Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en bestaan wij; zoals ook enkele van uw dichters gezegd hebben: Want wij zijn ook van Zijn geslacht. (Handelingen 17: 28)

Je hoort het regelmatig om je heen: denk je nu echt dat het wat uit maakt, wat ik doe? Dat hele kleine gebaar wat ik doe heeft toch op wereldniveau totaal geen zin! Ik moet dan altijd denken aan de theorie van het vlindereffect. Ergens op de wereld kan de vleugelslag van een vlinder tot het effect hebben dat ergens anders, ver weg, er uiteindelijk een orkaan door wordt veroorzaakt. Alles haakt in elkaar. Vertaald naar onze situatie? vlindersDat kleine, ogenschijnlijk onzinnige, nutteloze, wat jij doet kan uiteindelijk bijdragen aan iets heel moois. Dat simpele karweitje, dat vriendelijk woord. Over duurzaam gesproken…! Wij zijn van het geslacht van God, zijn Zijn kinderen. Dat mag wat betekenen: vernieuwd worden.uit zijn op rechtvaardigheid. Anders leren leven. Weten dat zelfs het minste wat we doen mogen doen uit de kracht in Wie wij leven, bewegen en wij bestaan. Met die zegen mogen we er van verzekerd zijn dat ons handelen een verschil kan maken. Misschien mag het uiteindelijk bijdragen aan de revolutie waardoor Gods Koninkrijk mag gebeuren op deze aarde. Als door de vleugelslag van één enkele vlinder…

Dus eet je brood met vreugde, drink met een vrolijk hart je wijn. Geniet van het leven met de vrouw die je bemint. Geniet op alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven. (Prediker 9: 7, 9)

Geniet! Het klinkt vandaag de dag zo’n beetje als een modern gebod. Pluk de dag, laten we eten en drinken want morgen sterven wij. Zou de Bijbel het dan toch hebben over onbegrensd vrolijk zijn, alleen maar feesten? Nee, dan moet ik je teleurstellen. Wijn was in het oude Israël een drank voor alledaags gebruik, net als bij ons koffie of thee of wat je ook maar dagelijks veel drinkt. Zo staat de wijn symbool voor het alledaagse leven. Geniet nooit met mate

Eigenlijk gaat het over ons, soms zo oersaaie, leven van alledag, steeds weer die zelfde dingen die elke keer weer terugkeren. ‘Doe het met vreugde’ zegt de Prediker dan. Wees niet somber en neerslachtig, durf te leven! Dat is waar de Prediker ons toe oproept. ‘Maar’, hoor ik je dan vragen, ‘is het niet wat goedkoop en ongepast. Er is toch zoveel armoede en verdriet in de wereld?’ Lees de woorden van de Prediker dan maar eens goed: hij neemt het leven ernstig, maar God wil dat we daarnaast ook vrolijk zijn. Want uit alles mag je weten dat God bezig is met zijn geschiedenis. De aarde mag weer een paradijs worden. Daarom: Geniet!

Juist in deze Veertigdagentijd, deze lijdenstijd, tijd voor Pasen  probeer ik in mijn columns extra stil te staan bij wat ik vind als een centraal punt in deze tijd: bezinning op je eigen handelen, een ‘conversio mores’, een  proces van voortdurende `bekering`. Deze ‘conversio’ hoort oorspronkelijk tot de kern van de gelofte van een monnik, die zich gedurende zijn hele verdere leven wil richten op verbetering van zijn verstaan van het christelijk geloof, maar ik denk dat dit tot de kern van ieder die gelooft mag behoren. Een andere term voor bekering stamt uit het Grieks ‘metanoia’ en betekent letterlijk ‘je denken veranderen’ of zoals ik het zelf eerder vertaalde ‘omdenken. Kortom, het zijn allemaal termen die dezelfde lading dekken. De grondslag voor christelijk handelen is wat mij betreft psalm 51 zo treffend stelt: ‘Schep, o God, een zuiver hart in mij, vernieuw mijn geest’. Een levenslang proces.

De reden waarom ik dit zo aan mijn blog toevertrouw is het berichtje wat ik laatst las waarin stond dat de term ‘bekering’ volgens sommige theologen buiten de kerk niet meer bruikbaar is en dat het zelfs binnen de kerk nogal wat verlegenheid oproept. Gemeenteleden weten niet wat ze ermee aan moeten en predikanten hebben geen antwoord. Sommigen zeggen dat de kerk dit aan zichzelf te wijten heeft dat bekering ‘weerzinwekkend’ is geworden. ‘Dat komt, zo wordt in het bericht gesteld,  door de manier waarop het evangelie is gebracht, gepaard met machtsmisbruik. Galaten 5Tot mijn verbazing las ik dat dat een zekere predikant het moeilijk vond bekering uit te leggen aan gemeenteleden. Ze vragen dan al gauw: ‘Wat moet er dan veranderen, dominee?’ Misschien ben ik naïef maar ik zou dan wijzen op wat Paulus in de Galatenbrief de vrucht van de Geest noemt: liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Dat zijn mijns inziens al heel wat verander- en verbeterpunten waar iemand zijn leven lang mee bezig kan zijn. Het vergt soms heel wat om een ingesleten patroon te doorbreken, maar dan blijkt daaruit dat er een nieuwe realiteit in iemands leven kan komen.

Blijft daarmee ‘bekering’ alleen maar een binnenkerkelijk begrip dat zelfs daar ook al op veel onbegrip stuit? Ik waag het te betwijfelen. ik denk dat in de huidige maatschappij waar hardheid, egoïsme, ongebreideldheid, onmatigheid op allerlei vlakken zijn slachtoffers heeft gemaakt er nog steeds behoefte is (een markt voor is 😉 ) om mensen op te roepen om om te keren, zich te bekeren, van deze heilloze weg. Een misschien niet in al zijn facetten al te geslaagd voorbeeld  van zo’n oproep was de Occupybeweging die enige tijd geleden tijdens de banken- en schuldencrisis actief waren om bepaalde, in hun ogen foutieve handels- en denkwijze aan de kaak te stellen. Zij hebben er in ieder geval voor gezorgd dat mensen zich gingen bezinnen. en dat er, zij het op beperkte schaal, een omkering plaatsvond. Een omkering in denken die mensen ertoe heeft aangezet andere wegen te overwegen.

Bekering, conversio mores, metanoia. Ik denk dat het nog steeds begrippen zijn die buiten de kerk (en binnen de kerk) nog steeds zeggingskracht hebben. Maar dat ze schuren aan de dagelijkse praktijk; dat is een ander verhaal…

Vandaag las ik de tekst van Moeder Teresa ‘Wat wij doen is slechts een druppel in de oceaan. Maar als we het niet deden, zou de oceaan kleiner zijn vanwege deze ontbrekende druppel’.

Ik kwam op deze tekst toen ik wat zat na te denken naar aanleiding van de titel van mijn column van deze week. Een ‘mer à boire’, een zee om leeg te drinken, staat voor een onbegonnen werk. Ja, zo gezien lijken veel zaken in het leven soms een onbegonnen werk. Moeder TeresaMaar het helpt om een uitdrukking vanuit een ander perspectief te zien, zoals Moeder Teresa dat deed. Al lijkt onze arbeid soms nutteloos en draagt het ons inziens weinig bij aan het oplossen van wereldomvattende problemen, ze hebben wel degelijk nut.

Vanuit dat perspectief kun je het Veertigdagenproject 2013 van Kerk in Actie en Stichting Present misschien ook zien. Ze organiseren in de Veertigdagentijd zogenaamde Veranderdagen. Ieder lid van de Protestantse Kerk kan zich inschrijven voor de Veranderdagen en in de regio de handen uit de mouwen steken voor kwetsbare mensen buiten de kerk. De deelnemers maken kennis met mensen die ze anders waarschijnlijk niet zouden ontmoeten. Misschien lijkt het op mondiale schaal maar een miniem druppeltje in de oceaan of op de gloeiende plaat, maar als we het niet deden wat dan?

Wellicht schat ik het initiatief van de Wereldbank ook zo in. Zij zoekt namelijk een einddatum voor armoede. Dat stelde de nieuwe president van de ontwikkelingsbank, Jim Yong Kim. In eerste instantie kwalificeer je zo’n oproep als volledig absurd. Onbegonnen werk. Armoede de wereld uit… en bij de eerste de beste crisis in de westerse wereld, een van de grote gelddonoren, wordt er gekort op de gelden die naar armoedebestrijding gaan.

En toch, zo’n initiatief vormt een druppel in de oceaan, in het perspectief van Moeder Teresa althans. Maar het helpt anders te denken, om te denken. Zogezegd een Veranderdag in één uitspraak.

Deze week begon voor de christenen de Veertigdagentijd.  Deze periode is van oudsher een tijd van inkeer, bezinning en gebed ter voorbereiding op Pasen. Het is een bekeringstijd. Ommekeer, verandering, en wat mij betreft ook een periode van omdenken

‘Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout gemaakt worden?                                                                                                                   Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt.’                                                                                                                                                                                                               Matteüs 5: 13

Een aantal jaren geleden ben ik deze weblog begonnen en heb er de naam ‘Brandend zand’ voor gekozen. Brandend zand omdat heet zand kan branden onder je blote voeten. Zand kan schuren, polijsten, kan iets moois van iets maken. Ook zout kan een zelfde soort eigenschap hebben. Het kan iets reinigen, het kan branden, zelfs pijn doen. Zout kan een smaakmaker zijn voor eten. Jezus heeft het over het zout der aarde. Hij spreekt deze woorden uit als slotstuk van de zogenaamde Bergrede. Die rede is een verzameling praktische leefregels voor mensen om zo Jezus te volgen. Regels over barmhartigheid, het doen van goede werken, ruzies en meningsverschillen bij te leggen enzovoorts worden zo door Jezus als leefregels aanbevolen voor zijn volgelingen. Later zou Hij deze regels in feite inpassen in Zijn ‘grote gebod:  ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf.’ (Matteüs 22: 37-39) In het evangelie naar Marcus staat daar nog een vers voor: ‘Luister, Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer’ (Marcus 12: 29). Deze toevoeging staat er niet zomaar. Deze woorden heten ook wel het Sjema Israel: Het Sjema geeft uitdrukking aan het absolute geloof in God en komt uit het Oude Testament (Deuteronomium). In de Joodse godsdienst is dit heen vast onderdeel van onder andere het dagelijks ochtendgebed. Je zou dus kunnen zeggen dat door het grote gebod vooraf te laten gaan door dit Sjema Israel ermee bedoeld wordt dat deze leefregels onze dagelijkse praktijk moeten zijn. Maar willen we dat nog wel zijn: zoutend zout, anders dan de anderen, smaakmaker zijn?  Maar zijn we dat wel? Of zijn we een flauw hapje zonder smaak? Delen we de zouteloze praatjes die geen pijn doen? Waardoor we niet uit de toon vallen, niet af wijken, niet opvallen?

Kortom: zijn we liever zoethoudertje dan smaakmaker?

Ik vertel niemand een geheim dat in deze tijd de secularisatie, de ontkerkelijking  met kracht om zich heen slaat. Kerken kunnen hun leden niet meer zo vast houden, zoals dat wel voorheen leek te lukken. Waar vroeger de kerken op zondagen nog vol zaten, lijkt het wel of het ‘kerkvolk’ nu haar spirituele heil elders zoekt. Nee, niet dat Nederland en masse ‘van God los is’, dat zeggen de cijfers wel waaruit blijkt dat de mens ongeneeslijk religieus blijkt te zijn. Maar toch, in de kerk komen ze niet meer.  Nu is er vreugdevol nieuws: zo te horen hebben kerken het panacee gevonden om mensen vast te houden en zelfs misschien weer voor nieuwe aanwas te zorgen.

Overal in den lande worden Pioniersplaatsen, Missionaire gemeentes of wat voor termen men er ook voor gebruikt ingesteld en worden predikanten bijgeschoold. Want, zo leerde ik laatst uit een artikeltje in Trouw ‘de preken niet meer aansluiten bij de belevingswereld van de kerkgangers aan’. Nu horen jullie mij niet zeggen dat een preek die aansluit bij de actualiteit niet nodig is, maar toch zet ik vraagtekens en voetnoten bij zo’n opmerking. Want waar leggen we het uitgangspunt van de kerkdienst? Ligt dat primair bij het  individu? Wat beleef jij aan de kerkdienst? Hoe raakt het jou?

De Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer stelt  in zijn boekje ‘Het wezen van de kerk’, colleges over ‘de leer van de kerk’ (uit de dertiger jaren van de vorige eeuw!)  stelt dat het primaat ligt bij de samenkomst. ‘In de samenkomst gebeurt het, dat men de Geest ontvangt, gebeurt het wonder’. Ook bij de Reformatie, zo gaat Bonhoeffer verder, wordt het belang van de samenkomst in acht genomen. De reformatoren willen wel de vrije zelfstandigheid  tegenover de kerkdienst, maar geen vrijheid van het individu ver van de samenkomst. Het ontspoorde echter toen in het protestantisme het accent kwam te liggen op de ervaring. Dan draait het om de individualistische vraag ‘Wat heb ik er aan?’ De typisch individualistische constateringen over bijvoorbeeld de onaantrekkelijkheid van kerkdienst, de slechte preken zijn dan onvermijdelijk. Men kan tenslotte, zo stelt Bonhoeffer, geen aannemelijke argumenten meer aanvoeren om de samenkomsten te bezoeken. Voorstellen tot verbetering, vernieuwing en activering, zo gaat Bonhoeffer verder, zijn er tegenwoordig (!) genoeg in de kerk. Maar de grondslag is overal de vrome ervaring.  En dat is volgens hem geen goed uitgangspunt.

Dit werd gesteld in de jaren ver voor de Tweede Wereldoorlog. In onze tijd zien we nog steeds een zelfde soort  beweging bij de kerk en de kerkgangers. Moeten we het hebben van het aanbieden van allerlei leuke, aangename religieuze theorieën waar het publiek naar harte lust in kan grasduinen en kan pakken wat hem of haar aanstaat en de rest in de bak kan laten liggen? Smeren we alles dicht met een theologie dat God overal en altijd bij je is? Gaan we zitten op de beleving van de mensen, onder het mom van ‘u vraagt en wij draaien’? Aansluiten bij de beleving van de mensen die bijvoorbeeld alleen in de kerk komen om bemoedigd te worden?

Een interessante mening hierover staat geschreven in Provocatie van Willem Maarten Dekker. In diepste essentie, zo zegt hij, gaat het om de radicaliteit van geloven. Geloven kost wat. Het vraagt om een totale, volledige overgave. Je ontmoet een God die aanwezig is, maar soms ook afwezig. Kortom, een God die niet altijd even sociaal acceptabel overkomt.

En of dat geloof nu grote groepen trekt of niet, de essentie van het Woord moet verkondigd worden. Een boodschap dient niet altijd even sympathiek overkomt. Voor een christelijk geloof dat in het Westen eeuwenlang in het middelpunt heeft gestaan is dat misschien even slikken. Kerk in de marge worden is zeker geen fijn proces.

Beleef de kerk? Ja, beleef de kerk! In haar samenkomsten, in een Woordverkondiging die een compromisloze, ongepolijste, tegendraadse boodschap van de Bijbel voor de wereld heeft.

‘Elk zevende jaar moet u algemene kwijtschelding verlenen.’ Dit is een tekst uit het boek Deuteronomium uit het Oude Testament. Het Schriftgedeelte uit hoofdstuk 15 handelt over het zogenaamde sabbatsjaar waarin een schuldeiser zijn schulden aan zijn schuldenaar moet kwijtschelden. In het gedeelte wordt ook aandacht besteed aan lenen. ‘Zou er in een van de steden in het land dat de HEER, uw God, u zal geven toch iemand uit uw eigen volk gebrek lijden, dan mag dat u niet koud laten. U mag uw hand niet op de zak houden, maar u moet diep in de buidel tasten en hem lenen zo veel als hij nodig heeft.’ staat er dan.

Mmh, ongemakkelijke tekst, zeker als er ook nog de nadruk op gelegd dat als iemand geld leent en je weet dat het jaar van de kwijtschelding er aankomt, je een vraag om een lening niet naast je neer moet leggen ook al weet je dat je het geleende niet terug zult krijgen.

Vanwege de huidige crises in Griekenland en Ierland en de verwachte crises in andere landen is het toch bijna de algemene mening dat we deze landen geen geld meer moeten lenen; immers, zij hebben er toch zelf een zootje van gemaakt!

Het idee lijkt ‘Wij zijn rijk, zij zijn arm en en de armen zijn zelf ook nog de oorzaak van hun armoede. Dus laat ze hun eigen problemen maar oplossen.

Onwillekeurig moet ik dan denken aan de uitspraak van Adam Smith, de grondlegger van het de moderne economie. Hij schreef: ‘de neiging om rijken en machtigen te aanbidden en de armen te verachten is de grootste oorzaak van de teloorgang van onze moraal. Rijkdom bewonderen en armoede verachten  en succes boven falen bewonderen is het grootste gevaar in de commerciële samenleving.’  Smith had het helaas maar al te goed door, zelfs voordat de moderne economie werkelijkheid werd kende hij de aangeboren neiging van een mens.

Deuteronomium wist het eeuwen eerder al: ook rijk zijn is een belasting

Vanmorgen besprak ik met een clubje theologen de preektekst die volgens het oecumenisch leesrooster voor zondag aanstaande aan de beurt is: Exodus 23,1-17.  Het gedeelte staat in het teken van een uitwerking van een aantal geboden. Vers 8 bleef bij mij haken Neem geen steekpenningen aan, want steekpenningen maken zienden blind en maken eerlijke mensen tot leugenaars. Ik moest denken aan de beelden van de verhoren van de commissie De Wit omtrent de bankencrisis. Hoe kunnen mensen als een Rijkman Groenink zonder verblikken of verblozen hun handelen rechtvaardigen en totaal niet begrijpen dat ze gecorrumpeerd zijn. Daarom ook misschien het opschrift voor deze column uit Ezechiël 14,3 uit de oude NBG 51-vertaling.

Maar… we moeten niet alleen maar naar anderen wijzen als het om deze zaken gaat: hoe zit het met ons zelf als wij ons leven leggen naast de woorden uit Exodus 23,1-17? Hoe gaan wij om met dit alles, met geld en macht en onze houding jegens vreemdelingen?

Wel stof tot nadenken in deze tijd, lijkt me.

Met psalm 51 mogen we dan vragen Schep in mij, God, een hart dat leeft in in ’t licht

Vanavond kun je op tv kijken naar een nieuwe editie van de Nationale Bijbeltest, een initiatief dat is opgestart bij de introductie van de Nieuwe Bijbelvertaling in 2004. Vanavond zal deze Bijbeltest in een nieuw jasje op de tv worden gebracht onder een nieuwe naam: de Grote Bijbelquiz. Volgens de presentatoren: meer inhoud, minder show. Want het showelement is niet nodig, men hoeft geen mensen te teasen om de Bijbel te lezen, want de meeste kijkers hebben sowieso interesse in de Bijbel. Vanavond wordt de aandacht meer gelegd om de verbinding van de Bijbelse cultuur met onze wereld en cultuur.

Een van de presentatoren is Jacobine Geel, theologe en presentator die namens de NCRV aan het project deelneemt. Als theologe onderzoekt ze voortdurend ‘de band tussen de Bijbel en de door dat boek geïnspireerde traditie en mijn eigen tijd.’ Ook preekt ze af en toe. Ze ‘verbaast’ zich erover dat ‘dat eeuwenoude boek blijft spreken; Het zet aan tot nadenken, en soms knaagt het aan m’n geweten.’ Voor Geel is de Bijbel vooral een boek ‘om mee in gesprek te zijn, geen boek met recepten voor hoe nu te leven’. B.I.J.B.E.LTegelijkertijd wil ze zich ‘zelfs af en toe laten gezeggen door de Bijbel.’ ‘Een vraag als: ‘wie is uw broeder?’ daagt uit om uit je kleine wereldje te stappen en te kijken naar het grote geheel. ‘We willen overbrengen dat de Bijbel voor ons een boek van waarde is. Het is het mooiste als het boek gaat leven voor mensen.’

Eerlijk gezegd vind ik dit mooie vrome woorden, maar voor mij persoonlijk blijft het bij mij kriebelen: als je Bijbel ziet als mooi boek met verhalen die soms aan je geweten knagen, waarin ontstijgt de Bijbel dan de andere ‘wijsheids-‘literatuur?

Vandaag is de Bijbel10daagse 2009 van start gegaan. bijbeltiendaagseTien dagen meer aandacht voor de Bijbel; want de boodschap die van de Bijbel uitgaat is een boodschap voor iedereen, zo meldt de site van de organisator het Nederlands Bijbelgenootschap. Interessant detail is het feit dat er als plaats voor de start van dit evenement gekozen is voor boekhandel Dominicanen in Maastricht. Deze plaats is interessant omdat deze boekhandel is gevestigd in een voormalige kerk van de orde der dominicanen. Een kerk dus van de dominicanen of  predikheren. Deze orde is in 1216 gesticht door Dominicus Guzman om het geloof te verspreiden door middel van preken en onderwijs. Dat een Bijbel10daagse hier van start gaat zegt heel wat. De Bijbel moet weer opnieuw onder de aandacht van de mensen worden gebracht en de boodschap van het Woord moet weer bij de mensen worden gebracht, zeg maar weer bepreekt worden. Want helaas valt er te constateren dat het gaat om een voormalige kerk, het christendom in Nederland krimpt, ontkerkelijkt en de bekendheid met die godsdienst en haar cultuur neemt af.

Heel grappig is het dan ook gelijktijdig de leescampagne Nederland Leest 2009 van start is gegaan. Deze campagne is decpnb ned-leest  typo_JS3.inddstijds opgezet om ‘ontlezen’ Nederlanders weer aan het lezen te krijgen. Dit jaar is er aandacht voor het boek Oeroeg van Hella Haasse. Het boek handelt over vriendschap en cultuurverschillen.

Misschien was het dit jaar verstandig geweest om de twee campagnes dit jaar te combineren. Immers, er treedt ook meer vervreemding op tussen de christelijke cultuur en de niet-christelijke cultuur. Er moet weer nieuw onderwezen worden aan mensen wat de Bijbel en  de christelijke cultuur voor Nederland heeft betekend én wat zij voor Nederland ook in de toekomst kunnen betekenen. Dat geldt mijns inziens ook voor de mensen onderling”vanuit verschillende culturen moeten we elkaar proberen te verstaan en dat kan ook door het lezen van elkaars boeken.

Nederland Leest tien dagen de Bijbel om christenen beter te begrijpen. En op Bijbelzondag (een traditie om op de zondag die valt in de periode van de BijbelTiendaagse aandacht te besteden aan het thema van de Bijbel10daagse) wordt er in de kerken gepreekt over het thema: zorg dat ik weer kan zien. Zien om tot meer begrip te komen tussen de verschillende culturen in Nederland, meer begrip. En voor christenen, dat zij de boodschap van evangelie mogen zien, begrijpen en in praktijk  mogen brengen.