Onder en achter Jakobs uiterlijke strijd met anderen ligt een innerlijke tweestrijd.
Een strijd die hij vooral voert met zichzelf.
Een strijd om de waarheid.
Twee zielen wonen, ach, in zijn borst.
Jakob verlangt er zijn hele leven naar Esau te zijn.
Rabbijnen lezen in de naam Esau zoiets als:
volledig ontwikkeld.
Esau is alles wat Jakob niet is.
Hij is een sterk man, vol energie.
Een bekwame jager, een man van het veld.
Een homo naturalis, man van de natuur.
Iemand die zijn mannetje staat. Staande blijft in de struggle for life.
Jakob is geroepen tot een heel ander soort leven.
Hij is niet bedoeld een man te zijn van de natuur
maar een mens van wie de oren en vooral het hart zijn afgestemd
op een stem voorbij de natuur.
Op de oproep van de Schepper om te leven uit een verbond met Hem.
Te bouwen aan een samenleving gebaseerd
op rechtvaardigheid en mededogen, op recht en liefde.
Deze strijd tussen de twee zielen die wonen in Jakobs borst
komt tot een ontknoping bij Pniël.
Daar strijdt Jakob met de existentiële waarheid
over wie hij ten diepste is en zou moeten zijn.
De man die er altijd maar naar blijft verlangen om Esau te zijn.
Of de man die zich geroepen weet mens van God te zijn
en de weg van het verbond te gaan.
Bij Pniël krijgt Jakob een heel eigen zegen.
Niet die van rijk zijn of sterk of veilig.
Niet een leven zonder conflicten.
Ook Jakobs nieuwe naam, Israël, wijst immers op strijd.
Maar in plaats van een strijd om Esau te zijn
mag Jakob er nu voor strijden zichzelf te zijn.
In plaats van zich vast te klampen aan Esaus hiel,
mag hij zich vasthouden aan God.

Plaats een reactie