Wat me de laatste tijd opvalt is dat veel sporters tijdens de wedstrijd blijk geven van hun geloof.
Dat gebeurde ook regelmatig tijdens de Olympische Spelen.                                                                      Én dat veel verslaggevers daar geen oog voor hebben, het niet vertaald wordt
of er maar een draai aangeven: ‘ze roepen de goden aan…’.                                                                      Hun routine vóór of ná hun prestatie is geen gebed tot de goden van een heidens pantheon,
een smeekbede om een beetje geluk of voorspoed,
maar een gebed tot God en Jezus
– ja, van een commentator die zijn huiswerk had gedaan, had je dat kunnen verwachten. –

Zo’n openbare uiting van toewijding is geen uitzondering.
Een kenmerk van de afgelopen Olympische Spelen was het aantal atleten dat hun geloof.
Elke keer zie je wel iemand God bedanken, een kruis slaan, reclame maken voor zijn geloof,
niet zozeer als een smeekbede om de overwinning,
maar meer als een manier om met de ups en downs van de sport om te gaan.

Wanneer je deze openbare christelijk geloofsuiting
naast de rij boven de openingsceremonie plaatst,
roept dat een interessante vraag op.
Tijdens die ceremonie waren christenen over de hele wereld boos
over wat leek op een parodie op het Laatste Avondmaal.
De organisatoren van de Olympische Spelen beweerden toen
dat de aanstootgevende scène niet bedoeld was om de spot te drijven
met het hart van de christelijke eredienst,
maar een verwijzing was naar Dionysius en het feest van de heidense goden,
waarmee de moderne Olympische Spelen werden verbonden
met hun wortels in de heidense wereld van de klassieke periode.

Als het een verwijzing was naar het heidense feest van Dionysius,
was de openingsceremonie misschien een nog veelzeggender teken
van de richting van onze cultuur dan we zouden denken,
en een teken dat christenen misschien nog meer zorgen baart
dan een tweederangs bespotting van het Laatste Avondmaal.
Omdat het een keuze verduidelijkt waar onze cultuur mee te maken kan krijgen
naarmate ons westerse tijdperk vordert.

In 1939, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog,
gaf T.S. Eliot een reeks lezingen.
Daarin deed hij een grimmige prognose:

‘De keuze die voor ons ligt, is tussen de vorming van een nieuwe christelijke cultuur
en de acceptatie van een heidense cultuur.’

Eliot dacht dat zijn samenleving noch volledig christelijk,
noch volledig heidens was, maar ‘neutraal’.
Toch vreesde hij dat dit niet lang zou duren.
Een dergelijk ‘politiek liberalisme’ dreigde zijn eigen ondergang te bevorderen
door een willekeurige weigering om morele waardeoordelen te vellen
en te kiezen tussen versies van het goede.
Toen Eliot de opkomst van het fascisme in Europa zag,
dat op het punt stond van de meest vernietigende oorlog in zijn geschiedenis tot nu toe,
deed hij een belangrijke bewering:
dat het enige alternatief voor wat hij zag als een heidens totalitarisme
een christelijke samenleving was.

Dichter bij onze tijd is een soortgelijke gedachte bij anderen opgekomen.
Onlangs mijmerde onlangs een feministische schrijfster over het idee
dat onze samenleving opnieuw heidens wordt,
waarbij ze het morele raadsel over moderne abortus aanhaalde.
Ondanks dat ze geen praktiserend christen is,
ziet ze abortus vertoont ongemakkelijke overeenkomsten met heidense kindermoord,
een teken dat we teruggaan naar een moreel plan
met een sterke gelijkenis met heidense waarderingen van het menselijk leven.
De Joodse feministische schrijfster Naomi Wolf
heeft hetzelfde gedaan in een buitengewoon essay.
Ondanks haar neiging om te gemakkelijk af te glijden
naar samenzweringstheorieën,
betoogt ze overtuigend dat naarmate het Joods-christelijke ethos
dat de westerse samenleving ondersteunde, is verdwenen,
wat is ontstaan geen goedaardige neutraliteit is,
maar duistere krachten die vroeger
op de achtergrond van de religie van het Oude Testament loerden:

‘de pure amorele macht van Baäl, de vernietigende kracht van Moloch,
de ongebreidelde verleiding en seksuele losbandigheid van Astarte of Ashera,
dat zijn de oerkrachten die mij inderdaad lijken te zijn teruggekeerd…
of in ieder geval de energieën die ze vertegenwoordigen,
morele macht over;
doodsverering; oppositie tegen de seksuele ordelijkheid van het intacte gezin en trouwe relaties,
ze lijken te zijn ‘teruggekeerd’, zonder terughoudendheid.’

Het nazisme waar Eliot naar verwees, was, zoals we nu weten, een doodlopende weg, letterlijk.
We troosten onszelf vandaag met de gedachte dat we zulke extremen achter ons hebben gelaten,
dat de afgoderijen van fascisme en communisme
respectievelijk in 1945 en 1989 werden verslagen,
en dat we nu een seculiere liberaal-democratische ruimte erven
die gelukkig neutraal is en de vrede bewaart tussen verschillende claims op de waarheid,
een vooruitgang ten opzichte van zowel het heidendom als het christendom.

De makers van de openingsceremonie van de Olympische Spelen
rechtvaardigden hun creatie zonder een spoor van ironie
door te zeggen dat het een viering was
van de Franse Republikeinse ideeën van inclusie,
vrijheid, mensenrechten enzovoort,
de vrijheid, broederschap en gelijkheid van de Franse Revolutie,
die op zijn beurt was geboren uit de Franse Verlichting.
Dit was een secularisme dat tentoon werd gespreid.
Het was een klassiek libertair beeld van vrijheid,
de absolute vrijheid om te kiezen wat we met ons leven doen,
van individuele zelfexpressie, zonder overkoepelend, universeel idee van het Goede,
wat natuurlijk een bepaald begrip is van wat vrijheid betekent.
Het onderscheidt zich bijvoorbeeld van een ouder beeld
van vrijheid als geleidelijke bevrijding van (en dus de disciplinering van)
enkele van onze innerlijke, conflicterende impulsen
die als destructief voor de ziel of de samenleving worden beschouwd.
Seculier liberalisme dat zichzelf voordoet als vanzelfsprekend,
de mening van alle weldenkende mensen,
is zo vaak niet in staat te zien hoe het voor anderen
– moslims en christenen bijvoorbeeld –
allesbehalve vanzelfsprekend is.
Er zijn veel mensen over de hele wereld die niet tevreden zijn
met een overkoepelend moreel schema dat erop staat hen te vertellen
dat hun geloof een privéaangelegenheid is
in plaats van een afzonderlijke transcendente waarheid.

Dus, wat als de openingsceremonie een lofzang was op Franse waarden,
geworteld in de Franse Verlichting?
En wat heeft dat te maken met heidendom?

Achter het schijnbare rationalisme of de tolerantie was het voor de Verlichting
het een eis om alles in twijfel te trekken.
Het was een verwerping van één enkele geloofsbelijdenis,
ten gunste van meerdere manieren van leven en geloven.
Het tijdperk greep terug naar het klassieke verleden,
zag zichzelf als een voltooiing van de Renaissance
en liet uiteindelijk de overblijfselen van religie achter die de Renaissance nog had behouden.
De Verlichting was niet zozeer de geboorte van een nieuw rationeel tijdperk,
maar in feite een vernieuwing van een oud heidens sensueel pluralisme.

Dat we tot het heidendom zijn terugkeert kun in meerdere zaken zien.
We zijn teruggekeerd naar een soort pluralisme
waarin er veel objecten van aanbidding zijn onder een overkoepelend schema
dat elk van hen de ultieme waarheid of waarde ontkent.

Natuurlijk, er zijn geen tempels meer voor Bacchus, Aphrodite, Tyche of Plutus
op straathoeken in onze steden.
Toch waren dit vroeger de goden van wijn, liefde, toeval en rijkdom.
Het is moeilijk te ontkennen dat de aantrekkingskracht van die verslavende middelen,
de verleiding van seks, de hoop op een loterijwinst of de wens om rijk te zijn,
het leven in onze wereld niet domineren.
Er wordt beweerd dat heidendom nooit echt is verdwenen.
Het bleef op de loer liggen in de hoeken van Europese samenlevingen,
zoals blijkt uit een bijvoorbeeld een boek van Anton Wessels
‘Kerstening en ontkerstening van Europa’’.

Leslie Newbigin, een christelijke missioloog,
bracht het grootste deel van zijn leven door als missionaris in India
In de jaren 80 keerde hij terug naar het door de Verlichting gevormde Westen.
Hij zag toen dat het Western was verworden tot een seculiere samenleving
waarin geen algemeen erkende normen bestonden.
‘We weten nu’, betoogde hij,
‘dat het enige mogelijke product van dat ideaal een heidense samenleving is.
Want de menselijke natuur verafschuwt een vacuüm.
Maar het heiligdom blijft niet leeg.
Als het enige ware beeld, Jezus Christus, er niet is, zal een afgod zijn plaats innemen.’

Vroege christenen gaven al aan, dat die goden tot slaaf maken.
Als je jezelf volledig overgeeft aan drugs, seks, geld of Dionysisch genot,
zullen ze uiteindelijk je leven beheersen, je tot slaaf maken en vernietigen,
zoals veel verslaafden hebben ontdekt.

Misschien had Eliot gelijk:
Het kost veel tijd om religieuze overtuigingen diep te laten wortelen.
Zowel het christendom als het heidendom zijn diep in onze bodem geworteld.
En dus heeft de Europese cultuur eigenlijk maar twee opties:
het heidendom dat eeuwenlang heeft bestaan vóór de komst van het christendom,
en het christendom dat het heeft vervangen.

De Olympische Spelen lieten ons twee paden zien.
Het ene werd aangeboden door de makers van de openingsceremonie,
het andere door de atleten die een hoger doel zien dan een gouden medaille of aardse roem.
Ach, de makers van de openingsceremonie hadden misschien niet de bedoeling
om het christendom aan te vallen.
Toch juichten ze met plezier iets toe dat Europeanen al lang geleden achter zich hebben gelaten.

En we zouden even moeten stilstaan voordat we dat vieren.

 

De schittering en vreugde van medaillewinnaars
op de Olympische Spelen in Parijs is ongelooflijk om te zien.
Hun discipline en gebrachte offers tijdens de training werpen hun vruchten af
in betoverende uitingen van uitmuntendheid en momenten van pure vreugde.
Maar om winnaars te zijn, moeten er ook verliezers zijn,
en er zijn onthullende momenten van verpletterende teleurstelling geweest
die nooit leuk zijn om te zien.
Bijvoorbeeld over de soms mindere prestaties van Femke Bol of Lieke Klaver.
Sommigen zullen vinden dat zij faalden, anderen zullen zeggen dat dit bij sport hoort.

Maar weinigen van ons zullen ooit Olympische grootheid bereiken,
of de media-erkenning die het profiel van een atleet definieert
door zijn naam voor altijd te verbinden aan zijn prestatie.
Maar we hebben allemaal een innerlijke neiging
om te geloven dat onze waarde gebaseerd is op wat we kunnen bereiken.
We leven in een cultuur die ons voortdurend de boodschap stuurt
dat goedkeuring en waarde afhangen van je resultaten.
Velen van ons geloven dat, en vallen dan voor een leven van voortdurende intensiteit
– een ‘cyclus van verdriet’ – terwijl we fel streven naar resultaten,
maar rouwen om het verlies van onze innerlijke vrede.
En deze culturele boodschap van acceptatie door prestatie
wordt echt giftig wanneer we de leugen gaan geloven
dat onze identiteit gebaseerd is op onze prestaties.

Het zijn niet alleen atleten die hierdoor risico lopen.
Denk eens na over hoe ons onderwijssysteem dezelfde boodschap over cijfers uitzendt.
Duizenden tieners lijden aan angst en psychische aandoeningen als ze examens afleggen,
omdat ze geloven dat hun eigenwaarde afhangt van hun cijfers.
De winnaars zullen worden gefeliciteerd,
maar anderen zullen depressief worden van het falen.

Ik ken veel werkplekken waar ‘prestatiemanagement’
zo onderdrukkend is geworden dat het leidt
tot gedrevenheid, perfectionisme en burn-out.
Zelfs gepensioneerden kunnen zich gedreven voelen
om hun ‘bucketlist’ af te werken voordat ze sterven of ziek worden.
Dus mensen uit alle lagen van de bevolking
raken gemakkelijk verslaafd aan de tredmolen
van ‘prestatiegericht leven’
en voelen zich moe, gevangen en onrustig.
Ze lijden onder de valse overtuiging
dat zelfrespect afhankelijk is van prestaties.
Als je dat gelooft, mag je van jezelf niet falen
of wordt je zelfs ziek omdat je je voelt tekortschieten.

Er is een betere manier.
We kunnen ervoor kiezen om afstand te doen
van die verderfelijke leugen van een prestatie-identiteit
en de diepe waarheid te bevestigen
dat onze echte identiteit en betekenis te vinden zijn
in wie we zijn als Gods geliefde kinderen.
We kunnen onze emoties verankeren
in de zekerheid van die ware identiteit.
Het is mogelijk om te besluiten
om de manie voor resultaten en onze cultuur
van voortdurende intensiteit onder ogen te zien.
Een daad van verzet tegen een wereld
die wordt gedomineerd door de behoefte aan succes.
God weet dat we een pauze nodig hebben, niet alleen om te rusten,
maar om ons hart en onze geest te heroriënteren op de waarheid.
We worden onvoorwaardelijk geliefd en hoeven niet te streven
naar prestaties om geaccepteerd en belangrijk te worden voor God.
Daar zit een diepe vrede in.
Een vrijheid en veerkracht die het mogelijk maken
om te concurreren zonder angst voor falen.

In de Bijbel wordt het woord uitmuntendheid
nooit toegepast op prestatie,
alleen op karakter,
en de meest uitmuntende manier is liefde.
De christelijke wereldvisie viert geweldige prestaties,
maar vermijdt om er een afgod van te maken,
omdat dat leidt tot een destructieve obsessie en onzekerheid.

Zeker zijn van God gaat niet over het vermijden van competitie of druk.
Het is leren om uitstekende prestaties na te streven
zonder het gevoel dat onze identiteit wordt gestolen
door onze cijfers, of banen, of andere mensen ons goedkeuren
of ons medailles toekennen.
Prestaties van topkwaliteit zijn superieur
en we moeten met heel ons hart ons best doen, wat we ook doen.
Maar God is een God van genade,
die iedereen onvoorwaardelijk liefheeft, accepteert en eert,
inclusief degenen die zich niet eens kwalificeerden
voor de Olympische Spelen,
net zo goed als degenen die op het podium stonden.

 

Mieren zijn er in het land van de Bijbel en in ons eigen land. We zien ze vooral in de zomer.
Het zijn kleine beestjes, die vol ijverig bezig zijn om voedsel naar hun nest te brengen.
We kunnen ons er over verbazen dat de mieren zo sterk zijn.
In verhouding tot hun eigen gewicht kunnen ze zware dingen verplaatsen.
Al zien we nog geen mier, dan nog kunnen we aan de kleine korrels grond
tussen de tegels en stenen hun aanwezigheid opmerken.
Wie een mier over zijn arm voelt kruipen, weet dat dit irriteert.

Mieren, ze horen er voor ons besef bij, zonder dat ze veel bijdragen aan ons menselijk leven.
De Bijbel wil ons brengen tot verwondering ook over dit insect,
de Schepper van dit beestje en zijn boodschap. We kijken dus met aandacht naar de mier.
De Spreukendichter stuurt ons op weg naar de mier.
We hoeven dan geen verre reis te maken. Ze zijn achter ons huis te vinden.
Als we dan een mier, meestal meerdere mieren, gevonden hebben
roept de tekst ons om met aandacht te gaan kijken naar dit beestje.
Goed bekeken is dit kleine beestje al een wonder op zichzelf. Het kopje, het lijfje en de pootjes.
Wie dit beestje onder een microscoop legt verbaast zich nog meer. Hoe mooi, hoe kunstig.  Vakmanschap, door God geschapen.
Deze beestjes zijn vol ijver bezig. Niet eentje zit er stil. Ze zijn constant in beweging.
We spreken wel over een bezige bij, maar dat geldt evengoed een mier.
In de zomerperiode zorgen ze voor voldoende voedsel voor de winterperiode.
De ijver van de mieren brengt me bij de ijver van Jezus.
Van Hem lezen we, dat Hij altijd leeft om te bidden voor hen, die door Hem tot God gaan.
Hij is altijd bezig met dat grote werk. Wat een bemoediging.

Behalve dat we opgeroepen worden om te letten op de mieren,
spreekt de tekst ook van wijs worden. We begrijpen wel wat hij bedoelt.
De les van de mier is, dat we onze luiheid achter ons laten en ijverig zijn
in de taak, die we van God ontvangen hebben.
Zo gebruikt God het beeld van de mier. Hij geeft ons onderwijs door dit diertje.
Bij het overdenken van deze tekst vinden we nog een wijze les bij de mieren.
Een les, die we hard nodig hebben in onze tijd.
Mieren leven niet afzonderlijk, maar in een groep, in een volk.
Juist het samenleven maakt, dat een mier kan bestaan en voort bestaan.
De eendracht van dit volk maakt hen sterk.
Wie op de plaats van een mier let, te midden van het mierenvolk,
die merkt dat elke mier een eigen plaats en taak heeft in de kolonie.
Hoe groot is de onderlinge samenwerking!
Alle mieren functioneren zo, dat ze de opbouw en het voortbestaan van de groep dienen
en daardoor hun eigen welzijn.
Niet het eigen belang, maar het gemeenschappelijk belang staat voorop.
Zonder gedoe.

Begint het al te kriebelen?

 

Laatst zat ik de lezen in een recente publicatie van paus Franciscus,

de encycliek ‘Laudato Si‘.

Wat moet een protestantse dominee nu met een pauselijke encycliek?

Ervan leren natuurlijk!

Dit boekje gaat namelijk niet over een punt

waar protestanten en katholieken veel verschillen.

Het gaat over de vraag hoe we met het milieu moeten omgaan.

Daar zegt de paus heel wijze dingen over.

Heel praktische dingen ook:

ik wilde zojuist de verwarming een tik geven

omdat ik het een beetje koud vond in huis,

maar op pauselijk advies

trok ik eerst maar eens een warm hemd aan…

Het mooie is dat paus Franciscus niet alleen de dingen zegt

waar iedereen het mee eens is,

zoals het belang van natuurbescherming

en het tegengaan van verspilling.

Hij peilt ook dieper.

Zo spreekt hij over de westerse landen (wij dus!)

die veel te veel energie en grondstoffen gebruiken.

Dan zegt hij niet alleen dat dat fout is,

hij wijst een onderliggende oorzaak aan.

Want, zo schrijft hij:

‘Hoe leger het hart van een persoon is,

des te meer behoefte heeft hij aan kopen, bezitten en consumeren’.

Met andere woorden, onder de milieuproblemen zit een moreel probleem.

Daarom zijn ze ten diepste niet op te lossen

met afspraken of nieuwe technologie.

Wat nodig is, is een heroriëntatie van onze maatschappij.

Een ‘vulling van het hart’!

Hoe je dat vind?

Hoe vul je het gat in je hart dat niet blijvend bevredigd wordt

door te shoppen of verre reizen te maken?

Alleen liefde vult een leeg hart.

Alleen liefde maakt een mens tevreden met minder.

En daarom zegt de paus zeer terecht:

onze maatschappij heeft het nodig te horen van die Ene,

die ons liefheeft als een vader.

Hij is te vinden!

Hij maakte deze mooie wereld,

Hij maakte ieder mens en vindt ook u van waarde.

Wie Hem kent heeft de diepste vrede.

Rust dan niet tot u Hem gevonden hebt.

Heeft de mens het eigen geluk in de hand?
Als christenen vieren we met Pasen vieren we dat Jezus Christus
ons heeft bevrijd door Zijn dood en opstanding.
Daarin let hij zij zien dat wij niet meer van alles hoeven te doen
om ons geluk te bewerkstelligen of bij God in een goed blaadje te komen.
Ons eigen geluk hoeven we niet meer na te jagen en te perfectioneren
omdat we mogen weten dat het echte geluk er al lang is.
En nog beter: we hoeven ons zelf niet waardevol te maken,
want we zijn al waardevol in de ogen van God.
Hoe zit het dan met die waarde van een mens? Maak je je eigen geluk?
Vanuit de cultuur waarin we leven,
waarin reclames eindigen met zinnen als ‘omdat je het waard bent’,
word je van alle kanten opgeroepen om die waarde veilig te stellen!
Dan zeggen we: ik ben waardevol. Het past naadloos in onze cultuur.
Of als christelijke variant, zeggen we dan:
ik ben zo kostbaar in Gods ogen
dat Hij zijn eigen Zoon stuurde om mij te redden.
Beide kloppen niet met het evangelie.
Jezus wil ons juist bevrijden van de gedachte dat de wereld om ons draait.
Jezus doet dat door Zijn wereld om ons te laten draaien. Dat is bijzonder.
Als er één is die het recht heeft om de wereld om zichzelf te laten draaien
en zichzelf in het middelpunt te zetten, is het Jezus wel.
De wereld is immers van Hem en Hij staat in het middelpunt.
Maar wat doet Jezus? Hij laat zijn wereld, zijn leven om ons draaien.
Zo laat Hij zien wat liefde is.
Hij offert zichzelf op om onze wereld draaiende te houden.
Zo wil Hij je bevrijden van die eindeloze gerichtheid op jezelf.

De Amerikaanse filosoof Michael Sandel schrijft met
zijn boek De tirannie van verdienste
één grote kritiek op het meritocratische ideaal dat hoogtij viert.
Een meritocratische ideaal kun je als volgt samenvatten:
Je sociaaleconomische positie wordt bepaald door je verdienste (merites).
Iedereen krijgt wat hij verdient. Gericht zijn alleen op jezelf.
Iedereen – ongeacht afkomst, huidskleur, geaardheid, gender –
kan succesvol zijn en stijgen op de sociaaleconomische ladder.
Als je maar je best doet en hard werkt.
Volgens Sandel is precies dit ideaal een gif
dat onze samenleving en onszelf ziek maakt:
Jij maakt je geluk!
Het gevolg van het heilig geloof in deze op verdienste
gebaseerde verdeling in de maatschappij,
is dat degenen die onderaan de sociale ladder staan
niet alleen (kans)arm zijn,
maar bovendien denken dat dit komt omdat ze gefaald hebben.
Andersom staan de rijken of succesvollen niet alleen boven de rest,
maar denken ze vooral ook dat ze hier recht op hebben:
jij hebt immers je eigen geluk gemaakt.
Ze hebben immers hard gewerkt om te komen waar ze nu zijn,
hebben op een goede universiteit gezeten
waar ze alleen maar terecht konden
omdat ze nu eenmaal beter konden leren dan anderen.
Kortom: je sociaaleconomische plaats in de maatschappij
is het gevolg van jouw eigen handelen
en daarmee volledig jouw eigen verantwoordelijkheid.
Sandel constateert dat het meritocratische ideaal vaak in feite niet werkt:
word je geboren in een arm gezin,
dan is de kans klein dat je zelf ooit rijker wordt dan je ouders.
Het geloof dat iedereen die over aanleg beschikt
en hard werkt kan opklimmen, strookt vaak niet met de feiten.

Wat beslissend voor jouw leven is je verhouding met Jezus.
Hij beslist jouw waarde.
Want Hij heeft alles in handen, Hij heeft de Geest zonder maat,
Hij spreekt, en zijn woorden zijn woorden van God en dus eeuwig leven. Alles draait om Hem.
Ga dus leven naar je waarde. Die ontvangen waarde.
Je bent waardevol geworden omdat Jezus zich arm betaalde!

In deze periode begint voor christenen de tijd van Advent:
verwachtingsvol uitzien naar de herdenking
van de komst van Jezus Christus in deze wereld.
Zijn volgelingen – christenen – worden opgeroepen
om juist dan na te denken over hoe zij Jezus Christus volgen
en hoe ze Hem ingang in hun leven wil geven.
Willen ze echt hun geloof hun leven laten bepalen?
Dat vergt in deze tijd het een en ander van de christen.

Want zo bij tijd en wijle poppen er weer bepaalde discussies op
waarbij de conclusie is dat religie – dus ook het christendom –
misschien een mooie levensovertuiging is
maar toch alleen beleden moet worden ‘achter de voordeur’.
Wanneer dit soort discussies zich voor doen denk ik
dat juist christenen de opdracht hebben zich uit te spreken.
Zij moeten in een democratie leren het publieke debat niet schuwen.
Dat is volgens mij een voorwaarde van christelijke ethiek
die beraadt hoe men goed moet handelen.
In navolging van de lijn van kerkvader Augustinus
is het de opdracht van een christen op zoek te zijn
naar de zuiverheid van het christelijk handelen
en naar het compromis in een gemengde wereld.
Dit zou een christelijke ethische levensoriëntatie moeten zijn.
Hierbij is ethiek meer dan alleen reflectie op handelen.
Christelijke ethiek zou zich rekenschap moeten geven
van de vraag naar wezen en bestemming van de mens.

Over het algemeen veronderstelt ethisch handelen
vrijheid om keuzes te maken.
Maar waardoor wordt een keus voor het goede bepaald?
Is het de rede die de toon aangeeft?
En moet de wil de rede volgen,
zoals ethici vanaf de oudheid tot en met Kant verdedigd hebben?
Bij hem treedt de wil als bepalend element op de voorgrond.
Niets anders kan in absolute zin voor Kant en de zijnen
goed heten dan de redelijke wil.
Een visie die nog altijd aanhangers heeft,
maar tegelijk heftig bestreden is onder invloed
van Schopenhauer, Nietzsche en Freud.
Maar je behoeft geen christen te zijn om te erkennen
dat de wil op drift is geraakt en mensen geneigd zijn tot kwaad.

Daarbij laat het christendom met haar belijdenis van zonde en genade
wel een eigen geluid horen.
Het kwaad schuilt in de wil zelf, de wil die zich van God heeft afgekeerd, de verdorven wil. Dat is geen tragiek, maar schuld.
Daarom begint christelijke ethiek, zo leert Calvijn,
niet met vrijheid, zij begint met bevrijding.
Een mens behoeft zich niet zoals baron Von Münchhausen
zelf uit het moeras op te trekken.
De Tien Geboden beginnen met de proclamatie van God die bevrijdt.
En het apostolisch getuigenis verkondigt de bevrijding
van de wil uit de macht van de zonde tot de vrijheid van het leven
als kinderen van God. Zo wordt de wil tot rede gebracht.
Het goede is niet inherent aan de mens. Het is vrucht van de Geest.
Geloof, hoop en liefde zijn geen te verwerven deugden,
maar gaven van de Geest.
Christelijke ethiek staat zo gezegd, in de schijnwerpers
van Pasen en Pinksteren.
Het vrije leven is het leven in gehoorzaamheid
en liefde onder de tucht van de Geest die ons het gebod leert verstaan.

Maar wat betekent dat nu voor de concrete velden van de politiek,
de sociale ethiek, de gezondheidszorg, de economische vragen?
Wat is de christelijke boodschap voor leven en samenleving?
En volgens mij zit ‘m daar de kneep.
Immers, dwang is niet verenigbaar met het christelijk geloof.
Kerkhervormer Maarten Luther verwoordde het eens zo:
‘Een christen is een vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan.’

Maar hoezeer christenen ook hun best moeten doen
om via argumentatie verstaanbaar over te komen,
uiteindelijk staat een ethische reflectie
die zich de wet laat voorschrijven door de Geest
die hem bepaalde gedragsregels voorhoudt;
weer in de woorden van Luther:
‘Een christen is een dienstbare knecht
van alle dingen en ieders onderdaan.’
Omzien naar elkaar, de ander belangrijker achten dan jezelf
Dat maakt de christen weerloos in een wereld
waar de autonomie van het Eigen Ik hoge ogen gooit.
Nu is dat voor het christelijke geloof geen vreemde zaak.
Een christen is, zo laat het Nieuw Testament zien,
een vreemde eend in de bijt van de samenleving.
Wat mensen doet ophoren en doet vragen
naar de Weg is ten diepste niet de argumentatie,
maar een getuigend leven in de navolging van Christus.
Ik denk dat christenen juist nu moeten laten zien
in woord en daad dat hun levensoriëntatie
van barmhartigheid en solidariteit
in een samenleving waar individualisme de heersende levensfilosofie is
hét Verschil kan maken.
Laten we daar in de periode van Advent verder over door denken.

Juist in de Veertigdagentijd worden christenen opgeroepen zich nadrukkelijker dan anders te bezinnen op hun eigen doen en laten. Deze bezinning staat in het teken van het lijden van Jezus Christus voor ons en onze wereld.

In het verleden werden christenen vaak bekritiseerd op het feit dat zij faalden in het volgen van Jezus in meest donkere en duistere momenten in de wereldgeschiedenis. Hoe zal het handelen van christenen in onze tijd worden beoordeeld door de geschiedenis?  Je kunt aan de hand van de Bijbel vier vragen stellen:

‘Toen ik naakt was, gaven jullie mij kleren. Toen ik ziek was, zochten jullie mij op. Toen ik gevangen was, kwamen jullie naar mij toe.Elke keer dat jullie iets goeds deden voor één van de gelovigen die hier naast mij staan, deed je iets goeds voor mij.’ Matteüs 25:36, 40

‘Dit is wat de Heer zegt: “Houd je aan mijn regels. Spreek eerlijk recht. Behandel iedereen goed en rechtvaardig. Maak geen misbruik van mensen zonder macht, maar bescherm hen tegen hun onderdrukkers. Gebruik geen geweld tegen vreemdelingen, tegen weduwen, of tegen kinderen zonder vader. En vermoord geen onschuldige mensen.”‘ Jeremia 22:3

Kunnen wij als volgers van Jezus Christus deze opdracht klakkeloos naast ons neer leggen omdat onze eigen financiële zekerheid, ons eigen comfort, onze nationale en politieke stabiliteit  misschien op het spel staan? Volgens mij is Gods Woord hierover uitermate duidelijk. Toch zijn er christenen die buitengewoon passief blijven en soms zelfs enorm agressief als het gaat om mensen die aan hun ‘gespreide bedjes’ komen.

‘Maar als je sommige mensen beter behandelt dan andere mensen, doe je het verkeerd. Dan is het duidelijk dat je je niet aan Gods wet houdt.’ Jakobus 2:9

‘Wie zegt in het licht te zijn maar zijn broeder of zuster haat, bevindt zich nog altijd in de duisternis.’ 1 Johannes 2:9

Hoe kunnen christenen schijnbaar kritiekloos voorbijgaan aan mensen die worden gediscrimineerd of door overheden stelselmatig worden misbruikt? Er worden talloze mensen achtergesteld op basis van hun afkomst, hun religie of hun geslacht. En wat hebben wij gedaan? Hebben wij deze praktijken publiekelijk veroordeeld? Hoe kunnen mensen die een God dienen die gestorven is voor de hele mensheid, wegkijken als er in naam van ons wordt gemoord en onderscheid wordt gemaakt tussen mensen?

‘Geliefde broeders en zusters, u bent als vreemdelingen die ver van huis zijn; ik vraag u dringend niet toe te geven aan zelfzuchtige verlangens, die uw ziel in gevaar brengen.Leid te midden van de ongelovigen een goed leven, opdat zij die u nu voor misdadigers uitmaken, door uw goede daden tot inzicht komen en God eer bewijzen op de dag waarop hij komt rechtspreken. ‘ 1 Petrus 2:11-12

Geloven we in Gods voorzienigheid of blijven we bezig om vrienden te maken met de onrechtvaardige Mammon? Proberen we koste wat het kost onze eigen rijkdom veilig te stellen en te vermeerderen?

Laten we juist in deze tijd ons er zelf op bezinnen hoe de geschiedenis en vooral hoe God ons handelen zal beoordelen. Dat Gods Naam mag worden grootgemaakt vanwege onze acties! Eén ding is zeker: er is hoop voor onze wereld omdat Jezus leeft! Dat de heilige Geest ons kracht mag geven om een verschil te maken!

Romeinen 12,10

 

Zo in de donkere tijd aan het einde van jaar is een mens snel geneigd melancholisch te worden. Achteromkijken naar het afgelopen jaar: alles wat je overkomen is aan goede en minder goede zaken. Eén van de conclusies kan dan zijn: vroeger was alles beter: meer solidariteit, betere werkomstandigheden, gelukkiger en minder problemen. Ach ja, in de tijd van onze grootmoeders was het leven niet zo jachtig, alles ging meer in harmonie, men had meer tijd… voor alles.

Maar als paus Franciscus het Europees Parlement Europa vergelijkt met het beeld van een oude afgetobde oma uit wie alle levenslust verdwenen is kantelt het beeld zoals hierboven geschetst radicaal. paus Europees ParlementAanstaande zondag begint voor christenen de Adventstijd. Tijd van bezinning, beschouwing en het je voorbereiden op het aanstaande Kerstfeest. Kerstfeest: het feest van de geboorte van Jezus Christus; herinnering voor mensen dat God zijn verbond en zijn beloften van heil aan mensen niet vergeten is. Een nieuwe wereld is begonnen. Een wereld waarin gerechtigheid en vrede zullen regeren. En wij worden opgeroepen daar aan te werken. Maar voor Europa lijken (nog) steeds andere dingen belangrijker: technocratie en bureaucratie. Een wereld waarin mensenlevens worden uitgedrukt in geld en ‘economisch instrument’. De paus wijst de parlementariërs, en dus ook ons, om mensen hun ‘transcendente waardigheid’ weer terug te geven. Want ‘wie God vergeet en Hem niet de eer geeft, schept een voedingsbodem voor onrecht en geweld. Europa dreigt haar ziel te verliezen wanneer zij hiervoor geen oog heeft.

Het zijn woorden van de paus. Laten wij allen, als christenen  in deze Adventstijd ons ook bezinnen op deze waarschuwing. Want wij zijn allen inwoners van Europa. Wij vormen Europa.

Kortgeleden kreeg de preses van de Protestantse Kerk, ds. Van den Broeke, emmers vol kritiek over zich heen, omdat ze het waagde om koning Willem Alexander (belijdend christen) erop te wijzen dat hij in zijn publieke uitingen geen gewag maakt van zijn geloof in God. ‘Hoe ze het toch durfde’ was de mening van velen ‘geloof is immers iets privé, dat op z’n best achter de voordeur mag worden beleden en dus geen plaats heeft in het publieke domein’. Ik hoorde ik deze kritiek tot mijn verbazing ook van medechristenen ‘zoiets zeg je toch niet en helemaal niet in deze tijd waarin een IS (Islamitische Staat) met een beroep op een religie vreselijke terreurdaden begaat. Alsof wij en masse, christenen incluis, zijn gaan geloven in de verbeeldde werkelijkheid dat de mensheid zich verder heeft ontwikkeld tot een samenleving waar God geen plaats meer heeft, hooguit als folkloristische hobby die een kleiner wordend groepje mensen mag blijven beoefenen als andere mensen er maar geen last van hebben. Onze seculiere maatschappij, met praktisch atheïsme is gebaseerd op een seculiere moraal. Deze moraal bepleit het individuele geweten, de mens als hoogste maat der dingen en gaat voorbij aan God en Jezus Christus. Deze maatschappij waarin we alleen maar kunnen vertrouwen op eigen kracht, op eigen daden en waarin wij ons leven helemaal zelf kunnen en moeten vormgeven. God is weggeschreven uit de geschiedenis en zijn volgelingen ‘ach, de stumpers’.

Onze maatschappij gebaseerd op een christelijk-(modern)humanistische grondslag. ‘Wij hebben God vermoord, jullie en ik!’ liet Friedrich Nietzsche zijn dolle man zeggen in de vrolijke wetenschap ‘Wij zijn allemaal zijn moordenaars!‘. Maar meteen kwam hij ook met een analyse van die maatschappij zonder God ‘Dwalen we niet als door een oneindig niets? Gaapt de holle ruimte ons niet aan? Is het niet kouder geworden? Komt de nacht niet voortdurend sneller en sneller? Moeten er ‘s morgens geen lantaarns aangestoken worden?’ Onze samenleving is er een zonder ziel, zonder hoop. We zijn vrij, we zijn onze eigen meester… maar wat heeft ons dat opgeleverd? Ongelovigen geloven het ongelooflijksteWe zijn bang als mensen onze leefwijze afwijzen,als zij ons ongebreidelde ‘vrijheden’ veroordelen.

Vrijheid; de Duitse filosoof Rüdiger Safranski schreef hierover een belangwekkend boek:  Het kwaad of het drama van de vrijheid. In dit boek beschrijft Safranski – nadat hij allerlei filosofen heeft behandeld – de mens die leegte en chaos ervaart wanneer geen god of levensbeschouwing hem de weg wijst. Men dacht dat de mens vanwege het feit dat hij redelijk is op een normale wijze kan samenleven met de ander. Zolang ieder zich maar houdt aan de basisspelregels. Zolang de redelijkheid bewaard wordt, blijft ook het samenlevingssysteem overeind. Maar de redelijkheid weet niet iedereen meer te boeien. Het onredelijke, het kwaad blijkt diep in de mens verborgen te zitten. Het jezelf als middelpunt van het universum te wanen. Dat is uiteindelijk het kwaad, dat zich tracht zich ‘zich een goed geweten aan te meten’. Wat ik doe dat is in de regel toch goed? Vrijheid is het toverwoord. Maar vrijheid is geen gemakkelijkheidsoplossing, maar iets waarmee de uitdaging nog maar gesteld is.

Vrijheid zoekt ook naar ankerpunten, een ethiek en leefregels die haar mogelijk maken.Vrijheid zonder maat brengt enkel zelfvernietiging voort en oorlog. Ankerpunten zijn te vinden in de Tien Geboden, het evangelie van Jezus Christus. Dat zijn de richtlijnen die God ons gaf om mensen een leven te laten leiden in vrede, broederschap en eensgezindheid. Deze uitgangspunten, deze ankerpunten voor een maatschappij zullen echte rechtvaardigheid voortbrengen, echte ontwikkeling en vrede. Geloven, leven in afhankelijkheid van de door God gestelde normen, dat is pas vrijheid! Maarten Luther, de Duitse kerkreformator omschreef ‘vrijheid’ zo: Een christenmens is een vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan; een christenmens is een dienstbare knecht van alle dingen en ieders onderdaan. Of zoals het in Romeinen 14 vers 17 staat: ‘Het Koninkrijk Gods is niet eten en drinken, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest.’  Ik stel mijn vertrouwen niet op ‘eten en drinken’, op ‘voedsel en kleding’, op ‘zekerheden, die ik in de hand heb’. Ik vertrouw op gerechtigheid, op het recht van en voor de ander die door God aanvaard is. Ik geloof in de keuze voor het recht van de armen, van de verdrukten en van hen die geen helper hebben. Ik vertrouw op vrede, ik kies voor het welzijn van de ander, en van Gods schepping. Mijn blijdschap is dat ik mij samen met de ander verheug in God, in het leven.

Houdt de radicale islam ons in wezen ook niet een beetje een spiegel voor. Zij willen gaan voor een radicale gehoorzaamheid aan hun God, helaas met hun  verwerpelijke uitwassen van terreurdaden. Maar waar gaan wij voor? Een beetje dit, een beetje dat. Steeds maar schipperen en vooral je kop niet boven het maaiveld uitsteken. Of gaan wij ook navolging, maar dan van Christus? Voor échte vrijheid.

Vanwege al het nieuws over de MH 17, de oorlogen in het Midden-Oosten en Irak en het ebola-virus in Afrika is het een volgende nieuws in de media een beetje ondergesneeuwd. Namelijk het nieuws dat een Australisch echtpaar een tweeling liet verwekken bij een Aziatische draagmoeder. De draagmoeder deed dat voor een financiële wederdienst. Maar wat wil het geval: het ene kind van de tweeling is ‘gezond’ terwijl het andere deel van de tweeling verstandelijk gehandicapt is. De Australiërs kozen ervoor het ‘gezonde’ kind mee te nemen en het gehandicapte kind achter te laten bij de draagmoeder. De hele wereld viel over hun gedrag, en terecht…

maar mijn punt is: hoe kan een meerderheid van de mensen deze methode van handelen afwijzen, terwijl men wel van de mogelijkheid gebruikmaakt van een medische handeling om te kijken of een baby ‘gezond’ is er  vervolgens voor kan kiezen, wanneer dit niet zo blijkt te zijn (of althans de kans op een ‘niet gezonde’ baby groot is),om de zwangerschap te laten  afbreken? Is het niet de beeldcultuur die het maakt dat wat je ziet ineens ‘levend’ wordt en dat volgens bepaalde wetenschappelijke aannames er wordt gezegd dat het afbreken in een bepaald stadium van zwangerschap niet betekent dat je een levend wezen doodt. Wat je niet werkelijk ziet is er ook niet…

what about my rights - baby