Het is oneerlijk verdeeld in de wereld.
Daarmee vertel ik u niets nieuws.
Het is oneerlijk verdeeld, als je kijkt naar rijk en arm, zeker wereldwijd.
De één baadt in weelde;
de ander weet nauwelijks hoe hij de dag van vandaag door moet komen,
laat staan de dag van morgen.

Het is oneerlijk verdeeld, ook als je dichter bij huis blijft.
Het leven lacht de één toe: goede baan, mooi huis, succesvolle kinderen,
noem het maar op – tenminste, dat is de buitenkant die we zien.
Maar toch…
De ander, ach dat is zo’n gezin, daar is de ene ellende na de andere,
gezondheidsproblemen, kinderen met een rugzakje,
twaalf ambachten dertien ongelukken, er is altijd wat.
Zorgen genoeg, en dan komen er soms ook nog de zorgen van anderen bij;
want dat lijkt elkaar soms aan te trekken.

Het is oneerlijk verdeeld.
Dat geldt eigenlijk in voor deze gelijkenis.
Meteen al vanaf het begin.
Een heer gaat voor lange tijd op reis
en draagt het beheer van zijn bezit over aan zijn personeel.
De één krijgt vijf talent – dat is een bepaald bedrag;
de ander drie en de derde één talent. Oneerlijk verdeeld, zou je zeggen.

Ja, de één heeft nu eenmaal meer talenten dan de ander.
Of moet je zeggen, we hebben allemaal talenten gekregen,
maar wel verschillende?
Bij ons is het woord talent gaan betekenen,
een bepaalde begaafdheid die je hebt meegekregen.
De één is nu eenmaal muzikaal, de ander is handig
allemaal talenten die ik bijvoorbeeld mis.
Maar ik kan weer andere dingen.
Iedereen heeft een talent, en dan zeggen wij:
je moet je talenten ontwikkelen.
Woekeren met je talenten.
Dat komt letterlijk bij deze gelijkenis vandaan.

Dat mag zo zijn, toch klopt dat niet helemaal.
Want talent betekent hier, zoals ik al zei,
een bepaald bedrag aan geld, nog preciezer een bepaald gewicht.
Talent is een Bijbelse gewichtsmaat.
De heer verdeelt zijn bezit en geeft het in beheer, voor de tijd dat hij weg is.
Hij vertrouwt het toe aan zijn personeel.
Dat is de betekenis van de talenten.
Het staat voor het vertrouwen dat de heer schenkt aan zijn personeel.

Maar dan blijft dat het oneerlijk verdeeld wordt.
De één vijf, de ander twee, de derde maar één.
En als aan het einde de heer weer terugkeert
en verantwoording vraagt,
dan is het verschil nog groter geworden.
De eerste heeft er tien van gemaakt, de tweede vier.
Beiden hebben ze het bezit verdubbeld.
De derde heeft er niks mee gedaan.
Uit angst heeft hij het begraven,
zodat hij het ongeschonden maar ook ongebruikt aan zijn heer terug kan geven.
‘Ik heb er toch goed op gepast?’
Maar daar komt hij dus niet mee weg.

 

Uiteindelijk belandt Jakob in Sukkot.
‘Sukkot’ is een plaats die we allemaal wel kennen en aandoen.
Het zijn de momenten waarop we terugvallen
in taaie, oude, ongezonde patronen.
‘Sukkot’ staat voor ons gesukkel.
Ons onvermogen om ons leven blijvend te vernieuwen.
Jakob is na Pniël weliswaar drager van een nieuwe naam: Israël.
Maar in de tijd na Pniël wordt hij, als ik goed tel,
nog twee maal zo vaak aangesproken
met zijn oude naam Jakob dan met zijn nieuwe naam Israël.

En in de volgende hoofdstukken treffen we steeds een wonderlijke mix aan
van Jakob en Israël verenigd in één en dezelfde persoon.
Genesis 34 gaat over het drama van de verkrachting van zijn dochter Dina,
de uitzinnige wraak van zijn zonen hierop resulterend in een bloedbad.
Jakob maakt in dit hele gebeuren een afwezige,
lakse, krachteloze en passieve indruk.
Maar een hoofdstuk later treffen we dan weer een bezielde man aan
die met zijn hele clan naar Bethel trekt
voor een proces van reiniging en vernieuwing van het verbond met God.
En daar, bij Bethel, bevestigt de Heer Jakobs nieuwe bestaan:
Hij zei: ‘Tot nu toe heette je Jakob.
Die naam zul je niet langer dragen:
Israël is je nieuwe naam.’ (Genesis 35,10)

Die tweestrijd in deze man tussen Jakob en Israël
wordt voor mij gevangen in dat ene beeld.
Als deze tweemens Pniël achter zich heeft gelaten,
lees ik in de Naardense Bijbel:
‘Dan gaat de zon over hem stralen zodra hij Penoeël (Pniël) is doorgestoken;
maar hij loopt voortaan mank, om zijn heup.’ (Genesis 32,32)
Dat beeld beklijft.
Waar het lang donker was in Jakobs leven
kan nu echt de zon weer gaan schijnen.
Het is echt een andere, nieuwe tijd.
Iedere stap die deze man zet, brengt hem dichterbij huis.
Maar als je goed kijkt, zie je,
dat iedere stap tegelijk ook iets anders zichtbaar maakt.
Deze man loopt kreupel, vanwege een mankement aan zijn heup.
Deze drager van een nieuwe naam, is tegelijk een getekend mens.

Jakob trekt en sleept voortaan met zijn ene been.
Hij zal vast nog vaak op de zaken vooruit willen lopen.
Ongetwijfeld zal hij opnieuw dwaalwegen inslaan
en zich soms toch weer in rare bochten wringen.
Maar steeds zal dat ene manke been hem in de weg zitten.
Hem herinneren aan Pniël en het gezicht van God.
Hem doen terugdenken aan de verzoening met Esau.
Dit mankement zal hem er toe aanzetten
zich steeds opnieuw te wenden tot de ander.
De ander in de ogen de zien, in verbinding te treden.
En zo in kleine stapjes steeds opnieuw een beetje heel te worden.

Jakob met zijn manke been kan steeds minder goed uit de voeten als jager.
Maar juist dankzij zijn mankement is hij meer en meer het type herder.
Het is een detail dat eigenlijk alles zegt:
Als Jakob op weg gaat naar Sukkot zegt hij:
‘ik pas me aan het tempo van het vee dat ik bij me heb
en aan dat van de kinderen.’ (Genesis 33,14)
Jakob 2.0, die nu Israël heet, is al bij al vaker een fijnere reisgenoot.
Minder gejaagd, meer in verbinding.

 

De musical Jesus Christ Superstar
viel laatst weer behoorlijk in de prijzen, dit keer bij de Musical Awards 2024.
Deze musical – die oorspronkelijk in 1971 voor het eerst het levenslicht zag –
werd door de jaren heen een aantal keren in Nederland op de planken gebracht.

Waar vroeger de gemiddelde christen niet gezien wilde worden,
is tegenwoordig de tone of voice van de christenen een stuk milder geworden.
Er is een ook open en soms zelfs ronduit positieve houding
tegenover de musical vanuit veel christelijke media.
Je ziet daarin een verandering ten opzichte van weleer.
De vraag kan gesteld worden waarom dit zo veranderd is?

De Jesus Christ Superstar van 2024 is niet de Jesus Christ Superstar
die eerder in Nederland werd opgevoerd.
De insteek is net even weer anders dan in oudere versies.
Zo is deze uitvoering ‘rauwer’, aldus het Nederlands Dagblad
en sluit het meer aan op de moderne tijd.
Maar is er inhoudelijk ook veel veranderd?
Is het verhaal bijvoorbeeld nu wel Bijbels te verantwoorden
en wordt aan de goede boodschap van Jezus
en zijn verlossing en genade nu wel recht gedaan?
Is dat waarom de reacties zo open en positief zijn?
Het antwoord daarop moet ‘nee’ zijn.
Zo is er ook in deze editie een romantische spanning
tussen Jezus en Maria Magdalena
en Judas is nog steeds een soort van ‘held’
waar de makers begrip en een zekere sympathie voor proberen te kweken.
Maar wat een groter en meer fundamenteler probleem vormt
is dat het evangelie er niet in zit, ja, dat het zelfs verdraaid wordt.
Zo gaat het nergens over zonde en vergeving.
Ook sterft Jezus niet aan het kruis en dientengevolge is er ook geen opstanding.
Als er in Jesus Christ Superstar iets van een ‘evangelie’ wordt verkondigd
is dat geen Bijbels evangelie.

Wat is er dan veranderd?
Wat wel is veranderd is het Nederlandse christendom.
Zoals ik al eerder schreef dat je als christen
vroeger niet naar deze voorstelling ging vanwege de aard en inhoud,
is het nu best interessant om voor de verandering
het verhaal van Jezus uit dit perspectief te bekijken.
Dat kan dan verrijkend werken voor je eigen visie en geloof.
Ook willen we vandaag minder stellig zijn met ons oordeel,
want wie weet wat voor goeds deze musical
nog kan uitwerken bij mensen?
Misschien komen er wel mensen dichterbij God
of raken ze geïnteresseerd in geloof en Jezus door de voorstelling.
Daar kun je toch niet tegen zijn!
En natuurlijk, daar zit allemaal wel wat in,
ware het niet dat in Jesus Christ Superstar van 2024
nog steeds het evangelie zelf wordt verdraaid en aangetast.
En zoals Paulus ons al leert
moeten we elke evangelie dat niet overeenkomt
met de Bijbelse onderwijzing daarover, pertinent en volledig afwijzen:
‘er is geen andere waarheid!
Mensen brengen jullie in de war.
Zij willen van alles veranderen
aan het goede nieuws over Christus.
Maar wat ik verteld heb, is de waarheid.
Als iemand iets anders vertelt,
dan zal hij door God gestraft worden. ’ (Galaten 1: 7-8)

 

‘De broers vergeven elkaar.’

Op dat moment denk je als lezer en toeschouwer:
Wow!
Alles is nu toch helemaal goed gekomen.
En je denkt te weten hoe dit verhaal verder zal gaan.
Ze vertellen elkaar hoe goed God voor hen is geweest al die jaren.
En als Ezau Jakob uitnodigt met hem verder te reizen naar Seïr,
neemt Jakob de uitnodiging blij en dankbaar aan.
En de twee broers, die jarenlang van elkaar vervreemd zijn geweest,
reizen nu schouder aan schouder samen verder, terug naar huis.
Hoe goed is het, hoe heerlijk als broeders bijeen te wonen!

Toch is dat niet helemaal hoe het gaat met Jakob en Ezau.
Jakob gaat niet op Ezau’s uitnodiging in.
Hij wijst de uitnodiging ook niet beleefd af maar doet toch weer een ‘Jakobje’, zijn typische handelswijze.
Wat we lezen is dit:
‘Hierna zei Ezau: Laten we verdergaan, ik zal je vergezellen.
Maar Jakob antwoordde:
‘Mijn heer weet hoe zwak kinderen zijn,
en ik heb de zorg voor zogende schapen, geiten en runderen.
Als die ook maar één dag worden opgejaagd, gaan ze allemaal dood.
Laat mijn heer toch voor zijn dienaar uit trekken,
dan zal ik hem op mijn gemak naar Seïr volgen
en mij aanpassen aan het tempo van het vee dat ik bij me heb
en aan dat van de kinderen.
Ezau zei: ‘Laat me dan tenminste een paar van mijn mannen bij je achterlaten.
Maar Jakob sloeg dat af: ‘Waarom al die moeite?
Het is mij voldoende dat mijn heer mij goedgezind is.
Diezelfde dag nog keerde Ezau terug naar Seïr.
Jakob echter reisde naar Sukkot en bouwde er een huis.’ (Genesis 33,12-17).

Jakob is notabene bij de Jabbok door de Heer zelf gezegend.
Hij is ondanks alles zojuist hartelijk en vol liefde en vergevingsgezindheid
in de amen gesloten door zijn broer.
En toegegeven: hij stelt zich in de ontmoeting met Ezau kwetsbaar en nederig op.
Maar toch, heel worden en heel blijven, is en blijft een proces.
Zijn vertrouwen in Ezau en in de zegen van God is kennelijk nog flinterdun.
Hij zegt en belooft het één maar doet toch weer iets anders.
En daarmee beschadigt hij het broze vertrouwen van zijn broer
en zet hij zijn heelheid opnieuw op het spel.

 

We gaan verder met het thema tweestrijd:

Bij Paulus, Jezus en Jakob zien we een tweestrijd.
Paulus lijkt te stikken in zijn tweestrijd en zegt:
‘Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan.’
Maar hij vindt een tweede adem
als hij zich in zijn tweestrijd wendt naar zijn God:
‘God, zij gedankt, die ons redt door Jezus Christus, onze Heer.’ (Romeinen 7,24-25)
Zo verzoent Paulus zich met zijn gebroken bestaan.
En begint hij aan de mooiste, meest krachtige passage die hij ooit heeft geschreven.
Romeinen 8 dat uitloopt op de vaststelling dat niets,
ook geen enkele tweestrijd,
ons zal scheiden van de liefde van God in Christus Jezus onze Heer.

Jezus wordt innerlijk verscheurd door tweestrijd.
Hij kruipt als een worm door het stof in bloed, zweet en tranen.
Hij hervindt zichzelf als hij zich in zijn tweestrijd
tot driemaal toe wendt naar zijn hemelse vader.
‘Abba, Vader’, horen wij hem bidden in de nacht.
Zo richt hij zichzelf op en zegt daar in Getsemané:
‘Sta op, laten wij gaan.’
Zo verzoent Jezus zich met zijn weg.
Met het kruis dat Hij zal dragen.

En ook bij Jakob gebeurt iets van heelheid juist
in de ontmoeting met de ander.
Eerst wordt hij gedwongen God in de ogen te kijken bij Pniël.
En daarna kijkt hij Ezau in het gezicht.
En voor beide ontmoetingen gebruikt Jakob soortgelijke woorden.
Na Pniël zegt hij:
‘Ik heb God gezien, van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is gered.’ (Genesis 32,30)
En als hij Ezau ontmoet:
‘Ik heb uw aangezicht gezien, alsof ik het aangezicht van God zag
en u bent mij goedgezind geweest.’ (Genesis 33,10)

 

In de naam Israël zit iets dubbels.
De Bijbelschrijver mag dan wel vertellen
dat de naam betekent dat Jakob strijdt met God en mensen.
Maar taalkundig betekent Israël: Gód strijdt.
God strijdt voor en met Jakob.
Dat is het diepste geheim van de zegen die Jakob ontvangt.
Dat dubbele zat wellicht ook al in in zijn eerste naam Jakob.
Die vertalen we doorgaans als hielenlichter, bedrieger
en dat is ook wat Bijbelschrijvers doen.
Maar die naam kwam in oude Semitische talen vaker voor
in verschillende varianten op Jakob of Jakob-El,
steevast afgeleid van het werkwoord beschermen.
Dat zou betekenen dat ook in deze naam al de betekenis schuilgaat
van ‘moge God hem beschermen’ of ‘God heeft hem beschermd’.

De kern van het gevecht bij Pniël is dat Jakob Ezau leert loslaten.
Zodat hij innerlijk echt vrij is voor God.
De volgende dag geeft hij Ezau letterlijk zijn zegen terug
en gaat hij nu heel bewust echt zijn eigen pad.
En als alles achter de rug is en Jakob Sichem bereikt,
noteert de Bijbelschrijver in Genesis 33,18:
‘en Jakob kwam als een heel mens aan.’(vertaling Jonathan Sacks)

Een heel mens.
Dat is nogal wat voor een man die heel zijn leven in tweestrijd is.
Een heel mens.
Dat klinkt als iemand die zichzelf is tegengekomen.
Zichzelf in de ogen heeft leren kijken.
Niet langer wegkijkt van wat hem niet bevalt.
Zijn schaduwzijde niet verdringt en wegdrukt in zijn onderbewuste
waar het dan rondspookt en ongecontroleerd
en op de gekste momenten naar boven en naar buiten kan komen.
Een mens die niet langer leeft in een gefantaseerde werkelijkheid.
Zich niet blind staart op zijn ideaalbeelden
en hoe het zou moeten zijn.
Maar zich kan verhouden tot de complexe, weerbarstige werkelijkheid,
met zichzelf kan leven en in het reine is gekomen.

Hoe word je dat eigenlijk, een heel mens?
Ooit leerde ik dat heel worden niet iets groots en eenmaligs is
dat je overkomt en dan af is.
Heel worden gebeurt in talloze kleine momenten
wanneer je ervoor kiest je toe te wenden naar de ander
en in verbinding te treden.

 

Onder en achter Jakobs uiterlijke strijd met anderen ligt een innerlijke tweestrijd.
Een strijd die hij vooral voert met zichzelf.
Een strijd om de waarheid.
Twee zielen wonen, ach, in zijn borst.
Jakob verlangt er zijn hele leven naar Esau te zijn.
Rabbijnen lezen in de naam Esau zoiets als:
volledig ontwikkeld.
Esau is alles wat Jakob niet is.
Hij is een sterk man, vol energie.
Een bekwame jager, een man van het veld.
Een homo naturalis, man van de natuur.
Iemand die zijn mannetje staat. Staande blijft in de struggle for life.

Jakob is geroepen tot een heel ander soort leven.
Hij is niet bedoeld een man te zijn van de natuur
maar een mens van wie de oren en vooral het hart zijn afgestemd
op een stem voorbij de natuur.
Op de oproep van de Schepper om te leven uit een verbond met Hem.
Te bouwen aan een samenleving gebaseerd
op rechtvaardigheid en mededogen, op recht en liefde.

Deze strijd tussen de twee zielen die wonen in Jakobs borst
komt tot een ontknoping bij Pniël.
Daar strijdt Jakob met de existentiële waarheid
over wie hij ten diepste is en zou moeten zijn.
De man die er altijd maar naar blijft verlangen om Esau te zijn.
Of de man die zich geroepen weet mens van God te zijn
en de weg van het verbond te gaan.
Bij Pniël krijgt Jakob een heel eigen zegen.
Niet die van rijk zijn of sterk of veilig.
Niet een leven zonder conflicten.
Ook Jakobs nieuwe naam, Israël, wijst immers op strijd.
Maar in plaats van een strijd om Esau te zijn
mag Jakob er nu voor strijden zichzelf te zijn.
In plaats van zich vast te klampen aan Esaus hiel,
mag hij zich vasthouden aan God.

 

Tweestrijd is in de Bijbel een regelmatig terugkerend thema.
Ik proef het bij Paulus in Romeinen 7,18-19:
‘Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet.
Want ik doe niet wat ik wil, het goede,
maar juist wat ik niet wil, het kwade, dat doe ik.’
Ik denk aan Jezus’ tweestrijd in Getsemané:
‘Neem deze beker van Mij weg.
Maar laat niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wilt.’ (Markus 14,36)
Tegen zijn slapende leerlingen zegt hij daar en toen:
‘De geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’

Ook in het eerste deel van de Bijbel kom ik tweestrijd tegen.
Het oorspronkelijke Hebreeuws van de Thora
kent zelfs een apart leesteken waarmee tweestrijd wordt uitgedrukt.
Het is de Sjalsjelet, die eruit ziet als een kleine bliksemschicht, soort zigzagbeweging.
Het geeft aan dat het personage besluiteloos is en onzeker
en worstelt met een innerlijk conflict.
Deze sjalsjelet zien we in de Hebreeuwse Bijbel vier keer opduiken.
Bij Jozef in Genesis 39,8
als hij weigert om met de vrouw van Potifar het bed te delen.
Bij Lot die in Genesis 19,16
aarzelt als hij alles moet achterlaten om Sodom te ontvluchten.
Bij Abrahams knecht Eliëzer die bij de put voor Isaak een vrouw zoekt.
Hij verkeert in Genesis 24,12
in tweestrijd omdat hij mogelijk zelf in beeld zou komen als erfgenaam,
als hij zonder huwelijkskandidaat terugkeert.
En in Leviticus 8,23 krijgt Mozes een sjalsjelet
wanneer hij Aäron inwijdt als hogepriester en door die taakverdeling
zelf niet meer deze intimiteit met God in de tempel zal ervaren.
Telkens staat er iets op het spel.
Een tweestrijd tussen hebben of loslaten, claimen of dienen, houden of gunnen.

Zelf denk ik bij tweestrijd aan de Bijbelse figuur Jakob.
Strijd typeert zijn hele leven.
Al voor zijn geboorte vecht hij met zijn broer Esau.
Hij strijdt met Esau om het eerstgeboorterecht en de zegen.
Hij strijdt met Laban om diens dochters Lea en Rachel
en om een eigen deel van de veestapel.
En de meest bepalende ervaring van zijn leven
is een worsteling in de nacht met God.
Zijn beide namen roepen de sfeer van strijd op: Jakob: hij die de hiel vastpakt.
Israël: hij die strijdt met God en mensen en wint.

 

Het leven wordt achterwaarts begrepen, maar het moet voorwaarts worden geleefd.
Dat zei de Deense filosoof en theoloog Søren Kierkegaard.
We voelen allemaal op onze klompen aan dat dat niet zo eenvoudig is.
Als je bijvoorbeeld reist met navigatie helpt het je niet verder
als het schermpje je alleen de afgelegde route toont.
Je houdt je bezig met het traject dat voor je ligt.
Een achteruitkijkspiegel is best handig,
Maar je moet er niet te vaak en te lang in turen.
Ogen op de weg, handen aan het stuur dus.

Het leven wordt achterwaarts begrepen. Maar het moet voorwaarts worden geleefd.
Een uitspraak die ook past in het Bijbelse denken.
Het leven wordt inderdaad achterwaarts begrepen.
Bijbelschrijvers nemen ons steeds opnieuw mee naar vroeger tijden.
Naar wat vorige generaties gelovigen met God hebben beleefd.
Wat ze erin hebben geleerd en afgeleerd.
En de hele Bijbel is een aansporing om in die keten te staan.
Heel bewust te putten uit een rijke traditie van getuigenissen en liederen,
verhalen en profetische stemmen.
Het is bagage die helpt om iets te begrijpen van het leven
en van de God die de Bron en het Doel is van dit leven.
En het is een valkuil om te weinig terug te kijken.
Alsof je de eerste zou zijn die voor levensvragen staat.
Alsof niet al sporen zijn getrokken en wegen gebaand
door al degenen die voor ons uit zijn getrokken.
Alsof God in vroeger tijden zijn glorie niet heeft getoond.
Niet heeft bewezen wie Hij was, is en zijn zal.
Inderdaad, het leven wordt achterwaarts begrepen.

Maar er is ook een andere valkuil denkbaar.
Namelijk dat je vooral achterwaarts georiënteerd bent
en vergeet dat het leven toch echt voorwaarts geleefd wordt.
Er zit in ons menselijk bestaan een instinctieve behoefte aan geborgenheid
en zekerheid een vasthouden aan oude zekerheden van vroeger tijden.
Een hang naar wat bekend is en vertrouwd.
Waardoor we terugschrikken voor de weg die voor ons ligt.
In heel wat Bijbelverhalen proeven we juist de spanning
tussen verder trekken of terugkeren, tussen omzien of vooruitkijken.

Het leven wordt achterwaarts begrepen, het moet voorwaarts worden geleefd.
Het is de strekking van de leefregel uit Filippenzen 3.
Paulus zet er de zaak op scherp.
Hij heeft het niet eens meer over achterwaarts begrijpen.
Hij heeft het over loslaten, afleggen, wegwerpen, prijsgeven.
Ik vergeet wat achter me ligt en richt me op wat voor me ligt.
Ik ga recht op mijn doel af: Christus kennen, de kracht van zijn opstanding ervaren
en leren delen in zijn lijden.
Je proeft in deze verzen de houding en focus van de sportman.
De hardloper die alles wat hem hindert kwijt moet
zodat hij vrij is om ongehinderd de eindstreep te halen.
En zo zijn roeping als christen te vervullen
en volledig tot zijn bestemming te komen.

4 juni 1976 – 16 februari 2024

 

In de rechtszitting kort na zijn arrestatie,
waarin zijn voorwaardelijke straf werd omgezet in echte gevangenisstraf,
vertelde Navalny het gerechtshof in Moskou dat hij christen was geworden.

Tijdens dat proces in 2021 zei hij:
‘Feit is dat ik christen ben…
Ik was zelf ooit een behoorlijk militante atheïst…
Maar nu ben ik een gelovige, en dat helpt mij enorm bij mijn activiteiten…
Er zijn minder dilemma’s in mijn leven,
omdat er een Boek is waarin over het algemeen
min of meer duidelijk staat welke actie in elke situatie moet worden ondernomen.

‘Het is natuurlijk niet altijd gemakkelijk om dit Boek te volgen,
maar ik probeer het echt. En dus is het, zoals ik al zei,
waarschijnlijk gemakkelijker voor mij
dan voor vele anderen om zich met politiek bezig te houden.’

Navalny citeerde vaak verzen uit de Bergrede van Jezus, in het bijzonder:
“Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden”           (Matteüs 5:6).
‘Ik heb altijd gedacht dat dit specifieke gebod min of meer een instructie tot activiteit is’,
merkte Navalny op.

Aleksej Navalny vocht onbevreesd tegen de corruptie in Rusland
en werd vergiftigd, gevangengezet en op 16 februari 2024 vermoord door de staat.

Sinds het nieuws over zijn dood bekend werd,
heb ik nagedacht over de woorden van Navalny.
Hij zag de instructie van Jezus niet alleen als een belofte
die in de toekomst vervuld zou worden,
maar als een zeer actuele oproep tot actie.
Het motiveerde hem niet alleen om op te komen voor gerechtigheid,
maar ook om zich uit te spreken tegen onrecht.
Het gaf hem de moed om zijn eigen leven op het spel te zetten in het belang van anderen.

Zijn honger en dorst naar gerechtigheid
waren niet alleen spiritueel, maar letterlijk:
soms koos hij voor een hongerstaking
om de aandacht van de wereld te trekken,
soms werd hij uitgehongerd als straf in de gevangenis.
Hoe dan ook, hij bleef zich inzetten
voor het teweegbrengen van verandering
in het politieke systeem van zijn land.

Als Navalny zijn geloof kan vasthouden,
gerechtigheid kan blijven nastreven
en anderen kan uitdagen om de leer van Jezus te volgen,
zelfs terwijl hij gevangen wordt gezet,
gemarteld en zelfs vermoord,
moeten we misschien allemaal heroverwegen
hoe we de vrijheden en kansen die we hebben gebruiken.

Misschien moeten ook wij ons meer uitspreken
als er sprake is van misbruik van publieke middelen,
ongepaste invloed van de media,
het oppotten van rijkdom door enkelingen,
of om de verslaving aan geld, seks en macht aan te pakken.

Kunnen we nog meer doen om te pleiten voor de gemarginaliseerden
en om ervoor te zorgen dat degenen die aan de macht zijn,
werken ten behoeve van degenen die dit het meest nodig hebben?
Hoe kunnen we pleiten voor een goed landsbestuur
en onze leiders ter verantwoording roepen,
en eisen dat degenen die leiding geven
dit met integriteit en mededogen doen?

Navalny’s leven, dood en geloof dwingen de vraag af:
wat kunnen we vandaag de dag in de naam van Jezus
en met behulp van de Bijbel doen
om rechtvaardigheid en gerechtigheid na te streven?

In zijn eigen woorden: ‘You’re not allowed to give up!’