naar aanleiding van psalm 103

Nu het er op lijkt dat de Covid-19 pandemie een beetje over zijn (eerste?) hoogtepunt heen lijkt
wil ik toch eens het volgende bespreken.
Want wij mensen hebben de neiging om het waardevolle, het positieve te vergeten.
Namelijk dat velen van ons gespaard zijn.
Want niet alleen bij mensen individueel maar ook bij een hele gemeenschap, een heel volk.
Er is zoiets als collectieve vergeetachtigheid.
Al vanouds. In Bijbelse tijden riep profeet na profeet zijn tijdgenoten op
om vooral niet te vergeten welke wonderen die Heer in vroeger tijden heeft gedaan.
Welke beloften en geboden Hij meegaf aan eerdere generaties.
En ook in de psalmen kom je steeds de aansporing tegen
om niet te vergeten maar te blijven gedenken.
Zo ook psalm 103 die inzet met een krachtige oproep:
Prijs de Heer, mijn ziel, vergeet niet één van zijn weldaden.
De Naardense Bijbel vertaalt deze zin nog wat preciezer:
Zegen mijn ziel, de Ene, en vergeet nooit al wat Hij volbrengt.
Vergeten, dat heeft iets van verwaarlozing, vervlakking.
Van een gebrek aan verwondering en dankbaarheid.
En tegenover dat vergeten staat in verderop in vers 18 de aansporing om:
zijn verbond in acht nemen zijn bevelen gedenken om ze te doen.
Dat gedenken gaat dus om meer dan alleen je geheugen.
Het gaat er om je leven te laten bepalen door de genade en geboden van God.
Daarvan leven, daar verwonderd over zijn. Daar Hem voor zegenen, loven en prijzen.
Prijs de Heer, mijn ziel, en vergeet niet één van zijn weldaden.

Prijs de Heer, dat zijn meestal niet de eerste woorden waarmee wij ’s morgens onze dag beginnen. Misschien voel je je wel wat overvraagd met deze inzet.
Zo lekker zit je misschien niet in je vel; maak je je zorgen, heb je vragen, voel je je eenzaam, je pijn. Ben je gestrest,ben je onrust, boos of geïrriteerd. Of gewoon je vlakheid, lauwheid, je sleur.
Dat kan je dan behoorlijk in de weg zitten. En wat moet je dan met dit: ‘prijs de Heer’.
Wat kun je dan met deze psalm? Is dat niet wat te uitbundig, te hoog gegrepen.

Nou, dat kon nog wel eens iets meevallen.
Want dit ‘prijs de Heer’ is niet de jubel van iemand voor wie zomaar vanzelf spreekt.
Hier is niet iemand aan het woord die het geloof altijd op zak heeft.
Je proeft in dit lied het besef dat het leven fragiel is.
Zo vergankelijk, zo tijdelijk, zo vluchtig, zo eindig.
In vers 15-16 lezen we:
de mens, zijn dagen zijn als het gras, hij is als een bloem die bloeit op het veld en verdwijnt
zodra de wind hem verzengt. De plek waar hij stond, kent hem niet meer.

En de mens is niet alleen zwak, maar ook schuldig.
Hij schiet tekort, hij laat steken vallen, hij valt zichzelf en anderen vaak tegen.
Hij komt niet tot zijn bestemming, mist zijn doel.
Dat is niet echt de taal van ‘te hoog gegrepen’ toch?
Dat is niet taal van iemand die het goed met zichzelf heeft getroffen.
In deze psalm ontmoeten we iemand die zich realiseert:
Mijn bestaan is gebroken, begrensd, zwak en zondig.

Prijs de Heer, mijn ziel, en al wat in mij is, zijn heilige naam.
Prijs de Heer, mijn ziel, vergeet niet één van zijn weldaden.
Want wij mensen zijn nogal vergeetachtige wezens.
En we onthouden gemakkelijker ellende en narigheid dan dat we onze zegeningen tellen.
Het zijn woorden waarmee ik mezelf aanspreek. Mijn ziel en al wat in mij is.
Dat is mijn hele bestaan met heel mijn wezen. Mijn verstand, mijn gevoel, mijn wil.
Mijn bestaan vol idealen, verlangens en dromen. Maar ook een met breuklijnen, littekens en wonden

Maar wat deze psalmist heeft ontdekt is dit. Ik ben in dat alles niet alleen.
Er is iemand die mij kent zoals ik ben. Vers 14: Hij weet waarvan wij gemaakt zijn.
Hij vergeet niet dat wij uit stof zijn gevormd. Ik wordt niet overvraagd, ik wordt gekend.
Juist in mijn begrensde, fragiele en gebroken bestaan. Hij weet waarvan wij gemaakt zijn.
Hij vergeet niet dat wij uit stof zijn gevormd. Dat wij slechts leven op de adem van zijn stem.