Het is sabbat. Stille Zaterdag.

De stad is tot rust gekomen.
Het geschreeuw van gisteren is verstomd.
Het kruis staat er niet meer, het lichaam is begraven.
De steen is voor de ingang gerold.
En dan die ene sobere zin:
“Op de sabbat rustten zij naar het gebod.”

Jezus Christus is gestorven.
Vrijdag klonk zijn laatste woord:
“Het is volbracht.”
Daarna werd het stil.
Jozef van Arimathea vroeg om het lichaam,
wikkelde het in linnen
en legde het in een nieuw graf.
De vrouwen keken toe.
Ze wilden meer doen.
Zorgen. Zalven.
Liefhebben tot het einde.
Maar de zon ging onder.
De sabbat begon.

En dus rustten zij.

Dat voelt bijna ongemakkelijk.
Hoe kun je rusten
als alles in je roept om iets te dóén?
Als je hart gebroken is?
Als je wereld instort?

Toch is dit geen kille gehoorzaamheid.
Het is een vorm van overgave.

Stille Zaterdag is de dag tussen wanhoop en hoop.
Tussen kruis en opstanding.
Een lege, stille ruimte waarin niets lijkt te gebeuren.
God zwijgt.
De hemel blijft dicht.
De leerlingen wachten
verward, verdrietig,
misschien ook bang.

En toch: het is sabbat.

In de Bijbel is sabbat
de dag waarop God
rustte na de schepping.
Niet omdat Hij moe was,
maar omdat het werk voltooid was.
Alles was gedaan.
Het was goed.
Die rust was geen leegte,
maar vervulling.

Zo ligt nu ook Jezus in het graf.
Zijn werk is volbracht.
Wat vrijdag werd uitgeroepen,
wordt op zaterdag bewaard in stilte.
De rust van deze dag zegt:
het is echt klaar.
Er hoeft niets meer bij.

Dat is moeilijk voor mensen zoals wij.
Wij willen iets doen
al is het maar
om onze onmacht te verdrijven.
Wij willen zorgen,
regelen, begrijpen.
Maar Stille Zaterdag
leert ons wachten.
Vertrouwen.
Rusten.

Niet uit onverschilligheid,
maar in geloof.

De vrouwen rusten “naar het gebod”.
Dat gebod was ooit gegeven
als een geschenk:
één dag om niet te leven
van je eigen inspanning,
maar van Gods trouw.
Eén dag om te ontvangen
in plaats van te presteren.

Misschien is dat vandaag
nog steeds de uitnodiging.

Er zijn momenten in een mensenleven
die lijken op Stille Zaterdag.
Gebeden die niet verder lijken te komen
dan het plafond.
Beloften lijken begraven.
Je staat bij een graf
— letterlijk of figuurlijk —
en weet niet hoe het verder moet.

En dan zegt deze dag niet:
begrijp het.
Ook niet: los het op.

Deze dag zegt: rust.

Rust in wat Hij heeft gedaan,
ook als je het nog niet ziet.
Rusten in Gods trouw,
ook als alles zwijgt.
Rusten,
omdat het werk
niet op jouw schouders ligt.

Stille Zaterdag is geen dag van grote woorden.
Het is een dag van stille hoop.
De hoop die nog geen bewijs heeft,
maar wel een belofte.

De steen ligt nog voor het graf.
De nacht is nog niet voorbij.

Maar onder de stilte klopt het volbrachte werk van Christus.
En wie bij Hem hoort,
mag — midden in het wachten — rusten.

Morgen is het Pasen.
De nieuwe morgen komt!

 

Het was maar een heuvel buiten de stad.
Een executieplek.
Zo’n plaats waar je liever
met een boog omheen loopt.
En toch…
wat daar gebeurde op Golgotha
heeft de wereld doormidden gesneden.

Zie je het voor je?
Die dag voelde niet als een kantelpunt.
Geen engelenkoren.
Geen applaus uit de hemel.
Gewoon stof, zweet, bloed.
Soldaten die hun werk doen.
Omstanders die grappen maken.
Religieuze leiders die tevreden knikken.
En ergens daarboven,
vastgespijkerd tussen hemel en aarde: Jezus.

De aarde wilde Hem niet meer.
De hemel leek stil.
Hij hing daar in het niemandsland.
Dat is wat een kruis doet.
Het is niet alleen een martelwerktuig.
Het is een statement:
jij telt niet meer mee.
Jij bent afgeschreven.
Door mensen.
En, zo voelt het althans, ook door God.

En toch.

Terwijl de hamerslagen nog naklinken,
bidt Hij.
Niet om wraak.
Niet om vuur uit de hemel.
Hij zegt: Vader, vergeef het hun,
want ze weten niet wat ze doen.

Dat is geen zwakte. Dát is koningschap.

Op die heuvel leek de duisternis te winnen.
De massa heeft geschreeuwd.
Pilatus heeft zijn handen gewassen.
Barabbas loopt vrij rond.
Jezus hangt vast.
Als je er met menselijke ogen naar kijkt,
is dit het failliet van hoop.

Maar luister naar Zijn woorden.
Daar, midden in de vernedering, regeert Hij.
Niet met geweld, maar met genade.
Niet door Zijn vijanden neer te slaan,
maar door voor hen te bidden.

‘Ze weten niet wat ze doen.’

Echt niet?
Die soldaten wisten precies
hoe je iemand moest kruisigen.
De leiders wisten precies
wat ze wilden:
van Hem af.
De menigte wist precies
hoe je iemand kapot schreeuwt.

En toch zegt Hij: ze weten het niet.

Ze weten niet Wie Ik ben.
Ze weten niet wat hier gebeurt.
Ze weten niet dat ze,
terwijl ze Mij afwijzen, gered worden.

Dat is het schurende van Goede Vrijdag.
Want laten we eerlijk zijn:
wij weten vaak ook niet wat we doen.
We kiezen voor onszelf.
We lopen God voorbij.
We praten goed wat krom is.
We noemen duisternis nuance.

En ondertussen bidt Hij.

Niet pas nadat wij berouw tonen.
Niet pas nadat wij het snappen.
Nee, terwijl wij nog bezig zijn
met onze eigen hamerslagen.
Dat is wat Paulus later schrijft in de Romeinenbrief:
toen wij nog zondaars waren,
stierf Christus voor ons.

Dat is genade die je uit het veld slaat.

Wij denken vaak:
eerst inzicht, dan vergeving.
Eerst schoon schip maken,
dan mag je thuiskomen.
Maar aan dat kruis
wordt de volgorde omgedraaid.
Daar klinkt vergeving
vóórdat iemand ‘sorry’ zegt.

Dat voelt bijna te makkelijk.
Te royaal. Te riskant.

Maar kijk naar die misdadiger naast Hem.
Een man met bloed aan zijn handen.
Geen tijd meer om zijn leven te beteren.
Geen kans om iets goed te maken.
En Jezus zegt:
vandaag nog zul je met Mij in het paradijs zijn.

Hoe dan?

Omdat vergeving niet rust op onze prestatie,
maar op Zijn overgave.
Omdat er iets rechtgezet moest worden
tussen God en ons
en wij dat niet konden.
Dus deed Hij het.

Daarom is het kruis niet het einde
van een tragisch verhaal,
maar het begin van een uittocht.
Uit de greep van schuld.
Uit de macht van zonde.
Uit de leugen
dat jij voorgoed bent afgeschreven.

“Het is volbracht.”

Dat is geen zucht van nederlaag.
Dat is de adem van overwinning.

En dan, als alles gezegd is,
legt Hij Zijn leven terug
in de handen van Zijn Vader.
Alsof Hij wil zeggen:
het is goed zo. De weg is open.

Dus ja,
het was een donkere dag op Golgotha.
Maar het was ook de dag
waarop de liefde het laatste woord kreeg.

En dat woord klinkt nog steeds.

Voor hen.
Voor jou.
Voor mij.

 

Bij voorbaat verontschuldig ik dat nu alvast
een beetje op de zaken vooruitloop,
maar ik wil graag iets zeggen over de Opstanding van Christus.
We zijn nog maar net begonnen aan het Triduüm, de drie dagen voor Pasen
en her en der horen we dan:
‘Als we niet met Hem sterven op Goede Vrijdag,
kunnen we niet met Hem opstaan op Paasmorgen.’

Maar een deel van het probleem dat deze zin oproept,
is dat we niet zozeer Goede Vrijdag overslaan,
maar Paasmorgen.
In onze vastberadenheid om ons te concentreren op het lijden van Christus,
kan Pasen misschien een vreugdevolle preek zijn, een prachtige uitroep:
‘Hij is opgestaan!’
en dan gaan we weer verder.

Dus als het om wonderen gaat,
is het maar al te vaak het Grote Wonder
waar we onze aandacht van afwenden.
En we kunnen het zelfs helemaal overslaan.

Net als de omvang van het heelal
is Pasen bijna te groot voor ons menselijk verstand om te bevatten.
Dus beperken we ons tot het opdreunen van feiten en overtuigingen.
Zoiets van:
‘Ons heelal is 13 miljard lichtjaar breed
en is letterlijk uit het niets ontstaan.
Jezus Christus stond op uit de dood
en verscheen aan zijn discipelen.’
Feiten, maar we kunnen er met ons verstand niet bij…
Dus maar weer door!

Onder de gelovigen heerst er een reële angst voor de opstanding.
Niet zoals de Bijbel spreekt over de vrees voor God,
maar een veel fundamentelere angst
van bijvoorbeeld het schoolkind dat iets niet goed lijkt te begrijpen.
Het is alsof we moeten geloven, maar het niet kunnen,
met een vleugje van die vreselijke angst
zoals zij die zeggen dat – net als bij Donald Trump –
je het niet letterlijk maar serieus moeten nemen,
misschien wel gelijk hebben.

Het is de angst voor de gapende kloof
tussen de letterlijke waarheid (in het Grieks: logos)
en de metaforische of allegorische waarheid (mythos).
En het is alsof we gedwongen worden een keuze te maken
die we, in in alle gemoede, niet kunnen.
Als zodanig wordt het wat Paulus een struikelblok zou noemen,
iets dat in de weg staat in plaats van verlicht.
En het is er een die we stilletjes negeren.

Ik denk dat ik wil zeggen dat we bevrijd moeten worden
van de zorg dat er een juiste manier is om het te interpreteren,
of dat er een keuze moet worden gemaakt
tussen letterlijke en metaforische waarheid.
Met de gebeurtenissen van Paasmorgen
wordt ons een en/en-antwoord aangeboden in plaats van een of/of-keuze.

In dit model is historiciteit nuttig, maar onvoldoende.
We weten als een historisch feit dat Jezus van Nazareth
door de Romeinse autoriteiten werd gekruisigd
en we kunnen, in historische termen,
zeer redelijkerwijs aannemen dat een van zijn discipelen,
een vrouw uit Magdala, Maria genaamd,
na de Joodse sabbat naar zijn graf ging en het leeg aantrof.

Daarna wordt de ervaring van de Opstanding moeilijker,
zo niet onmogelijk, te beschrijven.
Niet alleen voor ons, maar vooral voor de eerste getuigen ervan.
Dat is deels de reden
waarom deze evangelietekst
op een manier is geschreven die anders is
dan alle andere, adembenemender,
persoonlijker, anekdotischer en meer ervaringsgericht.
Het is alsof de opstandige Jezusbeweging voor het eerst in kleur ziet.

Als we overigens op zoek zijn naar een wonder, dan is dit het.
Wat er ook is gebeurd, de totale nederlaag en verstrooiing
van deze kleine, provinciale groep rebellen
in dood en wanhoop
is binnen drie dagen onomkeerbaar veranderd.
De moderne term voor dit fenomeen zou kunnen zijn:
‘Stel je voor’.

Maar we moeten onze ogen niet afwenden
van minder gemakkelijke verschijnselen,
bewijs dat niet alleen metaforisch of allegorisch is,
maar ook ronduit werelds en gemotiveerd door opportunisme.
Het is niet controversieel om op te merken
dat er een verschil is tussen de verhalen over het lege graf
en de verschijningen van de verrezen Christus,
waarbij de laatste deels voortkwamen
uit concurrerende partijen om patriarchale autoriteit,
bij de vroegste vorming van de Kerk.

Het lege graf is niet alleen een bewijs van de verrezen Christus.
Het is er om ons symbolisch te laten zien
waar God niet is.
In het evangelie van Johannes ziet Maria engelen zitten
aan het hoofdeinde en voeteneinde van de steen
waarop het lichaam lag,
een weerspiegeling van het verzoendeksel
van de ark van het verbond,
de lege troon van de onzichtbare Joodse God.
Christus is ‘vooruitgegaan’
om het levende werk van God
in zijn ontluikende Kerk van het nieuwe verbond
voort te zetten.

Bovenal roept deze dualistische benadering van de opstanding
de toeschouwers op om er ontspannen mee om te gaan,
om ons begrip ervan los te laten.
De woorden en daden van de verrezen Christus
lijken dit vaak te bevestigen:
‘Houd mij niet vast’,
‘Sjalom’ (vrede zij met u),
‘Kom en eet’,
‘Voed mijn lammeren’.

Dus worstelen met het begrijpen van de opstanding
is geen breekpunt.
In zekere zin is de Goddelijke boodschap
dat het allergrootste wonder niet zo bijzonder is.
Het leven gaat echt door.

als alles duister is

God, van U is de toekomst, kome wat komt!

Soms hult het leven zich in duisternis.
Dan lijkt het alsof de wereld om ons heen alleen maar zwart en donker is.

We kennen allemaal van die momenten in ons leven:
als een dierbare overlijdt; als iemand iets ergs overkomt;
als vriendschappen uit elkaar vallen;
of als we een hevige teleurstelling moeten verwerken.
Het is dan alsof we in een donkere tunnel rijden,
waaraan geen einde schijnt te komen.
De nacht lijkt niet meer over te gaan in daglicht. Duisternis alom.
Het licht lijkt voorgoed te zijn gedoofd.
‘Maar in het holst van de nacht, begint de nieuwe dag.’ heeft eens iemand gezegd.
Toen wij in het diepste donker zaten, kwam Christus als het verlossende licht.
Toen Hij stierf en in het graf werd gelegd leek alles voorbij.
Zijn volgelingen waren radeloos
Maar in het holst van de nacht, begon ook voor hen de nieuwe dag.
Want bij het ochtendgloren bleek het graf leeg. De steen was weggerold.
Christus was verrezen. Het leven had de dood overwonnen.
Het licht bleek sterker dan de duisternis.

Niet ondanks zijn lijden,
maar juist dankzij het feit dat Christus niet voor het lijden wegliep,
Zijn kruis oppakte, was hij in staat om – zelfs – de dood te overwinnen.
Dát is de boodschap van Pasen.
Wij maken in ons leven allemaal moeilijke momenten mee. Ieder van ons persoonlijk. En wij als geloofsgemeenschap, wij als Gods Volk onderweg.
Die momenten doen pijn. Soms heel veel pijn.
Maar het heeft geen zin om in de duisternis te blijven ronddolen.
‘Zoekt de levende niet bij de doden,’ lezen we bij de evangelist Lucas.
Christus is niet in het graf te vinden, niet in de dood, niet in duisternis.

Als wij het geloof willen vinden,
moeten we door het donker heen op zoek naar het licht.
Letterlijk op zoek naar lichtpuntjes in ons leven.
Ooit is het in ons hart ontstoken. Soms lijkt het gedoofd. Geblust.
Maar als wij geloven in Christus, als wij geloven in Zijn kracht,
dan kan dat licht weer oplaaien. Dan kunnen we de duisternis overwinnen.
Dan kunnen we lijden en verdriet achter ons laten.
Het is niet gemakkelijk. Het gaat niet vanzelf. Maar het kan wel.
Want wij hoeven het niet alleen te doen. God zal óns nooit verlaten!
Pasen vertelt ons over Jezus die is opgestaan.
Pasen vertelt ook over vrouwen die zijn opgestaan.
De mannen leggen zich er – zo blijkt het – bij neer dat Jezus gestorven is.
De vrouwen niet, zo hoorden we in het evangelie.
Eerst dus zijn het vrouwen die zijn opgestaan. Pas daarna zijn anderen opgestaan.
Pasen vraagt ook dat wij opstaan.
Pasen vraagt dat wij opstaan tegen al wat mensen kwaad doet en onnodig verdriet. Pasen vraagt dat wij opstaan uit de verlammende idee
dat geloven uit de tijd is en dat samen kerk-zijn voorbij is.
Pasen vraagt dat we opstaan en fier en trots zingen
over licht dat ons aanstoot in de morgen.
Geloof in opstanding en geloof dat je ook zelf tot die opstanding kunt komen.
Ga ermee aan de slag om in veel situaties nu vandaag al op te staan.
Het is waar! In het holst van de nacht begint de nieuwe dag.
Pasen: Het feest vieren van de Opstanding uit alle ellende.
Hij zegt ons aan dat en nieuwe wereld kan!
Gods verbond schept nieuwe verbanden
Roept ons tot leven.
God, van U is de toekomst, kome wat komt!

‘In het holst van de nacht, begint de nieuwe dag.’
Laten wij reikhalzend uitzien naar het nieuwe licht, het Licht van Christus.

Screenshot_20200409-204310

Naar aanleiding van Matteüs 20:17-28

Ik ga lijden en sterven, zegt Jezus Christus. Lijden, dat doen we allemaal. Dat is een ervaringsgegeven: voor niemand van ons loopt het leven altijd op rolletjes. Soms hele perioden wel, maar dan plotseling kan er sprake zijn van ziekte, van crisis. Zoals nu, de coronacrisis. En sterven, tja, sterven doen we ook allemaal. Een leven zonder lijden en dood bestaat dus niet.

De vraag is dan: hoe ga je met dat feit om? De leerlingen van Jezus, zeker hier in dit verhaal Jakobus en Johannes, zien het lijden als een nare bijkomstigheid, waar ze zo snel mogelijk doorheen willen om te gaan regeren samen met Jezus over een nieuwe wereld. Ze schakelen hun moeder in om alvast hun plekken te reserveren. Regeren is vooruitzien. Herkenbaar: we zijn liever gelukkig, welvarend en gezond, en als dat even niet zo is, proberen we hard er zo snel mogelijk uit te komen. Intelligente lockdown om zo snel mogelijk weer terug naar normaal te gaan. We proberen lijden te minimaliseren.

Je zou dat ons instinct kunnen noemen, onze natuurlijke neiging om te overleven. Zo gaat het om je heen in de wereld. Zo wijst Jezus naar de koningen en mensen met macht. De struggle for life en survival of the fittest bepalen niet alleen het dierenrijk, maar ook de menselijke samenleving. Maar is dat het beste waar wij toe in staat zijn? Of is er een betere manier, een menselijkere manier?

Jezus wijst zijn leerlingen de weg van het ‘dienen’, het bewust kiezen voor de minst aantrekkelijke route, de route van lijden. Zo kiest Jezus ook zijn eigen weg naar Jeruzalem, waarvan hij blijkbaar al voorvoelt dat het zijn leven gaat kosten, dat hij gaat eindigen aan een kruis.
Het is opvallend dat Jezus zélf deze weg wil gaan, maar die niet oplegt aan zijn volgelingen. Hij probeert Jakobus en Johannes er eerst bijna vanaf te houden. ‘Jullie weten niet wat je vraagt! Ik – zegt Jezus – zal zwaar moeten lijden. Kunnen jullie dat soms ook?’ Zelf gaat Jezus deze weg naar zijn kruisiging en dood willens en wetens, omdat Hij gelooft dat hierdoor de wereld gered zal worden. Maar Hij verwacht niet automatisch van ons dat ook wij die diepe weg willen en kunnen gaan. Je kunt nooit van een ander verwachten, laat staan iemand verplichten, dat hij voor jou gaat lijden. Als dienen immers verplicht wordt, dan wordt het slavenwerk. Waarom zou je die route dan gaan? Het gaat om vrijwillige dienstbaarheid, van binnen uit. Dat heeft het een waarde die bevrijdend is. Zo doet Jezus het zelf en zo wordt de wereld gered. Jezus ís gekomen, om ons te dienen! Niet om ons op onze wenken te bedienen, dat niet. Maar om ons te dienen met wat we werkelijk nodig hebben. Met vergeving en bevrijding. Vergeving van al ons zoeken de eerste te zijn, en vernieuwing tot een andere leefrichting, die van Hem! Want als dit mogelijk is, dan is alles mogelijk!

De uitdaging van Jezus is om het lijden in je leven niet als nare bijkomstigheid te zien, maar als kans om werkelijk mens te zijn voor anderen. Zoek niet naar een antwoord op het lijden, maar wees zelf een antwoord op het lijden.
Veel belangrijker dan bezig te zijn de vraag waarom er zoveel ellende is, is dat je er zelf wat aan probeert te doen. Nadat Jezus zijn discipelen geroepen had, om achter Hem aan te gaan, stuurde Hij ze op pad de wereld in. Hij riep ze niet alleen om Zijn liefde te ontvangen, maar ook om die door te geven, in woord en daad, daar waar nood is. Je kunt dat nooit een ander opleggen, maar wel zelf beleven. Ik hoorde van iemand die een familielid had dat opgenomen was op de intensive care met het coronavirus. Als overige familieleden had je alleen elkaar. Achteraf gezien – zo hoorde ik het – waren dat toch niet de slechtste momenten geweest: het samen zijn, het elkaar steunen, voor elkaar bidden, het maakt dat je intens beleeft hoeveel je van elkaar houdt, hoezeer je elkaar nodig hebt, en hoeveel kracht en moed je op dat soort momenten ook ontvangt om vol te houden. Natuurlijk was het vreselijk, maar het was ook ongelooflijk waardevol. Dat mag je beleven als iets heiligs, als iets van God.

voetwassing

Je zou het bijna vergeten, maar we zitten midden in de Lijdensweek, ook wel Stille of Goede Week genoemd. We bereiden ons voor het herdenken van dood en opstanding van onze Heiland Jezus Christus. Daarom de komende dagen een aantal meditaties in de traditie van de drie dagen voor Pasen en één op Paaszondag. Daarna kunnen we ons met de meditaties weer richten op de tijden van corona.

Op Witte Donderdag kijken we naar het ‘sacrament’ van de voetwassing.
Een belangrijk aspect dat zich vertaalt zich in een dienende en gastvrije kerk.
Waarom sacrament. Omdat dat een gewijde handeling is (dat is de definitie van het woord) die juist in de voetwassing als dienst aan elkaar een voorbeeld geeft voor ons handelen.

In de oude tijden, moesten de Joden voordat ze aan tafel gingen voor de Paasmaaltijd
de handen en voeten gewassen.
Deze onbedekte ledematen zaten na de wandeling door de straten van een land
met een heet en droog klimaat onder het stof. Vandaar.
Het wassen van de voeten was het werk van de minste slaaf.
Het was zulk laag werk,
dat een Joodse slaaf niet eens verplicht werd neer te knielen bij een volksgenoot.
Als dus Jezus zijn bovenkleed aflegt, een linnen doek om slaat,
water in de waskom giet, de voeten van zijn leerlingen wast en afdroogt met de doek, die hij omgeslagen had, gaat hij diep, diep door het stof.
En Hij zegt erbij ‘Ik heb een voorbeeld gegeven,
wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen.’
Zo verklaart Jezus aan zijn volgelingen het waarom van deze verrassende daad.
Dat is en blijft een lastige voor ons.
Bukken, buigen voor de ander, zit niet in ons bloed. Jezus, wat doe je ons aan?

De kerk als gastvrije gemeenschap is de praktisch invulling van de voetwassing.
Dat betekent allereerst dat de gemeenteleden zich openstellen voor gasten,
voor vreemdelingen, voor niet-leden. Dat kost inspanning.
Vreemdelingen kunnen als bedreigend ervaren worden
voor onze vanzelfsprekendheden,
voor onze rust en gehechtheid aan het oude vertrouwde.
Een écht gastvrije gemeente probeert die angst de overwinnen,
stelt zich open op alle terreinen van het kerkenwerk en verwijdert barrières,
die gasten, anderen, vreemdelingen belemmeren om mee te doen in de dienst,
in de gemeenschap en in de omgang met God.
De gast krijgt geen plaatsje aan de rand, maar in het centrum.
Wordt opgenomen in, verbonden met de anderen.
Op basis van wederzijds vertrouwen stellen zich open voor elkaar.
Wij mogen elkaar ontmoeten en gasten zijn in het levensverhaal van elkaar.
Met soms gedeelde vragen. Gedeelde zorgen. Gedeelde vreugden.
Bij elkaar te gast gebeurt in het tweegesprek op huisbezoek.
Bij elkaar te gast gebeurt in het gesprek in kleine groepen.
Het sacrament van de voetwassing wijst ons dus op drie aspecten van een kerk
een kerk met dienende gastvrijheid hoog in het vaandel:
1) openheid naar de ander, naar vreemdelingen, 2) bij elkaar te gast zijn
en 3) gast zijn van Jezus Christus, verbonden zijn.