houd vol houd vast

naar aanleiding van Klaagliederen 3

‘Wij leven nog.’ Dat zeggen mensen, die een ernstig ongeluk of een coronabesmetting hebben overleefd.
‘Wij leven nog. God zij dank.’ In zulke woorden klinkt dankbaarheid door. En verwondering.
Het had immers heel anders kunnen aflopen.
‘Wij leven nog.’ Dat kunnen we allemaal zeggen, als we het breder trekken.
De wereld bestaat ook nog. Als je het programma ‘Frontberichten’ op de publieke omroep af en toe ziet, dan weet je dat dit bepaald niet vanzelfsprekend is.

Wij leven nog. ‘Zolang er leven is, is er hoop,’ zeggen we.
Voor gelovige kinderen van God dus altijd, dagelijks.
Want zij hebben een belofte van eeuwig leven door Jezus Christus.
In dit gedeelte van Klaagliederen worden we door de HEER meegenomen naar de fundamenten van ons bestaan. Naar de vaste grond onder ons leven, zelfs als we in nood zijn. Daarbij staat de hoop centraal. Hoe komt het, dat wij nog leven? Hopen op de HEER, dat willen we blijven leren. Want er is ondanks alles reden voor verwondering en dankbaarheid jegens de Heer.

In de eerste hoofdstukken van Klaagliederen wordt het lijden van de bevolking van Jeruzalem uitvoerig beschreven. Het lijden van de gemeenschap.
In hoofdstuk 3 vinden we de worsteling van de gelovige met het lijden.
De dichter van dit derde klaaglied maakt zich tot tolk van die gelovigen in Israël in de nood van de ballingschap. Hij ondervindt lijfelijk hoe de hand van de HEER zich tegen hem keert. Hij zegt:
‘Ik ben de mens die te lijden heeft onder de stok van zijn toorn.
Hij leidt mij en voert mij – in een lichtloos duister.
Tegen mij heft hij zijn hand op, steeds opnieuw, dag na dag.’
Deze dichter is geen journalist, die met camera en microfoon de ellende van anderen
verslaat, zonder lijfelijke betrokkenheid. Ellende zien is voor hem ellende meemaken,
ervaren aan den lijve. Gods hand heeft zich tegen hem gekeerd.
Hoe verschrikkelijk erg dat is, werkt hij uit in de verzen 4-18. Moet je eens lezen en
tot je laten doordringen wat hij van de HEER zegt:
‘Als een beer loert hij op mij, als een leeuw in het verborgene.
Hij dringt me opzij, hij verscheurt me en verwoest mijn leven.
Hij spant zijn boog en kiest mij als doelwit voor zijn pijlen.’
Deze man gaat er bijna onderdoor.Die ervaring, die schreeuwende ellende.
Hij is zijn geluk kwijt, is vergeten wat geluk is.
Hij is zo ongeveer de wanhoop ten prooi.
‘Steeds denk ik: Verdwenen is mijn glans, vervlogen mijn hoop op de HEER.’
Dat is het dieptepunt. De hopeloosheid. Maar het is niet het laatste woord.
Maar er volgt in zijn denken en in zijn lied een omslag in vers 19-21.
Want hij gaat aan de HEER denken en hoe Hij werkelijk is.
Dat de HEER een God is die toornt, maar ook een God van ontferming,
van liefde en van trouw.

En als hij dat weer beseft en zich daarop richt, dan weet hij:
‘Er is hoop!’
Wat doet hem dan hopen op de HEER? Wat wil hij zich te binnen brengen en er hoop
en troost aan ontlenen? Dit:
‘Genadig is de HEER: wij zijn nog in leven! Zijn ontferming kent geen grenzen.’
Wij zijn niet omgekomen, dringt ineens tot hem door. Wij zijn nog in leven. Ik kan zelfs een klaaglied dichten en zingen en de HEER aanspreken en de nood van mij en mijn volk klagen.
Het lijden heeft niet het laatste woord. Juist door je nood te klagen en je lijden te beleven voor het aangezicht van God ontstaat er nieuwe hoop. Vers 21 zegt: Toch geef ik de hoop niet op, want hieraan houd ik vast.
Op de bodem van zijn hart weet de gelovige dat God het goede verlangt voor de mensen (vers 33). Dat is het diepste van zijn wezen. Slechts met tegenzin brengt Hij leed en rampspoed over de mensen. Het is niet naar zijn hart. Naar zijn aard is Gods hart vol vriendelijkheid en goedheid. Het gaat Hem aan het hart als Hij de dingen recht moet zetten door het oordeel.

Deze taal van de hoop staat niet los van de taal van het lijden in het eerste gedeelte. Maar juist het uitspreken van de nood en het lijden en de zonde voor het aangezicht van God brengt tot het inzicht van vers 24: Ik besef: mijn enige bezit is de Heer, al mijn hoop is op Hem gevestigd.
Wij hebben de taal van het klaaglied, in het boek Klaagliederen en in de Psalmen, nodig om door ons lijden heen en via de taal van de klacht terug te kruipen naar onze hoop op God. Wij hebben in de kerk niet alleen een theologie van de gloria nodig maar ook een theologie van de hoop, niet alleen aanbiddingsliederen maar ook klaagliederen.

Soms kan je leven uitzichtloos lijken. Lichtloos duister (vers 2). Je voelt je verstoken van vrede en geluk (17). De glans verdwenen, de hoop op God vervlogen (18). Weet dan één ding: God is niet afwezig in het lijden. Gegronde hoop dus in Christus alleen. Dat stelt niet teleur. Want deze hoop slaat het anker uit omhoog in de vaste bodem van Gods beloften. Daarom zal ik op Hem hopen. Morgen is Gods ontferming weer nieuw, net als gisteren. En overmorgen. Hopen op de HEER heeft dagelijks zin. Voor zijn aangezicht mogen wij onze nood uitspreken. Om daardoor weet moed te vatten en met de dichter van Klaagliederen te zeggen:

Toch geef ik de hoop niet op!

Psalm 22

naar aanleiding van psalm 22

Stel je voor dat je alleen op een intensive care ligt te sterven, niemand mag bij je komen, en de zorgverleners zijn overbelast omdat de intensive care overvol is. Of stel je voor dat je in een vluchtelingenkamp zit waar corona uitbreekt, terwijl de Europese leiders weigeren iets voor je te doen, en je wordt doodziek. Dan komt psalm 22 wel heel dichtbij.
Eerlijk gezegd kon ik me nooit zo goed een situatie voorstellen waarin iemand deze Psalm zou schrijven. Wanneer zou iemand zich zo gevoeld hebben: ziek en ellendig, aangevallen en bespot door vijanden, en dan ook nog door God in de steek gelaten?
Maar nu wordt zo’n situatie voor mij een stuk realistischer.
In de versie van de Psalmen voor Nu klinkt psalm 22 zo: ‘ik sta alleen, want u bent weggegaan./
Mijn God, mijn God, waarom?’/ God is weggegaan, help!
De wanhoop spat er vanaf: ‘Mijn God, waar bent u?’ Maar God laat niets van zich horen.
Hij is met de noorderzon vertrokken. ‘Mijn God, mijn God, waarom?!’
Het is een forse aanklacht, voor het gevoel misschien zelfs over het randje:
‘U laat me in de steek God!’

Zeker, in de lijdenstijd die net achter ons ligt, werd deze psalm gelezen om het lijden van Jezus Christus te herkennen, het vleesgeworden Woord van God, Jezus Christus. Het lijdensverhaal legt zelf expliciet de verbinding, want het was Jezus zelf die in een van zijn kruiswoorden deze Psalm tot de zijne maakte: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’
Deze Psalm markeert hoe vergaand Jezus’ identificatie met ons en met ons lijden gaat. Met ons hele bestaan heeft Jezus zich één gemaakt: lichamelijk lijden, uitputting en ziekte, maar ook aanvallen en spot, tot in de diepste Godverlatenheid. Ook het lijden van een corona-patiënt. Het is goed om die wanhoop die in deze psalm naar voren komt op je in te laten werken, er niet snel overheen te springen.
Om de radeloosheid te voelen, om te schreeuwen ‘waarom?!’
God – zo lijkt het – blijft stil. Hij antwoord niet. Je staat er alleen voor, want God is weggegaan.
Vertwijfeling en vertrouwen. Diepzwarte ervaringen en toch ergens ook blijven geloven.
Ze wisselen elkaar af in dit klaaggebed. Het is denk ik ook heel herkenbaar.
En dan hoeven we niet meteen, als we het moeilijk hebben, of als anderen het moeilijk hebben,
daar gelijk overheen te walsen met mooie geloofswoorden.
Die kunnen dan ook heel goedkoop klinken. Net alsof de pijn er eigenlijk niet mag zijn.
Alsof het gelijk bedekt moet worden met een laagje evangelie.
Als je dat zo doet, dan neem je je pijn niet serieus.
En uiteindelijk neem je ook het evangelie niet serieus.
Alsof je dat kunt gebruiken als een snel doekje voor het bloeden.
Als je dat gevoel echt toelaat, dan ga je pas ontdekken wat het betekent ‘waarom!?’ te schreeuwen.
Het is beter om de diepte van de pijn die er is, te ervaren, om er tijd en ruimte aan te geven.
In die diepte zul je ontdekken dat het evangelie niet goedkoop is.
Want Jezus schreeuwt jouw ‘waarom’: hij schreeuwt het in jouw plaats.
Ik las ergens: ‘Jezus pakt de psalm van ons over om het tot in zijn diepte uit te zingen.’
In ons gevoel dat God is weggegaan, stonden we alleen. Maar nu niet meer: Jezus is er geweest.
In de donkerste Godverlatenheid is Hij geweest. Er is geen enkele plaats waar God niet geweest is.
Nu ben zelfs in de Godverlatenheid niet alleen.
Want we kunnen niet meer dieper zinken dan hij, we komen hem steeds weer tegen!
Misschien krijg je een antwoord, misschien ook niet. Uiteindelijk gaat het niet om antwoorden.
Welk antwoord voldoet nou op zo’n vraag?
‘Ja, sorry, ik heb je verlaten, dat moest nu eenmaal, ik zal je uitleggen waarom.’
Is dat een antwoord?
Ik las eens een interview met rabbijn Lody van de Kamp.
Hij zegt: ‘het is beter met vragen te leven dan met dubieuze antwoorden.’
maar toch, in Psalm 22 komt er uiteindelijk wel een ‘antwoord’,
in die zin dat de vragen tot rust worden gebracht.
Dat wij niet nu de antwoorden hebben, wel dat we onze vragen niet zonder hoop stellen.
Jezus schreeuwt ze met ons mee, hij is onze hoop!
De schreeuw naar God wordt gehoord: ‘U geeft mij antwoord’. En dus klinkt de lof op God:
Gods naam wordt overal bekend gemaakt. Tot aan de einden van de aarde richten mensen zich op de HEER, want zijn koninkrijk komt. Wonderlijk hoe deze Psalm bij Jezus waarheid wordt.
Uit lijden en kruis ontstaat iets nieuws dat wereldwijde en onvoorstelbare impact heeft.

Gonzalo_Carrasco_-_Job_on_the_Dunghill_-_Google_Art_Project

de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen.

(Job 1,21b)

Job is de rijkste bewoner van de aarde. Maar van de ene op de andere dag zit Job aan de grond.
En dán komt die uitspraak:
‘de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen.’
Stel het je even voor.
Je bedrijf gaat failliet – net als dat van Job. Je gaat door een huwelijkscrisis – net als Job:
Jobs vrouw is hem niet bepaald tot grote steun. Je moet je kinderen begraven – net als Job.
Je hebt de hele dag een niet te negeren pijn – net als Job.
En vul de tegenspoed uit jouw leven maar in.
Wat zeg je dan?
‘De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen’?!
Hoe kun je de naam van de Heer prijzen, als je zo diep in de put zit?
Dat kan een vlucht zijn:
de grote boze wereld is tegen jou, maar gelukkig kun je altijd nog bij God terecht.
Maar Job zegt niet: ‘de Heer heeft gegeven, de bliksem, de Chaldeeën, de storm hebben genomen,
de naam van de Heer zij geprezen.’
Nee: ‘de Heer heeft genomen.’ Job houdt God verantwoordelijk.
En tóch prijst hij zijn naam.
Of beter: zegent hij de naam van de Heer. Tot grote verbijstering van Satan die toekijkt.
Maar Job doet het doet het écht: hij zegent de Heer.
Satan heeft het nakijken.
Job zegent de naam van de Heer. Hij prijst zijn God.
Maar zegenen is meer: het is uitspreken dat je wilt dat iedereen goed over God praat,
dat met dankbaarheid, verwondering en ontzag over hem gesproken wordt.
Job wil niet dat als mensen het verhaal van zijn leed horen negatief over God gaan praten:
‘wat is dat voor God die zijn dienaar zo laat zitten?’
Nee, God moet gezegend worden! Hoe Job dat kan zeggen?
Omdat Jobs geloof niet draait om wat God geeft of neemt. Het gaat Job om God zelf!
Job is geen aanhanger van het welvaartsevangelie, dat je gouden bergen belooft als je maar gelooft.
Hij is niet iemand die het wel zonder God afkan maar als het noodlot toeslaat opeens gaat bidden.
Er zijn duistere machten aan het werk in deze wereld, kwaad dat niet discrimineert.
Ziektes, waar topsporters even veel kans op hebben als ‘gewone’ mensen.
Jobs gelooft, daar verandert zijn situatie niets aan.
Voor Job is God gewoon alles. Degene die geeft én die neemt.
Ik zeg daarbij dat de woorden van Job in 1,21 niet zijn laatste woorden
zijn. Bepaald niet. Er volgen nog 41 hoofdstukken.
Maar het is wel het begin van een gevecht met God. De God die hij kent, maar niet begrijpt.
Job had een ander soort relatie met God dan wij vaak hebben.
Job had een relatie waarin het niet ging om de spullen. Of de familie. Of de goede gezondheid. Maar om God zelf. Een relatie van aanbidding. In goede, en in slechte tijden.
Job dankt God niet voor alle tegenspoed.
Maar dankbaarheid blijft wel de grondtoon van zijn leven.
Wie is God voor ons? Is hij er alleen in de zegen. Of is Hij er in alles?
Ook als je even geen antwoord hebt? En als je cynisch dreigt af te haken:
mag God ook daardoor breken? En jouw God blijven?

kruisduif

Voor veel christenen valt de komst van het coronavirus met haar beperkingen – zoals geen school, geen culturele evenementen, geen Mattheüspassion, social distancing – samen met de Veertigdagentijd.
De Veertigdagentijd staat bij hen in het teken van vasten op enigerlei wijze, om zich beter te kunnen opmaken en te concentreren op het aankomende Paasfeest. Maar de beperkingen die men zich normaliter zou opleggen in het kader van de Veertigdagentijd vallen in het niet bij de beperkingen vanwege het coronavirus.
We kunnen elkaar in deze tijd niet fysiek ontmoeten en deze ‘vastentijd’ heeft geen vastgesteld einde.

Wat deze ‘vastentijd’ in ieder geval kan doen is overdenken of we dit virus moeten of kunnen verklaren.
Want ik merk bij mezelf en om me heen dat de – rationalistische – drang om deze ‘coronacrisis’ te duiden, te verklaren, erg groot is.
Maar stel stel je het eens voor dat het niet verklaard kan worden?
Stel dat je moet toegeven dat je niet alles wat er gebeurd in het leven niet kunt verklaren, dat niet alles een verklaarbare reden heeft?
Kunnen we ons als christenen dan niet beter beperken tot alleen klagen ald de waaromvraag niet beantwoord kan worden? Dat klagen is dan breder dan de corona pandemie zoals die zich voltrekt, soms dicht bij onze voordeur. Dit klagen heeft ook oog voor andere wereldwijde rampen zoals bijvoorbeeld de vluchtelingen- of klimaatcrisis.
Ligt dus de roeping van een christen in deze tijd is juist om niet te verklaren, maar om te klagen?
Klagen zou bijvoorbeeld kunnen verbinden met de psalmen. Juist in het boek van de psalmen komen we talloze klaagliederen tegen. Ik verwijs hier naar bijvoorbeeld psalm 6, 10, 13 of psalm 22.
‘Heb erbarmen, HEER, want ik kwijn weg.
Genees mij, HEER, ik ben doodsbang, ik vrees voor mijn leven.
Hoe lang, HEER, moet ik nog wachten?’(psalm 6)
‘Waarom, HEER, bent u zo ver en verbergt u zich in tijden van nood?’(psalm 10)

Maar er zijn meer psalmen dan alleen de zogenaamde ‘klaagpsalmen’.
Wanneer ik een psalm als psalm 13 lees, dan komt het geklaag en de pijn recht op mij af.
David ervaart Gods nabijheid niet en hij weet het niet. Maar hij spreekt van klagen ook nog een totaal andere taal.
Kijk naar het laatste vers: ‘Ik vertrouw op uw liefde. Mijn hart zal juichen omdat u redding brengt, ik zal zingen voor de HEER, hij heeft mij geholpen.’
Het geklaag wordt naar de achtergrond verdrongen. Niet omdat David ineens God ervaart en het allemaal weet en kan verklaren. Er is niets veranderd in zijn situatie. Maar wat er plaats vindt, is dat zijn gevoel en zijn verstand het veld moeten ruimen voor geloof en vertrouwen. Zoals God er geweest is, zo zal Hij er zijn. ook al zie, voel en begrijp ik er niets van.
Zo’n zelfde vertrouwen komen we ook tegen bij de kruisiging van Jezus.
Hij citeert psalm 22. Jezus klaagt. Maar zijn laatste kruiswoord is:
‘Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest’.
Hier is het klagen verdwenen en verdreven door geloof en vertrouwen.
Jezus weet, dat Zijn Vader er voor Hem is.

Alle reden dus niet alles te willen verklaren,
maar ook om je niet alleen te verliezen in het klagen.
Nee, ik weet het niet, maar ik weet wel dat God nabij is.
Ik kan mijn leven in Zijn handen leggen.
Daar mag ik op vertrouwen. Helemaal in het licht van de opstanding van Jezus.
Op Paasmorgen liet God zien, dat Hij er is.
Dat is voor mij het allerbelangrijkste in deze tijd.
Ik kan niet duiden maar ik wil niet alleen klagen.
Dankbaar stel ik het vertrouwen op de Heer, mijn God.
Zo lees ik ook de psalmen en laat ik ook het Nieuwe Testament meeklinken.
Er mag geloofsvertrouwen zijn. Jezus leeft en ik met Hem.
Een bemoedigende en troostvolle gedachte.

kruis lucht

Romeinen 8 (met name 31-37)

Het is een prachtige tekst die we vanuit de brief aan de Romeinen krijgen aangereikt.
Een loflied op de liefde van God. en loflied dat begint met deze woorden:
‘Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?’
Paulus, die deze woorden schrijft aan de gemeente in Rome, staat met beide benen op de grond.
Hij heeft het gezien, hoe mensen die in Jezus geloven soms moeten lijden en moeten strijden.
En hoe hou je dan stand in je geloof? Hoe hou je het vol om te blijven geloven?
Want je kunt soms – ook als christen, ook als iemand die gelooft in Jezus Christus,
dat gevoel dat je er helemaal alleen voor staat. Dat benauwende gevoel hebben:  God is tegen mij!
Maar Paulus zegt het met kracht: ‘God is niet tégen je, God is vóór je!’
Je mag het geloven. God is vóór je. En waar zou je dan nog bang voor zijn?
‘Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?
Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven
heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?’
Aan een kruis op Golgotha. Daar brengt God zélf het offer van de verzoening.
Het liefste, het kostbaarste dat Hij kon geven. God houdt van ons.
En Hij laat ons dat zien aan het kruis van Golgotha en in het geopende graf van Pasen.
Verzoening door voldoening. Opstanding uit de doden.
‘Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte,
die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit.’

Paulus ziet een wereld bezeten door machten en krachten.
Hij worstelt zelf net als anderen met tegenslagen, ellende, vervolging,
honger, armoede, gevaar, geweld.
En toch komt hij tot die ene krachtige uitspraak in vers 37:
Wij zegevieren in dit alles glansrijk dankzij hem die ons heeft liefgehad.
Heel precies staat er: In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad. In dit alles zegt Paulus: niet er na.
Midden in dit onzekere bestaan met alles wat er zich in voordoet gaan we niet ten onder,
zullen we toch de eindstreep halen. En niet maar ternauwernood, op het nippertje.
Maar ruimschoots, glansrijk, met vlag en wimpel.
Dat is geen misplaatste zelfoverschatting. Dat is geen wereldvreemd halleluja-christendom.
Het is de taal van een gelovig man.
Die heeft geleerd om verder te kijken. Die ook meer ziet en hoort dan een wereld in pijn en nood. Het is de taal van een mens die zijn identiteit vindt in Christus. In Christus Victor om precies te zijn. Dat is:Christus de overwinnaar. Hij heeft de beslissende slag geleverd op Golgotha.
Hij heeft glansrijk overwonnen en is op Pasen glorieus verrezen.
In dit alles, zijn we meer dan overwinnaars, door Hem die ons heeft liefgehad.
En niets kan ons daar nog van scheiden.

‘(Want) Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd
in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard.’
Dat wil alweer niet zeggen dat het gemakkelijk is om het vol te houden. Maar tegelijk heel hoopvol.
En in ons lijden zijn we niet alleen.
Jezus zelf riep ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’
Maar daar eindigde zijn leven niet. Hij stond op uit de dood. Dat geeft hoop.

jesaja-53-4

Sommige berichten zijn moeilijk om te geloven.
Toen ik in januari filmpjes zag van inwoners van de Chinese stad Wuhan,
die werkten in ruimtes die helemaal in plastic waren ingepakt,
kon ik niet geloven dat we later zelf met quarantaine te maken zouden krijgen.
Ook het RIVM kon dat nog niet geloven.
Eind januari las ik nog een bericht, waarin gemeld werd dat het virus niet besmettelijk was.
Ook deskundigen dachten dat het hier niet zo’n vaart zou gaan lopen.

Jesaja 53 begint ook met een bericht dat niet werd geloofd:
Wie heeft onze prediking geloofd?
Het antwoord is: er is niemand die destijds geloofde wat er werd gezegd.
Al werd het door een profeet aangekondigd als Gods eigen woord,
niemand hechtte er geloof aan,
niemand kon zich voorstellen dat die boodschap waar zou zijn.
Wat de profeet hier verwoordt is een belijdenis die hij namens het volk uitspreekt
en hij sluit zichzelf erbij in:
Ook al hebben wij van tevoren horen zeggen dat we God aan het werk konden gaan zien,
we hebben het niet gezien, we hebben het niet willen zien.

In deze dagen van crisis zien we hoe belangrijk het is
als een regeringsleider uitstraalt dat hij weet wat er gedaan moet worden in crisistijd,
dat hij verstand van zaken heeft, met kracht leiding kan geven,
het vertrouwen kan geven dat hij weet wat hij doet en dat het daardoor goed komt.
Maar voor de Messias die gekomen is, was het tegendeel het geval:
geen krachtige leider, die je als volk kon meenemen de crisis uit,
Die voorop ging met maatregelen nemen, die je ook opvolgde
omdat je wist dat je deze leider kon vertrouwen – dat straalde hij uit.
Maar nee, zo was deze Messias niet.
Geen leider, geen koning die leiding gaf en maatregelen afkondigde,
bij wie je wist dat het goed zou komen,
maar eerder een patiënt, die ziek geworden is, lijdend,
zoals een coronapatiënt ernstig ziek het ziekenhuis werd binnengedragen,
in eenzaamheid, zoals dat in Italië gebeurt,
Waar de mensen alleen worden binnengedragen in het ziekenhuis,
zonder familie, omdat ze bang zijn zelf ook ernstig ziek te worden.
een Man van smarten, bekend met ziekten.
Dat was niet de Messias waar ze op hadden gewacht.
Dat was niet de redder, die hen uit deze crisis kon redden en in veiligheid kon brengen.
In zo iemand kun je Gods werk toch niet zien.

Dat de mensen niet konden geloven, dat die lijdende Man de Messias was,
was niet omdat ze niet geloofden in Gods macht.
Ze geloofden in God, ze klampten zich vast aan Hem, juist in deze onzekere tijd,
maar ze konden zich niet voorstellen dat God zich op deze manier liet zien.
Zo in zo’n kwetsbare gestalte:
Had iemand Gods arm, die krachtig is om te redden, in deze Man gezien?
Dat verwachtte je toch niet? God werkt toch krachtdadig?
Voor niemand was het duidelijk dat juist Hij de Messias is die door God gezonden werd.
De eerste christenen hebben in deze Messias,
die te kwetsbaar zou zijn om Gods Knecht te zijn, Jezus herkend
en begrepen dat dit over Hem ging, hun Heer die aan het kruis ging,
en een weg van lijden ging, van Gethsemané waar Hij worstelde, streed, leed,
tot Hij aan het kruis Zijn einde vond en stierf.
Op dat moment keek je liever een andere kant op, omdat je het niet kunt aanzien,
zoals je nu niet teveel verhalen moet horen, van het enorme drama wat zich aan voltrekken is,
of niet te veel verhalen uit vluchtelingenkampen, omdat je er toch niets aan kunt doen,
zo was dat verhaal van die Jezus aan het kruis iets dat je niet kon aanzien,
Waar je voor weg moest lopen, het was te pijnlijk – je zag er zo weinig van God in.

Maar Hij werd door God verlaten, opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden.
Ook niet als wij getroffen worden door een virus, of als elders het virus slachtoffers maakt.
Bekend met ziekte, zegt Jesaja 53, op zich genomen, gedragen,
dat betekent dat God zich ermee inlaat,
zich in risicogebied begeeft en zich niet in quarantaine begeeft om pas op te duiken
als alles voorbij is en de quarantaine is opgegeven omdat het gevaar voorbij is.
Nee, dat Christus de ziekten draagt, zoals hier voorspeld en in Mattheüs vervuld,
laat zien dat God komt, ook waar de ziekten van deze wereld zijn,
of het nu het coronavirus is of in de vluchtelingenkampen op Lesbos,
of het nu de ebola of malaria is, die in Afrika zoveel slachtoffers kan eisen.
Heeft God ons dan in de steek gelaten? In de crisis, in de diepte?
Bij de onzekerheid of we er ooit nog uit zullen komen en of er nog een leven is.
De Man van Smarten, die ook onze smarten droeg.
Maar daar in dat lijden is Hij niet zomaar, niet alleen maar solidair – dat ook!
Maar ook om het te dragen en weg te dragen, zoals Hij dat kruis wegdroeg buiten de stad.
Dan is het een lofzang, al begrijp je wellicht Gods wegen nog niet
en toch een lofzang, omdat je in je ziekzijn, in je lijden niet alleen bent, maar Hij er is
en Hij draagt, jou, u draagt en ook jouw ziekten draagt:
Onze ziekten heeft Hij op Zich genomen en ons leed heeft Hij gedragen.

kaarsinhand

Psalm 91

1. Wie thuis is bij de hoogste Heer

en schuilt in zijn ontferming,

die zegt: ‘Bij U leg ik mij neer,

mijn toevlucht, mijn bescherming.’

De vogelvanger spant zijn net,

de pest zal zich verbreiden –

maar over jou zal God, die redt,

zijn sterke vleugels spreiden.

2. De nacht beangstigt je niet meer,

de pijl zal je niet raken.

Al gaan verderf en dood tekeer,

ze kunnen je niets maken.

Al sneuvelt er een legioen

en moeten slechten buigen,

geen onheil zal jou schade doen,

jij bent slechts ooggetuige.

3. God is voor jou een toevluchtsoord;

Hij opent wijd zijn deuren.

De Allerhoogste geeft zijn woord

dat niets jou zal gebeuren.

Zijn engelen bewaren jou,

de HEER zal op je letten.

Zelfs leeuwen drijf je in het nauw

en adders zul je pletten.

4. God zegt: ‘Omdat jij mij bemint

zal Ik je trouw bewaren.

Ik luister als je roept, mijn kind,

sta naast je in gevaren.

Ik ben het die je vrijheid geeft

en jou met eer wil kronen.

Ik zorg ervoor dat je lang leeft,

mijn redding zal Ik tonen.’

De Nieuwe Psalmberijming

Als je psalm 91 leest liegen de gevaren die de dichter omschrijft er niet om. Hij heeft het onder andere over de dood, een plotselinge ziekte en demonische machten, waartegen een mens geen verweer heeft. Het is de harde, soms verschrikkelijke realiteit van het leven die we ook nu met het coronavirus beleven!

In psalm 91 worden alle pijn en moeiten uitgebreid benoemd en beschreven. En er staat dan niet: Wie gelooft in God, de Allerhoogste en de Almachtige, overkomt niets.

De hoofdlijn van deze psalm verzekert ons echter wel dat God ons in al die omstandigheden zal vasthouden en bij ons zal zijn. Het menselijk bestaan wordt altijd bedreigd door ziekte en dood. Maar je bent in zo’n onzeker, fragiel bestaan gezegend met de belofte van een schuilplaats hebt waar je veilig bent. En psalm 91 voegt daar aan toe: je bent dubbel gezegend als je het wonderlijke geheim kent van schuilen bij God. Als je de schuilplaats van de Allerhoogste kent. De schaduw van de Almachtige. Een schuilplaats is geen eindstation. Maar een plek waar je even op adem kunt komen. Waar je kunt bijtanken, moed kunt verzamelen. Kracht en rust kunt vinden om daarna je reis weer te kunnen vervolgen.

Toch geeft de woordkeuze van deze psalmverzen ook iets aan van een blijvende toestand: Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige. Zetelen, overnachten, blijvend je intrek nemen, ze geven iets weer van het geheim dat je ook als je de veilige tempel weer achter je moet laten blijvend kunt vertoeven in de schaduw van de Almachtige. In die schuilplaats mag je overnachten in de beschermende schaduw van de Heere God Zelf.

Dat is het beeld, dat past bij de vertrouwelijke omgang die we met God mogen beleven: ook al is Hij de Allerhoogste en de Almachtige, Hij voelt zich niet te groot voor ons en heeft zelfs een schuilplaats voor je. Gods geborgenheid, dankzij de verzoenende werking van Christus, onze Heer! God heeft een schuilplaats en daar past u ook in! Het vertrouwen dat uit deze psalm spreekt is niet dogmatisch, ook niet magisch, geen hocus pocus maar door en door relationeel. Door juist ook deze woorden te zeggen, te zingen spreekt je dit wonderlijke vertrouwen niet alleen uit maar vaak vooral ook ín: mijn toevlucht, mijn burcht, mijn God op wie ik vertrouw.

Dat geheim hebben kwetsbare, gelovige mensen in alle tijden opnieuw ontdekt en ervaren. Dat geen ziekten, machten, duivel of dood je kan scheiden van de liefde van God in Christus Jezus. Dat je in dit alles, hoe verdrietig, hier verschrikkelijk ook, meer dan overwinnaar kunt zijn dankzij hem die ons heeft liefgehad. Dat je blijvend kunt zetelen in de schuilplaats van de Allerhoogste, in wisselende omstandigheden kunt overnachten, vertoeven in de schaduw van de Almachtige.