Zo rond de jaarwisseling van Oud- naar Nieuwjaar
wordt er vaak door mensen achteruit én vooruit gekeken.
Het is een tijd voor afrekening en goede voornemens.
Misschien zoude niet alleen mensen
maar ook landen baat kunnen hebben
bij zo’n jaarlijkse afrekening met zichzelf.
Stel dat we in het leven altijd willen streven
naar een soort Aristotelische ‘gulden middenweg’,
dus tussen roekeloosheid en lafheid,
dan geldt dat ook voor staten en naties.
Veel landen, immers, zijn ten onder gegaan
door de overdaad aan misplaatste verlangens
en verkeerd geordende verlangens:
demagogen die het volk ophitsen;
oligarchen die de res publica – de ‘publieke zaak’ –
tot hun eigen persoonlijke leengoed willen maken.
Revoluties, corruptie en publieke lusteloosheid
zijn het loon van dergelijke zonden.
Uiteindelijk eindigt het in de dood van de staat zelf:
de ineenstorting van alle legitieme autoriteit in strijdende bendes,
terwijl vluchtelingen, als ze kunnen, naar de grenzen vluchten.
Veel landen daarentegen leven hun leven
in angstvallige lafheid,
totdat ze eindigen in een oude dag vol spijt,
omdat ze nooit hun volledige potentieel hebben bereikt.
Deze naties storten niet per se in,
maar gaan langzaam achteruit –
blijken niet in staat zichzelf te hervormen,
gevangen in een visie op hun verleden
die beter was dan hun heden
of welke denkbare toekomst dan ook.
Ook Nederland loopt het risico op beide gevaren.
Enerzijds een roekeloos reactionair populisme,
ter rechter en linkerzijde van het politiek spectrum,
dat lang sluimerend heeft geleefd,
maar inmiddels in volle hevigheid is losgebarsten.
Het dreigt alle voorzichtigheid te laten varen
en alle terughoudendheid omver te werpen,
de ambtenarij en de rechtbanken aan te vallen,
de mensenrechten te verwerpen,
het maatschappelijk debat te ondermijnen
en alle procedurele correctheid opzij te zetten,
totdat we uiteindelijk doorweekt raken
in de goot van despotisme.
Enerzijds staat een hardnekkig
constitutioneel conservatisme
de noodzakelijke, langverwachte hervormingen
in de weg die een oud, vermoeid land
nieuw leven en vitaliteit zouden geven
en onze instellingen de kracht zouden geven
om dergelijke destructieve krachten te weerstaan.
Naties kunnen dan , net als mensen,
beslissende momenten ervaren
van wat we berouw zouden kunnen noemen.
Wanneer ze wakker worden in de goot
– de hoofdstad gebombardeerd, het leger ontbonden,
de bevolking uitgehongerd –
kunnen ze zich afkeren van de paden
die hen daarheen hebben geleid
en een nieuw leven vinden,
een nieuwe hoop,
belichaamd in een nieuwe constitutionele orde.
Dit is wat bijvoorbeeld Duitsland, Italië en Japan na 1945 deden.
Ze kunnen ook een soort bekering ervaren,
weg van valse principes naar waarachtigere houding,
zoals een groot deel van Centraal-Europa deed
na de val van de Berlijnse Muur.
Disclaimer: in deze webpost gebruik ik theologische taal
om louter burgerlijke en politieke opvattingen te beschrijven,
wat natuurlijk altijd gevaarlijk is.
Het zou een verkeerde interpretatie van mijn bedoeling zijn
als men zou concluderen
dat ik een welgeordende staatsvorm verwar met de Hemelse Stad (Augustinus).
Niettemin is een goed geconstitueerde staatsvorm,
waarin vrijheid en rechtvaardigheid,
vrede en het algemeen belang niet alleen worden gekoesterd,
maar ook – in zekere zin – daadwerkelijk worden bereikt,
een onschatbare zegen.
We moeten ernaar streven dit te bereiken.
Een goed geconstitueerde staatsvorm is gebaseerd
op het principe van ‘openbaar bestuur’.
De staat is een publieke entiteit,
die toebehoort aan het publiek,
waarin het openbaar ambt
een publiek mandaat is dat voor publieke doeleinden wordt gebruikt,
en waarin burgers in het openbare leven
trouwe rentmeesters moeten zijn van het algemeen belang,
waarvoor zij verantwoording verschuldigd zijn aan het publiek.
Democratie is ons contract voor deze regeling,
hoewel het een nogal onhandige term is.
Democratie is, goed begrepen,
geen onbeperkte heerschappij van de meerderheid,
noch de onbeperkte heerschappij
van de door de meerderheid gekozen persoon.
Het is veeleer een complex politiek systeem
dat representatief en verantwoordelijk bestuur
combineert met burgerlijke vrijheden en de rechtsstaat.
Populisme daarentegen is een karikatuur van democratie.
Populisten proberen de barrières te ondermijnen
die machtsmisbruik tegengaan.
Hun pogingen om de rechterlijke macht
en het ambtenarenapparaat te verzwakken,
degenen die het niet met hen eens zijn
buitenspel te zetten,
fundamentele rechten te schenden,
macht te centraliseren
en publieke dissidentie te beperken,
moeten daarom worden gezien
als aanvallen op de democratie.
Ze leggen willekeurige macht
in de handen van bepaalde personen.
Nederland is in de steek gelaten door een mislukte ideologie,
die van het neoliberale kapitalisme,
dat, zo wordt gesteld, net zo rigide en doctrinair is
als de officiële marxistische ideologie
van de voormalige communistische staten.
Nederland is eveneens in de steek gelaten
door decennia van incompetent,
kortzichtig en onzorgvuldig bestuur.
De symptomen van wanbestuur zijn terug te vinden
in Nederlandse economische prestaties, de sociale problemen,
de afbrokkelende infrastructuur
en de overbelaste publieke diensten.
Het land benut zijn potentieel niet.
Dit zou ons moeten aanzetten
tot het overwegen van de zwakte van de Nederlandse democratie.
Zoals die nu is, faalt de staat er vaak in het algemeen belang te dienen.
Wij Nederlanders leven niet
in een stevig geconstitueerd staatsbestel
met ‘publiek bestuur’ als fundament,
maar in een leenstaat die is ingekrompen, geprivatiseerd
en gedereguleerd tot bijna in de vergetelheid.
Als het slechts een kwestie was
van specifieke individuen, of van één partij,
zou het probleem gemakkelijk kunnen worden opgelost.
Maar het land is niet alleen in de steek gelaten
door deze of gene regering,
door deze of gene partij of premier.
Het is het regeringssysteem,
de constitutionele orde als geheel,
die ons in de steek heeft gelaten.
Het herstellen van Neerlands hoop voor de toekomst,
zijn welvaart en zijn levenskwaliteit
moet dus beginnen
met de verbetering van de Nederlandse democratie,
en dat met een herfundering van zijn grondwet.
Want de ironie is dat degenen
die zich het meest op hun gemak voelen
met onze democratie,
ook degenen zijn die het meest bijdragen
aan de vernietiging van het openbaar bestuur in eigen land.
Want terwijl ze ‘Het (fictieve) Nederlands Verleden’ verheerlijken,
verwerpt het populistische rechts
de principes en waarden waarop dat verleden berustte.
Net zoals ze een pastiche
van het Nederlandse karakter van de jaren vijftig nastreven
(zonder sterke arbeidsrechten, sterke vakbonden,
zonder verzorgingshuizen, publieke nutsbedrijven en diensten),
zo proberen ze ook een pastiche van de Nederlandse Grondwet
van de jaren vijftig te creëren,
zonder de zelfbeheersing, gematigdheid,
het ethos van openbare dienstverlening
en de hoge mate van sociaal vertrouwen
en cohesie die dat systeem
van complexe ongeschreven regels lieten werken.
Zoals we kunnen zien,
van elke wachtlijst voor de jeugdzorg
tot elke krakkemikkige brug of tunnel,
functioneert de Nederlandse staat niet meer zo goed.
Het heeft alle ondeugden uit het verleden,
maar weinig van zijn deugden.
Een terugkeer naar de status quo
van een gefantaseerd ooit is onmogelijk.
Parlementair absolutisme,
getemperd door de ‘goede mensen’-theorie,
is geen haalbare optie meer.
Of we moeten een onaangetast absolutisme accepteren
– wat de agenda is van het reactionaire populistische rechts –
of we moeten de constitutionele hervorming verdiepen
en tot een nieuwe constitutionele regeling komen
voor een Nederlandse natiestaat,
die écht gericht is op het algemeen belang
van de gewone Nederlandse bevolking,
nu nodig is.
Dan is de vraag:
hoe zou een Nederlandse grondwet eruit kunnen zien,
en welke waarden en principes
zouden daaraan ten grondslag kunnen liggen?
Bij het beantwoorden van deze vraag
heeft de christelijke traditie
veel toe te voegen aan het gesprek.
Want christelijke theologen en politieke filosofen
hebben de afgelopen twee millennia
veel inkt gebruikt aan kwesties van goed bestuur,
de relatie tussen kerk en staat,
en wat het betekent
om christen én burger van een aardse staat te zijn.
Er lijkt een veronderstelling te bestaan
– zowel onder voor- als tegenstanders van geschreven grondwetten –
dat een geschreven grondwet
gebaseerd moet zijn op seculiere waarden.
De grondwetten van de Verenigde Staten en Frankrijk
zijn misschien strikt seculier,
maar andere versies van een grondwet
kunnen gebaseerd zijn
op principes die de suprematie van God erkennen,
of expliciet respect hebben voor christelijke principes.
Dit is geen poging tot theocratie.
Een grondwet voor Nederland zou moeten erkennen
dat zij een samenleving is met vele en geen enkele religie.
Het is echter een erkenning dat het christendom
niet alleen onze instellingen heeft gevormd en gesmeed,
maar ook onze opvattingen over goed en kwaad.
Het opgeven van dat alles
zou een ethisch vacuüm in de samenleving creëren,
dat alleen zal worden opgevuld
met steeds grotere vormen van uitbuiting.
Het belangrijkste ethische principe
van de constitutionele democratie
is de erkenning van de menselijke waardigheid.
Aan de oorsprong en grondslag van alle instellingen,
wetten en normen
moeten we ons vastklampen
aan het fundamentele gebod dat christenen de Gulden Regel noemen:
‘Behandel anderen zoals je wilt dat anderen jou behandelen.’
Als we dat principe van menselijke waardigheid loslaten,
is er geen solide basis meer
om een fatsoenlijke, goed geordende, democratische staatsvorm op te bouwen.
Misschien kunnen we dan een nieuw en beter Nederland bouwen.

Plaats een reactie