In een denkbeeldige boksring
staan ze tegenover elkaar:
een paus en een president.
Aan de ene kant een man in wit
die tot zijn dood blijft zitten waar hij zit.
Aan de andere kant een man
in een rood stropdasje die,
als het een beetje meezit,
in 2029 gewoon moet vertrekken.
Mijn geld?
Niet op de man van Mar-a-Lago.

Kijk, die paus – Leo XIV –
is geen heilige in de zin van foutloos,
maar wel iemand die snapt
wat woorden doen.
Hij noemt oorlog oorlog,
een oorlogsstoker
gewoon een oorlogsstoker,
en zegt vervolgens:
mijn taak is vrede prediken.
Punt.
Geen CAPS LOCK, geen memes,
geen digitale zelfverheerlijking.

En dan: stilte.
Terug aan het werk.

Aan de overkant heb je Trump.
Die reageert zoals Trump reageert:
met een AI-plaatje van zichzelf
als een soort messias-light.
Gewaden, lichtstralen, vrouwen aan zijn voeten.
Officieel is hij dan ineens “arts”.

‘Tuurlijk.
De man die zichzelf als Jezus afbeeldt,
maar dan met een medische specialisatie.
“Zuster, wilt u even meekijken?”

Het contrast is bijna te mooi.
De een trekt zich terug uit de ruzie.
De ander voert hem op als spektakel.

En ergens voelt het vertrouwd.
Alsof we dit al eens gezien hebben.
Neem Henry VIII, de koning van Engeland.
Ook zo’n man die dacht
dat zijn wil uiteindelijk boven Rome stond.
IJdel, driftig,
geobsedeerd door nalatenschap
en mannelijk nageslacht.
Hij had de valkenjacht,
Trump heeft golf.
Andere hobby, zelfde leegte.

Maar Henry wist tenminste
nog met wie hij ruzie maakte.
Hij kende de paus, de theologie, de inzet.
Hij worstelde – op zijn manier –
met schuld, geloof, lotsbestemming.
En Trump?
Die lijkt oprecht te denken
dat een paus een soort Europese bestuurder is
die je kunt paaien
met een complimentje en een deal.

En toch zit de echte clou niet in die vergelijking.
Die zit in iets groters:
de verlosserfantasie.

Want Trump is niet zomaar een politicus.
Net als Orbán en Poetin
en al die anderen
speelt hij een rol
die ouder is dan democratie:
die van redder.

De man die chaos ordent,
die een gekrenkt volk
erkenning geeft.
Zolang zij erin slagen
dat diepe verlangen aan te boren
– naar erkenning, naar trots,
naar een simpel verhaal
waarin alles weer klopt –
blijven ze relevant.
Niet omdat ze gelijk hebben,
maar omdat ze iets vervullen.
Die zegt:
volg mij,
en alles komt goed.

Dat werkt. Niet omdat het waar is,
maar omdat het voelt als waarheid.
Zoals Max Weber al beschreef:
charismatisch leiderschap
is geen eigenschap van één man,
maar een relatie.
Een hongerig publiek
en een leider
die precies serveert
wat er verlangd wordt.

En soms gaat dat nog een stap verder.
Dan wordt die leider een soort halfgod.
Onaantastbaar. Onfeilbaar.
De werkelijkheid
moet zich aanpassen aan het verhaal,
niet andersom.

Totdat dat niet meer lukt.

Want op een gegeven moment wringt het.
Beloftes botsen met feiten.
De magie slijt.
Corruptie wordt zichtbaar,
leugens te groot,
de tegenstrijdigheden ondraaglijk.
Dat moment heet,
in droge academische taal,
“contaminatie”.
In gewoon Nederlands:
de rot slaat erin.

Dat zagen we bij Orbán.
Dat gaan we ook elders zien.
De vraag is niet óf,
maar wanneer.

En belangrijker: wat daarna komt.

Want als de ene verlosser valt,
staat de volgende al klaar.
De behoefte verdwijnt namelijk niet.
Dat gat
– die honger naar erkenning, orde, identiteit –
blijft.
En wie denkt dat je dat oplost
met alleen economische cijfers
of beleidsmaatregelen,
snapt het probleem niet.

Mensen willen geen spreadsheet.
Ze willen een verhaal.

De paus begrijpt dat.
Hij biedt er één aan
dat draait
om vrede en terughoudendheid.
Trump biedt er één aan
dat draait om strijd en zelfverheerlijking.

En ergens,
in die denkbeeldige boksring,
is de uitslag al bekend.
Niet omdat de paus fysiek sterker is,
maar omdat hij iets heeft wat Trump mist:

Een Verhaal dat ook zonder hem kan bestaan.

 

Er zijn van die momenten waarop religie en realpolitik elkaar kruisen
en je even niet weet of je moet bidden
of je wenkbrauwen optrekken.
Neem Paus Leo XIV,
die op Palmzondag droogjes opmerkte dat Jezus
“niet luistert naar de gebeden van hen die oorlog voeren.”
Vrij vertaald: je kunt wel “amen” zeggen,
maar als je handen nog nadruppelen
van het vergoten bloed,
komt je verzoek niet
door de spamfilter van de hemel.

Hij leent daarvoor even bij
de Bijbelse profeet Jesaja:
“Al bidden jullie veel,
Ik zal niet luisteren,
want jullie handen
zijn bevlekt met bloed.”
Geen namen, geen landen.
Maar timing is alles,
en toevallig had Pete Hegseth
net een gebed uitgesproken
dat klonk alsof het door een PR-team
van een raketfabrikant was geschreven:
of elke kogel vooral lekker doel mag treffen,
graag met “overweldigende gewelddadigheid”.
Je hoort bijna de artillerie op de achtergrond.

Natuurlijk, context, nuance, theologie
– we kennen het riedeltje.
Niet elke oorlog is fout,
zeggen veel christenen.
Er bestaat zoiets als een “rechtvaardige oorlog”.
Denk aan de Tweede Wereldoorlog:
daar zat een vrij duidelijk verschil
tussen dader en verdediger.
Maar een preventieve oorlog
verkopen als morele noodzaak
is een beetje alsof je iemand
eerst een klap geeft
en daarna klaagt
dat het zo’n gewelddadige wereld is.

Voor deze oorlog niet bestaat
gewoonweg geen theologische keuring.
Want er was geen directe dreiging,
geen onvermijdelijkheid
– dus ook geen rechtvaardiging.
De paus sluit daar
eigenlijk vrij nuchter bij aan.
Geen kruistocht tegen oorlog op zich,
wel tegen de reflex
om geweld alvast
van een zegen te voorzien.

En dan het gebed van Pete Hegseth zelf.
Want daar zit de echte pijn.
Gebed is blijkbaar verworden
tot een soort hemelse klantenservice:
“Beste God, hierbij mijn bestelling:
succes, overwinning
en graag een beetje extra geweld,
dank U wel.”
Alsof je met genoeg “halleluja’s”
een luchtaanval
kunt upgraden naar premium.

Maar volgens mensen
die er verstand van claimen te hebben
– theologen, mystici, dat soort types –
werkt het net andersom.
Bidden is niet praten tegen God
alsof Hij je persoonlijke assistent is.
Het is luisteren. Stil worden.
De controle loslaten.
Je zou het het zelfs een soort
innerlijke sloop kunnen noemen:
jezelf tegenkomen
op manieren
waar je niet om had gevraagd.

En daar zit precies het probleem.
Want luisteren is ingewikkeld
als je al precies weet wat de uitkomst moet zijn.
Stilte helpt niet
als je eigenlijk bevestiging zoekt.
En overgave is nu eenmaal
geen populair beleidsinstrument.

Misschien is dat
wat er bedoeld wordt
met zo’n oude zin van Jesaja.
Niet dat er nooit gebeden mag worden
in tijden van oorlog,
maar dat sommige gebeden
vooral laten zien
dat we niet echt luisteren.
Dat we God eerder gebruiken
als stempel van goedkeuring
dan als gesprekspartner.

Dus ja,
misschien luistert God inderdaad niet.
Niet omdat Hij het te druk heeft,
maar omdat “het gesprek”
nooit echt begonnen is.
Als je alleen praat
om je eigen plannen te zegenen,
voer je geen dialoog.
Dan hou je een monoloog met applausband.

En als dat het geval is,
dan is het eigenlijk niet zo vreemd
dat het stil blijft aan de Andere Kant.

 

Er wordt weer gebeden voor oorlog.
Hardop.
Met Bijbelcitaten
en alles erop en eraan.
Alsof kogels ineens heiliger worden
als je er een psalm overheen giet.

De Amerikaanse minister van Oorlog, Pete Hegseth,
citeert doodleuk Psalm 144:
God die je handen traint voor de strijd.
Mooi beeld, zou je zeggen.
Tot je beseft dat die “training” neerkomt
op bommen boven Teheran.
En alsof dat nog niet genoeg is,
eindigt hij met een gebed
om “volledige overwinning”.
God als militaire adviseur.
Handig.
‘Praise the Lord and pass the ammunition’

En daar blijft het niet bij.
Soldaten klagen dat hun commandanten
deze oorlog verkopen als “Gods plan”.
Serieus.
Alsof er ergens
een hemelse PowerPoint rondgaat met:
Slide 3: Iran platleggen.
En natuurlijk komt Donald Trump
ook langs als “door Jezus gezalfd”.
Je verzint het niet,
maar blijkbaar
hoeft dat ook niet meer.

Kijk, religieuze taal in oorlog is niet nieuw.
George W. Bush
had het ook over God
die hem Irak in stuurde.
Barack Obama
bad voor gesneuvelden.
Maar wat er nu gebeurt,
is een tandje heftiger:
hier wordt buitenlands beleid
gewoon verpakt
als een soort eindtijdscript.

En Hegseth zelf?
Die loopt rond met kruistocht-tatoeages.
“Deus vult” — God wil het.
Dat riepen ze ook toen ze in de Middeleeuwen
halve continenten afslachtten.
Geschiedenislesje gemist, blijkbaar.
Of erger: bewust overgeslagen.

En dan heb je nog de Amerikaanse ambassadeur in Israël
die praat over “bijbelse grenzen”.
Van de Nijl tot de Eufraat.
Dat is geen geopolitiek meer,
dat is een landkaart
uit een oud zondagsschoolboekje.

Ondertussen doet Iran vrolijk mee
aan dezelfde religieuze escalatie.
Daar draait alles
om de terugkeer van de Mahdi.
Apocalyps als strategie.
De vijand verslaan
is niet alleen winst,
het is een stap
richting het einde der tijden.
De islamitische revolutionaire garde
ziet zichzelf letterlijk als een religieus leger.

Dus wat krijg je?
Twee kampen
die allebei denken
dat God aan hun kant staat.
Spoiler:
dat is historisch gezien
zelden een recept
voor terughoudendheid.

En dan Israël.
Premier Benjamin Netanyahu
die militaire operaties
“De brul van de leeuw” noemt.
Bijbelverzen erbij,
bloed en prooi inbegrepen.
Klinkt stoer.
Is het ook.
Maar het maakt van oorlog iets mythisch.
Iets onvermijdelijks.
En vooral:
iets wat je niet meer hoeft te bevragen.

Dat is misschien nog wel het gevaarlijkste.
Zodra oorlog een religieus verhaal wordt,
verdwijnen de remmen.
Doden zijn geen slachtoffers meer,
maar offers.
Twijfel wordt zwakte.
En vrede?
Dat is dan ineens
verraad aan een hoger plan.

Iedereen in dit conflict
zegt in feite hetzelfde:
wij zijn goed, zij zijn kwaad,
en God staat achter ons.
Dat is geen analyse.
Dat is propaganda
met een corona.

Misschien is het tijd
om God er even buiten te laten.
Gewoon, ouderwets.
Zodat we weer
kunnen zien wat dit echt is:
mensen die andere mensen doden,
en daar een heilig sausje
overheen gooien
om het beter te laten smaken.

Want oorlog blijft oorlog.
Ook als je ervoor bidt.

 

Laten we stoppen met doen alsof oorlog iets abstracts is.
Alsof het een schaakspel is tussen grootmachten,
een strategisch potje tussen Verenigde Staten, Israël en Iran.
Alsof het draait om invloedssferen,
rode lijnen en geopolitiek prestige.
Dat is het verhaal dat op tv wordt verkocht.
Maar dat verhaal klopt niet.
Of beter gezegd: het is maar de helft.

De andere helft zie je niet.
Die zit bijvoorbeeld in de 150 meter van een catechistencentrum
waar duizend kinderen horen te spelen, niet te schuilen.
Die zit in een bericht van Bashar Warda,
die zich hardop afvraagt
wat ouders overal ter wereld
zich afvragen als de bommen vallen:
blijven we, of vluchten we?
Hebben onze kinderen hier nog een toekomst?

En let op:
dit komt niet eens uit Iran zelf.
Daar is het inmiddels zo gevaarlijk
dat mensen hun mond houden.
Nee, dit komt uit Koerdische regio;
de plek die jarenlang gold als veilige haven.
Veilig.
Tot de drones kwamen.

Drones zonder gezicht.
Zonder duidelijke afzender.
Misschien Iraans,
misschien een reactie op Amerikanen.
Maakt het uit?
Vraag dat maar aan de mensen
die hun kinderen thuis houden
omdat scholen dicht zijn.
Vraag het aan gezinnen
die al één keer gevlucht zijn voor ISIS
en nu opnieuw hun koffers pakken.

Dit is wat oorlog echt doet:
hij jaagt mensen op.
Eerst uit Mosul, dan uit Bagdad,
dan weer ergens anders heen.
Tot er geen “ergens anders” meer is.

En ondertussen zitten wij hier
discussies te voeren
over wie er “gelijk” heeft.

Want het maakt hem niet uit wie die drones heeft gestuurd.
De schade is toch al aangericht.
Geen frontlinie, geen veilige zone,
nergens om naartoe te vluchten.
Dat is moderne oorlog:
overal en nergens tegelijk.

Maar hier komt het wrange:
dit is niet eens nieuw.
Dit is het directe vervolg
op de invasie van Irak in 2003,
geleid door diezelfde Verenigde Staten van Amerika.
Toen werd ook gezegd dat het nodig was.
Dat het gecontroleerd zou verlopen.
Dat het beter zou worden.

Twintig jaar later is negentig procent
van de christelijke gemeenschap verdwenen.

Negentig procent.

En nu doen we het weer.
Nieuwe spanningen,
nieuwe bombardementen,
nieuwe “strategische doelen”.
En opnieuw zijn het minderheden die verdwijnen.
Niet omdat ze partij kiezen,
maar omdat ze nergens meer passen in het geweld.

Wat verdwijnt er eigenlijk als zij gaan?
Niet alleen mensen.
Ook taal, geschiedenis, nuance.
Gemeenschappen die juist tussen extremen in stonden:
bruggenbouwers in een regio
die daar wanhopig behoefte aan heeft.

En ja, uiteindelijk komt dat ook hierheen.
Want die vluchtelingenstromen stoppen niet netjes bij de grens.
Die eindigen in Europa,
waar we vervolgens klagen over migratie
zonder te kijken naar
de keten van oorzaken
waar we zelf deel van zijn.

Dit is de rekening van korte-termijnpolitiek
en lange-afstandsbommen.

Je kunt oorlog verkopen als noodzakelijk kwaad.
Maar noem het dan tenminste eerlijk:
een keuze waarvan gewone mensen de prijs betalen.
Altijd.

 

Er wordt weer druk met God gezwaaid
in het huidige conflict tussen
Amerika en Israël aan de ene kant
en Iran aan de andere kant.
Alsof Hij een vlag is die je op een tank kunt hijsen.
Aan de ene kant van het front klinkt
“Allahu akbar”, heilige oorlog
aan de andere kant Bijbelteksten.
En ergens daar tussenin vliegen de raketten.

In Iran noemen ze Amerika
sinds tijden al de Grote Satan.
Israël is de Kleine Satan.
Handig taalgebruik.
Als je je vijand eerst tot satan verklaart,
hoef je daarna nergens meer over na te denken.
Tegen satan mag je alles.
Dan wordt oorlog
ineens een soort morele schoonmaakactie.

Maar laten we niet doen
alsof alleen Teheran religieuze taal misbruikt.
Ook in Washington en Jeruzalem
klinkt het behoorlijk religieus.

Benjamin Netanyahu
vergeleek de Iraanse leider Khamenei
met Haman uit het Poerimverhaal.
Een tiran die het Joodse volk wil vernietigen.
Vervolgens haalde hij de profeet Amos aan:
“De leeuw heeft gebruld.”
En jawel:
de militaire operatie heet prompt Brullende Leeuw.
Het klinkt indrukwekkend.
Bijbels zelfs.
Maar uiteindelijk
blijft het gewoon
een bombardement met een slogan.

Nog apocalyptischer maakt
Pete Hegseth het,
de Amerikaanse minister van Defensie.
Die ziet de oorlog
niet alleen als een geopolitieke strijd,
maar als een geestelijke.
Soldaten die bereid zijn hun leven te geven voor land,
voor hun eenheid en Schepper
zouden het eeuwige leven ontvangen.
We weten dat we een fysieke strijd voeren,
maar uiteindelijk staan we
(…)
op een geestelijk slagveld.
We zijn niet alleen strijders,
gewapend met het arsenaal van de vrijheid,
we zijn uiteindelijk ook gewapend
met het arsenaal van het geloof,
en dat zijn we al vanaf het begin.

Dat is nogal wat.
Normaal gesproken
moet je voor eeuwig leven
toch echt bij Jezus zijn,
niet bij het Pentagon.

Hegseth heeft ook een Jeruzalemkruis
op zijn borst getatoeëerd:
het symbool van de kruisvaarders.
Die gingen ooit ook
met heilige overtuiging
naar het Midden-Oosten.
Met het zwaard in de hand
en vergeving van zonden op zak.
Het resultaat kennen we:
bloedbaden, plunderingen
en een geschiedenis
waar zelfs vrome christenen
tegenwoordig liever niet te lang
bij stilstaan.

Religie en oorlog
vormen sowieso een gevaarlijk mengsel.
Zodra leiders beginnen te praten
over “Gods strijd”,
moeten er alarmbellen gaan rinkelen.
Want de geschiedenis leert één ding:
iedereen denkt dat God aan zijn kant staat.

Hitler sprak over voorzienigheid.
De Boeren én de Britten
baden allebei om overwinning
in Zuid-Afrika.
In het Oude Testament
sleepten de Israëlieten
zelfs de ark het slagveld op,
alsof God een mascotte was.
Ze verloren alsnog.

En nu gebeurt iets vergelijkbaars.
Amerikaanse militairen
klagen dat commandanten
de oorlog tegen Iran presenteren
als een door God gewilde strijd.
Sommige officieren hebben
het zelfs over Armageddon.
De eindstrijd.
Alsof een briefing in het leger
ineens een Bijbelstudie
over Openbaring is geworden.

Dat is niet alleen theologisch twijfelachtig,
het is ook gevaarlijk.
Want wie denkt
dat hij Gods plan uitvoert,
voelt zich zelden nog geremd.

Laat één ding duidelijk zijn:
staten voeren oorlog om macht,
om veiligheid, grondstoffen en invloed.
Niet om het Koninkrijk van God te vestigen.
Wie dat wel beweert, gebruikt religie als camouflage.

Dus misschien een bescheiden voorstel:
laat God even van buiten het slagveld.
Geen Bijbelteksten op raketten.
Geen kruisvaarderssymbolen op uniformen.
Geen Armageddon in militaire briefings.

Dit is geen heilige oorlog.

Dit is geopolitiek.
Met bommen.
En heel veel vrome retoriek eroverheen.

 

Wat is vandaag eigenlijk
nog “groot” in de wereldpolitiek?
Grote woorden zijn er genoeg.
Grote problemen ook. Maar grootmachten?
Dat is een stuk mistiger.
Kijk naar de huidige botsing
tussen de Verenigde Staten, Israël en Iran.
Raketten vliegen, drones zoemen,
presidenten en ayatollahs
spuien historische taal
alsof ze zelf al in de geschiedenisboeken staan.
Maar wie is hier nou écht groot
en wie doet zich groot voor?

In Nederland weten we het vaak wel.
Tenminste, dat dénken we.
We eisen.
We roepen om onderhandelingen.
We plakken het woord genocide
op alles wat beweegt.
We schrijven petities,
organiseren debatavonden,
en voelen ons moreel superieur
tussen koffie en quinoa.
Alsof je met verontwaardiging
alleen een wereldorde kunt timmeren.
Alsof Den Haag
het morele kompas van de planeet is.

Maar groot zijn in de wereldpolitiek
is geen opiniestuk.
Het is geen hashtag.
Het is macht.
Harde, lelijke, militaire,
economische macht.
De 19e-eeuwse Britten
van het toenmalige
Verenigd Koninkrijk wisten dat.
Ze legden met hun vloot vrijhandel op,
of je het nou leuk vond of niet.
Dat was geen discussie,
dat was een kanonneerboot in je haven.
In de 20e eeuw deden
de Verenigde Staten
en de Sovjet-Unie het samen,
in een ongemakkelijke omhelzing
van nucleaire afschrikking.
Dat bipolaire evenwicht
– hoe doodeng ook –
schiep orde.

Nu? Nu is de orde zoek.
De Verenigde Naties blaffen vooral vanaf de zijlijn.
De NAVO en de Europese Unie
leunen op een verleden
waarin Amerikaanse spierballen
vanzelfsprekend waren.
Maar vanzelfsprekendheid is geen strategie.

Kijk naar Iran.
Dat ziet zichzelf niet
als een regionale stoorzender,
maar als drager van een heilige missie.
De strijd tegen het “Rijk van de Satan”
– lees: Amerika en zijn bondgenoten –
is geen beleidsoptie,
maar een eschatologisch project.
Israël op zijn beurt redeneert
vanuit existentiële dreiging:
nooit meer weerloos.

En Amerika?
Dat balanceert tussen
wereldpolitie willen zijn
en oorlogsmoe isolationisme.

Iedereen beroept zich op principes.
Mensenrechten.
Veiligheid.
Soevereiniteit.
Maar principes zonder macht
zijn preken in de woestijn.
Je kunt wel zeggen
dat je een “ordeningsprincipe” uitdraagt,
maar als je niet bereid bent
daar miljarden, wapens
en – uiteindelijk –
mensenlevens achter te zetten,
dan is het vooral retoriek.

Dat klinkt cynisch.
Dat ís het ook een beetje.
Maar de geschiedenis is niet geschreven
door wie het hardst “vrede!” riep.
Ze wordt geschreven door staten
die macht combineren met een visie;
hoe verwerpelijk die visie soms ook is.

En nee,
dat betekent niet
dat je dan maar alles moet goedpraten.
Het betekent wel dat je serieus moet nemen
wat leiders zeggen
als ze hun land “groot” willen maken.
Als ze spreken over historische roeping,
beschavingsoffensieven
of heilige oorlog.
Dat zijn geen metaforen
voor binnenlands gebruik.
Dat zijn beleidsvoornemens.

Dus misschien moeten wij,
kleine mogendheid aan de Noordzee,
iets minder snel met het vingertje zwaaien.
Minder hard schreeuwen in talkshows.
Eerst begrijpen welke machten
hier werkelijk aan het schuiven zijn.
Wie bereid is
om bloed te investeren in zijn gelijk.
Want in een wereld waar
Amerika, Israël en Iran elkaar testen,
is morele helderheid belangrijk;
maar zonder machtsbesef
vooral gevaarlijk naïef.

Groot zijn is niet hetzelfde
als gelijk hebben.
En gelijk hebben is waardeloos
als niemand zich er iets
van hoeft aan te trekken.

 

Nog één keer
– tot nu toe althans –
weer een webpost naar aanleiding
van de vernietigingsoorlog
van Rusland op Oekraïne:

Er is altijd wel iemand die het vraagt,
op een verjaardag of in een draadje op X:
“Voel jij je nog wel thuis in dat losgeslagen Westen?”
Te veel regenboogvlaggen.
Te weinig gezag.
Genderneutrale wc’s in de bieb van Almere.
Kortom, het einde der tijden.

Maar geen paniek.
Er is een land waar ze nog weten wat traditie is.
Waar je een visum kunt krijgen
op basis van ‘gedeelde waarden’.
Alsof je je inschrijft bij een volkstuinvereniging;
maar dan een met tanks en een kernwapenarsenaal.

Welkom in het paradijs van de zuivere cultuur.

Daar is de natie heilig. De traditie heilig. De kerk heilig.
Alleen het woord “oorlog” is niet heilig.
Dat heet daar een “speciale operatie”.
Zoals een massaontslag “reorganisatie” heet.

Taal als deodorant over de lijkenlucht.

En ondertussen hoor je geestelijken
praten alsof God een geopolitiek adviseur is.
Alsof Hij ’s ochtends met een espresso
de landkaart erbij pakt:
“Welke grens verschuiven we vandaag?”
Het klinkt akelig vertrouwd.
In 1914 preekten dominees in heel Europa precies zo.
Met psalmen de loopgraven in.
God aan onze kant, uiteraard.
Hij had blijkbaar geen andere afspraken.

Oorlog als gehoorzaamheid.
Opoffering als verlossing.
De overwinning in de dood.
Het kruis niet als aanklacht tegen geweld,
maar als decorstuk.
Alsof Jezus is gestorven
zodat wij met een gerust geweten
kunnen schieten.

Alleen:
wie de moeite neemt om de Bergrede te lezen,
je weet wel, dat stuk waarin Jezus zegt:
zalig de vredestichters, heb je vijanden lief,
wie naar het zwaard grijpt,
die komt daar iets anders tegen.
Geen tanks. Geen vaderlandsliefde met wijwater.
Maar een rabbi die zegt
dat je de andere wang moet toekeren.
Probeer dat maar eens in een talkshow over geopolitiek.
Je wordt uitgelachen voor wereldvreemde softie.

En wie daar in zo’n land hardop aan herinnert,
merkt hoe snel de ruimte krimpt.
Protest? Cel.
Tas met “geen oorlog”? Boete.
Kritisch bericht online? Jaren brommen.
Onafhankelijke media dicht.
Platforms geblokkeerd.
In plaats daarvan keurige staatsapps
waar de waarheid al is voorgekookt.
Alsof je alleen nog het journaal mag kijken,
maar dan zonder kritische vragen.

Kinderen leren intussen
dat de held uit 1984 van Orwell
geen waarschuwing is,
maar een probleemgeval.
Winston Smith als extremist.
Dat is geen literatuurles.
Dat is herprogrammering met een kaft eromheen.

En de cijfers?
Miljoenen slachtoffers. Miljoenen ontheemden.
Steden kapot. Gebieden verwoest.
Maar de retoriek staat fier overeind,
als een vlag op een kapotgeschoten flat.

Ik moet denken aan die
kleine internationale kerkgemeente in Moskou
die uit haar gebouw werd gezet.
Min twintig.
Bidden op straat.
Geen slogans.
Geen geopolitieke theologie.
Alleen kou en kwetsbaarheid.

Misschien zit daar het verschil.
Oorlogstheologie belooft
betekenis via macht en offer.
Maar het christendom begint niet bij macht.
Het begint bij een gekruisigde Man
die geen legioen engelen opriep.
De Bergrede is geen bijlage
bij een militaire strategie.
Het is een sabotagehandleiding voor geweld.

Compassie, mededogen, is geen soft gedoe.
Het is dynamiet onder elke ideologie
die mensen tot brandstof maakt.
En precies daarom is het zo gevaarlijk.

 

Zet een paar raketten op het nieuws
en Nederland verandert in een moreel theehuis.
Aan de ene kant de mensen die zeggen:
“Eindelijk! Weg met dat regime in Teheran.”
Aan de andere kant: “Schande!
Dit sloopt het internationaal recht
en straks vallen Rusland en China
ook daar binnen waar ze zin in hebben.”

Kamp één zegt:
eindelijk wordt dat regime aangepakt.
Iran is ideologisch, gevaarlijk, onhervormbaar.
Democratie komt niet aanwaaien;
soms moet je haar een handje helpen — met raketten.

Kamp twee roept:
schending van het internationaal recht!
Dit opent de deur voor Rusland en China.
De EU moet afstand nemen,
anders glijden we af
naar wereldwijde wetteloosheid.

Beide kampen spreken in morele hoofdletters.
Maar morele verontwaardiging
is nog geen morele analyse.

Als christenen hebben we een eigen meetlat.
Geen vlag, geen anti-Amerikaanse reflex,
maar de oude leer van de rechtvaardige oorlog.
Augustinus en Thomas van Aquino waren niet naïef.
Ze wisten dat er situaties zijn
waarin geweld tragisch noodzakelijk kan zijn.
Maar — en dit is cruciaal —
alleen onder strenge voorwaarden.

Is er een rechtvaardige reden?
Iran is geen koorknaap.
Het regime onderdrukt, dreigt, destabiliseert.
Dat is reëel.
Maar “dreiging” is geen toverwoord.
Is deze aanval bedoeld om daadwerkelijk
onschuldigen te beschermen?
Of om strategische dominantie veilig te stellen?

Is het het laatste redmiddel?
Zijn alle diplomatieke opties uitgeput?
Of zijn we gewoon het geduld kwijt?
De theorie van een rechtvaardige oorlog is streng:
oorlog mag pas als er écht geen alternatief meer is.
Niet als het alternatief langzaam,
frustrerend en politiek ondankbaar is.

Is het proportioneel?
Gaat deze actie méér kwaad voorkomen
dan ze veroorzaakt?
Of versterken we juist het regime,
omdat oorlog dissidenten verandert
in “buitenlandse agenten”?
We hebben dat eerder gezien.
Toen Saddam Hoessein dacht
dat Iran snel zou vallen,
radicaliseerde het regime juist.
Oorlog kan een dictator verzwakken;
maar ook net zo goed verharden.

En dan de kans op succes.
Dat is misschien
de meest onderschatte voorwaarde.
Als de kans groot is
dat een aanval uitloopt op chaos,
burgeroorlog of een machtsstrijd
tussen Revolutionaire Garde
en andere machtsblokken,
dan is de morele rekensom
ineens minder stoer.
Libië zou ook democratisch worden.

Intussen kijken Rusland en China mee.
Niet met morele verontwaardiging,
maar met rekenmachines.
Want als Amerika zich vastbijt
in een mogelijk nieuw Midden-Oosters moeras,
is dat voor hen misschien verlies op korte termijn,
maar winst op lange termijn.
Geopolitiek is geen Bijbelkring; het is schaak.

En dan is er nog iets wat christenen
niet mogen vergeten:
oorlog is nooit iets om te romantiseren.
Zelfs een rechtvaardige oorlog
blijft tragisch.
Jezus vraagt nederigheid, geen bravoure.
Wie te enthousiast wordt van militaire taal,
moet zich afvragen
of hij nog wel bidt: “Uw Koninkrijk kome.”

en misschien is dát het probleem.
We verwarren Gods Koninkrijk
met onze veiligheidsbelangen.
Alsof gerechtigheid uit een straaljager komt.

In tijden van geopolitieke onzekerheid
is twijfel geen zwakte, maar deugd.
De theorie van een rechtvaardige oorlog
is geen vrijbrief om oorlog te voeren.
Ze is een morele noodrem.

De vraag is niet:
zijn we voor of tegen deze aanval?
De vraag is:
durven we hem
langs de lat
van gerechtigheid te leggen;
ook als dat ons eigen kamp
ongemakkelijk maakt?

 

Bij de herdenking van vier jaar oorlog
tussen Rusland en Oekraïne,
die eigenlijk al speelt
sinds de inval op de Krim in 2014
besloot ik deze filmrecensie te posten:

Want laatst zag ik de film Mr. Nobody Against Putin en dacht:
dit is hoe het begint. Niet met tanks.
Maar met een schoolbel.

Pasha Talankin is geen generaal. Geen dissident met megafoon.
Gewoon de videoman van een basisschool in Karabash,
een plaats die ooit door UNESCO bestempeld is
als een van de meest vervuilde plekken op aarde.
Hij filmde kerstoptredens, sportdagen, knutselmiddagen.
Tot 24 februari 2022.
Tot het begin van de “de speciale militaire operatie”.

Ineens moest hij geen kinderen meer filmen die zingen,
maar kinderen die marcheren.
Geen knutsels, maar propaganda.
Dagelijkse parades.
Lessen over vaderland en vijanden.
Kleine rugzakjes, grote woorden.
Het sloop geniepig het klaslokaal binnen
als rook onder een deur.

En Pasha bleef filmen.
Omdat het zijn werk was.
Omdat iemand het moest vastleggen.
Omdat hij zag wat wij niet wilden zien:
hoe oorlog niet alleen steden verwoest,
maar ook schoolpleinen.

Tot hij besefte: straks ben ik zelf aan de beurt.
Dienstplicht.
Kanonnenvoer.
Dus hij vluchtte.
Met harde schijven vol bewijs.
Dat is Mr. Nobody Against Putin:
één man tegen de machine.
Geen Hollywoodheld,
maar een jongen met een camera en een geweten.

En terwijl wij applaudisseren
voor een prijs op Sundance,
herdenken de Oekraïners vandaag
de vierde verjaardag
van wat zij simpelweg “de grootschalige oorlog” noemen.

Vier jaar van kersennachten.
Zo noemen ze het cynisch:
nachten waarin de lucht roze kleurt van brandende flats.
Ballistische raketten.
Drones zo groot als volwassen mensen
die boven daken zoemen, op zoek naar leven.

Volgens de WHO worden ziekenhuizen en klinieken
sinds 2022 zo vaak aangevallen
dat het neerkomt op meerdere per dag.
Meerdere.
Per.
Dag.
Noem dit geen “collateral damage”.
Noem het wat het is:
systematische vernietiging.

Het elektriciteitsnet werd doelwit.
De helft van de energiecapaciteit weg.
Energiecentrales – vroeger goed voor een kwart van de stroom –
gereduceerd tot kruimels.
En dan winter.
Min twintig.
Min vijfentwintig.
Mensen die foto’s sturen van tenten ín hun woonkamer.
Thermometer: min vijf.
Binnen.

Maar ja, zeggen sommigen,
geschiedenis is ingewikkeld:
De Krim was toch ooit Russisch.
Of Ottomaans.
Of dit, of dat.
Alsof grenzen eigendomsbewijzen zijn
die je na drie eeuwen weer uit de la mag trekken.

Zullen we dat spelletje doortrekken?
Zal Den Haag Djakarta “terugeisen”?
Zal Ankara de Krim claimen
omdat het ooit onder het Ottomaanse Rijk viel?
Geschiedenis als grabbelton voor sterke mannen.

Er zijn verdragen.
Het Boedapest Memorandum bijvoorbeeld:
Oekraïne gaf zijn kernwapens op
in ruil voor veiligheidsgaranties.
Ook van Rusland.
Papier is geduldig.
Raketinslagen niet.

De strijd van de Sovjet-Unie tegen nazi-Duitsland,
begonnen met Operation Barbarossa duurde 1418 dagen.
Poetin voedt zich met die mythe van heroïsche overwinning.
Maar dit keer is híj degene die de grens overstak.

Wat dacht hij? Drie dagen?
Een overwinningsparade in Kyiv?
Maar in plaats daarvan: loopgraven.
Meters winst per dag.
Honderdduizenden doden en gewonden.
Een generatie, meerdere generaties vermalen.

En Oekraïne vecht nog steeds.

Niet omdat oorlog romantisch is.
Niet omdat ze van wapens houden.
Maar omdat overgave betekent
dat de wet van de jungle wint.
Macht maakt recht.
Punt.

Vier jaar later is de vraag
niet alleen of Oekraïne standhoudt.
De vraag is wie wij willen zijn.
Toeschouwers?
Boekhouders van geopolitiek?
Of mensen die begrijpen
dat als een soeverein land wordt verpletterd
door een roofzuchtige buur,
dat dit precedent niet bij de grens stopt?

Want als Oekraïne verliest,
verliezen we meer dan territorium.
We verliezen het idee
dat verdragen iets waard zijn.
Dat grenzen niet met bloed worden hertekend.
Dat een school geen kazerne is.

Vier jaar.

En het is nog steeds niet voorbij.

 

Ik ben van nature altijd een optimist geweest.
Dat zit gewoon in mij.
Ik probeer het goede in mensen te zien.
Ik ga er meestal van uit dat iemands intenties
beter zijn dan ze er misschien op het eerste gezicht uitzien.
En ik geloof diep vanbinnen
dat er altijd weer een morgen komt.
Dat problemen vaak minder groot blijken te zijn
als je er eenmaal mee aan de slag gaat.
Dat dingen kunnen veranderen.

Misschien is dat ook wel de reden
dat ik me altijd zo thuis heb gevoeld bij Star Trek.
Die serie ademt hoop.
Het laat een toekomst zien
waarin de mensheid haar grootste problemen
achter zich heeft gelaten:
oorlog, armoede, discriminatie.
In plaats daarvan richt ze zich op iets hogers.
Op samenwerking. Op ontdekken. Op leren.
Op beter worden, samen, als mensheid,
binnen die Verenigde Federatie van Planeten.

Maar als ik terugkijk op de afgelopen jaren,
dan moet ik toegeven dat dat optimisme langzaam is weggesijpeld.
Het voelde alsof het op allerlei niveaus achteruitging.
Kijk alleen al naar het wereldnieuws.
Oorlogen in Oekraïne, Israël en Gaza, Soedan, Jemen,
een wispelturige, rancuneuze kleuter die zijn wil oplegt aan de wereld.
De macht van de sterkste die lijkt te regeren.
Dag na dag beelden van geweld en menselijk leed.
Daarbovenop het constante nieuws over klimaatverandering:
overstromingen, bosbranden, smeltende ijskappen,
ecosystemen die instorten.
Het is moeilijk om daar niet moedeloos van te worden.

En dan is er wat dichter bij huis gebeurt.
De energiecrisis.
De steeds hogere kosten van het dagelijks leven.
Zorgen over de toekomst van de zorg,
over speciaal onderwijs,
over hoe we omgaan met vrouwenhaat
en het groeiende geweld tegen vrouwen en meisjes.
En dit is nog maar een greep uit de krantenkoppen.

Alsof dat nog niet genoeg is,
komt daar ook nog bij: de invloed van giftige sociale media,
de angst voor kunstmatige intelligentie
die ons boven het hoofd groeit,
de steeds fellere polarisatie in het publieke debat,
en zelfs de serieuze kans op een nieuwe pandemie.
Op een gegeven moment dacht ik:
waar moet ik dit allemaal laten?
Ja, hoe blijf je hoopvol in zo’n wereld?

Toen stuitte ik min of meer toevallig
op een boek van Tom Ough:
The Anti-Catastrophe League.
De titel klinkt alsof het zo
uit een Marvel-film komt,
maar het boek gaat juist over
heel concrete, aardse problemen.
En over mensen die daar iets aan proberen te doen.
Het lezen ervan zette iets in beweging.
Het hielp me om voorbij de eerste laag
van angst en doemdenken te kijken
en te vragen: wat gebeurt hier nu echt?

Ough is journalist en werkte een tijd
bij een filantropische organisatie
die zich bezighoudt
met de grootste risico’s voor de mensheid.
In zijn boek neemt hij je mee
langs allerlei mogelijke rampen.
Van een asteroïde die de aarde raakt,
tot een extreme zonnestorm
die onze wereldwijde elektriciteitsnetten
kan uitschakelen.
Maar ook meer bekende zorgen komen voorbij:
klimaatverandering, kunstmatige intelligentie
en een toekomstige pandemie –
die door de WHO zelfs alvast
‘Ziekte X’ wordt genoemd.

Wat het boek bijzonder maakt,
is dat Ough niet blijft hangen in angst.
Bij elk risico introduceert hij de mensen
die ermee bezig zijn:
wetenschappers, diplomaten,
eigenzinnige denkers en stille doorzetters.
Mensen die hun morele zorg niet alleen voelen,
maar er ook naar handelen.
Vaak tegen de stroom in,
soms met grote persoonlijke offers.

Na al dat onderzoek komt Ough uit
bij wat hij ‘existentiële hoop’ noemt.
Hij ontkent de ernst van de problemen niet,
maar hij weigert te geloven
dat het einde onafwendbaar is.
Zoals hij zelf schrijft:
Het einde is zelden zo dichtbij als wordt beweerd.’

Die zin bleef bij me hangen.
Want hoe we de wereld zien,
wordt enorm beïnvloed
door de verhalen die we horen.
En daarin spelen de media een grote rol.
Nee, dat is geen nieuwe gedachte.
Al jaren wordt kritisch gekeken
naar hoe nieuws wordt gebracht:
de constante focus
op wat er mogelijk mis kan gaan,
de speculatie, het drama.

Al in 2008 werd uitgelegd hoe de media omgaan
met wat hij ‘complexe noodsituaties’ noemde.
Er werd gewerkt met vaste clichés:
de heldhaftige hulpverlener, het hulpeloze kind,
het Westen als redder.
Conflicten werden gepresenteerd
alsof het sportwedstrijden waren,
met duidelijke winnaars en verliezers.

En eerlijk gezegd: dat is nauwelijks veranderd.
Vandaag de dag wordt alles ingedeeld in kampen.
Links of rechts.
Voor of tegen.
Pro-Israël of pro-Palestina.
Klimaatactivist of ontkenner.
Voor of tegen AI-regulering.
Het is altijd een nulsomspel:
ik win alleen als jij verliest.

Juist daarom vond ik het boek
Feitenkennis van Hans Rosling zo interessant.
Deze Zweedse statisticus
liet zien hoe vaak onze gevoelens botsen met de feiten.

Rosling toonde, met data aan,
dat veel dingen wereldwijd juist beter gaan.
Minder extreme armoede.
Minder kindersterfte.
Meer meisjes naar school.
Meer vaccinaties.
Het nieuws focust op uitzonderingen en rampen,
maar dat zegt weinig over het grote geheel.

Dat zelfde geldt ook voor milieuverhalen.
Door alles als een onafwendbare apocalyps te presenteren,
raken mensen verlamd.
Terwijl de werkelijkheid genuanceerder is.
Problemen worden aangepakt.
Er wordt vooruitgang geboekt.
En er zijn echte, haalbare oplossingen.

Ja, klimaatverandering is ernstig,
maar het betekent niet automatisch
het einde van de mensheid.
Zelfs in de zwaarste scenario’s
blijft een groot deel van de aarde bewoonbaar.
Het zou een tragedie zijn, zeker.
Maar geen totale ondergang.

Ik pleit daarom voor een ander verhaal.
Niet wij als de laatste generatie die alles kapotmaakt,
maar misschien juist als de eerste generatie
die echt een duurzame wereld bouwt.
Dat vraagt geen naïef optimisme,
maar hoop die gebaseerd is
op feiten en mogelijkheden.

Wat me vooral raakt in dit hele verhaal,
is hoe sterk het raakt aan theologie.
Aan hoe we nadenken
over het einde, over de mens, over hoop.
Apocalyptische taal is overal.
Maar in de christelijke traditie,
zeker in het boek Openbaring,
gaat het niet om een letterlijke voorspelling van vernietiging.
Het is beeldtaal.
Het gaat over hoop.
Over volhouden.
Over God die de geschiedenis niet loslaat.

Theoloog Jürgen Moltmann zei het treffend:
christendom is hoop.
Geen vlucht uit deze wereld,
maar een kracht die het heden verandert.

Vanuit dat perspectief is het idee
dat alles eindigt
in totale vernietiging
eigenlijk slechte theologie.
En hetzelfde geldt voor een mensbeeld
waarin de mens alleen maar wordt gezien
als een fout in de schepping.
Ja, we zijn gebroken.
Maar we zijn ook geschapen naar Gods beeld.
Gezegend vanaf het begin.
In staat tot liefde,
zorg en verantwoordelijkheid.

En precies daar, op dat snijvlak van realisme en hoop,
heb ik mijn houvast weer teruggevonden.
Geen blind optimisme.
Maar een hoop die gevoed wordt door feiten,
door geloof,
en door het besef dat de toekomst nog openligt.

Of zoals Jean-Luc Picard in Star Trek het zegt:
het verleden ligt vast. Maar de toekomst?
Die mogen we samen vormgeven.
Met openheid. Met optimisme.
En met een nieuwsgierige geest.