Er wordt weer gebeden voor oorlog.
Hardop.
Met Bijbelcitaten
en alles erop en eraan.
Alsof kogels ineens heiliger worden
als je er een psalm overheen giet.

De Amerikaanse minister van Oorlog, Pete Hegseth,
citeert doodleuk Psalm 144:
God die je handen traint voor de strijd.
Mooi beeld, zou je zeggen.
Tot je beseft dat die “training” neerkomt
op bommen boven Teheran.
En alsof dat nog niet genoeg is,
eindigt hij met een gebed
om “volledige overwinning”.
God als militaire adviseur.
Handig.
‘Praise the Lord and pass the ammunition’

En daar blijft het niet bij.
Soldaten klagen dat hun commandanten
deze oorlog verkopen als “Gods plan”.
Serieus.
Alsof er ergens
een hemelse PowerPoint rondgaat met:
Slide 3: Iran platleggen.
En natuurlijk komt Donald Trump
ook langs als “door Jezus gezalfd”.
Je verzint het niet,
maar blijkbaar
hoeft dat ook niet meer.

Kijk, religieuze taal in oorlog is niet nieuw.
George W. Bush
had het ook over God
die hem Irak in stuurde.
Barack Obama
bad voor gesneuvelden.
Maar wat er nu gebeurt,
is een tandje heftiger:
hier wordt buitenlands beleid
gewoon verpakt
als een soort eindtijdscript.

En Hegseth zelf?
Die loopt rond met kruistocht-tatoeages.
“Deus vult” — God wil het.
Dat riepen ze ook toen ze in de Middeleeuwen
halve continenten afslachtten.
Geschiedenislesje gemist, blijkbaar.
Of erger: bewust overgeslagen.

En dan heb je nog de Amerikaanse ambassadeur in Israël
die praat over “bijbelse grenzen”.
Van de Nijl tot de Eufraat.
Dat is geen geopolitiek meer,
dat is een landkaart
uit een oud zondagsschoolboekje.

Ondertussen doet Iran vrolijk mee
aan dezelfde religieuze escalatie.
Daar draait alles
om de terugkeer van de Mahdi.
Apocalyps als strategie.
De vijand verslaan
is niet alleen winst,
het is een stap
richting het einde der tijden.
De islamitische revolutionaire garde
ziet zichzelf letterlijk als een religieus leger.

Dus wat krijg je?
Twee kampen
die allebei denken
dat God aan hun kant staat.
Spoiler:
dat is historisch gezien
zelden een recept
voor terughoudendheid.

En dan Israël.
Premier Benjamin Netanyahu
die militaire operaties
“De brul van de leeuw” noemt.
Bijbelverzen erbij,
bloed en prooi inbegrepen.
Klinkt stoer.
Is het ook.
Maar het maakt van oorlog iets mythisch.
Iets onvermijdelijks.
En vooral:
iets wat je niet meer hoeft te bevragen.

Dat is misschien nog wel het gevaarlijkste.
Zodra oorlog een religieus verhaal wordt,
verdwijnen de remmen.
Doden zijn geen slachtoffers meer,
maar offers.
Twijfel wordt zwakte.
En vrede?
Dat is dan ineens
verraad aan een hoger plan.

Iedereen in dit conflict
zegt in feite hetzelfde:
wij zijn goed, zij zijn kwaad,
en God staat achter ons.
Dat is geen analyse.
Dat is propaganda
met een corona.

Misschien is het tijd
om God er even buiten te laten.
Gewoon, ouderwets.
Zodat we weer
kunnen zien wat dit echt is:
mensen die andere mensen doden,
en daar een heilig sausje
overheen gooien
om het beter te laten smaken.

Want oorlog blijft oorlog.
Ook als je ervoor bidt.

 

Er wordt weer druk met God gezwaaid
in het huidige conflict tussen
Amerika en Israël aan de ene kant
en Iran aan de andere kant.
Alsof Hij een vlag is die je op een tank kunt hijsen.
Aan de ene kant van het front klinkt
“Allahu akbar”, heilige oorlog
aan de andere kant Bijbelteksten.
En ergens daar tussenin vliegen de raketten.

In Iran noemen ze Amerika
sinds tijden al de Grote Satan.
Israël is de Kleine Satan.
Handig taalgebruik.
Als je je vijand eerst tot satan verklaart,
hoef je daarna nergens meer over na te denken.
Tegen satan mag je alles.
Dan wordt oorlog
ineens een soort morele schoonmaakactie.

Maar laten we niet doen
alsof alleen Teheran religieuze taal misbruikt.
Ook in Washington en Jeruzalem
klinkt het behoorlijk religieus.

Benjamin Netanyahu
vergeleek de Iraanse leider Khamenei
met Haman uit het Poerimverhaal.
Een tiran die het Joodse volk wil vernietigen.
Vervolgens haalde hij de profeet Amos aan:
“De leeuw heeft gebruld.”
En jawel:
de militaire operatie heet prompt Brullende Leeuw.
Het klinkt indrukwekkend.
Bijbels zelfs.
Maar uiteindelijk
blijft het gewoon
een bombardement met een slogan.

Nog apocalyptischer maakt
Pete Hegseth het,
de Amerikaanse minister van Defensie.
Die ziet de oorlog
niet alleen als een geopolitieke strijd,
maar als een geestelijke.
Soldaten die bereid zijn hun leven te geven voor land,
voor hun eenheid en Schepper
zouden het eeuwige leven ontvangen.
We weten dat we een fysieke strijd voeren,
maar uiteindelijk staan we
(…)
op een geestelijk slagveld.
We zijn niet alleen strijders,
gewapend met het arsenaal van de vrijheid,
we zijn uiteindelijk ook gewapend
met het arsenaal van het geloof,
en dat zijn we al vanaf het begin.

Dat is nogal wat.
Normaal gesproken
moet je voor eeuwig leven
toch echt bij Jezus zijn,
niet bij het Pentagon.

Hegseth heeft ook een Jeruzalemkruis
op zijn borst getatoeëerd:
het symbool van de kruisvaarders.
Die gingen ooit ook
met heilige overtuiging
naar het Midden-Oosten.
Met het zwaard in de hand
en vergeving van zonden op zak.
Het resultaat kennen we:
bloedbaden, plunderingen
en een geschiedenis
waar zelfs vrome christenen
tegenwoordig liever niet te lang
bij stilstaan.

Religie en oorlog
vormen sowieso een gevaarlijk mengsel.
Zodra leiders beginnen te praten
over “Gods strijd”,
moeten er alarmbellen gaan rinkelen.
Want de geschiedenis leert één ding:
iedereen denkt dat God aan zijn kant staat.

Hitler sprak over voorzienigheid.
De Boeren én de Britten
baden allebei om overwinning
in Zuid-Afrika.
In het Oude Testament
sleepten de Israëlieten
zelfs de ark het slagveld op,
alsof God een mascotte was.
Ze verloren alsnog.

En nu gebeurt iets vergelijkbaars.
Amerikaanse militairen
klagen dat commandanten
de oorlog tegen Iran presenteren
als een door God gewilde strijd.
Sommige officieren hebben
het zelfs over Armageddon.
De eindstrijd.
Alsof een briefing in het leger
ineens een Bijbelstudie
over Openbaring is geworden.

Dat is niet alleen theologisch twijfelachtig,
het is ook gevaarlijk.
Want wie denkt
dat hij Gods plan uitvoert,
voelt zich zelden nog geremd.

Laat één ding duidelijk zijn:
staten voeren oorlog om macht,
om veiligheid, grondstoffen en invloed.
Niet om het Koninkrijk van God te vestigen.
Wie dat wel beweert, gebruikt religie als camouflage.

Dus misschien een bescheiden voorstel:
laat God even van buiten het slagveld.
Geen Bijbelteksten op raketten.
Geen kruisvaarderssymbolen op uniformen.
Geen Armageddon in militaire briefings.

Dit is geen heilige oorlog.

Dit is geopolitiek.
Met bommen.
En heel veel vrome retoriek eroverheen.

 

Zet een paar raketten op het nieuws
en Nederland verandert in een moreel theehuis.
Aan de ene kant de mensen die zeggen:
“Eindelijk! Weg met dat regime in Teheran.”
Aan de andere kant: “Schande!
Dit sloopt het internationaal recht
en straks vallen Rusland en China
ook daar binnen waar ze zin in hebben.”

Kamp één zegt:
eindelijk wordt dat regime aangepakt.
Iran is ideologisch, gevaarlijk, onhervormbaar.
Democratie komt niet aanwaaien;
soms moet je haar een handje helpen — met raketten.

Kamp twee roept:
schending van het internationaal recht!
Dit opent de deur voor Rusland en China.
De EU moet afstand nemen,
anders glijden we af
naar wereldwijde wetteloosheid.

Beide kampen spreken in morele hoofdletters.
Maar morele verontwaardiging
is nog geen morele analyse.

Als christenen hebben we een eigen meetlat.
Geen vlag, geen anti-Amerikaanse reflex,
maar de oude leer van de rechtvaardige oorlog.
Augustinus en Thomas van Aquino waren niet naïef.
Ze wisten dat er situaties zijn
waarin geweld tragisch noodzakelijk kan zijn.
Maar — en dit is cruciaal —
alleen onder strenge voorwaarden.

Is er een rechtvaardige reden?
Iran is geen koorknaap.
Het regime onderdrukt, dreigt, destabiliseert.
Dat is reëel.
Maar “dreiging” is geen toverwoord.
Is deze aanval bedoeld om daadwerkelijk
onschuldigen te beschermen?
Of om strategische dominantie veilig te stellen?

Is het het laatste redmiddel?
Zijn alle diplomatieke opties uitgeput?
Of zijn we gewoon het geduld kwijt?
De theorie van een rechtvaardige oorlog is streng:
oorlog mag pas als er écht geen alternatief meer is.
Niet als het alternatief langzaam,
frustrerend en politiek ondankbaar is.

Is het proportioneel?
Gaat deze actie méér kwaad voorkomen
dan ze veroorzaakt?
Of versterken we juist het regime,
omdat oorlog dissidenten verandert
in “buitenlandse agenten”?
We hebben dat eerder gezien.
Toen Saddam Hoessein dacht
dat Iran snel zou vallen,
radicaliseerde het regime juist.
Oorlog kan een dictator verzwakken;
maar ook net zo goed verharden.

En dan de kans op succes.
Dat is misschien
de meest onderschatte voorwaarde.
Als de kans groot is
dat een aanval uitloopt op chaos,
burgeroorlog of een machtsstrijd
tussen Revolutionaire Garde
en andere machtsblokken,
dan is de morele rekensom
ineens minder stoer.
Libië zou ook democratisch worden.

Intussen kijken Rusland en China mee.
Niet met morele verontwaardiging,
maar met rekenmachines.
Want als Amerika zich vastbijt
in een mogelijk nieuw Midden-Oosters moeras,
is dat voor hen misschien verlies op korte termijn,
maar winst op lange termijn.
Geopolitiek is geen Bijbelkring; het is schaak.

En dan is er nog iets wat christenen
niet mogen vergeten:
oorlog is nooit iets om te romantiseren.
Zelfs een rechtvaardige oorlog
blijft tragisch.
Jezus vraagt nederigheid, geen bravoure.
Wie te enthousiast wordt van militaire taal,
moet zich afvragen
of hij nog wel bidt: “Uw Koninkrijk kome.”

en misschien is dát het probleem.
We verwarren Gods Koninkrijk
met onze veiligheidsbelangen.
Alsof gerechtigheid uit een straaljager komt.

In tijden van geopolitieke onzekerheid
is twijfel geen zwakte, maar deugd.
De theorie van een rechtvaardige oorlog
is geen vrijbrief om oorlog te voeren.
Ze is een morele noodrem.

De vraag is niet:
zijn we voor of tegen deze aanval?
De vraag is:
durven we hem
langs de lat
van gerechtigheid te leggen;
ook als dat ons eigen kamp
ongemakkelijk maakt?