Het is sabbat. Stille Zaterdag.

De stad is tot rust gekomen.
Het geschreeuw van gisteren is verstomd.
Het kruis staat er niet meer, het lichaam is begraven.
De steen is voor de ingang gerold.
En dan die ene sobere zin:
“Op de sabbat rustten zij naar het gebod.”

Jezus Christus is gestorven.
Vrijdag klonk zijn laatste woord:
“Het is volbracht.”
Daarna werd het stil.
Jozef van Arimathea vroeg om het lichaam,
wikkelde het in linnen
en legde het in een nieuw graf.
De vrouwen keken toe.
Ze wilden meer doen.
Zorgen. Zalven.
Liefhebben tot het einde.
Maar de zon ging onder.
De sabbat begon.

En dus rustten zij.

Dat voelt bijna ongemakkelijk.
Hoe kun je rusten
als alles in je roept om iets te dóén?
Als je hart gebroken is?
Als je wereld instort?

Toch is dit geen kille gehoorzaamheid.
Het is een vorm van overgave.

Stille Zaterdag is de dag tussen wanhoop en hoop.
Tussen kruis en opstanding.
Een lege, stille ruimte waarin niets lijkt te gebeuren.
God zwijgt.
De hemel blijft dicht.
De leerlingen wachten
verward, verdrietig,
misschien ook bang.

En toch: het is sabbat.

In de Bijbel is sabbat
de dag waarop God
rustte na de schepping.
Niet omdat Hij moe was,
maar omdat het werk voltooid was.
Alles was gedaan.
Het was goed.
Die rust was geen leegte,
maar vervulling.

Zo ligt nu ook Jezus in het graf.
Zijn werk is volbracht.
Wat vrijdag werd uitgeroepen,
wordt op zaterdag bewaard in stilte.
De rust van deze dag zegt:
het is echt klaar.
Er hoeft niets meer bij.

Dat is moeilijk voor mensen zoals wij.
Wij willen iets doen
al is het maar
om onze onmacht te verdrijven.
Wij willen zorgen,
regelen, begrijpen.
Maar Stille Zaterdag
leert ons wachten.
Vertrouwen.
Rusten.

Niet uit onverschilligheid,
maar in geloof.

De vrouwen rusten “naar het gebod”.
Dat gebod was ooit gegeven
als een geschenk:
één dag om niet te leven
van je eigen inspanning,
maar van Gods trouw.
Eén dag om te ontvangen
in plaats van te presteren.

Misschien is dat vandaag
nog steeds de uitnodiging.

Er zijn momenten in een mensenleven
die lijken op Stille Zaterdag.
Gebeden die niet verder lijken te komen
dan het plafond.
Beloften lijken begraven.
Je staat bij een graf
— letterlijk of figuurlijk —
en weet niet hoe het verder moet.

En dan zegt deze dag niet:
begrijp het.
Ook niet: los het op.

Deze dag zegt: rust.

Rust in wat Hij heeft gedaan,
ook als je het nog niet ziet.
Rusten in Gods trouw,
ook als alles zwijgt.
Rusten,
omdat het werk
niet op jouw schouders ligt.

Stille Zaterdag is geen dag van grote woorden.
Het is een dag van stille hoop.
De hoop die nog geen bewijs heeft,
maar wel een belofte.

De steen ligt nog voor het graf.
De nacht is nog niet voorbij.

Maar onder de stilte klopt het volbrachte werk van Christus.
En wie bij Hem hoort,
mag — midden in het wachten — rusten.

Morgen is het Pasen.
De nieuwe morgen komt!

‘Wie zal voor ons de steen weg rollen?’                                                                                                                                Dat is wel een reële vraag van de vrouwen die ’s morgens in alle vroegte naar het graf van Jezus gaan.
Maar deze drie vrouwen hebben niet alleen te maken
met die kolossale steen voor het graf van hun Heer.
Na alles wat zij hebben meegemaakt
ligt er ook een zware steen op hun hart.
Iets wat hen naar beneden drukt en klein maakt.
Een miserabel mengsel van verwarring en verdriet.
Van somberheid en hopeloosheid.
Dat is dus ook wat mee klinkt in die vraag:
wie zal voor ons de steen wegrollen?

Herkent u iets van deze vraag?
En van het gevoel dat in deze vraag mee klinkt?
Wat is zo’n steen in uw leven?
Angst voor de toekomst en de tijd waarin we leven?
Ze maken ons het leven moeilijk en liggen soms als een steen op je hart.                                                                        Zo hard, zo koud, zo zwaar, zo zonder beweging en zonder perspectief. Zulke stenen kunnen in de weg liggen.
En het wil dan niet zomaar Pasen worden in ons leven.
En wie zal dan voor ons die steen wegrollen?

‘maar toen ze opkeken, zagen ze dat de steen al was weggerold.’
…toen zagen ze…
Eerder waren ze te neergeslagen, keken ze naar beneden en naar zichzelf. Maar het verandert als zij beginnen op te kijken.
Zoals in psalm 121: ‘ik sla mijn ogen op naar de bergen.
Van waar komt mijn hulp? Mijn hulp komt van de Heer,
die hemel en aarde gemaakt heeft.’
Het verschil zit hem dus in de blikrichting.
Wie opkijkt, ziet de dingen in ander licht.
En dan hoeft zo’n steen waar wij op stuk lopen
waar wij ons aan vertillen geen obstakel meer te zijn.
De steen is er dan misschien nog wel.
En hij is nog altijd best wel groot maar hij ligt dan niet meer in de weg.
Je kunt er langs, je kunt er door. Je ontdekt weer een weg om te gaan.

Voor de vrouwen in het Paasevangelie gaat deze weg eerst het graf in.
En ook daarin zit wellicht een leermoment. Pasen is geen toverwoord. Pasen is een weg die je gaat.
En die weg gaat langs het kruis en tot in het graf.
Wij zouden dat moment misschien liever overslaan.
En zonder kruis of graf maar meteen de Paasjubel aanheffen.
Maar het wordt meer en meer Pasen in je leven
als je ook de moed hebt om de stenen in je leven te zien.
En om de spelonken van je eigen bestaan binnen te gaan.
Je fouten in de ogen te zien, je zwakheden te aanvaarden.
Je angst te uiten, je tranen te huilen, je wonden te tonen.

In de allerlaatste verzen, van het Markusevangelie duikt een jonge man op. Misschien bedoelt Markus met die jongeman wel zichzelf.
Als één van de leerlingen die ernstig hebben gefaald.
Maar ondanks dat falen, toch opnieuw een boodschapper mag zijn
Van de blijde boodschap van de weggerolde steen,
het lege graf en de opgestane Heer.

Zo werkt dat bij God.
Wij mensen pinnen elkaar vaak vast
en dragen elkaar tot in eeuwigheid na wat de ander ooit verkeerd deed. Maar in Gods hart werken die dingen anders.
Hij pint ons niet vast op ons verleden,
maar laat zichzelf vastpinnen aan een kruis.
Hij hangt geen molensteen om onze nek.
Maar rolt de stenen genadig weg,
draagt zelf die last met zich mee de wereld uit.
En maakt zo de weg weer vrij voor een nieuwe start.