In de veertigdagentijd lopen we mee.
Op weg naar Pasen
laten we ons meenemen
langs de verhalen van het evangelie,
langs de levensweg van Jezus.

Het is geen snelle route, geen rechte lijn.
Het is een weg van wachten, aarzelen,
misverstanden en confronterende ontmoetingen.
Precies daarom past deze tijd zo goed bij ons leven nu.

Wie Jezus volgt in de evangeliën, ziet één rode draad:
zijn tomeloze inzet voor het leven.
Voor het leven van gewone mensen.
Bruiloftsgasten die zonder wijn dreigen te vallen,
een vrouw bij een bron die haar schaamte meedraagt,
een man die al zijn hele leven langs de kant zit.
Jezus is gekomen om leven te laten stromen
heilzamer, dieper, menselijker.

Dat wordt scherp zichtbaar bij het graf van Lazarus.
Het verhaal is ongemakkelijk.
Lazarus is echt dood.
Al vier dagen.
De dood is al begonnen aan zijn werk.
Geen ruimte voor romantiek of symboliek.
De stank is er.

En juist daar, op die plek,
bidt Jezus hardop: niet om Lazarus zelf, maar
“ter wille van de mensen hier”.
Opdat zij zouden geloven
dat het leven sterker is dan de dood.

En toch: Lazarus zelf zegt niets.
Geen verslag van het hiernamaals, geen getuigenis.
Hij zwijgt.
Alsof Johannes ons wil zeggen:
het gaat hier niet om wat er na de dood is,
maar om wat dit verhaal met ons doet.
Om de vraag die het oproept.

Want kijk eens naar Jezus.
Hij talmt. Hij wacht.
Hij roept verwarring op.
Hij laat het gevaar dichterbij komen.
En als hij eindelijk bij het graf staat,
huilt hij.
Hij ergert zich.
Hij wordt woedend.
Dit is geen afstandelijke wonderdoener,
maar iemand die zich met alles
wat in hem is verzet tegen de dood.
Tegen alles wat het leven verstikt,
voortijdig begraaft, klein houdt.

Dood is niet alleen het einde.
Er is ook zoveel dood in het leven.
Structuren die mensen vastzetten.
Angst die verlamt.
Idealen die allang zijn opgegeven.
Levend begraven, terwijl je nog ademt.

En dan klinkt die stem bij het graf:
“Lazarus, kom naar buiten.”
Maak hem los. Laat hem gaan.

Dat is Pasen in wording.
Dat is geloven tegen de feiten in.
Niet berusten, niet schouderophalend zeggen:
zo is het nu eenmaal.
Maar kiezen voor het leven. Hier en nu.

Veertig dagen oefenen we daarin.
Om ons te laten roepen.
Om los te komen van wat ons bindt.
En om, opnieuw ademhalend,
de wereld weer in te gaan.

‘Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren,
kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee,
maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze Hem niet herkenden.’

Lucas 24,15-16

‘Als christenen leven vanuit de blijde boodschap,
dan zouden ze er wel eens wat verloster uit mogen zien.’
Dat zei Friedrich Nietzsche. Filosoof in de 19e eeuw en domineeszoon.
Want het evangelie is goed nieuws, tintelt van hoop.
Maar in hoeverre is dat ook te merken aan wie ik ben, de taal van mijn lichaam.
De sfeer die ik om me heen heb hangen.
Zien anderen die met mij leven en optrekken
in mijn leven van iedere dag iets van een blij en verlost mens?
Zou Nietzsche niet een punt hebben met deze uitspraak?
‘Als christenen leven vanuit de blijde boodschap,
dan zouden ze er wel eens wat verloster uit mogen zien.’

De twee wandelaars op de Emmausweg zien er in elk geval niet erg blij en verlost uit.
Je krijgt de indruk dat zij geestelijk gezien nu juist wel te pletter zijn geslagen
nu zij van God niets anders ervaren dan zijn doordringende afwezigheid.
Overspannen verwachtingen stukgelopen op de weerbarstige realiteit.

En dan is daar die derde in het gesprek.
Het is de opgestane Heer zelf die zich incognito bij deze wandelaars voegt.
Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee.
Er zit iets genadigs, iets pastoraals in dit meegaan.
Jezus had hun gesprek ook abrupt kunnen afbreken.
Hij had hun wandeling tot stilstand kunnen brengen.
Maar dat is niet wat hij doet.
Terwijl zij zo met elkaar in gesprek waren
kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee.
Hij loopt met hen mee de hele Emmausweg uit. Zo lang als dat nodig is.

Hij voegt zich naar het proces dat in hen gaande is.
Hij luistert, stelt af en toe een vraag en luistert opnieuw.
Nee, het klinkt bij hen allemaal niet zo blij, niet zo verlost.
Maar het weerhoudt de Heer er niet van bij hen te zijn.
Al luisterend en vragend brengt Jezus deze twee bij hun verdriet, hun verwondheid.
En ook ons als wij van God niets anders ervaren dan zijn doordringende afwezigheid.
Toen kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee.

Ja, Nietzsche heeft volkomen gelijk.
‘Als christenen zo echt léven vanuit de blijde boodschap,
zouden we er samen een stuk verloster uit zien.’
Niet als mensen met een Messiascomplex
die zichzelf en elkaar voortdurend overroepen en overvragen.
Maar als imperfecte mensen die weten dat we aanvaard zijn.
Aanvaard inclusief onze schaduwkanten, ons tekortschieten, onze schuld en onze schaamte.
Dat hij vertrouwd is met al mijn wegen, zelfs met verkeerde afslagen,
dwaalwegen, zijsporen en doodlopende stukken.
Dat lang voordat ik hem zien, herken en lief heb, Hij mij ziet, kent en liefheeft.

Psalm-84-vers-12naar aanleiding van psalm 84

Johannes zegt het ook in zijn apostolische brief: de volmaakte liefde drijft de vrees uit. (1 Johannes 4,18) Zoiets hoor ik ook in dat slot van psalm 84. God de Heer is een zon. Zoals iedere morgen de opkomende zon de nacht majestueus verdrijft, zo laat God in Christus de Zon van de gerechtigheid opgaan die de spoken en schimmen van de duisternis verdrijft en met haar licht en warmte nieuw leven wakker roept. Want God de Heer is een zon en een schild. Genade en glorie schenkt de Heer. Zijn weldaden weigert hij niet aan wie onbevangen op weg gaan.
We komen in de Bijbel nog al eens mensen tegen die juist wel bevangen worden. Vaak door zorgen, angsten. We komen het heel specifiek tegen bij Jezus leerlingen. Op allerlei sleutelmomenten lezen we: ‘ze werden bevangen door grote schrik.’ Keer op keer komen we in de Bijbel de aansporing tegen om niet bang te zijn, niet bevangen te zijn door angst of schrik. En dat is precies de aansporing die we vinden in het slot van psalm 84. Om onbevangen op weg te gaan: want God de Heer is een zon en schild. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert Hij niet, aan wie onbevangen op weg gaan. HEER van de hemelse machten, gelukkig de mens die op u vertrouwt. (psalm 84,12-13)
Echt onbevangen kijken en leven is zo simpel nog niet. Dat je niet wordt bevangen door iets, niet geremd leeft. Hoe vaak hoor je jezelf of een ander niet van die typische zinnetjes zeggen als: Daar gaan we weer! Al ik het niet dacht! Zie je wel! Het is altijd weer hetzelfde liedje. Waarom verbaast me dit nu niet? Je bent je van die associaties meestal niet zo bewust maar die worden gevoed door wat je hebt geleerd en meegemaakt, hoe je bent gevormd. Er zitten heel wat vooroordelen in waar je jezelf niet zomaar van kunt losmaken. Echt onbevangen leven is onmogelijk zegt de psychiater. Je kijkt nu eenmaal altijd gekleurd naar de werkelijkheid. Het is al heel mooi als je je steeds meer bewust wordt van de bril, de lens, de vooroordelen die je bij je draagt.
Onbevangen op weg gaan.
Psalmisten zijn realistisch en robuust. Maken het niet mooier dan het leven is. Dat is zeker ook het geval in deze psalm 84. God is een schild maar dar betekent nog niet dat je geen strijd zou hoeven leveren. Er zijn en blijven dorre streken en soms moet je er dwars door heen, Maar juist in zulke streken is God als een bron, een milde regen. Ik dwaal soms duizend dagen ‘elders’, verloren, verdwaald in ‘tenten van de goddelozen.’ Ze staan voor een hol, plat, vlak en leeg bestaan waar God praktisch uit is verdwenen en waar ik zelfs kan wonen. Me er te lang en te gemakkelijk in thuis voel. Maar er zijn God zij dank ook tijden en plaatsen waar ik weer iets proef van Gods nabijheid. God is weliswaar een zon maar die zon moet iedere keer opnieuw opgaan en in en om en voor mij de duisternis verdrijven.
Onbevangen op weg gaan, het betekent dat je ondanks of juist dankzij alles wat je hebt meegemaakt er toch ruimte blijft voor verwondering. Je het aandurft je te laten verrassen. Zodat je je beeld van hoe je dacht dat iemand was durft te laten bijstellen, te corrigeren, te vernieuwen. Dat je enerzijds lessen trekt uit het leven dat je achter je hebt en je ergens toch ook ruimte laat voor het wonder van een nieuw begin, een andere kijk. Wie zo op weg gaat, zegt de psalm, zal verrast worden door weldaden van God. Die zal momenten meemaken van genade en glorie. Want God, de HEER van de hemelse machten, weigert zijn weldaden niet, aan wie onbevangen op weg gaan.