In deze periode beleggen veel kerken hun Startzondag:
de aftrap van een nieuwe kerkelijk seizoen
waar veel activiteiten op het kerkelijk erf weer opnieuw beginnen.
Maar de eerlijk gebied te vragen ‘Wat starten we eigenlijk?’
Startzondag, dat is een woord uit een andere tijd, zo lijkt het wel. In de anderhalvemetersamenleving kan zo veel niet. De atmosfeer is nu anders. De wereldwijde coronacrisis heeft diepe sporen getrokken in onze samenleving. Het kerkelijk leven is op veel plaatsen ontwricht en het is de vraag hoe gemeenten uit de crisis tevoorschijn komen. We zitten immers helemaal niet in de cyclus van een jaarlijkse carrousel die we weer aan de gang proberen te krijgen.
De coronacrisis versterkt daarmee het gevoel dat een gure, winterse kou veel kerken in haar greep heeft. We somberen met elkaar over lege kerkbanken, afnemende interesse in de Bijbel en het geloof dat verdwijnt naar de rand van de samenleving. Volgens sommige berichten versnelt de coronacrisis de neergang van de kerk. Men stelt dat de kerk qua ontvolking nu jaren eerder komt dan geprognosticeerd is voor een situatie van over een paar jaar. We zitten midden in een vreemde tijd, waarin we afvragen wie uit de gemeente waar zit, hoe mensen erbij zitten en met wie we amper nog contact krijgen. Een periode waarin je lange adem nodig hebt, wijsheid, gezamenlijke reflectie en gebed. Misschien ook iets van besef dat het in onze eigen recente kerkgeschiedenis het zonder precedent is dat de gemeente zo lang niet samen heeft kunnen komen.
Ik merk in contacten met collega’s hoeveel er onder de oppervlakte speelt. De teleurstelling over wat ons ontvalt, de verzwakking die je om je heen ziet gebeuren, de geestelijke dynamiek van de liturgie en de prediking die zo verandert. Soms ook de mensen die de gemeente in de steek laten, door hun afwezigheid of hun onbereikbaarheid. Ook je eigen dorheid of onbestemdheid van binnen. En je bezorgde intuïtie hoe je er in deze omstandigheden eind oktober aan toe moet zijn. Ondertussen moet je flexibel zijn, mediageniek en vol nieuwe ideeën over kerkzijn.

Vanuit verschillende kanten worden aanbevelingen aangereikt.
Bijvoorbeeld ‘Heb aandacht voor de sociale en spirituele functie van de kerk’ of ‘Neem ruimte om te bouwen vanuit de kern’.

Ten aanzien van het eerste legde ik in mijn vorige blog al de vinger op één punt dat mijns inziens best belangrijk is: namelijk dat er is eigenlijk heel weinig behoefte aan prediking want gemeenteleden willen vooral ontmoeting en sociaal contact. Uit een onderzoekje bleek namelijk als antwoord op de vraag naar wat mensen missen in het kerkzijn,
preken behoorlijk laag te scoren. Ook werd ergens onlangs gesteld dat gemeenteleden eerder het gezellig samenzijn missen dan de gezamenlijke viering van het Heilig Avondmaal. 

Ondanks dat ik dat herken en ik geloof dat het van belang is om daar heel aandachtig naar te kijken en ons op te bezinnen, speelt bij mij van binnen vooral sterk de gedachte op dat dat eigenlijk heel zorgwekkend is. Als ik het even ruwweg vertaal, doe ik dat zo: de kern van kerk zijn (dat het evangelie van Jezus Christus en zijn koninkrijk van Geest en liefde er klinkt en mensenlevens aanraakt en transformeert) is vervangen door verlangen naar sociaal contact.
Nee, met sociale aandacht is niets mis. Maar die vinden we ook in het buurthuis en op de sportvereniging en de muziekband waarin we spelen.
Als dan de kern van het kerkzijn verwordt tot een verlangen naar sociaal contact dan zie ik een tekort aan aandacht voor en ervaring met het werk van de Heilige Geest. Een spiritueel tekort gaat in wezen dus over iets wat nogal ernstig is: geen of te weinig ruimte voor de Geest die waait waar en wanneer hij wil; geen of te weinig aandacht voor het eigen werk van de heilige Geest die troost, vernieuwt, wijsheid schenkt, profetisch leert spreken en geneest; geen of te weinig focus op de gaven van de Geest en de vrucht van de Geest; geen of te weinig aandacht voor gebed en biddend leven, kortom voor spiritualiteit als leven in de Geest van Jezus.

Juist omdat ik het zo herken in het kerkelijke leven dat ‘gelovigen ontmoeting broodnodig hebben’, juist omdat ik zie hoezeer de kerk kan verworden tot een sociaal netwerk dat aan elkaar hangt van barbecues en andere ontmoetingen zonder veel inhoud, juist omdat het me raakt hoe groot de machteloosheid lijkt te zijn om in kleine groepen geloofsgesprekken te voeren, juist omdat ik merk dat de Woordverkondiging naar de marge van het kerkzijn wordt gedrongen door al die andere dingen die moeten gebeuren in kerkdiensten, juist omdat ik zoveel biddeloosheid lijkt het me dat gelovigen Jezus juist broodnodig hebben.

Ondanks al deze somberingen moet ik denk aan dat clubje van 12 doodsbange mannen op dat zolderkamertje meer dan twee duizend jaar geleden. Hun leider was dood, alle beloftes en voorspellingen waren in hun ogen niet uitgekomen en ze zagen alleen een boze wereld om hun heen die op z’n zachtst gezegd niet op hen zat te wachten. We weten wat er gebeurd is sinds die tijd. En meermalen is de kerk al doodverklaard en het christelijk geloof ten grave gedragen. Ik geloof dat de Geest nog steeds nieuwe kieren vindt om mensen te inspireren en te stimuleren om Gods vrederijk dichterbij te brengen en op een of andere manier proberen het Evangelie uit te dragen.

naar aanleiding van psalm 27

David heeft deze psalm vermoedelijk geschreven in een heel onrustige periode in zijn leven.
Aan de ene kant wordt hij gezien als een man op wie de zegen van God rust. Iedereen draagt David op handen. Aan de andere kant wil Saul hem uit de weg wil ruimen. David wordt een politiek vluchteling. Hij trekt van onderduikadres naar onderduikadres. Hij is nergens, er is geen plek waar hij rust vindt. Hij is een stuk opgejaagd wild. Onrustig, ontheemd. En in deze periode vol stress en onveiligheid schrijft hij deze psalm.
Het kloppend hart van dit lied zijn de verzen 4 en 5, die beginnen met de krachtige woorden: één ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven. En dat valt wel te begrijpen, dat David juist daar wil zijn. Want de tempel in Jeruzalem heeft in die tijd een soort van asielfunctie. Zoals ambassades dat in onze tijd hebben. Als je op zo’n plek aanklopt en asiel vraagt. En als men je dan opneemt, dan kunnen je achtervolgers je niets meer doen. Logisch dat David er sterk naar verlangt om in het huis van de Heer te zijn, te wonen. Om daar veilig te schuilen in zijn hut in het verborgene van zijn tent, hoog op een rots.
Maar daarmee is niet alles gezegd. David diepste verlangen is niet rust, geborgenheid, veiligheid. Hij schrijft: één ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven, om de lieflijkheid van de Heer te aanschouwen en te onderzoeken in zijn tempel. David is geen rustzoeker. Hij is vooral een Godszoeker. Zijn hart verlangt en gaat uit naar God zélf.

Spiegel jezelf eens aan deze woorden. Doe je aan godsdienst, of gaat je hart uit naar God? Ken je je dorst, voel je de stille schreeuw? Vaak proberen we het te sussen en te stillen. Het te vullen met van alles en nog wat. Hard werken, leuke dingen doen, het fijn hebben. Maar gezegend ben als het je niet meer lukt.. Als je verbonden bent met je diepste verlangen.

Dat verlangen naar God, die schreeuw, die heimwee in je hart dat is geen verdienste. Dat is de echo van een Ander en nog veel dieper, sterker verlangen buiten ons zelf. We hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Dat andere sterkere verlangen dat aan ons verlangen voorafgaat dat is een enorm sterk verlangen dat leeft in het hart van God. Al op de eerste bladzijden horen we dat verlangen doorklinken als God op zoek is naar de mens: Adam, waar ben je? En sindsdien is God altijd en overal op zoek gebleven. En gaat zijn hart uit naar de mensen. Wil hij niets liever dan vriendschap, vertrouwelijke omgang

En voor God is het geen goedkope vriendschap. Hij heeft er werkelijk alles voor over geen prijs is hem te hoog om die vriendschap te bewerkstelligen. Hij zond zijn Zoon om een van ons te worden en ons in Hem van zijn liefde te verzekeren. Hij geeft zijn Geest die in ons wil komen wonen en diep in ons bestaan die vriendschapsband wil laten groeien. Hij geeft ons zijn Woord die deze band kunnen verdiepen. Hij geeft ons het teken van de doop als een teken van zijn vriendschap zodat er al helemaal aan het begin van ons leven een vriendschapsverzoek aan ons hart wordt gelegd. En als teken van zijn eeuwigdurende vriendschap en verlangen stelt hij een maaltijd in, dé uiting van vertrouwelijke omgang. Als Jezus voor de laatste keer met zijn vrienden een maaltijd heeft dan zegt hij: Ik heb er hevig naar verlangd deze maaltijd met jullie te houden. Er is iets in het hart van God dat zo sterk uitgaat naar ons. Hij wil met ons omgaan als met een vriend. Vertrouwelijk, intiem. Met ons eten en drinken.

En dat verlangen zoekt een antwoord in ons hart.
Eén ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven. Misschien klinkt het je net iets te benauwend. Eén ding, al de dagen van mijn leven…. Moet alles dan echt draaien om godsdienst, de kerk en zo? Nou, om te wonen in het huis van de Heer. Hoef je niet letterlijk in een kerk of een tempel te zijn. Die tempel mogen we ook zelf zijn. Een tempel zijn van de Geest. En die Geest schept in ons eigen hart een heiligdom, een stille en lege plek waar God kan wonen. Ik Hem elke dag mag ontmoeten.

En als je vanuit die grondhouding leeft. Dan ontwikkel je iets van een gevoeligheid om iets van Gods liefelijkheid en goedheid te zien oplichten hier en nu om je heen in het gewone leven van iedere dag. Dan mag je iedere dag die God je geeft ingaan met een open, verwachtingsvolle en hoopvolle blik. Dat is wat doorklinkt in dat mooie slotvers van deze psalm:

Mag ik niet verwachten de goedheid van de Heer te zien in het land van de levenden? Wacht op de Heer, wees dapper en vastberaden. Ja, wacht op de Heer.

Pinksteren-L-uitsnijding-20190527_155808-770x1024

naar aanleiding van Romeinen 8:14-17

In deze tijden van corona is er ook aandacht voor verzekeringen.
Ik las dat organisatoren van grote evenementen een verzekering hadden
voor situaties als waarin wij nu leven: een pandemie.
Dit keer konden ze er nog beroep doen zei de verzekeraar,
maar deze ‘calamiteit’ zal in de toekomst uitgesloten worden van dekking.
Ja, wat heb je dan aan zo’n verzekering?
Waarom zou je verzekerd willen zijn?
Het woord zegt het al, het heeft met zekerheid te maken.
Maar daaronder zit denk ik nog iets anders: angst. Dat je ergens bang voor bent.
Bang voor wat er kan gebeuren in je leven, en angst voor de gevolgen.
Je kunt ziek worden – en dan? Je kunt geen gezondheidsgarantie kopen,
maar je kunt je in elk geval verzekeren voor de beste zorg.
Ja, zelfs tegen het ultieme risico kun je je verzekeren:
een overlijdensrisicoverzekering.
Maar of het nu echt helpt? Je risico op overlijden wordt er niet kleiner door…
Zo is eigenlijk het met alle verzekeringen:
ze kunnen dat wat je vreest niet wegnemen, ze verzachten alleen de gevolgen.
Met Pinksteren hebben we het over een heel andere verzekering,
één die wel altijd helpt en alles altijd dekt:
de verzekering die de Heilige Geest geeft.
Een geweldige verzekering te midden van alles wat er kan gebeuren in het leven!

Eerst maar eens even: want waarom kwam de Heilige Geest ook al weer?
Als ik u vertel over God en Jezus,
over vergeving en een nieuw begin dan kunnen er twee dingen gebeuren.
Óf je vindt het allemaal onzin – wie zegt dat het waar is, dat God er is?
En opstaan uit de dood, dat kan toch niet?
Óf je hoort het, maar het is te mooi om waar te kunnen zijn,
te groot om te kunnen geloven.
Een nieuw leven voor altijd, voor mij? God die van mij houdt, wat ik ook doe?
Je kunt het gewoon niet geloven.
In beide gevallen kom je niet tot de geloofsrelatie die de Here met je wil, waar Jezus voor kwam!
En dáárom is nu de Heilige Geest gekomen, de grote verzekeraar.
Hij maakt dat de boodschap wel binnendringt en aanvaard wordt
en mensen vernieuwt, dat ze vergeving, vrede en vreugde krijgen!
Zonder de Geest gaat het niet.
Stel je voor dat Petrus en de andere apostelen direct na Jezus’ hemelvaart waren gaan preken in Jeruzalem, dat Jezus, de man die onlangs gekruisigd was, leeft en de Messias is – zou dat gewerkt hebben? Ik denk het niet!
Maar met Pinksteren kwam de Heilige Geest.
Hij gaf zijn kracht, en toen Petrus tóen preekte, kwamen er 3000 tot geloof.
Dát doet de Geest!

De Geest is dé grote verzekeraar. En waarvan hij verzekert?
Heel eenvoudig: dat wij Gods kinderen zijn.
Wie gelooft, mag gaan weten dat hij of zij bij Gods gezin hoort.
Dat de grote God je Váder is, dankzij Jezus zijn zoon.
Ja, dat betekent dat Zijn Vader de jouwe is,
en dat Hij jou liefheeft met dezelfde liefde waarmee Hij Jezus liefheeft.
Is dat niet onvoorstelbaar? Is dat geen grote zekerheid?
We zeggen het zo vaak gedachteloos, bijvoorbeeld in het gebed ‘Vader’,
maar besef eens hoe bijzonder dat is! Hoe Hij nabij is.
Zorgend, liefdevol, trouw, en tegelijk gezaghebbend –
want ook dat hoort bij vader-zijn, zeker in die tijd.
Jezus, de grote Zoon, maakt ook ons zonen en dochters van deze Vader.
En de Heilige Geest verzekert ons ervan, Hij maakt het waar voor u persoonlijk!
Goddank dat de Geest is gekomen.
Ik hoop dat u iets van zijn werk in uw leven herkent,
momenten van geloof en zekerheid.
En als je dat nu niet herkent, bid er maar om. Want de Geest is gekomen!
En hij doet niet liever dan mensen verzekeren.
Dan tenslotte nog eens: hoeveel verzekeringen hebt u?
Of laat ik eens iets anders vragen: hoeveel verzekering hebt u nodig?
Hoe zeker bent u van dat u een Vader in de hemel hebt en dat u zijn kind bent?
Want dát is de verzekering die we boven alles nodig hebben,
om hier zonder angst en zorgen te leven.
Die verzekering geeft de Heilige Geest,
uitgestort in mensen met het Pinksterfeest!
Dat is de levensverzekering die écht zorgt
dat je een nieuw leven krijgt als je overlijdt.
Ja, het is echt waar! Geloof het maar!
Je mág het geloven, en zéker weten.

Kolossenzen 3

naar aanleiding van Kolossenzen 3

Ja, je moet inderdaad even zoeken, want het is zo’n echt lange Paulus-zin. Het was me nog nooit opgevallen dat dat in de Bijbel stond: Christus is alles!
Paulus doet dat al schrijvend over het nieuwe leven (Kolossenzen 3:5-17). In dat nieuwe leven doet geen enkel onderscheid meer ter zake: of je nu Jood bent of Griek, slaaf of vrije, man of vrouw, oud of jong, er is in het nieuwe leven door de Geest nog maar één ding echt belangrijk: dat Christus alles in allen is!
Ik ben steeds weer onder de indruk van Paulus’ enorme passie voor zijn Heer. En van de sterke uitdrukkingen die hij gebruikt om dat te communiceren. Zoals ook in bijvoorbeeld Filippenzen 3 vers 8: ‘Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, alles te boven gaat.’ Want er zijn zoveel dingen in mijn leven die alles voor me kunnen worden:
de zorg om mijn gezondheid mijn werk, mijn gezin, mijn verdriet of mijn gekwetstheid.
Maar Christus wil alles zijn. En als ik door de Geest mijn nieuwe mens aandoe, dan gaat dat ook echt gebeuren. De Geest richt je hart op Christus, die je leven is. Hij is het die van je leven het deksel afhaalt: je krijgt door dat er meer is dan je eigen verdieping. Je krijgt besef van een nieuwe dimensie: de wereld en je leven hebben met Jezus Christus te maken en zo met God zelf. De Geest is degene die je daarop richt. Hij stelt je antenne af op ontvangst van wat van boven komt. Door de kracht van de Heilige Geest ga je je oriënteren op je leven bij Christus. De Geest richt je hart op Christus. Merk je dat je leeggezogen wordt door de beslommeringen van het leven, wanhoop of angst die je overvalt? Bid om de Geest, dat Hij je daarvan bevrijd en je opnieuw afstelt op Christus. Ontdek steeds weer dat je echt alles hebt, als je Christus heb. Wat wil een mens nog meer? In Christus ligt je leven verborgen bij God. De Heilige Geest geeft je dat leven. En tegelijk is het een opdracht om dat leven te grijpen. Zo brengt de Heilige Geest geloof, vertrouwen en activiteit in ons leven. Zo brengt de Heilige Geest mensen tot liefde, tot gebed en tot bekering. Als ik wijsheid wil, en ik heb Christus, dan heb ik alle wijsheid en kennis want die zijn in Hem verborgen. Als ik volmaaktheid wil, en ik heb Christus, dan ben ik in Gods ogen het meest mooie en volmaakte schepsel. Als ik gerechtigheid wil, en ik heb Christus, dan heb ik in Hem mijn gerechtigheid. Als ik vergeving zoek, en ik heb Christus, dan ben ik in Hem vergeving. Als ik liefde zoek, en ik heb Christus, dan mag ik me de meest beminde mens ter wereld weten. Ja, als ik Christus heb, heb ik alles. Want Christus is alles. Ons leven met Christus is verborgen in God. En als Christus verschijnt, schrijft Paulus, dan zal blijken, dat Hij ook jouw leven in zijn handen heeft.
Dat is de belofte. De belofte die houvast geeft als toezegging van God zelf. De belofte die je helpt om je leven op Christus te richten.
Ik weet het: dat nieuwe leven is niet altijd even zichtbaar. Soms heb je het gevoel dat alles je bij de handen afbreekt. Je de toekomst alleen zwart en somber inziet. Je denkt dat je er helemaal alleen voor staat.
Weet dan dat het leven verborgen, geborgen ligt met Christus in God.

Volmaakt veilig!

Daar moest ik laatst aan denken toen ik een aankondiging las van een conferentie met de titel ‘Geloven in preken’. Foie gras. U weet het wel: de in Nederland zeer omstreden manier om ganzen vet te mesten waarbij de dieren enkele malen per dag via een trechter mechanisch of pneumatisch gevoerd worden. Met deze wijze van dwangvoedering kan de lever abnormaal opzwellen. Ik dacht aan deze martelvoeding vanwege de vergelijking die Ciska Stark maakte toen zij het spits afbeet op bovenstaande conferentie. ‘Kerkgangers zijn een stel tamme ganzen. De kerkganger van nu is een tamme gans die iedere zondag naar de kerk waggelt, waar de tammeganzendominee preekt over het wildeganzenleven van vliegen en vrij zijn. Daar laaft de tamme gans zich aan zijn wezenlijke roeping.’ Het beeld ontleend zij aan de Dagboeknotities van de Deense theoloog en filosoof aan het eind van de negentiende eeuw, Søren Kierkegaard. vlucht ganzenDeze aftrap van mevrouw Stark zette me aan het denken. Wat zij prikkelend stelt zegt iets over de kerkganger, die zich als tamme gans het gemakkelijke voedsel, het laaghangende fruit, laat welgevallen en zichzelf daarmee in slaap sust en niet bedacht is op de naderende Kerst wat voor hun een wisse dood betekent. Maar het zegt ook iets over de dominee, die zijn publiek met liedjes-van-verlangen tevreden houdt en niet laat opschrikken. ‘Want het hart van dit volk is vet geworden en zij hebben met de oren slecht gehoord, en hun ogen hebben zij dichtgedaan, opdat zij niet op enig moment met de ogen zouden zien en met de oren horen en met het hart begrijpen, en zij zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen’ citeert Paulus de Heilige Geest in Handelingen. Foie gras, maar dat geldt niet alleen voor de luisteraars, maar zoals gezegd evenzeer voor de predikers. Scherpe kanten van het evangelie, de struikelblokken worden graag vermeden, kool en geit moeten worden gespaard, spiegels omgedraaid, mensen naar de mond gepraat.

‘Moet een kerkdienst de vorm krijgen als afwisselende mix van liederen en teksten, gebed en getuigenis waar de preek slechts terloops een rol in speelt? Met de dominee in de rol van verteller die de verschillende ‘stukjes’ aan elkaar praat?’ vraagt Stark zich vervolgens elders af. Want alle deskundigen stellen dat de concentratie van een hoorder gemiddeld zeven tot acht minuten is. Gelukkig beëindigd Stark haar betoog met ‘prediker en hoorders geloven niet in de prediking, maar in een God die spreekt. (…) Volgens Stark zit het in de aard van het gesproken woord zelf: het is een ‘levend’ woord, een “viva vox” (levende stem) of zoals men vandaag zou zeggen: het is live. In tegenstelling tot hetgeen je leest of op papier of op een scherm ziet, is een gesproken woord iets vluchtigs in tijd en ruimte, het is niet gefixeerd en dus principieel open voor betekenis. De preek is niet de preek op papier of hetgeen je achteraf kunt navertellen: Het woord gebeurt op het moment zelf en dat is Bijbels: het Woord geschiedt.’

Ik geloof in de kracht van de Geest, een God die spreekt die van dode beenderen weer levende mensen kan maken, die toegestopte oren kan openen, dichtgeslibte aders kan openen en die mensen weer in de ruimte kan zetten van de vrijheid van het geloof en mensen weer een stem kan geven om de Bijbel met al haar hoekige, scherpe en vaak aanstootgevende kanten te verkondigen!

‘Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft’ (Tussentijds, aanvullende liedbundel 163)

Over een paar dagen is het weer Pinksteren. Pinksteren, het feest van de herdenking van de uitstorting van de heilige Geest.  De uitstorting wordt gesymboliseerd met het beeld van vlammen boven de hoofden van de leerlingen van Jezus die voor het eerst met deze Geest werden begiftigd. Jezus volgenDeze uitstorting markeert ook het begin van de christelijke Kerk. Het kan als zodanig tevens als de eerste christelijke opwekking worden gezien. Ook als is het Hemelvaart geweest en is Jezus verdwenen van deze aarde, Jezus is geen verleden tijd. Door zijn Geest laat Hij het merken: Hij is er. Hij is er, hier en nu.Pinksteren is niet het feest van de Geest, maar het feest van Jezus Christus die door zijn Geest laat merken dat hij geen verleden tijd is, maar hier en nu werkelijkheid. In de duisternis van alledag wordt een licht ontstoken, een lichtend vuur dat meer dooft. Maak merkbaar dat Jezus Christus hier en nu Heer is. Dat is de opdracht die de kerk, die wij meekrijgen, juist met Pinksteren. Maak zichtbaar en voelbaar dat Christus leeft. Dat hij de Heer is. In hoe je met elkaar omgaat, hoe je over elkaar praat, hoe je meedoet en je inzet; hoe je er voor elkaar bent; waar je over praat. Volgelingen van Jezus Christus – laat voelbaar, zichtbaar, merkbaar zijn dat Christus leeft! Hij is Heer, hij werkt door zijn Geest. Ga in het spoor van Christus!

‘Wie mij volgt, gaat zijn weg niet in duisternis, zegt de Heer. Dit zijn woorden van Christus, waardoor wij worden gewenkt zó ver Zijn leven en gedrag uit te beelden als wij waarachtig verlicht willen worden en van blindheid van hart bevrijd.’  (Thomas á Kempis, De navolging van Christus Eerste hoofdstuk)

‘Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft’