
Psalm 91
|
1. Wie thuis is bij de hoogste Heer en schuilt in zijn ontferming, die zegt: ‘Bij U leg ik mij neer, mijn toevlucht, mijn bescherming.’ De vogelvanger spant zijn net, de pest zal zich verbreiden – maar over jou zal God, die redt, zijn sterke vleugels spreiden. |
2. De nacht beangstigt je niet meer, de pijl zal je niet raken. Al gaan verderf en dood tekeer, ze kunnen je niets maken. Al sneuvelt er een legioen en moeten slechten buigen, geen onheil zal jou schade doen, jij bent slechts ooggetuige. |
|
3. God is voor jou een toevluchtsoord; Hij opent wijd zijn deuren. De Allerhoogste geeft zijn woord dat niets jou zal gebeuren. Zijn engelen bewaren jou, de HEER zal op je letten. Zelfs leeuwen drijf je in het nauw en adders zul je pletten. |
4. God zegt: ‘Omdat jij mij bemint zal Ik je trouw bewaren. Ik luister als je roept, mijn kind, sta naast je in gevaren. Ik ben het die je vrijheid geeft en jou met eer wil kronen. Ik zorg ervoor dat je lang leeft, mijn redding zal Ik tonen.’ |
Als je psalm 91 leest liegen de gevaren die de dichter omschrijft er niet om. Hij heeft het onder andere over de dood, een plotselinge ziekte en demonische machten, waartegen een mens geen verweer heeft. Het is de harde, soms verschrikkelijke realiteit van het leven die we ook nu met het coronavirus beleven!
In psalm 91 worden alle pijn en moeiten uitgebreid benoemd en beschreven. En er staat dan niet: Wie gelooft in God, de Allerhoogste en de Almachtige, overkomt niets.
De hoofdlijn van deze psalm verzekert ons echter wel dat God ons in al die omstandigheden zal vasthouden en bij ons zal zijn. Het menselijk bestaan wordt altijd bedreigd door ziekte en dood. Maar je bent in zo’n onzeker, fragiel bestaan gezegend met de belofte van een schuilplaats hebt waar je veilig bent. En psalm 91 voegt daar aan toe: je bent dubbel gezegend als je het wonderlijke geheim kent van schuilen bij God. Als je de schuilplaats van de Allerhoogste kent. De schaduw van de Almachtige. Een schuilplaats is geen eindstation. Maar een plek waar je even op adem kunt komen. Waar je kunt bijtanken, moed kunt verzamelen. Kracht en rust kunt vinden om daarna je reis weer te kunnen vervolgen.
Toch geeft de woordkeuze van deze psalmverzen ook iets aan van een blijvende toestand: Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige. Zetelen, overnachten, blijvend je intrek nemen, ze geven iets weer van het geheim dat je ook als je de veilige tempel weer achter je moet laten blijvend kunt vertoeven in de schaduw van de Almachtige. In die schuilplaats mag je overnachten in de beschermende schaduw van de Heere God Zelf.
Dat is het beeld, dat past bij de vertrouwelijke omgang die we met God mogen beleven: ook al is Hij de Allerhoogste en de Almachtige, Hij voelt zich niet te groot voor ons en heeft zelfs een schuilplaats voor je. Gods geborgenheid, dankzij de verzoenende werking van Christus, onze Heer! God heeft een schuilplaats en daar past u ook in! Het vertrouwen dat uit deze psalm spreekt is niet dogmatisch, ook niet magisch, geen hocus pocus maar door en door relationeel. Door juist ook deze woorden te zeggen, te zingen spreekt je dit wonderlijke vertrouwen niet alleen uit maar vaak vooral ook ín: mijn toevlucht, mijn burcht, mijn God op wie ik vertrouw.
Dat geheim hebben kwetsbare, gelovige mensen in alle tijden opnieuw ontdekt en ervaren. Dat geen ziekten, machten, duivel of dood je kan scheiden van de liefde van God in Christus Jezus. Dat je in dit alles, hoe verdrietig, hier verschrikkelijk ook, meer dan overwinnaar kunt zijn dankzij hem die ons heeft liefgehad. Dat je blijvend kunt zetelen in de schuilplaats van de Allerhoogste, in wisselende omstandigheden kunt overnachten, vertoeven in de schaduw van de Almachtige.
