Het is weer zover.
De borden staan vol posters staan er weer,
de socials stromen over,
de bakfietsen en SUV’s
staan weer symbolisch tegenover elkaar
bij het verkeerslicht.
Gemeenteraadsverkiezingen 2026.
Feest van de democratie.
Toch…?
Of is het tijd voor wat mínder politiek in plaats van meer?
In oktober 2024 gooide
de Amerikaanse gezondheidsminister Robert F. Kennedy Jr.
olie op het vuur – letterlijk.
“Make Frying Oil Tallow Again”, riep hij op X.
Wie in plantaardig vet bakte,
vergiftigde het volk
en stond sowieso
aan de verkeerde kant van de geschiedenis.
Frituurvet als ideologisch strijdtoneel.
Bitterbal als beginselverklaring.
Klinkt absurd?
Welkom in 2026.
Alles is politiek geworden.
Wat je eet.
Wat je draagt.
Hoe je iemand aanspreekt.
Of je een warmtepomp hebt.
Of je nog durft te zeggen dat je twijfelt.
Politiek is een onverzadigbaar monster
dat zelfs je koelkast leegvreet.
In tijden van crisis
– stikstof, asiel, woningnood, oorlog –
zuigt het alledaagse mee
in een draaikolk
van morele verontwaardiging.
In 1789,
vlak na de bestorming van de Bastille in Parijs,
veranderde niet alleen de macht,
maar ook de mode.
Fluweel verdween,
witte katoenen hemden
werden revolutionair chic,
overal verschenen kokardes;
versierselen gedragen
om je mening te delen.
Je kon op straat zien
wie “goed” zat en wie niet.
Wie zich nog tegoed deed
aan een aristocratisch diner
in de salle à manger,
liep het risico
kennis te maken
met de guillotine.
Brood en bouillon
waren politiek correcte producten.
Het ging officieel
over bestaanszekerheid
en een nieuw sociaal contract.
Maar in de praktijk
ging het over symbolen.
Over kleding.
Over eetgewoonten.
Over hoe je elkaar aansprak.
Herkenbaar?
Probeer anno nu maar eens
op een partijborrel van de BBB
een bietenbal te serveren
in plaats van een bitterbal.
Of bij D66
een ambtsgebed uit te spreken.
Succes.
Het onderscheid tussen
links en rechts zou vervagen,
werd jarenlang gezegd.
Nou, probeer het maar eens.
Het is geen scheidslijn meer,
het is een loopgraaf.
We noemen het affectieve polarisatie.
Klinkt chic.
Betekent gewoon:
ik vind jou niet alleen ongelijk,
ik vind jou stom,
gevaarlijk of moreel verdacht.
En het besmettelijke is dit:
steeds meer neutrale dingen
worden in dat wij-zij-kamp getrokken.
Je sjaal.
Je auto.
Je woordkeuze.
Zelfs de inhoud van je frituurpan.
Waarom?
Omdat complexiteit vermoeiend is.
Omdat twijfel eng is.
Omdat het lekker overzichtelijk voelt
om te weten aan welke kant je staat.
Eén verkeerde term en je hangt.
Eén misstap
en je wordt digitaal gevierendeeld.
Maar ondertussen
sneeuwen de echte kwesties onder:
woningbouw die muurvast zit.
Gemeentelijke financiën die kraken.
Jeugdzorg die piept en kraakt.
De vraag hoe we onze buurten
leefbaar houden
zonder elkaar de tent uit te vechten.
Misschien is de meest radicale stem
bij deze gemeenteraadsverkiezingen
wel de stem die weigert
overal een cultuurstrijd van te maken.
De stem die zegt:
laat die symbolische loopgraven
even voor wat ze zijn.
Ga het hebben over riolering, veiligheid,
woningen, armoede.
Saai?
Misschien.
Maar wel waar het lokaal bestuur
voor bedoeld is.
Want als we elk meningsverschil
blijven opblazen
tot existentiële strijd,
dan groeit de roep
om één sterke leider
die “orde op zaken” stelt.
In 1799 heette hij Napoleon Bonaparte.
Die maakte een eind
aan het politieke gekrakeel.
Iedereen hetzelfde uniform.
Dat was overzichtelijk.
De vraag is:
willen we overzicht?
Of willen we democratie?

Plaats een reactie