In deze tijd is een veel gehoord adagium:
‘Weg met alle kleinburgerlijkheid.’
Verbreek de banden waarmee je gekluisterd zit aan je saaie bestaan. Nieuw leven, nieuwe baan, nieuwe vrouw.
West-Europeanen, zo schreef Sergi Boelgakov
meer dan honderd jaar geleden, hebben een typische levensstijl
en dito manier van denken.
Ze zijn ‘kleinburgerlijk’, met hun ‘alledaagse deugdzaamheid’,
hun ‘intensieve arbeidseconomie’, en hun ‘ongeïspireerdheid’.
Ik moest grinniken toen ik het las.
Daar typeert iemand gewoon even mijn cultuur, en mijzelf,
en het menstype dat onze samenleving voortbrengt.
Mensen vooral gericht op ‘deugen’
(en genadeloos zijn naar wie volgens ons niet deugen).
Gericht op werk en productiviteit,
en erg ingenomen met de resultaten daarvan.
En daardoor, door die kleinheid en drukte, veelal ‘ongeïnspireerd’.
Ik zat te denken:
wie mag er eigenlijk in onze eigen cultuur
‘grote verhalen’ vertellen, ons inspireren?
Het aparte is dat we vrij selectief zijn
in de ‘grote verhalen’ die wij verspreiden.
Als miljardairs fantaseren, over hun decadente bevlieging
(om deze door ons uitgewoonde aarde te verlaten
en ergens anders een betere samenleving op te bouwen),
dan haalt die mythologie het Journaal.
Als we een collectieve adoratie hebben voor wetenschap,
voor maakbaarheid, voor samen onze grote ziektes
‘de wereld uitschoppen;’ is dat ‘inspirerend’ en ‘hoopgevend’.
Een boek over ‘wij, die deugen’ is geliefd en geloofwaardig.
Grote ideeën genoeg.
Maar zijn het niet vooral verhalen waarmee we onszelf pleasen?
Waarmee we klein blijven, zelfingenomen en ongeïnspireerd.
Ook in de kerk loert het risico van een kleinburgerlijkheid.
Daar moet het vaak vooral praktisch zijn, ‘mooi’,
toepasbaar, de deugdzaamheid bevorderen en niet te veel overhoop halen.
Maar… ik kom niet naar de kerk voor de aardigheid.
Ik hoop dat mijn onwil, het onvermogen, het verdriet wordt benoemd.
Ik hoop het grootse te horen, van een God die mens werd
om de dood, de zonde en heel de mensheid te redden.
Een toekomst wordt geschetst van een nieuwe wereld
waarin die krachten die ons leven overeind houden
verder groeien en sterker zijn.
Waarin banden niet verbroken worden, maar verstevigd worden.
Waarin niet conflicten en strijd een nieuwe wereld baren,
maar verzoening, liefde en vrede.
Een vrede die zo sterk is dat ‘wolf en lam naast elkaar grazen’,
een beeld dat grote agressieve staten en kleine landjes
vreedzaam naast elkaar leven.
Die andere wereld heeft Johannes de Doper in Jezus Christus gezien.
Hij roept de mensen op om zich om te keren naar God.
Johannes vraagt de mensen om geen slechte dingen te doen:
aan soldaten vraagt hij hun wapens niet te gebruiken
om van gewone mensen geld af te persen.
Hij vraagt hen te delen met elkaar en zich om te keren.
Johannes wijst op Jezus. Je kan zelfs zeggen: hij belichaamt die omkeer: hij leeft zelf als een kluizenaar in de woestijn.
Juist deze Johannes, die die beweging van omkeer in zijn lichaam voelt.
Juist hij heeft zijn ogen open en ziet dat er nog iets komt.
Iets dat verder gaat dan zijn omkeer en voornemens voor een ander leven.
Ik wil knielen, biechten, berouw tonen, me bekeren,
de aarde kussen en ieder mens die mijn pad kruist.

Plaats een reactie