Europa droomt nog. En dat is gevaarlijk.

We doen alsof de wereld van gisteren nog bestaat:
Amerika als vangnet,
Europa als moreel kompas,
alles uiteindelijk onder controle.
Maar ondertussen schuift de werkelijkheid
onder onze voeten vandaan.
En wij?
Wij discussiëren, nuanceren,
stellen werkgroepen samen.

Intussen lachen anderen.
In Washington, Moskou, Beijing.
Niet omdat we zwak zijn;
maar omdat we weigeren
onze kracht te gebruiken.

En precies in dat vacuüm groeit iets anders.
Iets wat we liever niet onder ogen zien:
extremen die de democratie van binnenuit uithollen.
Niet met tanks, maar met stemmen.
Niet met geweld, maar met wantrouwen.

Extreemrechts dat de rechtsstaat gebruikt om haar af te breken.
Extreemlinks dat onder het mom van gelijkheid vrijheid relativeert.
Twee kanten, zelfde spel:
twijfel zaaien, instituties ondermijnen,
mensen tegen elkaar opzetten.
En wij maar denken dat “het systeem” zichzelf wel beschermt.

Dat is naïef.

Want democratie is geen vanzelfsprekendheid.
Het is een keuze.
Elke dag opnieuw.

En daar wringt het.
Want terwijl Europa zich zorgen maakt over externe dreigingen;
over Rusland, China,
een onbetrouwbare Donald Trump
groeit de echte kwetsbaarheid van binnenuit.
Polarisatie.
Wantrouwen.
Vermoeidheid.
Het gevoel dat “het toch niets uitmaakt”.

En precies daar slaan extremen toe.

Het is alsof we vergeten zijn
wat waakzaamheid betekent.
Terwijl die oproep al eeuwenoud is.
In de Eerste brief van Petrus
staat het messcherp:
wees nuchter en waakzaam.
Want het kwaad komt
niet altijd luidruchtig binnenvallen
het sluipt rond,
op zoek naar zwakke plekken.

En laten we eerlijk zijn:
die zwakke plekken zijn er.

Een Europa dat blijft hopen
dat Amerika het wel oplost.
Een Europa dat bang is
om keuzes te maken.
Een Europa dat liever appeaset
dan confronteert.
Dat is geen kracht, dat is uitstel.

En uitstel is precies
wat die extremen nodig hebben.

Want hoe langer wij twijfelen,
hoe makkelijker zij het verhaal overnemen.
Het simpele verhaal.
De zondebok.
De belofte van snelle oplossingen.
Klinkt aantrekkelijk
tot je beseft wat het kost.

Vrijheid.
Rechtsstaat.
Stabiliteit.

Dus ja, Europa
zal het zonder Amerika moeten kunnen.
Niet omdat we dat willen,
maar omdat het onvermijdelijk is.
De focus van de VS ligt elders,
en vertrouwen op grillige politiek
is geen strategie.

Maar de echte vraag is niet
of we het militair of economisch kunnen.

De echte vraag is: zijn we mentaal bereid?

Bereid om verantwoordelijkheid te nemen.
Om offers te brengen.
Om nee te zeggen tegen leiders
— van links of rechts —
die de spelregels willen buigen tot ze breken.

Want dat is de paradox:
de grootste vijanden
van de democratie
komen tegenwoordig niet van buiten,
maar van binnenuit.

Verkozen.
Legitiem.
En vastbesloten
om het systeem te gebruiken
tegen zichzelf.

“Bied weerstand,” zegt die oude tekst.
Niet passief, maar actief.
Niet angstig, maar standvastig.

Misschien is dat precies
wat Europa moet herontdekken.

Geen grootse woorden.
Geen morele superioriteit.

Maar ruggengraat.

Want zonder die ruggengraat
maakt het uiteindelijk niet eens meer uit
of Amerika blijft of vertrekt.

Dan hebben we onszelf al verloren.

 

In een denkbeeldige boksring
staan ze tegenover elkaar:
een paus en een president.
Aan de ene kant een man in wit
die tot zijn dood blijft zitten waar hij zit.
Aan de andere kant een man
in een rood stropdasje die,
als het een beetje meezit,
in 2029 gewoon moet vertrekken.
Mijn geld?
Niet op de man van Mar-a-Lago.

Kijk, die paus – Leo XIV –
is geen heilige in de zin van foutloos,
maar wel iemand die snapt
wat woorden doen.
Hij noemt oorlog oorlog,
een oorlogsstoker
gewoon een oorlogsstoker,
en zegt vervolgens:
mijn taak is vrede prediken.
Punt.
Geen CAPS LOCK, geen memes,
geen digitale zelfverheerlijking.

En dan: stilte.
Terug aan het werk.

Aan de overkant heb je Trump.
Die reageert zoals Trump reageert:
met een AI-plaatje van zichzelf
als een soort messias-light.
Gewaden, lichtstralen, vrouwen aan zijn voeten.
Officieel is hij dan ineens “arts”.

‘Tuurlijk.
De man die zichzelf als Jezus afbeeldt,
maar dan met een medische specialisatie.
“Zuster, wilt u even meekijken?”

Het contrast is bijna te mooi.
De een trekt zich terug uit de ruzie.
De ander voert hem op als spektakel.

En ergens voelt het vertrouwd.
Alsof we dit al eens gezien hebben.
Neem Henry VIII, de koning van Engeland.
Ook zo’n man die dacht
dat zijn wil uiteindelijk boven Rome stond.
IJdel, driftig,
geobsedeerd door nalatenschap
en mannelijk nageslacht.
Hij had de valkenjacht,
Trump heeft golf.
Andere hobby, zelfde leegte.

Maar Henry wist tenminste
nog met wie hij ruzie maakte.
Hij kende de paus, de theologie, de inzet.
Hij worstelde – op zijn manier –
met schuld, geloof, lotsbestemming.
En Trump?
Die lijkt oprecht te denken
dat een paus een soort Europese bestuurder is
die je kunt paaien
met een complimentje en een deal.

En toch zit de echte clou niet in die vergelijking.
Die zit in iets groters:
de verlosserfantasie.

Want Trump is niet zomaar een politicus.
Net als Orbán en Poetin
en al die anderen
speelt hij een rol
die ouder is dan democratie:
die van redder.

De man die chaos ordent,
die een gekrenkt volk
erkenning geeft.
Zolang zij erin slagen
dat diepe verlangen aan te boren
– naar erkenning, naar trots,
naar een simpel verhaal
waarin alles weer klopt –
blijven ze relevant.
Niet omdat ze gelijk hebben,
maar omdat ze iets vervullen.
Die zegt:
volg mij,
en alles komt goed.

Dat werkt. Niet omdat het waar is,
maar omdat het voelt als waarheid.
Zoals Max Weber al beschreef:
charismatisch leiderschap
is geen eigenschap van één man,
maar een relatie.
Een hongerig publiek
en een leider
die precies serveert
wat er verlangd wordt.

En soms gaat dat nog een stap verder.
Dan wordt die leider een soort halfgod.
Onaantastbaar. Onfeilbaar.
De werkelijkheid
moet zich aanpassen aan het verhaal,
niet andersom.

Totdat dat niet meer lukt.

Want op een gegeven moment wringt het.
Beloftes botsen met feiten.
De magie slijt.
Corruptie wordt zichtbaar,
leugens te groot,
de tegenstrijdigheden ondraaglijk.
Dat moment heet,
in droge academische taal,
“contaminatie”.
In gewoon Nederlands:
de rot slaat erin.

Dat zagen we bij Orbán.
Dat gaan we ook elders zien.
De vraag is niet óf,
maar wanneer.

En belangrijker: wat daarna komt.

Want als de ene verlosser valt,
staat de volgende al klaar.
De behoefte verdwijnt namelijk niet.
Dat gat
– die honger naar erkenning, orde, identiteit –
blijft.
En wie denkt dat je dat oplost
met alleen economische cijfers
of beleidsmaatregelen,
snapt het probleem niet.

Mensen willen geen spreadsheet.
Ze willen een verhaal.

De paus begrijpt dat.
Hij biedt er één aan
dat draait
om vrede en terughoudendheid.
Trump biedt er één aan
dat draait om strijd en zelfverheerlijking.

En ergens,
in die denkbeeldige boksring,
is de uitslag al bekend.
Niet omdat de paus fysiek sterker is,
maar omdat hij iets heeft wat Trump mist:

Een Verhaal dat ook zonder hem kan bestaan.

 

Hoop.
We doen alsof het een knuffelwoord is.
Iets met kaarsjes, zachte muziek
en “het komt wel goed”.
Maar zeg in 2026 hardop dat je hoopt,
en je krijgt meewarige blikken.
Hoop?
Serieus?
Heb je het nieuws wel gezien?

Zelfs schrijvers als Tommy Wieringa
pleiten voor “optimisme zonder hoop”.
Klinkt stoer.
Laat de hoop maar varen,
dan kun je ook niet teleurgesteld worden.
Lekker in het nu blijven.
Geen luchtkastelen,
geen religieuze roze wolk.
Gewoon dóór.

En eerlijk gezegd; ik snap het wel.
Want hoop kan een verdovingsmiddel zijn.
Dat stigma hangt er al langer aan.
Hoop is
uitgestelde teleurstelling
Alsof hoop je week maakt.
Alsof je helemaal bent losgezongen
van de werkelijkheid.
Alsof in de hoop geloven
hetzelfde is als
je niet willen overgeven
aan je lot.

En christelijke hoop
is dan wel helemaal geframed:
passief.
“Stil maar, wacht maar.”
Een geestelijke hangmat.

Toch is dat een karikatuur.

Want hoop is geen verwachting.
Dat is het eerste misverstand.
Verwachting zegt: dit gáát gebeuren.
Hoop zegt: ik verlang hiernaar,
ook al acht ik de kans klein.
Zoals kerkvader Augustinus van Hippo al zei:
waar alles zeker is, daar is geen hoop meer nodig.
Hoop leeft juist bij onzekerheid.

En volgens theoloog Thomas van Aquino
gaat hoop meestal over de toekomst,
iets wat nog niet is,
maar kan worden.
Dat maakt hoop spannend. Riskant.
Je legt je hart in iets dat je niet in de hand hebt.

En daar zit ook de schurende kant.
Hoop kan pijn verlengen.
Friedrich Nietzsche noemde
hoop zelfs het gemeenste kwaad,
omdat ze het lijden uitrekt.
En ja, valse hoop, opgeblazen, blind, ongegrond als zij is,
is gevaarlijk.
De oude Grieken wisten dat al.
In ‘Prometheus geboeid’
van tragediedichter Aischylos
wordt gesproken
over “blinde hoop”
die in het menselijk hart wordt geplant.

Maar wie denkt dat de oplossing
dan maar cynisme is, vergist zich.

Cynisme is geen volwassenheid.
Het is teleurgestelde hoop
die zich vermomt als superioriteit.

De Bijbel is op dit punt verrassend nuchter.
In de brief aan de Romeinen, hoofdstuk 5,
schrijft Paulus dat hoop niet ontstaat
uit succes, maar uit verdrukking.
Verdrukking wekt volharding,
volharding beproefdheid,
en beproefdheid hoop.
Met andere woorden:
hoop is geen suikerlaagje
over de realiteit.
Ze wordt gesmeed in tegenslag.
En in hoofdstuk 15 bidt hij
dat God ons vervult met
“alle blijdschap en vrede
in het geloven,
zodat u overvloedig bent in de hoop”.
Overvloedig.
Dus niet zuinigjes.

Dat is geen escapisme.
Dat is brandstof.

Want zonder hoop geen verbeelding.
En zonder verbeelding geen verandering.

Je kunt eindeloos roepen
dat democratie, rechtsstaat
en mensenrechten belangrijk zijn.
Maar zonder hoop
dat ze toekomst hebben,
doe je… niets.
Dan word je ironisch.
Of boos. Of moe.

Hoop is geen hangmat.
Hoop is een anker.
Niet voor niets is dat het sterkste symbool.
Een zwaluw vliegt weg.
Een duif laat zich niet sturen.
Maar een anker gooi je zelf uit.
Je kiest waar je je vastlegt.

Hoop is dus geen gevoel dat je overkomt.
Het is een deugd.
Een keuze.
Een daad van verzet
tegen de vanzelfsprekendheid van verval.

Ja, ze kan ontsporen.
Politici weten
hoe ze hoop moeten bespelen.
“Yes we can”; “Het kan wél”
of “Make America Great Again”;
hoop en angst liggen
gevaarlijk dicht bij elkaar.
Maar misbruik maakt het origineel niet waardeloos.

De echte vraag is niet
óf we hopen.
De vraag is wáárop.

Op ons eigen gelijk?
Op nostalgie?
Op macht?

Of op een Verhaal
dat groter is dan wijzelf?

Want, zoals theoloog Stanley Hauerwas zegt:
cynisme is de vorm
die hopeloosheid aanneemt
bij mensen die niet meer geloven
dat ze deel zijn van
een Verhaal dat hoop geeft.

Misschien is dát het probleem van onze tijd.
Niet dat we te veel hopen.
Maar dat we het Verhaal kwijt zijn.

En dus is hoop geen luxe.
Ze is noodzaak.
Geen zachte deugd, maar een taaie.
Geen vlucht vooruit,
maar een gespannen koord
tussen wat is en wat moet worden.

Hoop schuurt. Hoop bijt.
Maar zonder hoop gebeurt er niets.

 

Laten we eerlijk zijn: corruptie is niet de uitzondering.
Het is onze standaardinstelling.
Zet mensen onder druk door schaarste, onzekerheid, crisis
en het dunne laagje beschaving bladdert er zo af.
Dan schuiven we baantjes toe aan vrienden,
regelen we dingen voor familie,
knijpen we een oogje dicht als het ons uitkomt.
Eeuwenlang was dat normaal.
Afkomst, netwerk, loyaliteit — dát was je kwalificatie.
Het idee dat we objectief en neutraal op merites selecteren?
Dat is een recente uitvinding.
Een vernislaagje.
En vernis slijt.

In het Italië van Berlusconi kon je zien hoe dat werkte.
Studenten die een meervoudig veroordeelde leider
niet verafschuwden maar bewonderden.
Basking in reflected glory: Meeliften op de glans van iemand
die de regels buigt en ermee wegkomt.
Niet boos worden om zelfverrijking, maar denken:
zo wil ik ook zijn.
Je stemt op de man die je geld uit je zak klopt,
omdat hij succes uitstraalt
en het establishment een schop geeft.
De political signaling theory noemt dat:
we volgen graag wie zichtbaar
de regels kan breken en winnen.
Je kunt beter bij de winnaar horen
dan bij de moraalridder.

En dan zeggen we verbaasd:
hoe kan dit gebeuren?
Alsof het kwaad iets exotisch is.

Maar het christendom
is daar al duizenden jaren nuchter over.
“Gij zult niet stelen.” “Gij zult niet begeren.” De Tien Geboden.
Dat zijn geen vrijblijvende adviezen voor een paar schurken.
Dat zijn geboden voor ons allemaal.
Omdat de neiging om te pakken wat niet van ons is,
diep in ons zit.
Niet alleen je buurmans bezit,
maar ook zijn positie, zijn invloed, zijn kansen.
Corruptie begint bij begeerte.
Bij het idee dat wat van ons is, nooit genoeg is.

Jezus gaat nog verder.
Hij zegt niet alleen: steel niet.
Hij zegt: waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.
Met andere woorden:
het probleem is niet alleen de daad,
maar de gerichtheid van je hart.
Wie leeft voor macht, status en zelfverrijking,
zal de regels altijd als hinderpaal zien.
Wie leeft voor God en de naaste,
ziet macht als verantwoordelijkheid.
“Wie onder u de grootste wil zijn, moet dienaar zijn.”
Dat is een frontale botsing
met de logica van de sterke man
die regels buigt en applaus oogst.

Dus als we het hebben over democratie
en de vraag of landen afglijden richting fascisme,
dan gaat het uiteindelijk niet om etiketten.
Het gaat om een geestelijke kwestie.
Weet een samenleving haar eigen neiging
tot afgoderij te beteugelen?
Want dat is wat het is:
afgoderij van macht, succes,
de leider die zegt: ik alleen kan het fixen.
De Tien Geboden beginnen niet met “steel niet”,
maar met:
“Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.”
Zodra macht of leider onze god wordt,
volgen de andere geboden vanzelf als slachtoffers.

De Duitse historicus Götz Aly schreef onlangs:
“Het Derde Rijk was niet alleen een Führerstaat.
Het was een morele ineenstorting
waarin talloze mini-Hitlers dachten:
dit is mijn kans.”

Beroof de ander, zet jezelf neer als slachtoffer,
schakel onafhankelijke instituties uit.
Dat is zonde in politieke vorm:
jezelf tot maatstaf maken
en de ander tot middel.

Fascisme is de staat als corruptiemachine.
Maar die machine draait op brandstof
die wij zelf leveren:
jaloezie, angst, begeerte, wrok.
En laten we niet doen
alsof dit alleen over Amerika gaat
of alleen over “de ander”.
Nederland staat hoog in lijstjes van niet corrupte landen.
Mooi.
Maar geen ranglijst redt ons van ons eigen hart.

De vraag is dus niet: is Amerika fascistisch?
De vraag is:
erkennen we dat er in ieder van ons een mini-tiran huist?
Iemand die best wil profiteren als het kan?
Het christelijke antwoord
is niet naïef optimisme, maar bekering.
Erkenning van schuld. Discipline.
Wet én genade.
Regels die ons begrenzen
en een Christus die ons hart wil vernieuwen.

Democratie is uiteindelijk geen technisch systeem.
Het is een morele oefening.
Dagelijks kiezen om niet te begeren, niet te stelen,
niet te buigen voor valse goden.
Dagelijks leren dat ware grootheid
niet zit in pakken wat je kunt,
maar in dienen waar je staat.
Dat is geen zachte boodschap.
Dat is een radicaal alternatief
voor de corruptiemachine.

 

Wat er nu rond Trump gebeurt,
is eigenlijk niet zo nieuw.
Buitenlandse leiders arresteren.
Luchtaanvallen uitvoeren
zonder toestemming van het Congres.
Bondgenoten onder druk zetten.
De VS deden dit al decennia.
Altijd.
Het verschil zit ’m ergens anders in.
Niet in wat ze doen,
maar in wat ze níét meer doen:
zich rechtvaardigen.

Vroeger deed Amerika alsof.
Alsof het ging om mensenrechten.
Om democratie.
Om het internationaal recht.
Dat was vaak hypocrisie, ja.
Maar hypocrisie is tenminste
nog een knikje richting moraal.
Een knipoog naar het idee
dat goed en kwaad bestaan.

De schok van Trump 2.0
is dat dit dunne laagje vernis van moraliteit verdwenen is.
Niet: “We doen dit voor de democratie.”
Maar: “We doen dit omdat we het kunnen.”
Toen Trump werd gevraagd
wat hem internationaal zou kunnen tegenhouden,
zei hij:
“Mijn eigen morele kompas.”
Dat is… niet bepaald geruststellend.

Zijn rechterhand Stephen Miller
was nog eerlijker:

‘de wereld wordt geregeerd door kracht, geweld en macht.
Wij zijn een supermacht.
Dus we gaan ons gedragen als een supermacht.’

En voilà: paniek.
Is dit het einde van het internationaal recht?
Zijn we terug bij pure machtspolitiek?
Mensen halen Thucydides erbij:
‘de sterken doen wat ze kunnen,
de zwakken lijden wat ze moeten.’
Alsof moraal een dun laagje verf was
dat nu definitief is afgebladderd.

Maar wacht even.
Wat gebeurt er als een land stopt
met doen alsof het moreel is?
Als het kwaad stopt
met het betalen van hypocrisie aan de deugd?
Dan zijn er twee opties:

De eerste – en die zit diep in ons systeem –
is: dit is nazisme.
Macht maakt recht. Klaar.
Dietrich Bonhoeffer noemde dat in 1933 al
een misdaadsyndicaat.
Met zulke regimes kun je niet praten, alleen vechten.
Sinds 1945 is dit onze ultieme nachtmerrie.
Hitler is het ijkpunt van het absolute kwaad.
Iemand demoniseren?
Teken er een snorretje bij en klaar.

Maar dat is een wankele basis
voor een moreel wereldbeeld.
Niet al het kwaad draagt een hakenkruis.
En eerlijk:
deze obsessie heeft ons niet geholpen
om de echte problemen
van deze eeuw aan te pakken.
Noch om te ontdekken
wat we wél belangrijk vinden.

En dat systeem brokkelt nu af.
Rechts negeert oude taboes.
Links heeft het morele middelpunt
verlegd naar kolonialisme, slavernij, apartheid, Israël.
Het enige waar beide kanten
het met ijzingwekkende
vanzelfsprekendheid over eens zijn:
Joden zijn verdacht.

Maar zijn Trumps mensen nazi’s?
Waarschijnlijk niet.
Echte morele leegte is zeldzaam.
Mensen zijn morele wezens.
Ethiek haat een vacuüm.
Niemand gelooft echt dat alles mag.

Wat hier gebeurt,
lijkt eerder op een brandgrens.
Een moreel niemandsland.
De oude naoorlogse consensus
wordt in brand gestoken.
Wat ervoor in de plaats komt?
Dat weet niemand.

Maar één ding is vrijwel zeker:
het wordt niet “niets”.
We gaan graven in oude ideeën.
Christelijke moraal.
Liberale waarden.
Spiritueel en seculier door elkaar.
Een rommelige, ongemakkelijke mix.

En eerlijk?
Dat is misschien precies wat we nodig hebben.

Dus nee, paniek is niet nodig.
Maak je geen zorgen.
De hypocrisie komt wel weer terug.

 

In Moskou,
zo vertelde de verbannen
Russische journalist Michaïl Zygar op CNN,
vergelijken ze de VS van nu
met de Sovjet-Unie vlak voor de val in 1989.
Niet omdat alles hetzelfde is, maar om één reden:
mensen geloven niet meer in het officiële verhaal.
Ze zijn cynisch geworden.
En toen dat in de Sovjet-Unie gebeurde,
stortte het systeem in.

De vraag is nu:
zien we iets vergelijkbaars in het Westen?
Gaat hier echt iets fundamenteels kapot?
En zo ja, wat precies?

Als je naar Europa en de VS kijkt,
zie je een politieke cultuur
die steeds harder wordt.
Radicale en autoritaire partijen winnen terrein,
democratische regels worden opgerekt of genegeerd,
en veel mensen voelen zich
niet meer vertegenwoordigd.
Tegelijk groeit de polarisatie.
Mensen zijn somber, boos en wantrouwig.
Het gevoel dat ‘het systeem’
er niet meer voor hen is, zit diep.

Daarbovenop komt een hele reeks
andere problemen:
online radicalisering, complotdenken, vrouwenhaat,
steeds minder respect voor zorgverleners
en andere publieke beroepen.
Mensen leven in bubbels,
de onderlinge verbondenheid brokkelt af.
De sociale lijm laat los.

Dat is zorgwekkend,
want de westerse democratie
is eigenlijk een vrij nieuw experiment.
Het idee dat iedereen dezelfde rechten,
kansen en waardigheid heeft,
komt voort uit de Verlichting
en kreeg na de Tweede Wereldoorlog vorm
in democratische rechtsstaten.
Dat gebeurde in concurrentie met de Sovjet-Unie.
Toen die instortte, dacht het Westen:
zie je wel, wij hebben gewonnen.

Maar zo simpel was het niet.
De liberale democratie bleek
geen eindpunt van de geschiedenis.
China liet zien dat kapitalisme
prima kan zonder democratie.
Oorlogen brachten geen democratie.
En zelfs binnen het Westen
begonnen landen afstand te nemen
van liberale waarden.
Ook in de VS staat de democratie onder druk.

Langzaam veranderde daardoor
de houding tegenover democratie zelf.
Vooral jongeren hebben steeds minder vertrouwen
in instellingen en kiezen vaker
voor het idee van een ‘sterke leider’.
Media, rechters, universiteiten en parlementariërs
worden verdacht gemaakt.
Populisten zetten ‘gewone mensen’
tegenover elites, migranten
en kosmopolieten.

Ironisch genoeg kwam dat juist
na een periode van zelfgenoegzaamheid.
Liberale samenlevingen
gingen geloven
dat hun succes bewijs was
van morele superioriteit.
Die overmoed maakte blind
voor wat er ondertussen veranderde.

Globalisering haalde industrie weg,
de arbeidersbeweging verzwakte,
en links richtte zich steeds meer
op identiteit en cultuur.
Veel traditionele kiezers
voelden zich achtergelaten.
Ze gingen er niet op achteruit in absolute zin,
maar wel in perspectief.
Sociale migratie stokte.
De meerderheid gelooft inmiddels
dat hun kinderen
het slechter zullen hebben.

Daarbovenop kwam
een groeiende kloof tussen
hoogopgeleide, stedelijke elites
en mensen die minder mobiel zijn,
vaker op het platteland wonen
en traditioneler denken.
Hun waarden werden weggezet
als achterlijk of fout.
Maar groepen die zich
structureel vernederd voelen,
accepteren dat niet eindeloos.
Economisch gebeurde iets soortgelijks.
Winsten en macht kwamen
steeds meer terecht bij een kleine groep,
vooral in de techsector.
Die bedrijven beschikken nu
over ongekende invloed en technologie.
Democratische controle loopt
daar ver achteraan.
Het risico is dat we afglijden
naar een vorm van digitaal feodalisme:
veel controle, weinig inspraak,
alles verpakt in gemak en entertainment.

Dat is geen sciencefiction.
Veel voorwaarden voor zo’n systeem zijn er al.

De kern van het probleem lijkt dezelfde
als in de late Sovjet-Unie:
mensen zijn het geloof kwijtgeraakt.
Niet in één leider of partij,
maar in het idee
zelf van een liberale democratie.
Dat systeem kan alleen werken
als er minimaal vertrouwen is,
als mensen de spelregels accepteren
en elkaar als legitieme tegenstanders zien.

Als grote groepen dat niet meer doen,
houden ze op met meespelen.
Dan zoeken ze iemand
die belooft het hele spel kapot te maken.

Is dit dan het einde van het Westen?
Ja, misschien het einde van een tijdperk.
Maar de echte crisis speelt zich niet alleen af
in economie of geopolitiek.
Ze speelt zich af in onze hoofden.
Of zoals Hemingway schreef:
eerst geleidelijk, en dan… INEENS.

De vraag is nu of de idealen
van vrijheid, gelijkheid en solidariteit
sterk genoeg zijn om zich opnieuw uit te vinden.
Ze zijn onvolmaakt en vaak misbruikt.
Maar zonder dat gedeelde verhaal
blijven er vooral macht, angst en groepsdenken over.
En dat weten we in Europa maar al te goed.

 

Decennia lang gold de toekomst in Europa als een belofte.
Na 1945, en vooral na de val van de Sovjet-Unie,
leek het continent op weg naar
een steeds vreedzamere, welvarendere en democratischer wereld.
Economische groei, sociale rechtvaardigheid, handel en mensenrechten
vormden het zelfverzekerde fundament van een optimistische toekomstverwachting.
Europa zag deze verworvenheden vaak als een gevolg
van eigen morele superioriteit en Verlichtingsidealen,
en minder als het resultaat van Amerikaanse bescherming
en geopolitieke afhankelijkheid.

Die zekerheid is verdwenen.
Vandaag wordt de toekomst eerder als bedreiging ervaren:
klimaatverandering, oorlog op het continent, energieonzekerheid,
demografische vergrijzing, digitale afhankelijkheid
en het verval van democratische instituties.
De omstandigheden veranderen sneller dan ooit,
en voor velen betekent ‘verandering’ vooral achteruitgang.
Politieke leiders spelen daarop in:
sommigen beloven een eeuwig, risicoloos heden;
anderen bieden radicale terugkeer
naar een geïdealiseerd verleden
dat nooit werkelijk heeft bestaan.
Volgens politicoloog Ivan Krastev
is ‘de toekomst van Europa geen politiek project meer’.

De oorzaak hiervan ligt in Europa’s
‘pauze van de geschiedenis’ na 1945
en later na de val van de Berlijnse Muur
ook een ‘pauze als defensieve macht’.
En terwijl de VS de geopolitieke lasten droegen,
bouwden Europese landen hun welvaartsstaten op.
Deze comfortabele positie werkte zolang er een stabiele,
op regels gebaseerde wereldorde bestond.
Maar met de terugkeer van geopolitieke machtspolitiek
— zichtbaar in het Amerika onder Trump
en in de assertiviteit van Rusland en China —
blijkt de EU slecht uitgerust.
Ze functioneert uitstekend binnen een regelsysteem,
maar nauwelijks in een neo-imperiale wereld
waarin macht, niet institutie, bepaalt wie er aan tafel zit.
Europa zit niet aan tafel,
maar ligt óp tafel.
Er wordt óver hen beslist
Europa heeft geen duidelijke plaats
onder de wereldmachten
en wordt soms zelfs overgeslagen in beslissingen
over zijn eigen veiligheid, zoals rond Oekraïne.

Daarnaast heeft Europa moeite
om zijn eigen macht te erkennen,
belast door een geschiedenis
die loopt van kruistochten en kolonialisme tot Auschwitz.
Het resultaat is een houding van zelfverkleining:
Europa zou te verdeeld,
te bureaucratisch en te traag zijn
om daadkrachtig op te treden.
Deze ‘machteloosheid van de machtigen’
biedt moreel comfort,
maar ondermijnt Europa’s vermogen
om zijn belangen te verdedigen.
In een wereld die wordt gedomineerd
door autocratische grootmachten
is precies dat echter noodzakelijk
voor een democratische toekomst.

Toch is het continent rijker, beter opgeleid
en technologisch capabeler dan ooit.
Het beschikt over de middelen
om zijn positie te herdefiniëren
maar wat ontbreekt, is de politieke wil.
Zoals Kennedy eens zei over de maanmissie:

‘sommige uitdagingen moet je aangaan
omdat ze moeilijk zijn.’

Alleen door die houding opnieuw te omarmen
kan Europa zijn toekomst terugwinnen.

 

Zo rond de jaarwisseling van Oud- naar Nieuwjaar
wordt er vaak door mensen achteruit én vooruit gekeken.
Het is een tijd voor afrekening en goede voornemens.
Misschien zoude niet alleen mensen
maar ook landen baat kunnen hebben
bij zo’n jaarlijkse afrekening met zichzelf.

Stel dat we in het leven altijd willen streven
naar een soort Aristotelische ‘gulden middenweg’,
dus tussen roekeloosheid en lafheid,
dan geldt dat ook voor staten en naties.
Veel landen, immers, zijn ten onder gegaan
door de overdaad aan misplaatste verlangens
en verkeerd geordende verlangens:
demagogen die het volk ophitsen;
oligarchen die de res publica – de ‘publieke zaak’ –
tot hun eigen persoonlijke leengoed willen maken.
Revoluties, corruptie en publieke lusteloosheid
zijn het loon van dergelijke zonden.
Uiteindelijk eindigt het in de dood van de staat zelf:
de ineenstorting van alle legitieme autoriteit in strijdende bendes,
terwijl vluchtelingen, als ze kunnen, naar de grenzen vluchten.

Veel landen daarentegen leven hun leven
in angstvallige lafheid,
totdat ze eindigen in een oude dag vol spijt,
omdat ze nooit hun volledige potentieel hebben bereikt.
Deze naties storten niet per se in,
maar gaan langzaam achteruit –
blijken niet in staat zichzelf te hervormen,
gevangen in een visie op hun verleden
die beter was dan hun heden
of welke denkbare toekomst dan ook.

Ook Nederland loopt het risico op beide gevaren.
Enerzijds een roekeloos reactionair populisme,
ter rechter en linkerzijde van het politiek spectrum,
dat lang sluimerend heeft geleefd,
maar inmiddels in volle hevigheid is losgebarsten.
Het dreigt alle voorzichtigheid te laten varen
en alle terughoudendheid omver te werpen,
de ambtenarij en de rechtbanken aan te vallen,
de mensenrechten te verwerpen,
het maatschappelijk debat te ondermijnen
en alle procedurele correctheid opzij te zetten,
totdat we uiteindelijk doorweekt raken
in de goot van despotisme.
Enerzijds staat een hardnekkig
constitutioneel conservatisme
de noodzakelijke, langverwachte hervormingen
in de weg die een oud, vermoeid land
nieuw leven en vitaliteit zouden geven
en onze instellingen de kracht zouden geven
om dergelijke destructieve krachten te weerstaan.

Naties kunnen dan , net als mensen,
beslissende momenten ervaren
van wat we berouw zouden kunnen noemen.
Wanneer ze wakker worden in de goot
– de hoofdstad gebombardeerd, het leger ontbonden,
de bevolking uitgehongerd –
kunnen ze zich afkeren van de paden
die hen daarheen hebben geleid
en een nieuw leven vinden,
een nieuwe hoop,
belichaamd in een nieuwe constitutionele orde.
Dit is wat bijvoorbeeld Duitsland, Italië en Japan na 1945 deden.
Ze kunnen ook een soort bekering ervaren,
weg van valse principes naar waarachtigere houding,
zoals een groot deel van Centraal-Europa deed
na de val van de Berlijnse Muur.

Disclaimer: in deze webpost gebruik ik theologische taal
om louter burgerlijke en politieke opvattingen te beschrijven,
wat natuurlijk altijd gevaarlijk is.
Het zou een verkeerde interpretatie van mijn bedoeling zijn
als men zou concluderen
dat ik een welgeordende staatsvorm verwar met de Hemelse Stad (Augustinus).

Niettemin is een goed geconstitueerde staatsvorm,
waarin vrijheid en rechtvaardigheid,
vrede en het algemeen belang niet alleen worden gekoesterd,
maar ook – in zekere zin – daadwerkelijk worden bereikt,
een onschatbare zegen.
We moeten ernaar streven dit te bereiken.

Een goed geconstitueerde staatsvorm is gebaseerd
op het principe van ‘openbaar bestuur’.
De staat is een publieke entiteit,
die toebehoort aan het publiek,
waarin het openbaar ambt
een publiek mandaat is dat voor publieke doeleinden wordt gebruikt,
en waarin burgers in het openbare leven
trouwe rentmeesters moeten zijn van het algemeen belang,
waarvoor zij verantwoording verschuldigd zijn aan het publiek.

Democratie is ons contract voor deze regeling,
hoewel het een nogal onhandige term is.
Democratie is, goed begrepen,
geen onbeperkte heerschappij van de meerderheid,
noch de onbeperkte heerschappij
van de door de meerderheid gekozen persoon.
Het is veeleer een complex politiek systeem
dat representatief en verantwoordelijk bestuur
combineert met burgerlijke vrijheden en de rechtsstaat.

Populisme daarentegen is een karikatuur van democratie.
Populisten proberen de barrières te ondermijnen
die machtsmisbruik tegengaan.
Hun pogingen om de rechterlijke macht
en het ambtenarenapparaat te verzwakken,
degenen die het niet met hen eens zijn
buitenspel te zetten,
fundamentele rechten te schenden,
macht te centraliseren
en publieke dissidentie te beperken,
moeten daarom worden gezien
als aanvallen op de democratie.
Ze leggen willekeurige macht
in de handen van bepaalde personen.

Nederland is in de steek gelaten door een mislukte ideologie,
die van het neoliberale kapitalisme,
dat, zo wordt gesteld, net zo rigide en doctrinair is
als de officiële marxistische ideologie
van de voormalige communistische staten.
Nederland is eveneens in de steek gelaten
door decennia van incompetent,
kortzichtig en onzorgvuldig bestuur.
De symptomen van wanbestuur zijn terug te vinden
in Nederlandse economische prestaties, de sociale problemen,
de afbrokkelende infrastructuur
en de overbelaste publieke diensten.
Het land benut zijn potentieel niet.

Dit zou ons moeten aanzetten
tot het overwegen van de zwakte van de Nederlandse democratie.
Zoals die nu is, faalt de staat er vaak in het algemeen belang te dienen.
Wij Nederlanders leven niet
in een stevig geconstitueerd staatsbestel
met ‘publiek bestuur’ als fundament,
maar in een leenstaat die is ingekrompen, geprivatiseerd
en gedereguleerd tot bijna in de vergetelheid.

Als het slechts een kwestie was
van specifieke individuen, of van één partij,
zou het probleem gemakkelijk kunnen worden opgelost.
Maar het land is niet alleen in de steek gelaten
door deze of gene regering,
door deze of gene partij of premier.
Het is het regeringssysteem,
de constitutionele orde als geheel,
die ons in de steek heeft gelaten.

Het herstellen van Neerlands hoop voor de toekomst,
zijn welvaart en zijn levenskwaliteit
moet dus beginnen
met de verbetering van de Nederlandse democratie,
en dat met een herfundering van zijn grondwet.

Want de ironie is dat degenen
die zich het meest op hun gemak voelen
met onze democratie,
ook degenen zijn die het meest bijdragen
aan de vernietiging van het openbaar bestuur in eigen land.
Want terwijl ze ‘Het (fictieve) Nederlands Verleden’ verheerlijken,
verwerpt het populistische rechts
de principes en waarden waarop dat verleden berustte.
Net zoals ze een pastiche
van het Nederlandse karakter van de jaren vijftig nastreven
(zonder sterke arbeidsrechten, sterke vakbonden,
zonder verzorgingshuizen, publieke nutsbedrijven en diensten),
zo proberen ze ook een pastiche van de Nederlandse Grondwet
van de jaren vijftig te creëren,
zonder de zelfbeheersing, gematigdheid,
het ethos van openbare dienstverlening
en de hoge mate van sociaal vertrouwen
en cohesie die dat systeem
van complexe ongeschreven regels lieten werken.

Zoals we kunnen zien,
van elke wachtlijst voor de jeugdzorg
tot elke krakkemikkige brug of tunnel,
functioneert de Nederlandse staat niet meer zo goed.
Het heeft alle ondeugden uit het verleden,
maar weinig van zijn deugden.
Een terugkeer naar de status quo
van een gefantaseerd ooit is onmogelijk.
Parlementair absolutisme,
getemperd door de ‘goede mensen’-theorie,
is geen haalbare optie meer.
Of we moeten een onaangetast absolutisme accepteren
– wat de agenda is van het reactionaire populistische rechts –
of we moeten de constitutionele hervorming verdiepen
en tot een nieuwe constitutionele regeling komen
voor een Nederlandse natiestaat,
die écht gericht is op het algemeen belang
van de gewone Nederlandse bevolking,
nu nodig is.

Dan is de vraag:
hoe zou een Nederlandse grondwet eruit kunnen zien,
en welke waarden en principes
zouden daaraan ten grondslag kunnen liggen?

Bij het beantwoorden van deze vraag
heeft de christelijke traditie
veel toe te voegen aan het gesprek.
Want christelijke theologen en politieke filosofen
hebben de afgelopen twee millennia
veel inkt gebruikt aan kwesties van goed bestuur,
de relatie tussen kerk en staat,
en wat het betekent
om christen én burger van een aardse staat te zijn.

Er lijkt een veronderstelling te bestaan
– zowel onder voor- als tegenstanders van geschreven grondwetten –
dat een geschreven grondwet
gebaseerd moet zijn op seculiere waarden.
De grondwetten van de Verenigde Staten en Frankrijk
zijn misschien strikt seculier,
maar andere versies van een grondwet
kunnen gebaseerd zijn
op principes die de suprematie van God erkennen,
of expliciet respect hebben voor christelijke principes.

Dit is geen poging tot theocratie.
Een grondwet voor Nederland zou moeten erkennen
dat zij een samenleving is met vele en geen enkele religie.
Het is echter een erkenning dat het christendom
niet alleen onze instellingen heeft gevormd en gesmeed,
maar ook onze opvattingen over goed en kwaad.
Het opgeven van dat alles
zou een ethisch vacuüm in de samenleving creëren,
dat alleen zal worden opgevuld
met steeds grotere vormen van uitbuiting.

Het belangrijkste ethische principe
van de constitutionele democratie
is de erkenning van de menselijke waardigheid.
Aan de oorsprong en grondslag van alle instellingen,
wetten en normen
moeten we ons vastklampen
aan het fundamentele gebod dat christenen de Gulden Regel noemen:
‘Behandel anderen zoals je wilt dat anderen jou behandelen.’
Als we dat principe van menselijke waardigheid loslaten,
is er geen solide basis meer
om een fatsoenlijke, goed geordende, democratische staatsvorm op te bouwen.
Misschien kunnen we dan een nieuw en beter Nederland bouwen.

 

Het is een onwaarschijnlijke basis voor succes:
een serie die zich afspeelt
in een vergeten uithoek van het sterrenstelsel,
En toch heeft de serie Andor brede lovende kritieken
en waardering van fans gekregen.
Deze Disney+-serie is de eerste echte Star Wars-content
voor volwassenen geworden.

Andor onderscheidt zich daarin
dat zij verhaal biedt met rijke thema’s
die direct tot het publiek van vandaag spreken:

De serie volgt een aantal elkaar kruisende karakters.
Hoewel de serie vernoemd is naar Cassian Andor
een gedesillusioneerde smokkelaar
die zich bij de Rebel Alliance heeft aangesloten,
is het verhaal veel groter dan één man.

Terwijl het Keizerrijk (Empire) zijn greep verstevigt
– zowel openlijk door militaire macht en brutaliteit,
als in de schaduw met een breed scala aan spionnen,
surveillance en een steeds groter wordend inlichtingennetwerk
– wordt de noodzaak tot verzet op elk niveau urgent.
Degenen die een stem hebben, moeten zich laten horen
zolang er nog een schijn van democratie
en vrijheid van meningsuiting is.
Er is geld nodig om een opstand te financieren
en voetsoldaten uit alle lagen van de bevolking
moeten worden gevonden en voorbereid om op te staan
en het systematische onrecht
en de toenemende imperialistische onderdrukking te bestrijden.

Aan de ene kant bevindt zich
de geadopteerde Cassian Andor.
Hij is gevormd door zijn vroege ervaringen
met armoede en onderdrukking.
Die wekken iets van verzet
tegen het bestaande systeem in hem op.
Aan de andere kant van het spectrum
staat Mon Mothma,
geboren in een bevoorrechte positie.
Zij heeft politieke invloed.
Haar verhaallijn draait om een moreel kruispunt:
of ze haar status, haar rijkdom en haar veiligheid
op het spel zet om het verzet
vanuit de machtscentra te steunen.

De boodschap van deze film is relevanter dan ooit.
In een tijdperk dat gekenmerkt wordt
door toenemend autoritarisme, desinformatie
en toenemende politieke polarisatie,
benadrukt de serie dat tirannie
op elk niveau moet worden bestreden.
Het herinnert ons eraan
dat democratische instellingen
fragiel zijn en dat zwijgen
in het aangezicht van onrecht
onderdrukking ongecontroleerd laat groeien.
Of het nu gaat om de strijd tegen despotisch leiderschap,
de uitholling van de vrijheid van meningsuiting
of systematische ongelijkheid,
Andor suggereert dat de last van verzet
niet alleen op de schouders
van een kleine groep helden kan rusten.
Het vereist dat mensen
op elk niveau van de samenleving
met moed, integriteit en doelgerichtheid
handelen voordat het te laat is.

Want een belangrijke verhaallijn in Andor
is hoe het Keizerrijk een morele rechtvaardiging
voor zijn daden construeert
via door de staat gecontroleerde, propagandistische media.
Goede mensen kunnen gemanipuleerd worden
en de waarheid kan verdraaid worden.
In realtime zien we spindoctors de wreedheid
die zich om hen heen afspeelt ontkennen of herformuleren
– zelfs terwijl het Keizerrijk
een vreedzaam protest met geweld neerslaat.

In de film worden alle mogelijke middelen gebruikt
om de wereld te creëren om parallellen te trekken
met zowel historische als hedendaagse onrechtvaardigheden.
Zo wekken de kostuums van de hoogste leiding van het Keizerrijk
en de agenten van het Imperial Security Bureau (ISB)
griezelige gelijkenissen met Gestapo-uniformen.
De verzetsstrijders daarentegen
lijken zo van de set van Les Misérables te zijn gestapt,
een echo van de Juni-opstand van 1832.

Het is moeilijk om dit niet te zien als een kritiek
op hoe moderne nieuwsmedia
wereldwijde conflicten
– zoals de oorlog in Israël en Gaza –
kaderen en hervertellen
om hun publiek te behagen en te vormen.
Deze agendagedreven berichtgeving
verdraait feiten en maakt kijkers ongevoelig,
vaak ten koste van degenen die ter plaatse lijden.
De medeplichtigheid van de pers
aan desinformatie
en het faciliteren of rechtvaardigen van wreedheden
draagt zelfs vandaag de dag nog bij
aan aanhoudende humanitaire crises
in landen zoals Soedan en Gaza.

In een zogenaamd post-waarheidstijdperk
herinnert Andor ons eraan dat waarheid er nog steeds toe doet.
De serie houdt een spiegel voor
aan onze mediaverzadigde wereld
en laat zien hoe verontwaardiging wordt gefabriceerd,
verhalen worden gecontroleerd
en de realiteit vaak wordt gespind door selectieve verhalen.
Het daagt ons uit om na te denken
over de betrouwbaarheid van het nieuws dat we consumeren
– en over onze eigen rol in het in twijfel trekken
of accepteren van de verhalen die ons worden verteld.

Een van de meest fascinerende aspecten van Andor
is de weergave van parallelle levens
aan beide kanten van het conflict.
Hoewel een groot deel van de actie
Cassians transformatie van smokkelaar
tot onwillige agent tot belangrijke rebellenleider volgt,
zijn we ook getuige van de opkomst van Dedra Meero
een gedreven, ambitieuze surveillanceofficier
binnen de ISB, de inlichtingendienst van het Keizerrijk.

Dedra begint als een underdog
die vecht tegen seksisme op de werkvloer
in een door mannen gedomineerde bureaucratie.
Maar naarmate haar carrière vordert,
neemt ook haar vermogen tot wreedheid toe.
Ze wordt een van de meest meedogenloze handhavers
van het Keizerrijk,
bereid om alles en iedereen op te offeren
in haar meedogenloze jacht op rebellenagenten.
Haar verhaal is een huiveringwekkende herinnering
aan hoe autoritaire systemen efficiëntie en ijver belonen,
ongeacht de morele prijs.
Ironisch genoeg zou haar vastberadenheid
de rebellie uiteindelijk kunnen helpen
– haar roekeloosheid onthult
mogelijk geheimen over de Death Star.

Door de hele serie heen zien we
vergelijkbare tactieken aan beide kanten:
surveillance, verraad, opoffering.
Het enige verschil is de bredere verhaallijn
die uiteindelijk de zaak van de opstand rechtvaardigt.
Maar door complexe, geloofwaardige antagonisten
zoals Dedra op te bouwen,
laat Andor ons de banaliteit van het kwaad zien
– hoe gewone mensen, ervan overtuigd
dat ze het juiste doen,
instrumenten van onderdrukking kunnen worden.

De vraag die de serie ons voorlegt,
is huiveringwekkend simpel:
aan welke kant sta jij in een wereld
die afglijdt naar toenemende onrechtvaardigheid?

 

Worthen ziet vijf categorieën charismatische leiders:
Profeten, Veroveraars, Agitators, Experts en Goeroes.

Ik laat haar eerst zelf aan het woord:

‘De afgelopen jaren, wanneer ik vrienden of familie vertelde
dat ik een boek over charismatische figuren aan het schrijven was,
reageerden ze met een terechte vraag:
Welke charismatische figuren zou ik opnemen?
Ze bestookten me met suggesties:
Wat dacht je van Elvis Presley, of Dolly Parton?
Michael Jordan of Muhammad Ali?
En ik moest toch zeker iets over Taylor Swift zeggen?

Maar geen van deze fascinerende mensen
komt in dit boek voor.
Tijdens het lezen zul je waarschijnlijk
aan een dozijn anderen denken
die je graag had willen zien,
en ik weet zeker dat je gelijk hebt.
Ik heb me vooral gericht op individuen
die zich inzetten voor de opbouw
van een beweging binnen de georganiseerde religie of politiek.
Ik heb mij niet geconcentreerd
op muzikanten, kunstenaars of atleten.
Zelfs binnen het domein van religie en politiek
ben ik selectief geweest
om een hanteerbaar verhaal te creëren
en de patronen en transformaties
van charismatisch leiderschap
in de loop van de Amerikaanse geschiedenis in beeld te brengen.’

Haar boek leest als een trein;
Soms is het een inspirerend verhaal,
omdat charismatische leiders vaak opduiken
– en mensen besluiten hen te volgen –
uit een wanhopige reactie op vervreemding en onrecht.
Mensen in nood zoeken een redder.
Toch hebben charismatische figuren geen vaste morele status.
Ze kunnen een pad banen naar vrijheid of naar slavernij;
ze kunnen mensen ertoe brengen
de rechtsstaat te omarmen
of er de spot mee te drijven.
Maar charismatische figuren veroorzaken ook problemen
voor zowel de democratie als autoritaire regimes.
Zonder een gedegen analyse van hen
over de lange periode van de Amerikaanse geschiedenis
sinds het begin van de Europese kolonisatie,
zijn we gedoemd om maar wat te blijven sukkelen
en oppervlakkig te observeren
dat gewone mensen veel loyaliteit betuigen
die in tegenspraak lijkt te zijn
met hun eigen materiële belangen
en de democratie saboteert,
zonder ooit te begrijpen waarom zo schrijft Worthen.