De enorme overvloed van beloftes en getekende decreten
in de eerste paar dagen van de nieuwe regering
van president Donald J. Trump
gingen als een ongekende storm over de wereld.
Wanneer een nieuwe regering de macht overneemt,
is het gebruikelijk om een noot van hoop voor de toekomst te laten horen,
de natie te verenigen,
voorzichtig te anticiperen op een nieuwe dageraad,
te beloven het beste voor het volk te doen, enzovoorts.
Toch was Trumps toespraak optimisme ‘on steroids’.
Hij kondigde het begin aan van een ‘Gouden Eeuw’ voor Amerika.
‘Vanaf deze dag’, stelde hij,
‘zal ons land bloeien en weer overal ter wereld gerespecteerd worden.
We zullen de afgunst van elke natie zijn
en we zullen niet langer toestaan dat we worden uitgebuit.’
Elon Musk, zijn partner in crime, ging nog verder.
Musk zei dat de tweede periode van de regering Trump
‘splitsing in de weg van de menselijke beschaving wordt.’
Als gevolg van de Republikeinse kiezers,
‘werd de toekomst van de beschaving veiliggesteld’,
terwijl hij uitkeek naar een dag
waarop de sterren en strepen (de Amerikaanse vlag)
zelfs op de planeet Mars zouden worden geplant.
Er is een dun lijntje tussen hoop en arrogantie.
Veel commentatoren hebben deze sombere vooruitzichten vergeleken
met het optimistische optimisme van de Republikeinen.
Hoop verheft de geesten van mensen.
Het geeft een gevoel van mogelijkheden
en wijst op een onbekende maar stralende toekomst.
Paulus vraagt: ‘Wie hoopt op wat hij kan zien?’ (Romeinen 8,24)
Hoop erkent dat de toekomst
niet volledig in onze handen ligt, dat gebeurtenissen
– en onze eigen koppigheid –
de best voorbereide plannen kunnen dwarsbomen.
Het weet dat de toekomst onzeker is en gelooft toch,
vanwege het simpele vertrouwen
dat de wereld uit goedheid is ontstaan
en met goedheid zal eindigen,
dat de toekomst soms ondanks,
in plaats van dankzij,
onze inspanningen stralend is.
Hubris (Grieks: hoogmoed)
is echter wanneer het menselijk vertrouwen in overdrive gaat.
In de klassieke wereld zagen schrijvers
als Hesiodos en Aeschylus hubris
als het gevaarlijke moment waarop een sterveling
beweerde gelijk te zijn aan, of beter dan, een god.
Phaëthon was een tienerjongen die dagelijks met zijn zonnewagen racete,
een zoon van de zonnegod Helios.
Hij nam op een zekere dag de strijdwagen van zijn vader
en dacht dat hij beter kon sturen dan zijn bejaarde pa,
hij reed te snel, te dicht bij de aarde, verbrandde deze
en verdiende zo een kenmerkende bliksemschicht van Zeus voor zijn moeite.
Arachne kon buitengewoon goed weven
en zij maakte een doek mooier dan dat van Athena, de godin van alle wevers.
En natuurlijk, de beroemdste van allemaal, Icarus,
hij maakte voor zichzelf een paar vleugels,
zweefde net iets te hoog naar de zon, en zo smolt de was
die de vleugels bij elkaar hield,
en stortte in de zee als een uitgebrande satelliet,
en zonk vervolgens in de donkerblauwe diepten
van de uitgestrekte oceaan.
Iemand zin in een reisje naar Mars?

Plaats een reactie