
Ook wie in een gemeente meeleeft kent er iets van:
de vreemde murwheid en uitgeblustheid die je soms ineens kan overvallen. Zeker in deze tijd van corona.
Deze diepe vermoeidheid kan iedereen overvallen,
ook toegewijde gemeenteleden.
Hoe moet je daar in prediking en pastoraat nu mee omgaan?
Volgens door dit onzichtbaar aanwezige ongeloof,
deze onderhuidse twijfel en toenemende verveling openlijk te benoemen. En door tijdgenoten met aandacht en mededogen, zonder veroordeling, vanuit de Schriften nabij te komen.
Laat juist de Schrift niet zien dat God niet ‘voor het oprapen’ ligt
en dat geloven in de Onzienlijke geregeld een zware opgave is.
Staat er niet geschreven dat je enthousiast kunt beginnen
maar het beu kunt worden,
dat geloven lang niet altijd goed voelt en
het vaak een klus is om het vol te houden?
Ik ben ervan overtuigd dat deze noties méér aanspreken,
meer lucht en troost bieden,
dan allerlei bemoedigende slogans waar we
‘de week weer mee in kunnen’.
Want preken die eenzijdig suggereren
dat God altijd onder handbereik is
en klaarstaat met genade en geborgenheid,
gaan op den duur vervelen en irriteren.
Zulke preken hebben méér iets van pleisters plakken in de ruimte
dan van wonden blootleggen en behandelen.
Mensen van vandaag zijn volgens mij meer geholpen
met preken die niks verbloemen van onze innerlijke weerzin
tegen wat God met ons voorheeft
en van onze neiging ons zo makkelijk mogelijk van Hem af te maken. Preken ook die eerlijk erkennen dat je God eerder kwijt bent dan rijk,
dat Hij geregeld niet te volgen is
en dat wij meer dan eens nauwelijks iets van Hem gewaarworden.
Preken ook die iets tonen van het gevecht met je eigen hart,
dat minder meegaand is dan je zou wensen,
van de twijfel en het ongeloof die je te pakken kunnen nemen,
en van de worsteling met God, óm God, tegen alle vertwijfeling in.
Zit achter het verlangen van velen naar ‘aansprekende’ preken
geen honger naar woorden die vanuit de Schrift ingaan
op de omgang met God, met alle verrassing en verbijstering,
met alle verzoeking en vertwijfeling, met alle verzet en verlangen,
met alle verlatenheid en geborgenheid vandien?
Zou dat niet de remedie zijn om het aangeprate en opgeplakte geloof voorbij te komen en levend geloof gaande te maken en te voeden?
Ik denk dat met zo’n existentiële aanpak
het in de preek opnieuw gaan vonken en vlammen.
Omdat mensen zich gezien en opgezocht weten in hun twijfels en vragen en vanuit de Schrift worden aangespoord – soms op leven en dood – opnieuw te roepen om God zelf.
Zal de Levende niet uitgerekend daar van zich laten horen?
Om ons door de Geest woorden in te fluisteren
die je zelf niet meer bedenken kunt?
En geloof te wekken dat, hoe fragiel ook, niet zomaar kapot te krijgen is?
Plaats een reactie