaat zoiets als een “rechtvaardige oorlog”.
Denk aan de Tweede Wereldoorlog:
daar zat een vrij duidelijk verschil
tussen dader en verdediger.
Maar een preventieve oorlog
verkopen als morele noodzaak
is een beetje alsof je iemand
eerst een klap geeft
en daarna klaagt
dat het zo’n gewelddadige wereld is.

Voor deze oorlog niet bestaat
gewoonweg geen theologische keuring.
Want er was geen directe dreiging,
geen onvermijdelijkheid
– dus ook geen rechtvaardiging.
De paus sluit daar
eigenlijk vrij nuchter bij aan.
Geen kruistocht tegen oorlog op zich,
wel tegen de reflex
om geweld alvast
van een zegen te voorzien.

En dan het gebed van Pete Hegseth zelf.
Want daar zit de echte pijn.
Gebed is blijkbaar verworden
tot een soort hemelse klantenservice:
“Beste God, hierbij mijn bestelling:
succes, overwinning
en graag een beetje extra geweld,
dank U wel.”
Alsof je met genoeg “halleluja’s”
een luchtaanval
kunt upgraden naar premium.

Maar volgens mensen
die er verstand van claimen te hebben
– theologen, mystici, dat soort types –
werkt het net andersom.
Bidden is niet praten tegen God
alsof Hij je persoonlijke assistent is.
Het is luisteren. Stil worden.
De controle loslaten.
Je zou het het zelfs een soort
innerlijke sloop kunnen noemen:
jezelf tegenkomen
op manieren
waar je niet om had gevraagd.

En daar zit precies het probleem.
Want luisteren is ingewikkeld
als je al precies weet wat de uitkomst moet zijn.
Stilte helpt niet
als je eigenlijk bevestiging zoekt.
En overgave is nu eenmaal
geen populair beleidsinstrument.

Misschien is dat
wat er bedoeld wordt
met zo’n oude zin van Jesaja.
Niet dat er nooit gebeden mag worden
in tijden van oorlog,
maar dat sommige gebeden
vooral laten zien
dat we niet echt luisteren.
Dat we God eerder gebruiken
als stempel van goedkeuring
dan als gesprekspartner.

Dus ja,
misschien luistert God inderdaad niet.
Niet omdat Hij het te druk heeft,
maar omdat “het gesprek”
nooit echt begonnen is.
Als je alleen praat
om je eigen plannen te zegenen,
voer je geen dialoog.
Dan hou je een monoloog met applausband.

En als dat het geval is,
dan is het eigenlijk niet zo vreemd
dat het stil blijft aan de Andere Kant.

 

Er is een hardnekkig idee
dat oorlogen gaan over ideologie, religie,
grondstoffen, invloedssferen
– u kent het rijtje.
Lekker ingewikkeld, lekker academisch.
Goed voor conferenties en dikke rapporten
waar niemand doorheen komt.
Maar soms denk ik:
wat als het allemaal
een stuk ordinairder is?

Wat als we gewoon kijken
naar een stel oudere heren met macht
en een naderende einddatum?

Spreuken 18:6
zegt het eigenlijk al genadeloos simpel:
De woorden van een dwaas zaaien tweedracht,
wat hij zegt, leidt tot een vechtpartij.
Vrij vertaald naar vandaag:
sommige leiders praten zichzelf
zo diep de ellende in
dat er vanzelf geweld volgt.
Nou, zet daar een kernarsenaal naast
en je hebt geopolitiek anno nu.

We doen in Nederland graag
alsof we geopolitiek begrijpen.
We gooien termen
rond als “geo-ideologisch”
en “multipolaire wereldorde”
en voelen ons dan even heel volwassen.
Ondertussen vliegen de raketten
ons om de oren
en blijkt dat overtuigingen
– religieus, ideologisch –
inderdaad een rol spelen.
Verrassing.
Maar dat is niet het hele verhaal.

Geschiedenis is geen Netflix-serie
met één duidelijke verhaallijn.
Geen “dit is de oorzaak, dit is de slechterik, klaar”.
Dus waarom blijven we doen alsof dat wel zo is?

Misschien omdat de echte verklaring ongemakkelijk is.

Misschien omdat het gênant is
om toe te geven dat oorlog
soms gewoon voortkomt uit gekrenkte ego’s.
Uit mannen die hun Wikipedia-pagina
nog even willen oppoetsen voordat het doek valt.

De één wil een fout uit het verleden rechtzetten.
De ander wil wraak nemen
– voor zichzelf, of voor papa.
Weer een ander
wil gewoon een monument.
Geen standbeeld van brons,
maar een conflict van duizenden doden.
Lekker permanent.
Lekker zichtbaar in de geschiedenisboeken.

“Legacy leadership”, heet dat dan chic.
In bedrijven betekent het
dat je een inspirerend verhaal achterlaat
en een koffiemok
met je naam erop in de kantine.
In de wereldpolitiek
betekent het:
een regio in brand steken
zodat jouw naam blijft hangen.

En wij maar denken dat het gaat over strategie.

Kijk naar hoe er gepraat wordt.
Over “doelwitten”, “boodschappen”, “historische correcties”.
Het klinkt allemaal alsof het om beleid gaat.
Maar luister iets beter en je hoort vooral:
trots, rancune, bewijsdrang.
Kinderachtige motieven,
verpakt in staatsmansretoriek.

En dan heb je nog de moderne variant:
leiders die tegelijkertijd oorlog voeren
én hun eigen werkelijkheid kneden.
Vandaag bombarderen,
morgen roepen
dat er “productieve gesprekken” zijn.
Niet omdat het waar is,
maar omdat het lekker klinkt.
Truthiness met raketten.

De markten kalmeren,
de achterban tevreden,
de tegenstander in verwarring.
En als het niet werkt?
Ach.
Dan bombarderen we gewoon lekker door.
Ook dat past in het narratief.

Het wrange is:
systemen corrigeren dit nauwelijks nog.
Macht concentreert zich,
tegenspraak verdampt (soms onder druk),
en persoonlijke obsessies worden beleid.
En zelfs als zo’n leider verdwijnt,
staat de volgende al klaar
– vaak nog bozer, nog radicaler.
Alsof wraak een estafette is.

Dus ja,
misschien moeten we oorlog
niet alleen analyseren
met kaarten en theorieën,
maar ook met een spiegel
en een beetje cynisme.

Want zolang wereldleiders
hun nalatenschap
verwarren met hun gelijk,
blijft Spreuken 18:6 pijnlijk actueel.

Alleen zijn het deze keer
geen woorden die twist brengen.

Het zijn bommen.

 

Er wordt weer gebeden voor oorlog.
Hardop.
Met Bijbelcitaten
en alles erop en eraan.
Alsof kogels ineens heiliger worden
als je er een psalm overheen giet.

De Amerikaanse minister van Oorlog, Pete Hegseth,
citeert doodleuk Psalm 144:
God die je handen traint voor de strijd.
Mooi beeld, zou je zeggen.
Tot je beseft dat die “training” neerkomt
op bommen boven Teheran.
En alsof dat nog niet genoeg is,
eindigt hij met een gebed
om “volledige overwinning”.
God als militaire adviseur.
Handig.
‘Praise the Lord and pass the ammunition’

En daar blijft het niet bij.
Soldaten klagen dat hun commandanten
deze oorlog verkopen als “Gods plan”.
Serieus.
Alsof er ergens
een hemelse PowerPoint rondgaat met:
Slide 3: Iran platleggen.
En natuurlijk komt Donald Trump
ook langs als “door Jezus gezalfd”.
Je verzint het niet,
maar blijkbaar
hoeft dat ook niet meer.

Kijk, religieuze taal in oorlog is niet nieuw.
George W. Bush
had het ook over God
die hem Irak in stuurde.
Barack Obama
bad voor gesneuvelden.
Maar wat er nu gebeurt,
is een tandje heftiger:
hier wordt buitenlands beleid
gewoon verpakt
als een soort eindtijdscript.

En Hegseth zelf?
Die loopt rond met kruistocht-tatoeages.
“Deus vult” — God wil het.
Dat riepen ze ook toen ze in de Middeleeuwen
halve continenten afslachtten.
Geschiedenislesje gemist, blijkbaar.
Of erger: bewust overgeslagen.

En dan heb je nog de Amerikaanse ambassadeur in Israël
die praat over “bijbelse grenzen”.
Van de Nijl tot de Eufraat.
Dat is geen geopolitiek meer,
dat is een landkaart
uit een oud zondagsschoolboekje.

Ondertussen doet Iran vrolijk mee
aan dezelfde religieuze escalatie.
Daar draait alles
om de terugkeer van de Mahdi.
Apocalyps als strategie.
De vijand verslaan
is niet alleen winst,
het is een stap
richting het einde der tijden.
De islamitische revolutionaire garde
ziet zichzelf letterlijk als een religieus leger.

Dus wat krijg je?
Twee kampen
die allebei denken
dat God aan hun kant staat.
Spoiler:
dat is historisch gezien
zelden een recept
voor terughoudendheid.

En dan Israël.
Premier Benjamin Netanyahu
die militaire operaties
“De brul van de leeuw” noemt.
Bijbelverzen erbij,
bloed en prooi inbegrepen.
Klinkt stoer.
Is het ook.
Maar het maakt van oorlog iets mythisch.
Iets onvermijdelijks.
En vooral:
iets wat je niet meer hoeft te bevragen.

Dat is misschien nog wel het gevaarlijkste.
Zodra oorlog een religieus verhaal wordt,
verdwijnen de remmen.
Doden zijn geen slachtoffers meer,
maar offers.
Twijfel wordt zwakte.
En vrede?
Dat is dan ineens
verraad aan een hoger plan.

Iedereen in dit conflict
zegt in feite hetzelfde:
wij zijn goed, zij zijn kwaad,
en God staat achter ons.
Dat is geen analyse.
Dat is propaganda
met een corona.

Misschien is het tijd
om God er even buiten te laten.
Gewoon, ouderwets.
Zodat we weer
kunnen zien wat dit echt is:
mensen die andere mensen doden,
en daar een heilig sausje
overheen gooien
om het beter te laten smaken.

Want oorlog blijft oorlog.
Ook als je ervoor bidt.

 

Hoop.
We doen alsof het een knuffelwoord is.
Iets met kaarsjes, zachte muziek
en “het komt wel goed”.
Maar zeg in 2026 hardop dat je hoopt,
en je krijgt meewarige blikken.
Hoop?
Serieus?
Heb je het nieuws wel gezien?

Zelfs schrijvers als Tommy Wieringa
pleiten voor “optimisme zonder hoop”.
Klinkt stoer.
Laat de hoop maar varen,
dan kun je ook niet teleurgesteld worden.
Lekker in het nu blijven.
Geen luchtkastelen,
geen religieuze roze wolk.
Gewoon dóór.

En eerlijk gezegd; ik snap het wel.
Want hoop kan een verdovingsmiddel zijn.
Dat stigma hangt er al langer aan.
Hoop is
uitgestelde teleurstelling
Alsof hoop je week maakt.
Alsof je helemaal bent losgezongen
van de werkelijkheid.
Alsof in de hoop geloven
hetzelfde is als
je niet willen overgeven
aan je lot.

En christelijke hoop
is dan wel helemaal geframed:
passief.
“Stil maar, wacht maar.”
Een geestelijke hangmat.

Toch is dat een karikatuur.

Want hoop is geen verwachting.
Dat is het eerste misverstand.
Verwachting zegt: dit gáát gebeuren.
Hoop zegt: ik verlang hiernaar,
ook al acht ik de kans klein.
Zoals kerkvader Augustinus van Hippo al zei:
waar alles zeker is, daar is geen hoop meer nodig.
Hoop leeft juist bij onzekerheid.

En volgens theoloog Thomas van Aquino
gaat hoop meestal over de toekomst,
iets wat nog niet is,
maar kan worden.
Dat maakt hoop spannend. Riskant.
Je legt je hart in iets dat je niet in de hand hebt.

En daar zit ook de schurende kant.
Hoop kan pijn verlengen.
Friedrich Nietzsche noemde
hoop zelfs het gemeenste kwaad,
omdat ze het lijden uitrekt.
En ja, valse hoop, opgeblazen, blind, ongegrond als zij is,
is gevaarlijk.
De oude Grieken wisten dat al.
In ‘Prometheus geboeid’
van tragediedichter Aischylos
wordt gesproken
over “blinde hoop”
die in het menselijk hart wordt geplant.

Maar wie denkt dat de oplossing
dan maar cynisme is, vergist zich.

Cynisme is geen volwassenheid.
Het is teleurgestelde hoop
die zich vermomt als superioriteit.

De Bijbel is op dit punt verrassend nuchter.
In de brief aan de Romeinen, hoofdstuk 5,
schrijft Paulus dat hoop niet ontstaat
uit succes, maar uit verdrukking.
Verdrukking wekt volharding,
volharding beproefdheid,
en beproefdheid hoop.
Met andere woorden:
hoop is geen suikerlaagje
over de realiteit.
Ze wordt gesmeed in tegenslag.
En in hoofdstuk 15 bidt hij
dat God ons vervult met
“alle blijdschap en vrede
in het geloven,
zodat u overvloedig bent in de hoop”.
Overvloedig.
Dus niet zuinigjes.

Dat is geen escapisme.
Dat is brandstof.

Want zonder hoop geen verbeelding.
En zonder verbeelding geen verandering.

Je kunt eindeloos roepen
dat democratie, rechtsstaat
en mensenrechten belangrijk zijn.
Maar zonder hoop
dat ze toekomst hebben,
doe je… niets.
Dan word je ironisch.
Of boos. Of moe.

Hoop is geen hangmat.
Hoop is een anker.
Niet voor niets is dat het sterkste symbool.
Een zwaluw vliegt weg.
Een duif laat zich niet sturen.
Maar een anker gooi je zelf uit.
Je kiest waar je je vastlegt.

Hoop is dus geen gevoel dat je overkomt.
Het is een deugd.
Een keuze.
Een daad van verzet
tegen de vanzelfsprekendheid van verval.

Ja, ze kan ontsporen.
Politici weten
hoe ze hoop moeten bespelen.
“Yes we can”; “Het kan wél”
of “Make America Great Again”;
hoop en angst liggen
gevaarlijk dicht bij elkaar.
Maar misbruik maakt het origineel niet waardeloos.

De echte vraag is niet
óf we hopen.
De vraag is wáárop.

Op ons eigen gelijk?
Op nostalgie?
Op macht?

Of op een Verhaal
dat groter is dan wijzelf?

Want, zoals theoloog Stanley Hauerwas zegt:
cynisme is de vorm
die hopeloosheid aanneemt
bij mensen die niet meer geloven
dat ze deel zijn van
een Verhaal dat hoop geeft.

Misschien is dát het probleem van onze tijd.
Niet dat we te veel hopen.
Maar dat we het Verhaal kwijt zijn.

En dus is hoop geen luxe.
Ze is noodzaak.
Geen zachte deugd, maar een taaie.
Geen vlucht vooruit,
maar een gespannen koord
tussen wat is en wat moet worden.

Hoop schuurt. Hoop bijt.
Maar zonder hoop gebeurt er niets.

 

In de veertigdagentijd lopen we mee.
Op weg naar Pasen
laten we ons meenemen
langs de verhalen van het evangelie,
langs de levensweg van Jezus.

Het is geen snelle route, geen rechte lijn.
Het is een weg van wachten, aarzelen,
misverstanden en confronterende ontmoetingen.
Precies daarom past deze tijd zo goed bij ons leven nu.

Wie Jezus volgt in de evangeliën, ziet één rode draad:
zijn tomeloze inzet voor het leven.
Voor het leven van gewone mensen.
Bruiloftsgasten die zonder wijn dreigen te vallen,
een vrouw bij een bron die haar schaamte meedraagt,
een man die al zijn hele leven langs de kant zit.
Jezus is gekomen om leven te laten stromen
heilzamer, dieper, menselijker.

Dat wordt scherp zichtbaar bij het graf van Lazarus.
Het verhaal is ongemakkelijk.
Lazarus is echt dood.
Al vier dagen.
De dood is al begonnen aan zijn werk.
Geen ruimte voor romantiek of symboliek.
De stank is er.

En juist daar, op die plek,
bidt Jezus hardop: niet om Lazarus zelf, maar
“ter wille van de mensen hier”.
Opdat zij zouden geloven
dat het leven sterker is dan de dood.

En toch: Lazarus zelf zegt niets.
Geen verslag van het hiernamaals, geen getuigenis.
Hij zwijgt.
Alsof Johannes ons wil zeggen:
het gaat hier niet om wat er na de dood is,
maar om wat dit verhaal met ons doet.
Om de vraag die het oproept.

Want kijk eens naar Jezus.
Hij talmt. Hij wacht.
Hij roept verwarring op.
Hij laat het gevaar dichterbij komen.
En als hij eindelijk bij het graf staat,
huilt hij.
Hij ergert zich.
Hij wordt woedend.
Dit is geen afstandelijke wonderdoener,
maar iemand die zich met alles
wat in hem is verzet tegen de dood.
Tegen alles wat het leven verstikt,
voortijdig begraaft, klein houdt.

Dood is niet alleen het einde.
Er is ook zoveel dood in het leven.
Structuren die mensen vastzetten.
Angst die verlamt.
Idealen die allang zijn opgegeven.
Levend begraven, terwijl je nog ademt.

En dan klinkt die stem bij het graf:
“Lazarus, kom naar buiten.”
Maak hem los. Laat hem gaan.

Dat is Pasen in wording.
Dat is geloven tegen de feiten in.
Niet berusten, niet schouderophalend zeggen:
zo is het nu eenmaal.
Maar kiezen voor het leven. Hier en nu.

Veertig dagen oefenen we daarin.
Om ons te laten roepen.
Om los te komen van wat ons bindt.
En om, opnieuw ademhalend,
de wereld weer in te gaan.

 

Migratie.
Zeg het woord en je voelt
de temperatuur in de kamer dalen.
Alsof iemand net heeft voorgesteld
om de voordeur uit de scharnieren te halen.
In talkshows is het een crisis.
In de politiek is het een last.
En in de kerk?
Daar klinkt vaak precies hetzelfde riedeltje,
maar dan met een Bijbeltekst erop geplakt.

We praten elkaar na.
Rechts roept dat we desnoods
uit het EVRM moeten stappen
om “de instroom te stoppen”.
Links schuift ongemakkelijk mee
en heeft het ineens ook
over “verminderen van nettomigratie”.
Het frame staat vast:
migratie is een probleem dat beheerd,
begrensd,
ingedamd moet worden.
Punt.

En de kerk?
Die knikt vaak braaf mee.

Steeds meer christenen
hebben hun mening over migratie
vooral gevormd via krantenkoppen,
sociale media en politieke slogans.
Alsof de Schrift een bijlage is
bij een partijprogramma.
In peilingen hoor je kerkleden zeggen
dat afgewezen asielzoekers
onmiddellijk uitgezet moeten worden,
zonder beroep.
Hard.
Snel.
Klaar.

Begrijp me goed:
migratie is complex.
Europa kan niet simpelweg
alle grenzen openzetten
en maar hopen dat het goedkomt.
Maar is “het is een probleem”
echt het enige verhaal
dat wij als christenen
te vertellen hebben?

Lees je Bijbel eens
zonder de bril van Den Haag.

Abraham? Een migrant.
Weggeroepen uit zijn land,
zonder routeplanner,
zonder verblijfsvergunning,
levend van belofte.

Jozef? Slachtoffer van mensenhandel.
Gedwongen migratie. Trauma.
En toch wordt hij in Egypte een redder van velen.
“Jullie dachten kwaad tegen mij,
maar God dacht het ten goede.”
Dat is geen goedkope troost;
dat is een radicale herlezing
van migratiegeschiedenis.

Ruth? Buitenlander. Vluchteling.
Afhankelijk van de goedheid van anderen.
En juist zij wordt onderdeel van de messiaanse lijn.
Het verhaal van God dendert
niet voort ondanks migratie,
maar via migratie.

En wij?
Het Nieuwe Testament noemt christenen
vreemdelingen en bijwoners.
Pelgrims.
Mensen met een hemels burgerschap.
Dan is best ironisch
dat juist wij zo verknocht zijn geraakt
aan onze nationale identiteit
alsof het het elfde gebod is.

Misschien is de profetische taak van de kerk
niet om nóg een beleidsvoorstel te formuleren,
maar om een ander verhaal te vertellen.

Dat begint bij de opleiding van predikanten.
Hoe kan het dat we dominees klaarstomen
die alles weten over dogmatiek en kerkrecht,
maar met hun mond vol tanden staan
zodra het over migratie gaat?
Als dit hét thema van onze tijd is,
waarom is theologie van migratie
dan een keuzevak – als het al bestaat?
Alsof het optioneel is om na te denken
over een onderwerp dat de samenleving splijt.

Of ‘discipelschap’.
Als er op de kansel wordt gezwegen,
wie voedt dan de gemeente?
De Telegraaf? X? Partijprogramma’s?
Misschien moeten we in plaats
van nóg een studie over “persoonlijke zegen”
gewoon samen Genesis lezen.
En Ruth. En Efeziërs.
En onszelf de ongemakkelijke vraag stellen:
op wie lijk ik meer:
op de barmhartige Samaritaan
of op de priester die doorloopt?

En dan die zogeheten “omgekeerde missionarissen”.
Christenen uit Afrika, Azië, Latijns-Amerika
die hier kerken stichten
terwijl onze banken leeglopen.
Misschien zijn zij geen probleem
dat geïntegreerd moet worden,
maar een geschenk
dat ons iets leert
over Gods wereldwijde beweging.

Ja, migratie schuurt.
Het kost geld, energie, aanpassingsvermogen.
Maar sinds wanneer
is het evangelie comfortabel?

Misschien is migratie
niet alleen een politieke crisis,
maar ook een geestelijke test.
De vraag is niet alleen
hoeveel mensen ons land aankan.

De vraag is:
hoeveel Bijbel
kan onze kerk nog verdragen?

 

de Bijbel Rechters/Richteren 9 ‘de fabel van Jotam’

Op een dag wilden de bomen een koning hebben.
Ze vroegen aan de olijfboom:
‘Wil jij onze koning worden?’
Maar de olijfboom antwoordde:
‘Waarom zou ik jullie koning willen worden?
Dan zou ik geen olijven meer kunnen geven voor olijfolie,
die gebruikt wordt om de goden en de mensen te eren!’
Toen vroegen de bomen aan de vijgenboom:
‘Wil jij onze koning worden?’
Maar de vijgenboom antwoordde:
‘Waarom zou ik jullie koning willen worden?
Dan zou ik geen heerlijke, zoete vijgen meer kunnen geven!’
Toen vroegen de bomen aan de druivenplant:
‘Wil jij onze koning worden?’
Maar de druivenplant antwoordde:
‘Waarom zou ik jullie koning willen worden?
Dan zou ik geen druiven meer kunnen geven voor wijn,
waar de goden en de mensen vrolijk van worden!’
Toen vroegen de bomen aan de doornstruik:
‘Wil jij onze koning worden?’
En de doornstruik antwoordde:
‘Als jullie mij echt koning willen maken,
dan mogen jullie in mijn schaduw komen zitten.
Maar pas op!
Als jullie me voor de gek houden,
zal er vuur uit mijn takken komen.
En dan zullen alle cederbomen
van de Libanon-bergen verbranden!’

 

Er wordt weer druk met God gezwaaid
in het huidige conflict tussen
Amerika en Israël aan de ene kant
en Iran aan de andere kant.
Alsof Hij een vlag is die je op een tank kunt hijsen.
Aan de ene kant van het front klinkt
“Allahu akbar”, heilige oorlog
aan de andere kant Bijbelteksten.
En ergens daar tussenin vliegen de raketten.

In Iran noemen ze Amerika
sinds tijden al de Grote Satan.
Israël is de Kleine Satan.
Handig taalgebruik.
Als je je vijand eerst tot satan verklaart,
hoef je daarna nergens meer over na te denken.
Tegen satan mag je alles.
Dan wordt oorlog
ineens een soort morele schoonmaakactie.

Maar laten we niet doen
alsof alleen Teheran religieuze taal misbruikt.
Ook in Washington en Jeruzalem
klinkt het behoorlijk religieus.

Benjamin Netanyahu
vergeleek de Iraanse leider Khamenei
met Haman uit het Poerimverhaal.
Een tiran die het Joodse volk wil vernietigen.
Vervolgens haalde hij de profeet Amos aan:
“De leeuw heeft gebruld.”
En jawel:
de militaire operatie heet prompt Brullende Leeuw.
Het klinkt indrukwekkend.
Bijbels zelfs.
Maar uiteindelijk
blijft het gewoon
een bombardement met een slogan.

Nog apocalyptischer maakt
Pete Hegseth het,
de Amerikaanse minister van Defensie.
Die ziet de oorlog
niet alleen als een geopolitieke strijd,
maar als een geestelijke.
Soldaten die bereid zijn hun leven te geven voor land,
voor hun eenheid en Schepper
zouden het eeuwige leven ontvangen.
We weten dat we een fysieke strijd voeren,
maar uiteindelijk staan we
(…)
op een geestelijk slagveld.
We zijn niet alleen strijders,
gewapend met het arsenaal van de vrijheid,
we zijn uiteindelijk ook gewapend
met het arsenaal van het geloof,
en dat zijn we al vanaf het begin.

Dat is nogal wat.
Normaal gesproken
moet je voor eeuwig leven
toch echt bij Jezus zijn,
niet bij het Pentagon.

Hegseth heeft ook een Jeruzalemkruis
op zijn borst getatoeëerd:
het symbool van de kruisvaarders.
Die gingen ooit ook
met heilige overtuiging
naar het Midden-Oosten.
Met het zwaard in de hand
en vergeving van zonden op zak.
Het resultaat kennen we:
bloedbaden, plunderingen
en een geschiedenis
waar zelfs vrome christenen
tegenwoordig liever niet te lang
bij stilstaan.

Religie en oorlog
vormen sowieso een gevaarlijk mengsel.
Zodra leiders beginnen te praten
over “Gods strijd”,
moeten er alarmbellen gaan rinkelen.
Want de geschiedenis leert één ding:
iedereen denkt dat God aan zijn kant staat.

Hitler sprak over voorzienigheid.
De Boeren én de Britten
baden allebei om overwinning
in Zuid-Afrika.
In het Oude Testament
sleepten de Israëlieten
zelfs de ark het slagveld op,
alsof God een mascotte was.
Ze verloren alsnog.

En nu gebeurt iets vergelijkbaars.
Amerikaanse militairen
klagen dat commandanten
de oorlog tegen Iran presenteren
als een door God gewilde strijd.
Sommige officieren hebben
het zelfs over Armageddon.
De eindstrijd.
Alsof een briefing in het leger
ineens een Bijbelstudie
over Openbaring is geworden.

Dat is niet alleen theologisch twijfelachtig,
het is ook gevaarlijk.
Want wie denkt
dat hij Gods plan uitvoert,
voelt zich zelden nog geremd.

Laat één ding duidelijk zijn:
staten voeren oorlog om macht,
om veiligheid, grondstoffen en invloed.
Niet om het Koninkrijk van God te vestigen.
Wie dat wel beweert, gebruikt religie als camouflage.

Dus misschien een bescheiden voorstel:
laat God even van buiten het slagveld.
Geen Bijbelteksten op raketten.
Geen kruisvaarderssymbolen op uniformen.
Geen Armageddon in militaire briefings.

Dit is geen heilige oorlog.

Dit is geopolitiek.
Met bommen.
En heel veel vrome retoriek eroverheen.

 

Wat is groot in de wereldpolitiek?
Blijkbaar: lawaai.
Raketlanceringen.
Spoeddebatten.
Talkshows waarin we
vanuit Hilversum
even de wereld herschikken.

We leven in een tijd
waarin iedereen een grootmacht wil zijn.
Zelfs landen die dat allang niet meer zijn.
En opiniemakers al helemaal.
In Nederland denken we soms
dat een stevig opiniestuk
hetzelfde is
als geopolitieke slagkracht.
We “eisen” een staakt-het-vuren.
We “veroordelen” grootmachten.
We “roepen op” tot onderhandelingen.
Alsof Poetin of Trump 
wakker liggen
van een moreel
verontwaardigde column
uit Nederland.

Maar grote principes kun je pas uitdragen
als je de macht hebt om ze af te dwingen.
Morele taal zonder macht is lucht.
En macht zonder ordenend principe
is pure intimidatie.

Kijk naar de wereld nu.
Rusland probeert de grenzen
met geweld te herschrijven
en noemt dat geschiedenis.
Amerika laveert tussen spierballen en vermoeidheid.
Iedereen wil laten zien:
wij zijn groot.
Maar wat is dat eigenlijk, groot?

Is het veel wapens hebben?
Is het ze ook gebruiken?
Is het één jaar oorlog volhouden?
Twee?
En als je daarna door je munitie heen bent
en je economie kraakt,
ben je dan nog steeds een grootmacht?
Of gewoon een rijk met ‘imperial overstretch’?

We zijn verwend geraakt
door een uitzonderlijke periode
waarin macht en orde
min of meer samenvielen.
NAVO als militair schild.
EU als economische ordeningsmacht.
De VN als moreel decor.
Dat leek normaal.
Maar dat was het niet.
Het was een historisch geluksmoment.

Nu brokkelt het af.
En in dat vacuüm
grijpen leiders naar grootse verhalen.
‘Heilige missies’.
‘Beschavingsstrijd’.
Rijken die hersteld moeten worden.
Het individu?
Collateral damage.
Mensenrechten?
Westers sausje.
Nee, het gaat om lotsbestemming.

En wij?
Wij roepen vanaf de zijlijn dat het anders moet.

Misschien moeten we eerst
in de spiegel kijken
van de lofzang van Maria uit de Bijbel.
Geen zoetsappig kerstlied,
maar een politiek explosief gedicht.
“Heersers stoot Hij van hun troon,
eenvoudigen verheft Hij.”
Machtigen worden ontmaskerd.
Rijken met lege handen weggestuurd.

Dat is geen romantiek.
Dat is een waarschuwing.

Want Maria’s lied is een spiegel voor elke grootmacht.
Wie zichzelf verheft, wordt uiteindelijk neergehaald.
Wie denkt geschiedenis met geweld
te kunnen bezegelen,
overschat zichzelf.
Hybris heet dat.
En hybris komt altijd
met een rekening.

Maar het is óók een spiegel
voor kleine landen met grote woorden.
Want Maria zingt niet:
“Zalig zij die veel tweeten.”
Ze zingt over omkering.
Over verantwoordelijkheid.
Over trouw aan iets
dat groter is dan je eigen statusdrang.

Met grote macht
komt grote verantwoordelijkheid.
Maar het omgekeerde
is net zo waar:
zonder echte macht
is grootspraak goedkoop.

De wereldorde wankelt.
Grote mogendheden voelen zich kleiner.
Kleine landen gebruiken hele grote woorden.
Dat maakt het gevaarlijk.
Want wie zich miskend voelt, gaat schreeuwen.
En wie schreeuwt, luistert niet.

Misschien begint wijsheid
niet met nóg een ferme veroordeling.
Maar met nuchterheid.
Met het serieus nemen
van leiders die hun geschiedenis
met bloed willen schrijven.
Met beseffen
dat morele verontwaardiging
geen afschrikking is.

Maria’s lofzang leert ons dit:
grootheid wordt niet bepaald
door wie het hardst slaat,
maar door wie recht doet.
En elke macht die dat vergeet,
hoe imposant ook,
staat al wankel.

Dat is geen vrome gedachte.
Dat is historische wetmatigheid.

Gebed door een aantal evangelicale voorgangers voor president Trump

‘Het verleden is een vreemd land’, schreef L.P. Hartley.
‘Ze doen het daar anders.’
Nou, zet dat maar gerust in hoofdletters
als je het over Amerika hebt.
De Verenigde Staten zijn een vreemd land.
Zeker voor ons, kijkend vanaf de zijlijn
met koffie in de hand en opgetrokken wenkbrauwen.

Ik heb lang geprobeerd te snappen
waarom zóveel evangelicals Donald Trump omarmen.
Want nee, dat zijn lang niet allemaal
die karikaturen die wij hier graag opvoeren:
witte mannen in pick-ups en countrymuziek keihard aan,
Confederatievlag achterop.
De evangelicale wereld in de VS is veel diverser.
Er zijn megakerken vol kleur, migrantenkerken,
jonge gemeenschappen die Trump verafschuwen.
Maar het woord ‘evangelical’? Dat is inmiddels gekaapt.

Het label is verworden tot een politiek sjibolet.
Ben je pro-Trump, anti-woke en Republikeins?
Dan ben je blijkbaar ‘evangelical’.
Theologie optioneel.
Zo absurd dat zelfs moslims
in enquêtes die term zijn gaan gebruiken.
Ik zei toch: vreemd land.

Laat één ding duidelijk zijn:
zelfs de meeste evangelicals
die Trump steunen,
zien hem niet als moreel lichtend voorbeeld.
Niemand noemt hem een heilige.
Ze kennen zijn geschiedenis
met vrouwen, geld en waarheid.
En toch stemmen ze op hem. Waarom?
Grofweg zijn er twee smaken.

De eerste is koud en zakelijk:
karakter slecht, beleid goed.
Een deal.
Stem voor beleid dat abortus beperkt,
traditionele gezinswaarden verdedigt,
transdebatten afremt, wapens beschermt,
China wantrouwt, illegale immigratie aanpakt
en de kosten van levensonderhoud niet verder opjaagt.
Trump als noodzakelijk kwaad. Niet mooi, wel nuttig.

De tweede smaak is rauwer en gevaarlijker:
Trump als instrument van God.
Net als David, Salomo of Cyrus.
Gebrekkig, ja. Maar uitverkoren.
Door God ingezet om Amerika weer ‘christelijk’ te maken.
Zijn tekortkomingen? Bijzaak. God gebruikt wie Hij wil.

In beide verhalen zit dezelfde aanname verstopt:
karakter is wenselijk, maar niet essentieel voor leiderschap.

En daar haak ik af.

De Bijbel is daar namelijk veel kritischer
over dan men nu doet voorkomen.
David kwam pas tot bloei ná diep berouw.
Salomo’s morele zwakte sloopte zijn koninkrijk.
En Cyrus?
Die was nooit leider van Israël, alleen een handige buurman.
Het idee dat een niet-berouwvolle leider
met structurele morele gebreken
een zegen is voor een natie,
is van het soort wishful thinking met Bijbelcitaten.

Want leiders zetten de toon.
Altijd.
Op scholen, in kerken, bedrijven en landen.
Wat ze doen, wordt normaal.
Hoe ze praten, wordt acceptabel.
Een leider die pest, kleineert, liegt
en alles meet in geld,
leert zijn volk
dat pesten werkt, liegen loont en geld god is.

Dat is geen politiek punt,
dat is menselijk gedrag.
Kinderen worden hun ouders.
Kerkenleden lijken op hun voorgangers.
Bedrijfsmedewerkers op hun CEO’s.

Beleid doet ertoe, absoluut.
We kunnen ruziën over importheffingen,
China, Oekraïne of migratie.
Maar hóé je dat beleid voert,
zegt vaak meer dan wát je voert.

Competentie en chemie zijn handig.
Maar op de lange termijn?
Is karakter alles.