Het is herfst, prachtig najaarsweer.
Strakblauw is soms de hemel en de lucht is fris
maar niet bijtend koud.
Wat is het dan heerlijk om dan een eind te lopen of te fietsen.
Daarbij weet je natuurlijk dat het zó over kan zijn.
Misschien word je zo overvallen door gure regens!
Ik vind de seizoenen één van de mooiste dingen
die God heeft uitgedacht,
een voortdurende afwisseling
waar je nooit genoeg van krijgt!
Soms ga je een eindje fietsen.
en zie overal de prachtigste herfstkleuren,
je kijkt je ogen uit.
Grote lanen geflankeerd door rijen bomen,
waarvan de bladeren prachtig goudgeel waren.
En als de wind even blies
daalde er een regen van bladeren als gouden muntstukken neer.
Ik moest intussen aan een zin uit gedicht van Jacqueline van der Waals:
‘Waar gouden de portalen zijn,
Hoe zullen daar de zalen zijn!’
De schoonheid van de wereld in herfstpracht
als een vooruitwijzing naar Gods wereld die komt!
Soms wordt er wel eens gezegd dat verlangen naar de hemel
een soort ‘escape’ is voor mensen die het moeilijk hebben.
‘Opium van het volk’ zoals Marx zei.
Maar dit gedicht leert wel anders!
Niet ellende of pijn doet de dichteres verlangen naar de hemel.
Nee, juist de mooiste dingen van deze wereld kunnen
soms het verlangen oproepen naar iets dat we niet kennen.
Een andere wereld voorbij de horizon waar dit een reflectie van is.
Hebt u dat nooit?
Zou dat niet de stille roep zijn van God,
om op zoek te gaan naar zijn rijk voorbij deze wereldrand?
‘In welk een grote heerlijkheid
Zal ik dàn binnengaan,
Indien van goud de gangen zijn,
Hoe groot moet mijn verlangen zijn,
De zalen in te gaan!’

Plaats een reactie