Het is sabbat. Stille Zaterdag.

De stad is tot rust gekomen.
Het geschreeuw van gisteren is verstomd.
Het kruis staat er niet meer, het lichaam is begraven.
De steen is voor de ingang gerold.
En dan die ene sobere zin:
“Op de sabbat rustten zij naar het gebod.”

Jezus Christus is gestorven.
Vrijdag klonk zijn laatste woord:
“Het is volbracht.”
Daarna werd het stil.
Jozef van Arimathea vroeg om het lichaam,
wikkelde het in linnen
en legde het in een nieuw graf.
De vrouwen keken toe.
Ze wilden meer doen.
Zorgen. Zalven.
Liefhebben tot het einde.
Maar de zon ging onder.
De sabbat begon.

En dus rustten zij.

Dat voelt bijna ongemakkelijk.
Hoe kun je rusten
als alles in je roept om iets te dóén?
Als je hart gebroken is?
Als je wereld instort?

Toch is dit geen kille gehoorzaamheid.
Het is een vorm van overgave.

Stille Zaterdag is de dag tussen wanhoop en hoop.
Tussen kruis en opstanding.
Een lege, stille ruimte waarin niets lijkt te gebeuren.
God zwijgt.
De hemel blijft dicht.
De leerlingen wachten
verward, verdrietig,
misschien ook bang.

En toch: het is sabbat.

In de Bijbel is sabbat
de dag waarop God
rustte na de schepping.
Niet omdat Hij moe was,
maar omdat het werk voltooid was.
Alles was gedaan.
Het was goed.
Die rust was geen leegte,
maar vervulling.

Zo ligt nu ook Jezus in het graf.
Zijn werk is volbracht.
Wat vrijdag werd uitgeroepen,
wordt op zaterdag bewaard in stilte.
De rust van deze dag zegt:
het is echt klaar.
Er hoeft niets meer bij.

Dat is moeilijk voor mensen zoals wij.
Wij willen iets doen
al is het maar
om onze onmacht te verdrijven.
Wij willen zorgen,
regelen, begrijpen.
Maar Stille Zaterdag
leert ons wachten.
Vertrouwen.
Rusten.

Niet uit onverschilligheid,
maar in geloof.

De vrouwen rusten “naar het gebod”.
Dat gebod was ooit gegeven
als een geschenk:
één dag om niet te leven
van je eigen inspanning,
maar van Gods trouw.
Eén dag om te ontvangen
in plaats van te presteren.

Misschien is dat vandaag
nog steeds de uitnodiging.

Er zijn momenten in een mensenleven
die lijken op Stille Zaterdag.
Gebeden die niet verder lijken te komen
dan het plafond.
Beloften lijken begraven.
Je staat bij een graf
— letterlijk of figuurlijk —
en weet niet hoe het verder moet.

En dan zegt deze dag niet:
begrijp het.
Ook niet: los het op.

Deze dag zegt: rust.

Rust in wat Hij heeft gedaan,
ook als je het nog niet ziet.
Rusten in Gods trouw,
ook als alles zwijgt.
Rusten,
omdat het werk
niet op jouw schouders ligt.

Stille Zaterdag is geen dag van grote woorden.
Het is een dag van stille hoop.
De hoop die nog geen bewijs heeft,
maar wel een belofte.

De steen ligt nog voor het graf.
De nacht is nog niet voorbij.

Maar onder de stilte klopt het volbrachte werk van Christus.
En wie bij Hem hoort,
mag — midden in het wachten — rusten.

Morgen is het Pasen.
De nieuwe morgen komt!

 

Het was maar een heuvel buiten de stad.
Een executieplek.
Zo’n plaats waar je liever
met een boog omheen loopt.
En toch…
wat daar gebeurde op Golgotha
heeft de wereld doormidden gesneden.

Zie je het voor je?
Die dag voelde niet als een kantelpunt.
Geen engelenkoren.
Geen applaus uit de hemel.
Gewoon stof, zweet, bloed.
Soldaten die hun werk doen.
Omstanders die grappen maken.
Religieuze leiders die tevreden knikken.
En ergens daarboven,
vastgespijkerd tussen hemel en aarde: Jezus.

De aarde wilde Hem niet meer.
De hemel leek stil.
Hij hing daar in het niemandsland.
Dat is wat een kruis doet.
Het is niet alleen een martelwerktuig.
Het is een statement:
jij telt niet meer mee.
Jij bent afgeschreven.
Door mensen.
En, zo voelt het althans, ook door God.

En toch.

Terwijl de hamerslagen nog naklinken,
bidt Hij.
Niet om wraak.
Niet om vuur uit de hemel.
Hij zegt: Vader, vergeef het hun,
want ze weten niet wat ze doen.

Dat is geen zwakte. Dát is koningschap.

Op die heuvel leek de duisternis te winnen.
De massa heeft geschreeuwd.
Pilatus heeft zijn handen gewassen.
Barabbas loopt vrij rond.
Jezus hangt vast.
Als je er met menselijke ogen naar kijkt,
is dit het failliet van hoop.

Maar luister naar Zijn woorden.
Daar, midden in de vernedering, regeert Hij.
Niet met geweld, maar met genade.
Niet door Zijn vijanden neer te slaan,
maar door voor hen te bidden.

‘Ze weten niet wat ze doen.’

Echt niet?
Die soldaten wisten precies
hoe je iemand moest kruisigen.
De leiders wisten precies
wat ze wilden:
van Hem af.
De menigte wist precies
hoe je iemand kapot schreeuwt.

En toch zegt Hij: ze weten het niet.

Ze weten niet Wie Ik ben.
Ze weten niet wat hier gebeurt.
Ze weten niet dat ze,
terwijl ze Mij afwijzen, gered worden.

Dat is het schurende van Goede Vrijdag.
Want laten we eerlijk zijn:
wij weten vaak ook niet wat we doen.
We kiezen voor onszelf.
We lopen God voorbij.
We praten goed wat krom is.
We noemen duisternis nuance.

En ondertussen bidt Hij.

Niet pas nadat wij berouw tonen.
Niet pas nadat wij het snappen.
Nee, terwijl wij nog bezig zijn
met onze eigen hamerslagen.
Dat is wat Paulus later schrijft in de Romeinenbrief:
toen wij nog zondaars waren,
stierf Christus voor ons.

Dat is genade die je uit het veld slaat.

Wij denken vaak:
eerst inzicht, dan vergeving.
Eerst schoon schip maken,
dan mag je thuiskomen.
Maar aan dat kruis
wordt de volgorde omgedraaid.
Daar klinkt vergeving
vóórdat iemand ‘sorry’ zegt.

Dat voelt bijna te makkelijk.
Te royaal. Te riskant.

Maar kijk naar die misdadiger naast Hem.
Een man met bloed aan zijn handen.
Geen tijd meer om zijn leven te beteren.
Geen kans om iets goed te maken.
En Jezus zegt:
vandaag nog zul je met Mij in het paradijs zijn.

Hoe dan?

Omdat vergeving niet rust op onze prestatie,
maar op Zijn overgave.
Omdat er iets rechtgezet moest worden
tussen God en ons
en wij dat niet konden.
Dus deed Hij het.

Daarom is het kruis niet het einde
van een tragisch verhaal,
maar het begin van een uittocht.
Uit de greep van schuld.
Uit de macht van zonde.
Uit de leugen
dat jij voorgoed bent afgeschreven.

“Het is volbracht.”

Dat is geen zucht van nederlaag.
Dat is de adem van overwinning.

En dan, als alles gezegd is,
legt Hij Zijn leven terug
in de handen van Zijn Vader.
Alsof Hij wil zeggen:
het is goed zo. De weg is open.

Dus ja,
het was een donkere dag op Golgotha.
Maar het was ook de dag
waarop de liefde het laatste woord kreeg.

En dat woord klinkt nog steeds.

Voor hen.
Voor jou.
Voor mij.

 

Bij voorbaat verontschuldig ik dat nu alvast
een beetje op de zaken vooruitloop,
maar ik wil graag iets zeggen over de Opstanding van Christus.
We zijn nog maar net begonnen aan het Triduüm, de drie dagen voor Pasen
en her en der horen we dan:
‘Als we niet met Hem sterven op Goede Vrijdag,
kunnen we niet met Hem opstaan op Paasmorgen.’

Maar een deel van het probleem dat deze zin oproept,
is dat we niet zozeer Goede Vrijdag overslaan,
maar Paasmorgen.
In onze vastberadenheid om ons te concentreren op het lijden van Christus,
kan Pasen misschien een vreugdevolle preek zijn, een prachtige uitroep:
‘Hij is opgestaan!’
en dan gaan we weer verder.

Dus als het om wonderen gaat,
is het maar al te vaak het Grote Wonder
waar we onze aandacht van afwenden.
En we kunnen het zelfs helemaal overslaan.

Net als de omvang van het heelal
is Pasen bijna te groot voor ons menselijk verstand om te bevatten.
Dus beperken we ons tot het opdreunen van feiten en overtuigingen.
Zoiets van:
‘Ons heelal is 13 miljard lichtjaar breed
en is letterlijk uit het niets ontstaan.
Jezus Christus stond op uit de dood
en verscheen aan zijn discipelen.’
Feiten, maar we kunnen er met ons verstand niet bij…
Dus maar weer door!

Onder de gelovigen heerst er een reële angst voor de opstanding.
Niet zoals de Bijbel spreekt over de vrees voor God,
maar een veel fundamentelere angst
van bijvoorbeeld het schoolkind dat iets niet goed lijkt te begrijpen.
Het is alsof we moeten geloven, maar het niet kunnen,
met een vleugje van die vreselijke angst
zoals zij die zeggen dat – net als bij Donald Trump –
je het niet letterlijk maar serieus moeten nemen,
misschien wel gelijk hebben.

Het is de angst voor de gapende kloof
tussen de letterlijke waarheid (in het Grieks: logos)
en de metaforische of allegorische waarheid (mythos).
En het is alsof we gedwongen worden een keuze te maken
die we, in in alle gemoede, niet kunnen.
Als zodanig wordt het wat Paulus een struikelblok zou noemen,
iets dat in de weg staat in plaats van verlicht.
En het is er een die we stilletjes negeren.

Ik denk dat ik wil zeggen dat we bevrijd moeten worden
van de zorg dat er een juiste manier is om het te interpreteren,
of dat er een keuze moet worden gemaakt
tussen letterlijke en metaforische waarheid.
Met de gebeurtenissen van Paasmorgen
wordt ons een en/en-antwoord aangeboden in plaats van een of/of-keuze.

In dit model is historiciteit nuttig, maar onvoldoende.
We weten als een historisch feit dat Jezus van Nazareth
door de Romeinse autoriteiten werd gekruisigd
en we kunnen, in historische termen,
zeer redelijkerwijs aannemen dat een van zijn discipelen,
een vrouw uit Magdala, Maria genaamd,
na de Joodse sabbat naar zijn graf ging en het leeg aantrof.

Daarna wordt de ervaring van de Opstanding moeilijker,
zo niet onmogelijk, te beschrijven.
Niet alleen voor ons, maar vooral voor de eerste getuigen ervan.
Dat is deels de reden
waarom deze evangelietekst
op een manier is geschreven die anders is
dan alle andere, adembenemender,
persoonlijker, anekdotischer en meer ervaringsgericht.
Het is alsof de opstandige Jezusbeweging voor het eerst in kleur ziet.

Als we overigens op zoek zijn naar een wonder, dan is dit het.
Wat er ook is gebeurd, de totale nederlaag en verstrooiing
van deze kleine, provinciale groep rebellen
in dood en wanhoop
is binnen drie dagen onomkeerbaar veranderd.
De moderne term voor dit fenomeen zou kunnen zijn:
‘Stel je voor’.

Maar we moeten onze ogen niet afwenden
van minder gemakkelijke verschijnselen,
bewijs dat niet alleen metaforisch of allegorisch is,
maar ook ronduit werelds en gemotiveerd door opportunisme.
Het is niet controversieel om op te merken
dat er een verschil is tussen de verhalen over het lege graf
en de verschijningen van de verrezen Christus,
waarbij de laatste deels voortkwamen
uit concurrerende partijen om patriarchale autoriteit,
bij de vroegste vorming van de Kerk.

Het lege graf is niet alleen een bewijs van de verrezen Christus.
Het is er om ons symbolisch te laten zien
waar God niet is.
In het evangelie van Johannes ziet Maria engelen zitten
aan het hoofdeinde en voeteneinde van de steen
waarop het lichaam lag,
een weerspiegeling van het verzoendeksel
van de ark van het verbond,
de lege troon van de onzichtbare Joodse God.
Christus is ‘vooruitgegaan’
om het levende werk van God
in zijn ontluikende Kerk van het nieuwe verbond
voort te zetten.

Bovenal roept deze dualistische benadering van de opstanding
de toeschouwers op om er ontspannen mee om te gaan,
om ons begrip ervan los te laten.
De woorden en daden van de verrezen Christus
lijken dit vaak te bevestigen:
‘Houd mij niet vast’,
‘Sjalom’ (vrede zij met u),
‘Kom en eet’,
‘Voed mijn lammeren’.

Dus worstelen met het begrijpen van de opstanding
is geen breekpunt.
In zekere zin is de Goddelijke boodschap
dat het allergrootste wonder niet zo bijzonder is.
Het leven gaat echt door.

Als zij zouden zwijgen, zouden de stenen het uitschreeuwen.

 

In deze dagen van de Goede Week
lopen wij als het ware mee,
de weg op van Betanië naar Jeruzalem.
We zien Jezus Christus gaan,
omringd door zijn leerlingen.
Er hangt iets in de lucht.
Verwachting. Hoop.
En misschien ook wel verwarring.

Hij kiest een ezelsveulen.
Geen strijdros,
geen vertoon van macht.
Maar eenvoud. Nederigheid.
En toch:
een koninklijk teken,
zoals de profeet ooit beloofde.
Een koning die anders is dan verwacht.

De mensen langs de weg begrijpen er iets van.
Ze leggen hun mantels neer.
Ze zwaaien met takken.
Ze roepen: “Hosanna – Heer, red ons.”
Hun stemmen vullen de lucht.
Hun hoop krijgt woorden.

En dan die opmerking van Jezus,
bijna achteloos, maar zo veelzeggend:
Als zij zouden zwijgen,
zouden de stenen het uitschreeuwen.

Stenen die roepen.

In de traditie van vandaag
denken we misschien aan struikelstenen – stolpersteine.
Kleine stenen in de weg,
die je even uit je pas halen.
Stenen die herinneren.
Die je dwingen
om niet gedachteloos door te lopen.

Zo liggen er ook stenen
op onze weg naar Pasen.

Stenen van teleurstelling.
Stenen van twijfel.
Stenen van niet-begrijpen
waarom God anders handelt
dan wij hopen.

De mensen die “Hosanna” roepen,
zullen een paar dagen later zwijgen.
Of erger:
ze zullen roepen om het tegenovergestelde.
Hun verwachting
van een machtige koning
botst met de werkelijkheid
van een lijdende Messias.

En is dat niet herkenbaar?

Ook wij struikelen.
Over ons eigen beeld van God.
Over wat wij denken
dat Hij zou moeten doen.
Over gebeden
die anders verhoord worden
dan wij willen.

De Veertigdagentijd is een weg.
Geen rechte, gladde weg,
maar een pad vol stenen.
Geen obstakels om te vermijden,
maar tekens om bij stil te staan.

Elke struikelsteen kan een uitnodiging zijn.

Om langzamer te gaan.
Om beter te kijken.
Om opnieuw te luisteren.

Misschien roepen die stenen nog steeds.
Niet luid en oorverdovend,
maar zacht en aandringend:
“Kijk naar Hem.”
“Volg Hem.”
“Blijf niet staan bij wat je verwachtte,
maar ga mee in wat komt.”

Want de weg van Jezus Christus
loopt niet alleen
naar Jeruzalem,
maar naar het kruis.
En voorbij het kruis, naar nieuw leven.

Dat zien we nu nog niet volledig.
Net als de mensen toen.

Maar juist daarom klinkt in deze week
die oude roep opnieuw:
“Hosanna – Heer, red ons.”

Niet omdat wij alles begrijpen.
Maar omdat wij Hem willen volgen.

Misschien is dat
wel de opdracht van deze dagen:
niet om zonder struikelen te lopen,
maar om, struikelend en wel,
toch verder te gaan achter Hem aan.

‘Jezus huilde’

 

Halverwege de Olijfberg,
met uitzicht over Jeruzalem,
staat een klein kerkje.
Het heet Dominus Flevit
dat betekent:
de Heer weende.
Het gebouw heeft zelfs de vorm van een traan.
En als je daar staat,
terwijl beneden het verkeer gewoon doorraast, voel je:
dit is een plek om even stil te worden.

Want hier denken we aan
dat ene, aangrijpende moment:
Jezus die huilt.

Dat zijn we misschien niet zo gewend.
We zien Hem eerder
als degene die binnengehaald wordt
met gejuich.
Mensen roepen: “Hosanna!”
Ze zwaaien, ze juichen,
ze verwachten iets groots.
Eindelijk komt er verandering.
Eindelijk komt er vrede.
Eindelijk een koning die alles rechtzet.

Jezus rijdt op een ezel de stad binnen.
Geen strijdpaard,
maar een teken van vrede.
Hij komt als Koning van de vrede,
als Brenger van echte shalom.
De mensen hopen
op bevrijding van de Romeinen.
Op een nieuw begin.

Maar terwijl iedereen juicht… huilt Jezus.

Waarom?
Omdat Hij ziet wat anderen niet zien.
Hij kijkt verder dan het moment.
Hij ziet niet alleen de stad
zoals die nu is,
maar ook wat er gaat gebeuren.
Hij weet dat zijn weg
niet eindigt op een troon,
maar aan een kruis.

Hij weet dat dezelfde mensen
die nu roepen “Hosanna”,
straks misschien zullen roepen:
“Kruisig Hem.”

En dat breekt zijn hart.

Zijn tranen komen niet voort
uit zwakte,
maar uit liefde.
Diepe, intense liefde.
Liefde voor de stad.
Liefde voor de mensen.
Liefde die ziet
dat mensen
zo dicht bij vrede kunnen zijn…
en het toch missen.

“Als je toch eens wist wat je vrede brengt…”
zegt Hij.

Dat is de pijn.
Niet dat God ver weg is.
Maar dat mensen
Hem niet herkennen
wanneer Hij zo dichtbij komt.
Dat ze hun eigen verwachtingen volgen,
hun eigen ideeën,
en daardoor
voorbijgaan aan wat God werkelijk doet.

En eerlijk? Dat raakt ook ons.

Want hoe vaak gebeurt
dat niet in ons eigen leven?
Dat God dichtbij komt
— in een moment, in een woord, in een ontmoeting —
en dat we het niet doorhebben.
Dat we zo druk zijn,
zo vol van onze eigen plannen,
dat we missen wat er echt toe doet.

Jezus huilt
niet alleen over Jeruzalem toen.
Zijn hart is nog steeds bewogen.
Ook om ons.
Niet uit verwijt, maar uit verlangen.
Verlangen dat we zien.
Dat we herkennen.
Dat we ons openen voor zijn vrede.

En dat is precies de uitnodiging
voor deze dinsdag in de Goede Week.

Sta even stil.
Al is het maar een paar minuten.
Tussen alles wat doorgaat in jouw leven.
Leg je telefoon weg.
Adem even rustig.
En vraag jezelf:
zie ik waar God
vandaag naar mij omziet?

Want dat doet Hij. Echt.

Misschien heel klein. Heel stil.
Maar wel echt.

En het mooie is:
zijn tranen zijn geen eindpunt.
Ze zijn een begin.
Een teken dat zijn liefde niet opgeeft.
Dat Hij blijft zoeken.
Blijft roepen.
Blijft uitnodigen.

Misschien is vandaag wel zo’n moment.
Dat je het wél ziet.

En dat je Zijn vrede binnenlaat.

‘de hand van hem, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel’

 

Handen vertellen eigenlijk precies wie je bent.
Denk maar eens aan je eigen handen.
Wat hebben ze allemaal al gedaan, vastgehouden,
misschien ook losgelaten?
De kleine handjes van een pasgeboren baby
zijn totaal anders
dan de handen van een oudere,
soms vol rimpels en levensverhalen.
De handen van iemand die studeert
zien er anders uit
dan die van een boer
die elke dag vroeg opstaat om te werken.
Je handen verraden iets van je leven.
Van wat je doet.
Maar ook van wat je drijft, diep vanbinnen.

In deze week, de Goede Week,
worden we uitgenodigd
om eens te kijken naar handen.
Vooral naar de handen rondom Jezus.
Op die laatste avond, aan tafel,
gebeurt er iets bijzonders.
Daar raken twee handen elkaar.

De ene hand is de hand van Jezus.
Het is een hand die zoveel goed heeft gedaan.
Een hand die brood brak
en vermenigvuldigde
zodat niemand honger
hoefde te hebben.
Een hand die kinderen optilde en hen zegende.
Een hand die zieken aanraakte
en mensen weer hoop gaf.
Een hand die zelfs
een gestorven meisje
weer tot leven riep.
Maar ook:
een hand die knielde
om de voeten
van zijn leerlingen te wassen.
Een dienende hand.
Een liefdevolle hand.

En dan is daar die andere hand.
De hand van Judas.
Ook hij hoorde erbij.
Ook hij was een leerling, een volgeling.
Iemand die dichtbij Jezus leefde.
Maar zijn hand vertelt een ander verhaal.
Het is de hand van verraad.
De hand die geld aannam
om Jezus uit te leveren.
Alsof er nog iets kleeft aan die hand,
iets van schuld, van verkeerde keuzes.

En toch…
die twee handen raken elkaar.
Gewoon, aan dezelfde tafel.
In dezelfde schaal.
Liefde en verraad zo dicht bij elkaar.
Dat is confronterend.
Want als we eerlijk zijn,
herkennen we daar misschien
ook wel iets van onszelf in.
We willen het goede,
maar we maken ook fouten.
Soms zijn onze handen open en gevend…
en soms sluiten ze zich of grijpen ze mis.

Maar kijk nog eens beter.
Want er is nog een derde hand.
Niet zo zichtbaar,
een beetje op de achtergrond.
De hand van God, de Vader.
Hij is niet afwezig.
Integendeel.
Midden in alles wat er gebeurt
— in alle chaos, alle keuzes van mensen —
is Hij aanwezig.
Stil, maar zeker.

In deze week komen er zoveel mensen voorbij.
Judas, Petrus, Pilatus, soldaten, vrouwen, vrienden…
allemaal met hun eigen handen, hun eigen rol.
En toch loopt er één lijn door alles heen:
God houdt vast.
Hij laat niet los.

Uiteindelijk is er dat moment waarop Jezus zelf zegt:
“Vader, in Uw handen leg Ik mijn leven.”
Dat is geen nederlaag.
Dat is vertrouwen.
Diep vertrouwen.

En misschien is dat wel de uitnodiging voor vandaag.
Om ook jouw leven, jouw handen
— met alles wat daarin zit —
in Gods hand te leggen.
Met je goede momenten,
maar ook met je fouten en je vragen.

Want waar jouw handen soms tekortschieten,
blijft Gods hand trouw.
En dat is hoopvol.

Zeker in deze week.

Het is Palmzondag.

Wat zegt u?
O ja, dat verhaal. Jezus op een ezel, Jeruzalem in.
Wereldnieuws hoor.
Elk jaar weer hetzelfde.
In die kerk van jullie zijn ze dol op herhaling.
Afgeknaagde verhalen,
opnieuw opgediend, met een palmtakje erbij.

Want zeg nou zelf: wie loopt daar vandaag nog warm voor?
Zelfs The Passion voelt als vaste prik.
Bekende liedjes, bekende gezichten.
Denk niet zwart, denk niet wit.
We kunnen het bijna meezingen.

En toch…
Het is veertigdagentijd.
Tijd om even niet door te zappen.
Tijd om niet meteen te roepen:
“Heb je niks nieuws? Iets vrolijks? Iets actueels?”

Want Palmzondag is geen feelgoodverhaal.
Het is een spiegel.

Daar komt hij binnen. Jezus.
Geen paard. Geen escorte. Geen machtsvertoon.
Een ezel. De sjofele koning.
Wereldvreemd, zou je zeggen.
Wie verwacht daar nou iets van?
Macht hoort te glimmen.
Macht komt met sirenes, auto’s met geblindeerde ramen,
rode lopers en ambtskettingen.
Macht laat zich graag zien.

Jezus niet.
Hij kiest een andere entree. Klein. Breekbaar.
Tegen de stroom in.

Naïef?
Zijn vrienden vonden van wel.
“Ga niet naar Jeruzalem. Dat is gevaarlijk.
Je hoeft de problemen niet op te zoeken.”

Hij ging toch. Omdat hij niet anders kon.
Omdat trouw zijn aan je weg
soms betekent dat je het risico neemt.

En het begint feestelijk. Hosanna!
Gejuich. Enthousiasme.
Maar wie ooit in een stadion stond of in een volle zaal,
weet hoe dun die lijn is.
Eén moment ben je mee op de golf,
het volgende moment denk je:
wat doe ik hier eigenlijk? Ben ik mezelf nog?

Vandaag Hosanna.
Morgen: kruisig hem.

Zo wispelturig zijn wij mensen.
We bouwen voetstukken en trappen ze net zo hard weer om.
Trainers, politici, idolen,
één fout en we keren ons af.
Soms met genot.

En Jezus?
Wat had hij verkeerd gedaan?
Niets.

Misschien is dat juist het probleem.
Dat wij moeite hebben met iemand die niet meespeelt.
Die het nette parkje omspit.
Die blijft kiezen voor liefde, zachtheid, geweldloosheid.
Die weigert hard te worden in een harde wereld.

Het is Palmzondag.
En daarmee staan we aan het begin van de stille week.
Een week die schuurt. Die vertraagt.
Die je uitnodigt om niet mee te juichen, maar mee te lopen.
Niet te oordelen, maar te kijken:
wie is deze man eigenlijk… voor mij?

In het verhaal stellen mensen die vraag ook:
Wie is dat?
Geen vrome interesse, maar wantrouwen.
Wat moet ’ie?

Het antwoord is opvallend simpel:
Jezus. Profeet. Uit Nazaret. Galilea.

Geen held van het centrum.
Geen man van boven.
Maar iemand van de rand.
Van de gewone mensen.
Van wie niet meetelt.
En juist daar, zegt dit verhaal, woont God.

Het is Palmzondag.
Ik sta langs de kant van de weg.
Niet zo snel meer juichend.
Misschien ouder. Voorzichtiger.

Maar ergens fluistert het:
Als ik wil leren leven,
eenvoudig, liefdevol, met open handen,
waar zou ik dan beter kunnen kijken?

Ik kijk.
Ik zwijg.
En jij?

 

Het is drie uur in de middag.
Vanaf het tempelplein klinken duidelijk hoorbaar de stoten van de bazuin.
Het is de tijd voor het avondgebed.
Dat avondgebed begint deze dag
– in verband met de viering van het Pascha –
om drie uur in plaats van om vier uur.
Op dit moment bidden alle vrome Joden, waar ze zich ook bevinden,
hardop de woorden van het avondgebed:
‘In uw hand zijn de zielen van de levenden en de doden.
In uw hand beveel ik mijn geest.
Gij hebt mij verlost, HERE, getrouwe God.’ (Psalm 31:6)

Hangend aan het kruis vangt Jezus de klanken van de bazuin op.
En samen met alle Joden roept Hij – zoals men gewoon is met luide stem:
‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ (Lucas 23: 46)
Maar bij de gekruisigde Jezus is het meer dan een gebed.
Bij Hem is het ook de verwoording van de zekerheid dat zijn taak is volbracht.
De helse verschrikking van de godverlatenheid is voorbij.
Gods toorn is gestild.
De gemeenschap met God is hersteld.
De verlossing is aangebroken!
Nu kan Jezus zijn aardse leven afleggen.
Zijn leven en alles wat Hij op aarde heeft gedaan.
Het werk is volbracht!

Als een kind dat zich veilig weet bij zijn vader
geeft Jezus hier zijn leven in bewaring bij God.
“Vader!” “Pater!”
In dat ene woord ligt al de liefde opgesloten
die Jezus voor zijn hemelse Vader voelt.
En met zijn liefde spreekt Hij
ook zijn vertrouwen uit.
Jezus sterft niet in wanhoop,
maar in het vertrouwen dat zijn leven veilig in de handen van de Vader is.
Laten die handen nu doen wat goed is.
Als straks machteloze mensenhanden
zijn lichaam van het kruis zullen halen,
dan is de geest van de gekruisigde Jezus allang veilig in Gods handen.
‘Toen Hij dat gezegd had, blies Hij de laatste adem uit.’ (Lucas 23: 46)
Heel bewust legt Jezus hier zelf zijn leven af.
Dat had Hij al gezegd tegen zijn leerlingen:
‘Niemand neemt mijn leven, Ik geef
het zelf. Ik heb de macht om het te geven en om het weer terug te nemen
– dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb gekregen.’(Johannes 10: 18)

Een Romeinse legerofficier buigt voor de gekruisigde Jezus.
Hij heeft gezien Wie Jezus was:
‘Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige! (Lucas 23: 47)
Hij looft God.
En dan wordt het stil op Golgotha.
De mensen die voor het schouwspel van de kruisiging zijn komen kijken
en alles van dichtbij hebben meegemaakt,
keren terug naar hun huizen in de stad.
Als teken van rouw slaan ze zichzelf op de borst.
Zullen ze begrepen hebben wat ze hier vandaag hebben gezien en gehoord?
Er is haast geboden.
Om zes uur breekt de sabbat aan.
In elk gezin wordt vanavond opnieuw
het feest van de bevrijding gevierd: Pascha.
Een heel bijzondere Paasfeest dit jaar in Jeruzalem.

En wij?

Eigenlijk wordt in Jezus’ dood
het begin van zijn overwinning al zichtbaar.
Kijk maar: de aarde begint te scheuren,
graven breken open en vele heiligen staan op (Matteüs 27: 51-53).
Zij zijn er de levende bewijzen van dat de dood is overwonnen.
De dood als laatste vijand is verslagen.
‘Door zijn dood, zegt Hebreeën 2 vers 14,
heeft Hij definitief afgerekend met de heerser over de dood, de duivel.
Zo heeft Hij allen die slaaf waren
van hun levenslange angst voor de dood, bevrijd!’
Dankzij Jezus’ dood heeft onze dood
dan ook niet meer een definitief en onherroepelijk karakter.
Er zit al iets van de overwinning in.

Leg je geest, je ziel, je diepste zelf
maar in de handen van Gods vaderliefde.
Je zult zien wat een rust je dat geeft.
Je bént uit de netten van het kwaad bevrijd
omdat het eens Goede Vrijdag en Pasen is geweest.
De gekruisigde Jezus spreekt ook jou aan:
‘Ik heb je verlost!’

Dat is het geheim van dit laatste bewogen kruiswoord!

 

Tussen het Heilige en het Heilige der Heiligen
in de tempel van Jeruzalem hangt een gordijn.
Het is een heel bijzonder gordijn.
Een handbreedte dik, negen meter lang en negen meter breed.
Twee afbeeldingen van engelen zijn op het gordijn geborduurd.
Dat gordijn sluit het Heilige der Heiligen voor mensen af.
Want achter dat gordijn woont God.
In het aardedonker.
De Heilige van Israël.
In de tempel van Jeruzalem,
de plaats die God heeft uitgekozen om onder zijn volk te wonen.
Eén keer in het jaar gaat de hogepriester door dit gordijn naar binnen.
Met een gouden schaal met het bloed van een offerdier.
Om zo verzoening te doen voor de schuld van heel het volk van Israël.

Het is dan Grote Verzoendag!
Om drie uur ’s middags wanneer vanaf het kruis de woorden klinken:
‘Het is volbracht!’
scheurt dat bijzondere gordijn in de tempel.
Van boven naar beneden!
De hemel zelf grijpt in.
De toegang tot God, die door dit gordijn werd afgesloten,
is voortaan voor iedereen open.
Jezus’ verzoenend sterven aan het kruis op Golgotha
baant de toegang tot Gods liefdevol hart.

‘Het is volbracht!’
Eigenlijk betekenen die woorden:
tot een einde brengen, tot een doel brengen.
Er zit iets definitiefs in.
Maar wát heeft Jezus dan volbracht?
Wat heeft Hij tot een definitief einde gebracht?
Het is de opdracht van de Vader
waarover Jezus spreekt in zijn gebed als Hogepriester (Johannes 17):
‘Ik heb op aarde uw grootheid getoond
door het werk te volbrengen dat U Mij opgedragen hebt’ (vers 4).
‘Ik heb de woorden die Ik van U ontvangen heb
aan hen doorgegeven,
zij hebben ze aanvaard en nu weten ze echt dat Ik van U gekomen ben,
en ze geloven dat U Mij hebt gezonden” (vers 8).
Jezus is naar deze aarde gekomen
om de grootheid van God de Vader te tonen aan de mensen.
Dat is de opdracht die Hem vanuit de hemel is meegegeven.
Dat de mensen op aarde God zullen erkennen als Koning over alle dingen.

Daarom vertelt Jezus de mensen
over het Koninkrijk van God, het nieuwe paradijs.
Daarom laat Hij – door de wonderen die Hij doet –
zien hoe het leven er op de nieuwe aarde zal zijn.
Alle lijnen van het kruis lopen immers terug naar het begin.
Naar het begin van Gods goede schepping.
De mens, die God in de hof van Eden,
een plaats om te leven heeft gegeven,
is er om er voor God te zijn.
Om God als Schepper te erkennen van alle dingen.
Om Hem te dienen. Om Hem lief te hebben.

Maar toen ging het mis, in dat prachtige paradijs.
Want de mens wilde zélf als God zijn.
De mens wil zélf als koning heersen over alle dingen.
De mens wil zélf beslissen over wat goed en wat kwaad is.
Ongehoorzaamheid, opstand, zonde tegen God.
Jezus is naar de aarde gekomen
om de mensen te vertellen wat Gods bedoeling is met hun leven.
Hij heeft hun dat leven voorgeleefd. Zijn leven was een voorbeeldig leven.
Luisterend naar de stem van de Vader.
De woorden van de Vader doorgevend
opdat mensen weer in die woorden zullen gaan geloven.
Beloften van vergeving en van verzoening.
Van een herstelde verhouding en een vernieuwd leven met Hem.
Zo heeft Jezus de Schrift in vervulling laten gaan.
Zijn werk op aarde is volbracht! Het doel is bereikt.
De kloof tussen God en mensen is door Hem overbrugd.
God en mensen kunnen weer direct contact met elkaar hebben.
Er is geen offerbloed, geen hogepriester,
geen gordijn en geen tempel meer nodig.

‘Het is volbracht!’

En wij?

Jezus’ sterven aan het kruis betekent voor ons een nieuw begin.
Wat wij mensen niet konden bereiken heeft Hij bereikt.
Wat wij mensen niet konden volbrengen heeft Hij volbracht.
Vaak denken wij dat ook wij eerst offers moeten brengen
om met God weer in het reine te kunnen komen.
Plaatsvervangend heeft Jezus zijn leven voor ons opgeofferd.
Uniek. Eenmalig.
Wij mogen weer leven zoals God het heeft bedoeld
toen Hij de mens op aarde een plaats heeft gegeven.
Een leven in liefde, in afhankelijkheid en in dankbaarheid.
Een leven in liefde voor God, onze Schepper.
Een leven in liefde voor elkaar en de schepping.

Dat is het geheim van dit bewogen zesde kruiswoord!

 

Wanneer zou Jezus voor het laatst iets gedronken hebben?
Bij de viering van het laatste avondmaal, zestien uur geleden? …
Vlak voor zijn kruisiging hadden ze Hem
nog een verdovingsdrank aangeboden: soldatenwijn met mirre.
Dat was nog een beetje menselijkheid
te midden van alle onmenselijkheid op die kruisheuvel Golgotha.
Maar dat had Hij geweigerd.
Jezus wílde ‘de beker van het lijden’ zonder enige verdoving drinken.
Hij wílde het lijden in al zijn diepte dragen.
Heel bewust.
Met al zijn zintuigen.
Zonder verdoving.

Maar nu vráágt de gekruisigde Jezus om drinken: ‘Ik heb dorst!’
Dorst is één van de grootste kwellingen van de kruisdood.
Het afgematte lichaam van een gekruisigde droogde helemaal uit.
Vrijwel ontkleed, urenlang in een brandende zon.
Lang niet gedronken en dan die grote inspanning.
De gekruisigde Jezus heeft geleden over zijn gehele lichaam.

‘Ik heb dorst!’
Het vijfde bewogen kruiswoord is ook het kortste kruiswoord:
Dipso – in het Grieks. Slechts vier letters.
Eén van de soldaten neemt een spons.
Wellicht was dat de ‘kurk’, die het vat met soldatenwijn afsloot.
Die goedkope zure wijn dronken de dienstdoende soldaten
terwijl ze wachtten op de dood van de gekruisigden.
Een andere soldaat gaat op zoek naar een lange stok,
waar de spons op bevestigd kan worden.
Hij zet er vaart achter en komt terug met een majoraantak.
De spons – volgezogen met zure wijn –
wordt op de lange stok gestoken en Jezus drinkt.
Zijn uitgedroogde lippen proeven de frisse smaak van de wijn.
Zijn afgematte lichaam laat zich laven aan deze soldatendrank.

Zouden de soldaten er later voor bedankt zijn?
‘Ik had dorst en jullie gaven Mij te drinken …’ (Matteüs 25: 35)
Waarom vraagt de gekruisigde Jezus om drinken? …
Duidelijk hoorbaar wilde Hij zijn laatste woorden uitspreken!
Die laatste woorden zullen geen onverstaanbaar zacht gemompel zijn.
Iedereen op en rond Golgotha
zal straks duidelijk hoorbaar de laatste twee bewogen kruiswoorden kunnen opvangen:
‘Het is volbracht!’ en ‘Vader, in uw handen leg Ik mijn geest.’

‘Ik heb dorst!’
De woorden van de gekruisigde Jezus verwijzen opnieuw naar Psalm 22:
‘Mijn kracht is droog als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,
U legt mij neer in het stof van de dood.’ (Psalm 22: 16)
Die woorden uit de Schrift gaan hier nu in vervulling,
merkt Johannes, de schrijver van het Evangelie, op.
Net als die andere woorden:
‘Niet één van zijn beenderen wordt verbrijzeld.’ (Psalm 34: 21)
en:
‘Zij zullen hun blik richten op Hem die ze hebben doorstoken.’
(Zacharia 12: 10)
Aan het kruis worden de woorden van de Schrift vervuld.
Woorden die ons laten zien dat God Zich altijd aan zijn Woord houdt.
Dat Hij trouw is en betrouwbaar. Zelfs op die kruisheuvel Golgotha.

En wij?

De verleiding is groot om bij dit kruiswoord te denken aan ònze dorst?
Ónze dorst naar water, naar liefde, naar levensvreugde, naar geluk.
Laten we vooral denken aan de lichamelijke dorst
die de gekruisigde Jezus – als mens – hier voor ons heeft doorleden.
Híj heeft dorst geleden. Híj heeft om drinken gevraagd.
Bij dit vijfde kruiswoord herinneren we ons
dan opeens de woorden die Jezus sprak …
vlak voor het moment dat Hij aan zijn vijanden werd overgeleverd.
Woorden over het laatste oordeel:
het scheiden van de schapen en de bokken (Matteüs 25: 31-46).
‘Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben
voor een de geringsten van mijn broeders of zusters,
dat hebben jullie voor Mij gedaan.” (Matteüs 25: 40)
Dit bewogen kruiswoord is daarom
het laatste dringende appèl dat Jezus op ons doet.
Hij wijst ons op onze roeping
in deze gebroken wereld mensen van dienst te zijn, mensen te helpen,
die dorst hebben, die aandacht nodig hebben.
Zijn liefde voor ons kan immers niet onbeantwoord blijven.

Dat is het geheim van dit bewogen vijfde kruiswoord!