Hoop.
We doen alsof het een knuffelwoord is.
Iets met kaarsjes, zachte muziek
en “het komt wel goed”.
Maar zeg in 2026 hardop dat je hoopt,
en je krijgt meewarige blikken.
Hoop?
Serieus?
Heb je het nieuws wel gezien?

Zelfs schrijvers als Tommy Wieringa
pleiten voor “optimisme zonder hoop”.
Klinkt stoer.
Laat de hoop maar varen,
dan kun je ook niet teleurgesteld worden.
Lekker in het nu blijven.
Geen luchtkastelen,
geen religieuze roze wolk.
Gewoon dóór.

En eerlijk gezegd; ik snap het wel.
Want hoop kan een verdovingsmiddel zijn.
Dat stigma hangt er al langer aan.
Hoop is
uitgestelde teleurstelling
Alsof hoop je week maakt.
Alsof je helemaal bent losgezongen
van de werkelijkheid.
Alsof in de hoop geloven
hetzelfde is als
je niet willen overgeven
aan je lot.

En christelijke hoop
is dan wel helemaal geframed:
passief.
“Stil maar, wacht maar.”
Een geestelijke hangmat.

Toch is dat een karikatuur.

Want hoop is geen verwachting.
Dat is het eerste misverstand.
Verwachting zegt: dit gáát gebeuren.
Hoop zegt: ik verlang hiernaar,
ook al acht ik de kans klein.
Zoals kerkvader Augustinus van Hippo al zei:
waar alles zeker is, daar is geen hoop meer nodig.
Hoop leeft juist bij onzekerheid.

En volgens theoloog Thomas van Aquino
gaat hoop meestal over de toekomst,
iets wat nog niet is,
maar kan worden.
Dat maakt hoop spannend. Riskant.
Je legt je hart in iets dat je niet in de hand hebt.

En daar zit ook de schurende kant.
Hoop kan pijn verlengen.
Friedrich Nietzsche noemde
hoop zelfs het gemeenste kwaad,
omdat ze het lijden uitrekt.
En ja, valse hoop, opgeblazen, blind, ongegrond als zij is,
is gevaarlijk.
De oude Grieken wisten dat al.
In ‘Prometheus geboeid’
van tragediedichter Aischylos
wordt gesproken
over “blinde hoop”
die in het menselijk hart wordt geplant.

Maar wie denkt dat de oplossing
dan maar cynisme is, vergist zich.

Cynisme is geen volwassenheid.
Het is teleurgestelde hoop
die zich vermomt als superioriteit.

De Bijbel is op dit punt verrassend nuchter.
In de brief aan de Romeinen, hoofdstuk 5,
schrijft Paulus dat hoop niet ontstaat
uit succes, maar uit verdrukking.
Verdrukking wekt volharding,
volharding beproefdheid,
en beproefdheid hoop.
Met andere woorden:
hoop is geen suikerlaagje
over de realiteit.
Ze wordt gesmeed in tegenslag.
En in hoofdstuk 15 bidt hij
dat God ons vervult met
“alle blijdschap en vrede
in het geloven,
zodat u overvloedig bent in de hoop”.
Overvloedig.
Dus niet zuinigjes.

Dat is geen escapisme.
Dat is brandstof.

Want zonder hoop geen verbeelding.
En zonder verbeelding geen verandering.

Je kunt eindeloos roepen
dat democratie, rechtsstaat
en mensenrechten belangrijk zijn.
Maar zonder hoop
dat ze toekomst hebben,
doe je… niets.
Dan word je ironisch.
Of boos. Of moe.

Hoop is geen hangmat.
Hoop is een anker.
Niet voor niets is dat het sterkste symbool.
Een zwaluw vliegt weg.
Een duif laat zich niet sturen.
Maar een anker gooi je zelf uit.
Je kiest waar je je vastlegt.

Hoop is dus geen gevoel dat je overkomt.
Het is een deugd.
Een keuze.
Een daad van verzet
tegen de vanzelfsprekendheid van verval.

Ja, ze kan ontsporen.
Politici weten
hoe ze hoop moeten bespelen.
“Yes we can”; “Het kan wél”
of “Make America Great Again”;
hoop en angst liggen
gevaarlijk dicht bij elkaar.
Maar misbruik maakt het origineel niet waardeloos.

De echte vraag is niet
óf we hopen.
De vraag is wáárop.

Op ons eigen gelijk?
Op nostalgie?
Op macht?

Of op een Verhaal
dat groter is dan wijzelf?

Want, zoals theoloog Stanley Hauerwas zegt:
cynisme is de vorm
die hopeloosheid aanneemt
bij mensen die niet meer geloven
dat ze deel zijn van
een Verhaal dat hoop geeft.

Misschien is dát het probleem van onze tijd.
Niet dat we te veel hopen.
Maar dat we het Verhaal kwijt zijn.

En dus is hoop geen luxe.
Ze is noodzaak.
Geen zachte deugd, maar een taaie.
Geen vlucht vooruit,
maar een gespannen koord
tussen wat is en wat moet worden.

Hoop schuurt. Hoop bijt.
Maar zonder hoop gebeurt er niets.

 

De afgelopen weken werden gekenmerkt
door ingrijpende geopolitieke gebeurtenissen
onder het bewind van de regering-Trump:
Op 26 december voerden de Verenigde Staten
luchtaanvallen uit op IS-terroristen in Nigeria.
Kort daarna, op 3 januari,
bombardeerden Amerikaanse troepen Caracas,
ontvoerden ze de Venezolaanse president Nicolás Maduro
en leverden hem uit aan New York
om terecht te staan voor narco-terrorisme.
Na een snelle militaire interventie in Venezuela
richtte Trump, dronken van ‘succes’,
zijn pijlen vorige week
weer op Groenland,
het autonome onderdeel van Denemarken
dat hij al langer wil bezitten.
Deze gebeurtenissen
illustreren een nieuw Amerikaans buitenlands beleid,
aangeduid als de Donroe-doctrine:
een periode van agressieve militaire interventies
en grillige geopolitieke machtsuitoefening.

Nigeria en Venezuela delen niet alleen
een overvloed aan olie,
maar ook structurele problemen
zoals corruptie, mensenrechtenschendingen en extreme armoede.
De Amerikaanse interventies in deze landen
versterken het idee dat de naoorlogse,
op gedeelde regels gebaseerde wereldorde;
deze orde die na de Tweede Wereldoorlog opgezet
om mondiale stabiliteit te waarborgen is ingestort.
De orde was gebouwd op internationale afspraken
en morele verantwoordelijkheid.
Ze lijkt nu te zijn vervangen
door een doctrine
die wordt gedreven
door binnenlandse belangen
en politieke willekeur.

De morele focus van de huidige Amerikaanse regering
is sterk naar binnen gericht,
met nadruk op thema’s
als reproductieve rechten,
het homohuwelijk en grensbeveiliging.
Tegelijk ontbreekt het aan moreel leiderschap
op het internationale toneel.
Door het door de VS mede ontmantelen
van de Reproductive and Behaviour Order (RBO)
ontstaat een groeiend internationaal moreel vacuüm.
In een wereld waarin grootmachten
als de VS, Rusland en China
geen gezamenlijk moreel kompas tonen,
rijst de vraag
hoe dit vacuüm kan worden opgevuld.
De RBO stelt dat religie
– en in het bijzonder het christendom –
hierin een cruciale rol kan spelen.

Een illustratief voorbeeld
is het bezoek van de Indiase premier Narendra Modi
aan een kerstdienst in New Delhi op 25 december.
Dit gebaar werd internationaal geprezen
als een poging tot interreligieuze harmonie.
Toch werden binnen 24 uur
de kerstversieringen vernield
door hindoe-nationalisten
in verschillende Indiase steden.
Deze tegenreactie benadrukt
hoe kwetsbaar godsdienstvrijheid is,
vooral in landen
met een dominante meerderheidsreligie.
Wereldleiders dragen hier een morele verantwoordelijkheid
om geweld binnen hun eigen religieuze gemeenschap
ondubbelzinnig te veroordelen.

De motivatie achter deze aanvallen
op christenen in India
verschilt in essentie
niet van het geweld tegen christenen
door islamitische extremisten in Noord-Nigeria:
beide komen voort uit angst
voor het verlies van een vertrouwde beschaving.
Geen enkele samenleving
kan echter duurzaam bloeien
wanneer zij geweld
tegen religieuze minderheden
negeert of rechtvaardigt.
Tegelijk roepen deze gewelddaden
op tot metacognitie:
reflectie op de diepere motieven
achter haat en vervolging.
Juist daarin liggen de kiemen
voor een nieuwe gemeenschappelijke moraal.

De oorspronkelijke RBO was gebaseerd
op principes als soevereiniteit, gelijkheid,
rechtsstaat, mensenrechten,
multilateralisme
en vreedzame conflictoplossing.
Een nieuwe gemeenschappelijke moraal
zou hierop moeten voortbouwen,
maar ook geworteld zijn
in religieuze waarden
die gedeeld worden door de grote wereldreligies,
zonder kleinere geloofstradities uit te sluiten.
Internationale documenten
zoals het VN-Handvest (1945)
en de VN-Verklaring
inzake godsdienstvrijheid (1981)
bieden hiervoor belangrijke juridische kaders.

De grootste uitdaging
ligt bij staten
met een dominante meerderheidsreligie,
zoals het christendom in de VS
of het hindoeïsme in India.
Hoe kunnen zij minderheden
dezelfde bescherming bieden als de meerderheid?
Is religieuze diversiteit
een nulsomspel,
of kan er een moreel evenwicht bestaan?

Het christendom, als grootste religie ter wereld,
biedt het meest omvattende
morele kader om deze balans te vinden.
Zowel christendom als islam
erkennen de unieke spirituele betekenis van Christus.
De leer van Christus,
zoals beschreven in het evangelie van Johannes
en uitgewerkt door Paulus,
maakt een scherp onderscheid
tussen goed en kwaad
en leert dat de strijd
niet tegen mensen is gericht,
maar tegen de machten van het kwaad.

Daarom zou een vernieuwde,
religieus gefundeerde wereldorde
moeten voortbouwen op de leer van Christus.
Deze christocentrische moraal
herdefinieert mondiale conflicten
niet als botsingen tussen mensen of religies,
maar als een strijd tussen goed en kwaad.
Zo ontstaat een inclusieve morele visie
die alle mensen – gelovig of niet –
uitnodigt om het kwaad te veroordelen
en actief het goede te bevorderen
in de geopolitiek en de wereldmaatschappij.

 

Decennia lang gold de toekomst in Europa als een belofte.
Na 1945, en vooral na de val van de Sovjet-Unie,
leek het continent op weg naar
een steeds vreedzamere, welvarendere en democratischer wereld.
Economische groei, sociale rechtvaardigheid, handel en mensenrechten
vormden het zelfverzekerde fundament van een optimistische toekomstverwachting.
Europa zag deze verworvenheden vaak als een gevolg
van eigen morele superioriteit en Verlichtingsidealen,
en minder als het resultaat van Amerikaanse bescherming
en geopolitieke afhankelijkheid.

Die zekerheid is verdwenen.
Vandaag wordt de toekomst eerder als bedreiging ervaren:
klimaatverandering, oorlog op het continent, energieonzekerheid,
demografische vergrijzing, digitale afhankelijkheid
en het verval van democratische instituties.
De omstandigheden veranderen sneller dan ooit,
en voor velen betekent ‘verandering’ vooral achteruitgang.
Politieke leiders spelen daarop in:
sommigen beloven een eeuwig, risicoloos heden;
anderen bieden radicale terugkeer
naar een geïdealiseerd verleden
dat nooit werkelijk heeft bestaan.
Volgens politicoloog Ivan Krastev
is ‘de toekomst van Europa geen politiek project meer’.

De oorzaak hiervan ligt in Europa’s
‘pauze van de geschiedenis’ na 1945
en later na de val van de Berlijnse Muur
ook een ‘pauze als defensieve macht’.
En terwijl de VS de geopolitieke lasten droegen,
bouwden Europese landen hun welvaartsstaten op.
Deze comfortabele positie werkte zolang er een stabiele,
op regels gebaseerde wereldorde bestond.
Maar met de terugkeer van geopolitieke machtspolitiek
— zichtbaar in het Amerika onder Trump
en in de assertiviteit van Rusland en China —
blijkt de EU slecht uitgerust.
Ze functioneert uitstekend binnen een regelsysteem,
maar nauwelijks in een neo-imperiale wereld
waarin macht, niet institutie, bepaalt wie er aan tafel zit.
Europa zit niet aan tafel,
maar ligt óp tafel.
Er wordt óver hen beslist
Europa heeft geen duidelijke plaats
onder de wereldmachten
en wordt soms zelfs overgeslagen in beslissingen
over zijn eigen veiligheid, zoals rond Oekraïne.

Daarnaast heeft Europa moeite
om zijn eigen macht te erkennen,
belast door een geschiedenis
die loopt van kruistochten en kolonialisme tot Auschwitz.
Het resultaat is een houding van zelfverkleining:
Europa zou te verdeeld,
te bureaucratisch en te traag zijn
om daadkrachtig op te treden.
Deze ‘machteloosheid van de machtigen’
biedt moreel comfort,
maar ondermijnt Europa’s vermogen
om zijn belangen te verdedigen.
In een wereld die wordt gedomineerd
door autocratische grootmachten
is precies dat echter noodzakelijk
voor een democratische toekomst.

Toch is het continent rijker, beter opgeleid
en technologisch capabeler dan ooit.
Het beschikt over de middelen
om zijn positie te herdefiniëren
maar wat ontbreekt, is de politieke wil.
Zoals Kennedy eens zei over de maanmissie:

‘sommige uitdagingen moet je aangaan
omdat ze moeilijk zijn.’

Alleen door die houding opnieuw te omarmen
kan Europa zijn toekomst terugwinnen.

Ja, ook ik ben blij met de door Nederland behaalde eremetaal. Wat was het een mooi gezicht dat het ereschavot regelmatig volledig oranje kleurde. De winnaars, ze hebben er voor gevochten en hebben een prachtige prijs in de wacht gesleept. Proficiat! Maar, eh vergeten we nu niet een heel klein beetje dat er ook veel kritiek op Rusland en haar dictatoriaal regerende president Poetin is. Dat religieuze minderheden, mensen met een andere seksuele geaardheid wreed worden vervolgd of op zijn minst slecht worden  behandeld. Het lijkt dat altijd kritisch Nederland zich monddood laat maken, laat smoren onder die warme deken van oranje-euforie.Sochi 2014 Ach ja, vergeten, dat is waar ook, we moeten sport en politiek altijd gescheiden houden. We moeten de heer Poetin zijn feestje gunnen en niet gaan zeuren over mensenrechten en vrijheden. Natuurlijk hoor je mij niet over die ‘zware’ delegatie die namens Nederland naar de Spelen zijn gegaan. We sluiten en masse even de ogen voor de Russische wereld binnen en buiten Sotsji waar Rusland haar geo-politieke schaakspel in optima forma weet te spelen, want we winnen toch zoveel. En straks, als de Olympische vlam weer gedoofd is en het hele circus weer vertrokken is, dan vergeten we Sotsji gewoon, net als Peking destijds, waar het toch ook een stuk beter gaat met de mensenrechten na de Olympische Spelen. Over een paar dagen laten we de heer Poetin gewoon weer aan zijn eigen lot over en met hem die miljoenen Russen die misschien wel zuchten onder zijn gezag.

Over tot de orde van de dag want sport is sport en politiek is politiek en die twee moeten we strikt gescheiden houden.  Toch?…

 

NASCHRIFT: Op 4 maart jl. heeft het kabinet besloten om geen delegatie te sturen naar de Paralympische Spelen. Ging er nog naar de Olympische Spelen een (veel te) zware afvaardiging uit Nederland om de sporters aan te moedigen, nu is besloten om helemaal niet te gaan. ‘Sport is sport en politiek is politiek en dat moeten we gescheiden houden’, ‘de sporters verdienen het te worden aangemoedigd door een afvaardiging uit Nederland’ en ‘door te gaan houden we de dialoog open’ waren de meest gebruikte (flut)argumenten om toch te gaan. Nu lijken deze argumenten er ineens niet meer toe te doen. Vreemd toch? Het geeft de status aan van de paralympische spelen in Nederland en in het algemeen de omgang met mensen met een beperking! Gelukkig weet ik mij getroost met een opmerking van Esther Vergeer, oud paralympisch sporter, die zei ‘wie er ook op de tribune zitten, de sporters presteren toch wel’. Dat is toch wel een pluspunt van de  paralympische sporters boven de ‘valide’ sporters: de paralympiërs presteren toch wel, wie er dan ook op de tribunes zitten!!

Maar even eerlijk gezegd: NEDERLAND MOET ZICH SCHAMEN