Vanwege deze menselijke, lichamelijke kant van de geloofsbeleving
hoeft het geen verbazing te wekken dat discussies
over onderhoud aan kerkgebouwen soms snel verhit raken.
Theologisch is het kerkgebouw weinig anders
dan een willekeurig ander gebouw,
psychologisch is het kerkgebouw
de plek waar men ‘thuiskomt bij de Vader’.
En hoewel de liefde van God geen gebouw nodig heeft,
krijgt het gebouw wel betekenis
als daar regelmatig de liefde van God ondervonden werd.

Die psychologische verbondenheid
aan een vaste plek om God te ontmoeten
kan heel sterk zijn.
Zij krijgt onder meer vorm
in zogenaamde ‘invented traditions’ (‘uitgevonden tradities’).
Een voorbeeld daarbij is een gemeentelid dat erop hamert
dat een kerkzaal écht niet zonder avondmaalstafel kan
‘omdat die daar al generaties lang zo staat’.
Maar in werkelijkheid zijn avondmaalstafel
in protestantse kerkgebouwen een noviteit.
Als gevolg van de Liturgische Beweging
uit de jaren ’70 van de vorige eeuw
kwamen deze tafels in kerkinterieurs terecht.
Omdat deze persoon emotioneel gehecht is geraakt
aan de vormgeving van het kerkgebouw,
herschrijft hij de geschiedenis
zodat de vormgeving gehistoriseerd wordt,
en daarmee zijn beleving bij het kerkgebouw veiliggesteld.

Omdat kerkgangers emotioneel verbonden raken met ‘hun’ kerkgebouw,
neigen ze ernaar dat gebouw te verabsoluteren.
Vormgeving, inrichting en zelfs bouwkundige details
krijgen emotionele of zelfs geloofsinhoudelijke waarde.
Wie de vorm verandert (of afschaft),
verandert ook iets aan de ‘beleving’ bij het kerkgebouw,
of aan de herinnering daaraan.
ja, kerkmensen neigen dikwijls naar nostalgie.
maar vorm is in de kerkzaal ook inhoud.