Een ander fenomeen dat met deze huidige technologische ontwikkeling kan optreden is de ‘angst voor het algoritme’. Je kunt het omschrijven als ‘het besef dat we constant te maken hebben met geautomatiseerde technologische processen die buiten ons begrip en onze controle liggen, of het nu gaat om onze Facebook-feeds, Google Maps-routebeschrijvingen of Amazon-productpromoties.’
Want we begrijpen algoritmes totaal niet. Zelfs als we dat wel zouden weten, zouden we niet weten hoe ze daadwerkelijk op ons werken, omdat elk technologiebedrijf het geheim houdt, zodat concurrenten er niet van kunnen leren. Dit heeft ertoe geleid dat het algoritme de nieuwste boeman van deze tijd is geworden, een spook waar we in gesprekken naar kunnen verwijzen om ons technisch onderlegd en cultureel onderlegd te laten klinken, zelfs terwijl we in het duister blijven tasten. Dat we een ‘konijnenhol’ in worden getrokken waar we niet meer uit kunnen komen. Zo kan een algoritme gaan werken.
Een van de vreemdste uitkomsten van de opkomst van het algoritme zijn de schijnbaar enorme effecten op politiek en cultuur. In de politiek heeft het mensen gepolariseerd, ons in tegenovergestelde kampen verdeeld en er vervolgens voor gezorgd dat we alleen maar goede dingen horen over onze ‘kant’ en alleen maar krankzinnige dingen over de ‘tegengestelde’ kant. In plaats van rustig naar een andere mening te luisteren, slingeren we anderen beledigingen naar het hoofd.
Iets anders gebeurt met de cultuur. Hier maakt het algoritme cultuur homogener; Anders gezegd: het wordt meer ‘afgeplat’: het populaire ‘bijzondere’ wordt populairder en het ‘gewone’ nog minder zichtbaar. Het is een vreemde remix van Jezus voor het digitale tijdperk: ‘aan allen die hebben, zal meer worden gegeven… maar van hen die niets hebben, zal zelfs wat ze hebben worden afgenomen.’
Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat het leven van een Instagram-bericht wordt bepaald in de eerste vijf minuten: Als mensen het ‘liken’, kan het zeker zijn van meer populariteit; als mensen geen interesse tonen, zal het zinken. Zichtbaarheid op sociale media is van vitaal belang voor veel mensen, omdat dit is waar alle publiciteit begint. Men probeert het systeem te omzeilen en proberen erachter te komen wat voor soort content het algoritme zal promoten. In het proces wordt hun creatieve expressie subtiel gecompromitteerd. Mensen beginnen te schrijven in een stijl die aandacht trekt, en wat aandacht krijgt, wordt bepaald door het algoritme. Degenen die tweeten, weten hoe het korte, uitgeklede medium hun leven begint te beïnvloeden als ze niet op X zijn. Veel cultuur heeft nu het holle, lege gevoel dat het door algoritmen is gemaakt. Het algoritmisch een synoniem is geworden voor alles wat te glad, te reducerend of te geoptimaliseerd aanvoelt om aandacht te trekken.
Er is een tegenargument tegen deze ontwikkeling. Vroeger werd wat we lazen, hoorden en zagen als culturele consumenten bepaald door een kleine groep experts die content voor ons filterden. Deze experts kwamen vaak uit een klein deel van de samenleving die onvermijdelijk hun eigen vooroordelen inbrachten. Hoewel dit waar kan zijn, is het nauwelijks een triomf voor het publiek om een gevoelloze gadget – zoals het algoritme – te laten beslissen wat het beste voor hen is, op basis van wat we eerder leuk vonden en wat de meeste mensen lijkt aan te spreken.
Maar de waarheid is dat we door ons noodzakelijkerwijs over te geven aan het algoritme (want welk alternatief is er online?) enorme hoeveelheden cultuur missen die ons misschien wel zouden aanspreken. Het is ongeveer net zo effectief als beslissen welk zeeleven we leuk vinden op basis van wat er aan de oppervlakte van het water opduikt.
De beste kunst is niet altijd de meest populaire en er is een risico dat de Goddelijke vonk van uitvinding die de God de Schepper in ieder van ons heeft gelegd – het onbeperkte potentieel om naar het evenbeeld van God te worden geschapen – niet zo vaak zal worden aangewakkerd als zou kunnen. Het najagen van likes is geen vervanging voor geduldige inspiratie. Het is vaak aan de randen dat doorbraken ontstaan; kunst die ons deze wereld in een nieuw en Goddelijk licht laat zien.
‘Zie, Ik maak alle dingen nieuw’, zegt Hij die op de troon zit in Openbaring. Maar dat algoritmes alle dingen gelijkvormig maken, is de realiteit waarmee we leren leven. We worden verleid om niet onszelf te zijn.
De VERleiding is sterk. Wie is jouw leider? Of om in de terminologie te blijven: door welk A/algoritme laat jij je leiden?
Zoeken met Google (of een andere zoekmachine) is prachtig. Op elke vraag vind je wel een antwoord, goed of fout. Het geeft uiteindelijk een schijnzekerheid, die wij mensen zo graag willen. Liefst zo eenvoudig mogelijk trouwens, dat dan wel weer.
Zo heb ik heb eens nagedacht over de verleiding om de wijsheid van vragen in te ruilen voor de schijnbare zekerheid van directe antwoorden, zelfs foute antwoorden. Want – zoals ik al schreef- het is een verleiding die, in ons tijdperk van alles met één klik en het belang van beeld, alleen maar toeneemt. Het is een verleiding waar ik over heb nagedacht en me afvroeg of het begon met die oude verleiding in de Hof van Eden. Ik vroeg me af of die oorspronkelijke verleiding ons op een pad van directe informatie maar ook van onuitputtelijke wijsheid had gezet.
Er schoot een gedachte door me heen: wat als God Adam en Eva vertelde dat ze van elke boom mochten eten, behalve van de boom van de kennis van goed en kwaad, niet omdat hij wilde dat we onwetend of onschuldig zouden blijven, maar omdat hij wist dat het te gemakkelijk voor ons was om van die boom te eten. Hij wilde dat we zouden leven en zelf op zoek zouden gaan naar kennis en wijsheid. Het eten van die boom zou de ervaring omzeilen, er zou geen behoefte zijn om spieren van denken en onderscheidingsvermogen te ontwikkelen. En hij wilde dat we wijs zouden zijn, om de wereld met hem te blijven creëren en verzorgen. Toen die eerste uit de aarde getrokken mensen van de boom aten, was het alsof wij, nog steeds afhankelijk van de aarde, Kunstmatige Intelligentie vroegen om een essay voor ons te schrijven: ja, we krijgen misschien wat we willen, maar we hebben de ervaring van denken, creëren en onderscheiden wat we te zeggen hebben, omzeild.
‘Tuurlijk, deze analogie kraakt als hij te ver wordt doorgetrokken, maar hij blijft desondanks hangen. Laat ik de Amerikaanse bioloog E.O. Wilson citeren:
‘We verdrinken in informatie, terwijl we hongeren naar wijsheid. De wereld zal voortaan worden gerund door kunstmatige mensen die in staat zijn om de juiste informatie op het juiste moment samen te stellen, er kritisch over na te denken en verstandige keuzes te maken.’
Het eten van de boom van kennis van goed en kwaad, of afhankelijk worden van kunstmatige intelligentie, geeft ons informatie, maar misschien niet het vermogen om te denken, en niet de wijsheid om goede keuzes te maken. God wil dat we wijs zijn. Het Bijbelboek Jakobus zegt dat we om wijsheid kunnen vragen. Het wordt ons niet onthouden; het is niet verborgen. Het is overal, wachtend om aangeroepen te worden.
Het is nu zo makkelijk om antwoorden te vinden, Google lost problemen op en geeft iedereen toegang tot informatie, tenzij je je natuurlijk in een deel van de wereld bevindt waar geen digitale toegang is. Daar kun je niet zomaar een onlinevergadering bijwonen of het antwoord vinden op een vraag die je hebt. Dat offline zijn kun je soms zien als een levensgevende uitdaging: het vergroot de behoefte aan relaties, vertrouwen en goede gesprekken. Andere keren belemmert het de vooruitgang: het betekent dat mensen geen toegang hebben tot banen, of basiskennis over gezondheid, of overheidsbeslissingen die hen aangaan. Google heeft veranderd wie toegang heeft tot de wereld, hoe we ermee omgaan, hoe we denken en leren. Vroeger leerden mensen poëzie, nieuws en geschriften uit hun hoofd. De drukpers veranderde dat: woorden werden uit gedachten getrokken en op papier gedrukt. Ons online bestaan heeft dat versneld: ik hoef mijn geheugen niet op te rekken als ik dat niet wil: ik kan digitaal vinden en opslaan wat ik nodig heb. We hebben ons geheugen uitbesteed en ik vraag me af of we ook ons denk- en onderscheidingsvermogen uitbesteden.
Daarmee lopen we het risico om onszelf van onze relaties, onze gemeenschappen en onze plekken te ontkoppelen. We hoeven niet langer op elkaar te vertrouwen voor kennis en wijsheid; we kunnen vertrouwen op anonieme digitale krachten die profiteren van ons handelen. We riskeren ook ons unieke vermogen om creatief te denken, goede bronnen te onderscheiden, diep en genuanceerd na te denken over een onderwerp kwijt te raken. Als kunstmatige intelligentie leert van alles wat is geweest, kan het alles met elkaar in verband brengen en misschien zelfs zaken inschatten, maar het kan zich niet creatief voorstellen. Het kan geen wijsheid weerspiegelen en spreken.
Ja, Google en kunstmatige intelligentie zijn zaken voor ons gemak. En er was een gemak om te eten van de boom en zo kennis te vergaren. Maar we worden niet geroepen tot gemak. Ik denk dat we geroepen zijn om lief te hebben, om voor onze buren te zorgen, en deze dingen zijn noodzakelijkerwijs onhandig. Zeker, digitale toegang tot informatie is een hulpmiddel, een hulpbron, een geschenk dat velen van ons op veel manieren ten goede komt. Maar het zou onze menselijkheid gemakkelijk kunnen afstompen, en een verleiding kunnen worden die het werk van echt leven omzeilt. Er zijn geen digitale shortcuts die het moeilijke werk voor de gemeenschap omzeilen, geen AI-shortcut naar goed liefhebben, net zoals er nooit een shortcut was naar volledige kennis van goed en kwaad. Als de informatie beschikbaar is met een ruk aan de boom, een klik, een download, een verzoek aan kunstmatige intelligentie dan ben ik benieuwd hoe ons vermogen om met vragen te zitten zal veranderen, of we schoonheid of angst zullen voelen omdat we niet alle antwoorden hebben, of we ons vermogen om te onderscheiden zullen verliezen, en om ‘geloof te hebben in wat we niet zien.’
Jezus roept ons op tot vragen, tot relaties, tot liefde, niet tot antwoorden die gemakkelijk gevonden kunnen worden maar nauwelijks ondervraagd. Hij wist dat vragen, niet antwoorden, vaak het beste antwoord op vragen waren. Vragen om bij stil te staan, om als een spiegel voor te houden, om te bewandelen als een pad naar wijsheid. Hij stelde er veel. Wie zeg je dat Ik ben? Hoeveel broden heb je? Heb je mij lief? Wat wil je? Waarom ben je bang? De Bijbel vermeldt dat Jezus vragen stelde en soms ook antwoorden gaf. Maar het punt lijkt vaak de vraag zelf te zijn, waardoor mensen eindeloze kansen krijgen om hun veronderstellingen en hun oordelen in twijfel te trekken en hun geloof te verdiepen en het persoonlijk te maken. Door dit te doen, bood Jezus een pad naar diepere en betekenisvollere kennis van God, de wereld, anderen en onszelf. En door vragen te stellen gaf hij mensen waardigheid, luisterde hij aandachtig naar hen, hield hij van hen en riep hij hen in zichzelf.
Zitten met vragen, met nieuwsgierigheid, is denk ik een toegangspoort tot geloof en mysterie. En we hebben metgezellen als we dit doen: Jezus, vroege christelijke mystici, gebed, de psalmen, elkaar; dit zijn allemaal plekken waar ik me tot wend om dieper te graven in de kennis die voortkomt uit onwetendheid. Leven met vragen en binnen het mysterie, goed naar elkaar luisteren, de taal van de ziel spreken in plaats van zekerheid, kan moeilijk en ‘tegencultureel’ zijn. Maar in een tijdperk waarin de toekomst steeds minder zeker wordt, ondanks dat de hele wereld schijnbaar binnen handbereik is, denk ik dat dit is waar onze hoop ligt. Want ‘wat heeft het voor zin voor een mens om de hele wereld te winnen, maar zijn ziel te verspelen?’
Maarten Luther vergeleek de Bijbel met een stad met vele straten. Het lijkt op het eerste gezicht een onoverzichtelijke wirwar van allerlei weggetjes. Maar als je beter kijkt, zie je al die weggetjes en straten uitkomen op het stadsplein in het centrum van die stad: Jezus Christus. Bij Bijbellezen gaat het om ‘gericht lezen’. Christus is het Hart van heel de Bijbel.
Hoe is het met jou als Bijbellezer gesteld? Drie aandachtsgebieden zijn belangrijk voor het Bijbellezen. Ik vat ze samen met de woorden ‘geduldig, gelovig, geheel’. Bij ieder deelgebied geef ik je een paar praktische checkpunten mee.
geduldig – Heb ik rustig de tijd genomen om de Bijbel te lezen? Een vast moment op de dag kan helpen. Ben je avondmens: lees ‘s avonds, ben je ochtendmens: lees ‘s morgens. Lees op zondagmiddag aan tafel de tekst die ‘s morgens in de kerkdienst aan de orde kwam en praat met je huis- en gezinsgenoten nog eens over de dienst.
– Heb ik voldoende energie gereserveerd om met de Bijbel bezig te zijn? Bijbellezen op het beste moment van je dag kan soms veel meer verhelderend zijn dan een lezing voor de nachtrust of in de vroege morgen. Geef het béste deel van je tijd voor het Bijbellezen en niet de ‘randen van de dag’, als je energievoorraad en je concentratievermogen erg laag is. Geef vooral ook niet te snel op. Als je geen zin hebt om te eten, doe je het ook omdat je weet dat het nu eenmaal goed voor je is. En vaak knap je er erg van op! Zo is het ook met Bijbellezen. Er is zoiets als een ‘heilig moeten’; tóch lezen, ook al heb jij (of je kind of je partner) geen zin of energie. Je zult zien dat dat z’n vruchten afwerpt!
– Heb ik voldoende de moeite genomen om de Bijbel te lezen en te begrijpen? Net zoals je moeite moet doen om een ander mens te leren kennen en te ontmoeten, zo moet je ook moeite doen om de Bijbel als ontmoetingsboek te leren kennen. Leg je Bijbel daarom niet meteen bij het eerste de beste dat je niet begrijpt neer. Haal de dingen er uit die je wel begrijpt. En zoek dieper als je sommige dingen niet begrijpt, bijvoorbeeld bij een gesprekskring of in boekjes. Bedenk hoeveel moeite God heeft gedaan om met jou in contact te treden via het Evangelie over zijn Zoon. Zou jij dan ook niet wat energie moeten offeren om te investeren in je relatie met God? Die investering kan geld behelzen (om een boekje aan te schaffen), tijd en doorzettingsvermogen.
Varieer ook eens van Bijbelvertaling. Dat hoeft niets te kosten, vertalingen staan vaak gratis online. Probeer ook eens een Engelse vertaling. Dat dwingt je nog eens opnieuw naar teksten te kijken die je al heel vertrouwd zijn. Doordat je moeite moet doen om het vertalen, ga je extra precies naar de tekst kijken en ontdek je nieuwe dingen.
Sinds enige tijd is er in de christelijke media wat ophef over het vermeende christelijke toon bij de band Coldplay. Chris Martin, de frontman heeft zich namelijk openlijk uitgelaten over de impact die zijn christelijke opvoeding op zijn leven heeft gehad. In een gesprek zei Martin dat hij het moeilijk vindt om met zijn streng religieuze opvoeding om te gaan. ‘Ik heb het op dit moment ook zo moeilijk in mijn leven. En een deel daarvan is dat ik terug moet gaan om naar al die dingen te kijken,’ zei hij.
Een van de laatste nummers ‘We Pray’ lijkt een diepe spirituele honger te verwoorden, met teksten als: ‘Ik bid dat ik niet opgeef, bid dat ik mijn best doe’ en ‘dus bidden we dat er iemand komt die mij de weg wijst’. En Martin leent in het nummer ook rechtstreeks uit de Bijbel, door het hedendaagse leven te beschrijven als leven ‘vol schaduw van de dood,‘ uit psalm 23. In het nummer ‘We Pray’ benoemt hij diverse redenen om te bidden. De song bevat ook een link naar de protestbeweging in Iran.
Inmiddels heeft Martin afstand genomen van het christendom en zegt dat hij een ‘alltheïst’ is, wat betekent dat hij gelooft dat God in iedereen en overal is. ‘Ik denk dat God liefde is’, zei hij in een interview, ‘en God is de magie in elk molecuul, zelfs in mensen die je niet aardig vindt.’ Hij legde dit verder uit tijdens een interview: ‘Mijn God, voor mij zijn alle dingen en alles. God is overal en iedereen en het is ook het onkenbare, de enorme majesteit achter alles. En het is gewoon het punt waarop je op het punt komt dat je niet verder kunt denken, dat is waar ik denk dat God is.’ Hij komt God of het goddelijke tegen in allerlei religies, stromingen en momenten.
Ook op eerdere albums kwamen soms – onverwachte – links naar geloof en spiritualiteit.
Ik ga er een paar af:
1. Parachutes (2000)
Nummers als ‘Yellow’ en ‘Trouble’ haalden de krantenkoppen. Wat geloof betreft, is het echter het minder bekende ‘We Never Change’ dat in de schijnwerpers staat.
De coupletten spreken over een verlangen om nooit wreed te zijn, om goed te zijn, om waarachtig te zijn en om vrienden om je heen te hebben. Maar met het refrein komt de realiteit: ‘But we never change, do we? No, no, we never learn do we?’
De brug brengt een duister besef: ‘O, ik heb geen ziel om te redden, ja, en ik zondig elke dag.’ De tekst is bijna Paulinisch in de wanhoop die ze voelt omdat ze het goede wil doen, maar het eigenlijk niet doet. Maar Paulus en het lied komen tot verschillende conclusies. Paulus ontdekte dat verandering door Jezus kan komen, terwijl het lied blijft klagen over hetzelfde bekende refrein.
2. A Rush of Blood to the Head (2002)
Het album dat ‘Clocks’ naar reclames en tv-montages bracht, suggereerde ook dat God glimlachen op gezichten tovert.
‘God put a smile on your face’ is lastig te interpreteren, maar er is een noot van hoop te bespeuren in de manier waarop het lied wordt omlijst. Het lied begint met ‘Where do we go, nobody knows; I’ve got to say I’m on my way down; God give me style and give me grace; God put a smile upon my face.’ Het voelt als een persoonlijke geloofsverklaring die aan het einde van het lied de kracht heeft gevonden om voor anderen te spreken: ‘Where do we go, nobody knows; zeg nooit dat je op weg bent naar beneden als God je stijl en gratie gaf; en een glimlach op je gezicht tovert.’
3. X&Y (2005)
Twee nummers op het derde album van de band kunnen direct worden toegeschreven aan Martins opvoeding in de kerk. In een interview met het popblad Rolling Stone legt Martin uit dat ‘A Message’ is afgeleid van de hymne ‘My Song Is Love Unknown’, terwijl ‘Til Kingdom Come’ (geschreven met de bedoeling om het uit te voeren met Johnny Cash, die stierf voordat het kon gebeuren) werd geïnspireerd door het Onze Vader.
Martin legt uit: ‘Een van de geweldige dingen aan gedwongen worden om naar kerkdiensten te gaan, is dat we al die bekende liederen zongen. Dat is deels de reden waarom ik geobsedeerd ben door het feit dat iedereen meezingt tijdens onze shows. Het geeft me het gevoel dat ik deel uitmaak van iets.’
De band slaagt er telkens in om ‘universele gevoelens te verklanken’. Ook hun hit ‘Fix You’ is daarvan een sprekend voorbeeld. ‘Het is een goede verwoording van het idee dat we ons allemaal weleens klote voelen, maar dat het goed komt. In de christelijke wereld is dit lied geliefd. Het kan bijna als een gezang gezongen worden.’
4. Viva La Vida of Death and All of His Friends (2008)
Naast het zwevende ‘Viva La Vida’, dat verwijst naar Johannes en de legendarische paarlen poorten, is er een ‘verborgen’ nummer aan het einde van ‘Lovers of Japan’ genaamd ‘Reign of Love’: ‘Reign of love by the church we’re waiting; Reign of love on my knees go praying; How I wish I’d spoken up; Away get carried on a reign of love.’
5. Mylo Xyloto (2011)
Mylo Xyloto bracht ons ‘para-para-paradise’, een albumtitel waar Chris Martin spijt van kreeg (omdat niemand hem kon uitspreken). Hieronder staat een lief liedje genaamd ‘U.F.O.’ dat gelezen kan worden als een gebed: ‘Heer, ik weet niet welke kant ik op ga; Welke kant de rivier op gaat; Het lijkt er gewoon op dat ik stroomopwaarts blijf rollen; Nog zo’n lange weg te gaan.’ Het tweede couplet brengt een hoopvollere toon met ‘We’ll find somewhere the streets are paved with gold.’ Is het een verwijzing naar ‘de twaalf stadspoorten waren twaalf parels, elke poort een parel op zich. De straten van de stad waren van zuiver goud en schitterden als glas.’ uit Openbaring 21: 21?
6. Ghost Stories (2014)
De belangrijkste ‘geest’ op dit album lijkt Gwyneth Paltrow te zijn. Twee maanden voor de release van het album ‘hielden Martin en Paltrow zich bewust los van elkaar’, zo wordt geschreven. Het is een rauw, kwetsbaar album en in ‘O’ is er een vluchtige verwijzing naar gebed, de afsluitende track van het album: ‘Still I always; Look up to the sky; Pray before the dawn.’
7. A Head Full of Dreams (2015)
Aan het einde van ‘Kaleidoscope’ staat een opname van president Obama’s krachtige uitvoering van ‘Amazing Grace’ bij de begrafenis van dominee Clementa Pinckney, een van de negen mensen die dat jaar omkwam bij de massaschietpartij in een kerk in Charleston.
8. Everyday Life (2019)
op dit album van Coldplay staat ‘When I need a friend’; het is een prachtig koorlied dat schreeuwt om vrede, vriendschap en liefde: ‘Heilig, heilig, God verdedig; bescherm mij, laat mij zien; wanneer ik een vriend nodig heb.’
en dan is er nog ‘BrokEn’, in feite een gospellied dat God aanroept in moeilijke tijden: ‘Oh shine a light; shine a light. And I know that in darkness I’m alright; See there’s no sun rising. But inside I’m free; Cause the Lord will shine a light for me. Oh the Lord will shine a light on me.’
Toch kun je bij alle nummers een vraag stellen. Als voorbeeld neem ik dat nieuwe nummer ‘We Pray’. Want de vraag kan worden gesteld tot wie het gebed in ‘We Pray’ gericht is, blijft open. Dat is typerend voor Coldplay; het is open voor interpretatie. Iedereen kan er zijn eigen invulling aan geven. Ik hoor in het lied niet dat het specifiek over de God van het christendom gaat. Wat overigens niet betekent dat je dit nummer niet als oproep kunt beschouwen om het toch te doen. Dat zelfde geldt trouwens voor ook alle andere nummers.
Jezus leerde ons God lief te hebben ook met onze geest. Dus intellectueel onderzoek is een noodzakelijk onderdeel van ons christelijk leven.
Soms heeft het gezin of de kerk waarin we zijn opgegroeid onderwezen in allerlei zaken – zoals schepping en evolutie – die nuttig zijn om later in het leven opnieuw te bekijken. De truc is om te ontdekken welke dingen niet onderhandelbaar zijn en welke wel.
Als we bijvoorbeeld evolutie nemen, moeten we onderscheid maken tussen ‘biologische evolutie’, wat mij een wetenschappelijk gevalideerde, beproefde realiteit lijkt, en ‘evolutionisme’, wat een manier is om naar de wereld te kijken alsof God niet bestaat. Biologische evolutie hoeft het geloof in God als de goede en wijze Schepper niet te verstoren. Vragen als deze moeten dus zonder angst worden doordacht.
Het is mijn ervaring dat hoe beter we de Schrift begrijpen binnen zijn eigen historische en culturele context, hoe meer deze rechtstreeks tot ons leven spreekt. En soms is het begrijpen van deze vragen een kwestie van geduld. Het feit dat ik dit probleem vandaag, of misschien zelfs dit jaar, niet kan oplossen, mag geen reden zijn om er niet meer over te bidden. Het feit dat ik bijvoorbeeld niet begrijp hoe een gedeelte van de Bijbel is geschreven, of wat het oorspronkelijk betekende, betekent niet dat ik het niet letterlijk of figuurlijk op mijn knieën kan lezen en God kan vragen om met mij door hen te spreken.
Nu de focus van de crisis in het Midden-Oosten verschuift van Gaza naar Libanon, en nu we vandaag de aanslagen van 7 oktober herdenken, helpt misschien een blik op de verhalen die dit conflict omringen om een weg vooruit te vinden.
In het hart van de crisis in het Midden-Oosten met betrekking tot Israël, Gaza en nu Libanon, liggen namelijk twee heel verschillende verhalen.
Eén daarvan gaat als volgt:
Israël is de enige goed functionerende democratie in het Midden-Oosten. Het is een toevluchtsoord voor het Joodse volk dat door de eeuwen heen en over de hele wereld buitengewoon veel vervolging en discriminatie heeft ervaren. Als klein land heeft het zich de afgelopen 76 jaar dapper gevestigd als een toevluchtsoord van liberale, democratische vrijheid en welvaart, ondanks de vijandigheid van zijn buren, zoals de door Iran gesteunde Hezbollah in Libanon. De Hamas-aanvallen op 7 oktober 2023 waren een moorddadige aanval op onschuldige burgers, waarvan de slachting en wreedheid de laatste tijd ongekend waren. Hamas en Hezbollah vertegenwoordigen beide een islamitische ideologie die een doorn in het oog is van alle democratische staten en die wortel heeft geschoten in Gaza en Libanon. Israëls reactie om te proberen zo’n dodelijke vijand uit buurlanden te verdrijven is volkomen gerechtvaardigd en redelijk. Elk land dat geconfronteerd wordt met buren die toegewijd zijn aan zijn vernietiging zou ongeveer hetzelfde doen. Ja, er vallen burgerslachtoffers in het conflict, maar die zijn er altijd in oorlog. Je verzetten tegen Israëls campagnes in Gaza en Libanon is in feite heimelijke steun verlenen aan terrorisme en een vorm van antisemitisme, omdat het het recht van Israël en het Joodse volk op zelfbeschikking en zelfverdediging ter discussie stelt.
Ook is er nog een ander verhaal, dat zó gaat: ten tijde van de oprichting in 1948 begingen de pioniers van de staat Israël een erfzonde die het sindsdien teistert, de verdrijving van een groot deel van de inheemse Palestijnse bevolking uit het land in het Arabisch-Israëlische conflict dat volgde op de oprichting van de staat. Sindsdien heeft Israël geprobeerd de resterende Arabische bevolking te onderwerpen, door Palestijnen op haar grondgebied als tweederangsburgers te behandelen. Sinds 1967 heeft het de Westelijke Jordaanoever en Gaza illegaal bezet, Palestijnen hun basisrechten van burgerlijke gelijkheid ontzegd, terwijl het Joodse kolonisten in staat stelde en aanmoedigde om geleidelijk land te stelen dat door de Verenigde Naties als Palestijns wordt erkend. Binnen Israël en de bezette gebieden vinden Palestijnen het moeilijker om bouwvergunningen te krijgen, werk te vinden, op de juiste manier vertegenwoordigd te worden in het parlement of om onderwijs te volgen. Het is dan ook niet verrassend dat de sluimerende wrok die een dergelijke behandeling oproept, leidt tot incidenteel verzet, zoals tijdens de intifada’s van de jaren ’90 en 2000, de verkiezing van Hamas in Gaza en zelfs de aanslagen van 7 oktober. Israël beschuldigt regelmatig iedereen die kritiek heeft op haar beleid van antisemitisme, en gebruikt dit als schild om haar mishandeling van de Palestijnse minderheid te verbergen. Het heeft de aanslagen van 7 oktober aangegrepen om een massale aanval op Gaza en nu ook op Zuid-Libanon te lanceren, ongeacht de burgerslachtoffers. Het resultaat is, in ieder geval in Gaza, een humanitaire ramp die jaren, zelfs decennia zal duren om op te lossen.
Welke van deze verhalen geloof je? Afhankelijk van een hele reeks andere eigen ideeën heb je waarschijnlijk meer met de een of meer met de ander. Als je meer links bent ingesteld, geeft je waarschijnlijk de voorkeur aan het Palestijnse verhaal. Als jouw instincten meer rechts zijn, zul je eerder de voorkeur geven aan het Israëlische verhaal. En ik weet zeker dat je gaten kunt prikken in het tegenovergestelde verhaal als je dat wilt.
Christenen zitten aan beide kanten van dit debat. ‘Christelijke zionisten’ zien de opkomst van de staat Israël over het algemeen als een vervulling van de Bijbelse profetie dat God het Joodse volk op een dag terug zou brengen naar het land waaruit ze in het verre verleden werden verbannen. Voorstanders van de Palestijnse zaak wijzen op de geboden van de Bijbel ten aanzien van rechtvaardigheid, het respect voor de armen en onderdrukten, en op de roeping van Israël in het Oude Testament om voor de vreemdelingen in hun land te zorgen. Heeft Israël niet de plicht om de Palestijnen binnen haar grenzen als gelijke burgers te behandelen?
Je kunt dus de vraag stellen het christendom iets bijdraagt aan dit conflict? Of is het net zo verdeeld over dit onderwerp als over andere kwesties?
Een van de meest opvallende kenmerken van de leer van Jezus is Zijn opmerkelijke en ongekende, sommigen zouden zeggen belachelijke oproep om je vijanden lief te hebben en te bidden voor degenen die je vervolgen. Het is natuurlijk puur menselijk om je familie en vrienden lief te hebben. Maar het is al een grotere uitdaging om je buren lief te hebben die toevallig naast je wonen. En dan is het een heel ander verhaal om je vijanden lief te hebben. De zin rolt van de tong als één die we goed kennen, maar hoe zou het ooit mogelijk kunnen zijn voor Israëliërs om Hamas-strijders lief te hebben of voor hen te bidden, of de inwoners van het land dat hen elke dag beschiet, de inwoners van Zuid-Libanon, lief te hebben?
Ik kan me dat niet eens voorstellen. Maar dichter bij huis, hoe beïnvloedt dit idee van liefde voor vijanden de liefde voor mensen die zo hartstochtelijk aan beide kanten van het debat?
Je vijand liefhebben betekent niet dat je doet alsof je vijand een vriend is, in ieder geval nog niet. Veel mensen die dit lezen, zullen zich hartstochtelijk inzetten voor het ene of het andere verhaal. Maar onze vijanden liefhebben betekent toch zeker dat je moet proberen het verhaal vanuit een ander perspectief te zien, dat je moet proberen om jezelf in ieder geval in de schoenen van de ander te verplaatsen, dat je even een beetje twijfelt over de zekerheid van je eigen morele zaak.
Dat is wat sommigen in het land Israël hebben geprobeerd te doen. Er zijn mensen die laten zien hoe Palestijnse en Joodse christenen dezelfde Bijbel door een andere lens lezen, en beginnen zich voor te stellen hoe een vorm van verzoening mogelijk zou kunnen zijn.
Ja, je vijand liefhebben is misschien wel een belachelijk, onpraktisch idee. Toch pakt het alternatief nauwelijks goed uit. Als Israëlische radicalen erin zouden slagen alle Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever of uit Gaza te verdrijven, of als Hamas/Hezbollah erin zou slagen de Joden uit Israël te verdrijven, geen van beide is een oplossing die spreekt van rechtvaardigheid.
Het is moeilijk om je enige vooruitgang in de richting van vrede voor te stellen zonder iets van deze poging om een ander perspectief te proberen te begrijpen. Je kunt geen vrede bouwen zonder een vredestichter te zijn, een idee dat vaak verkeerd begrepen wordt, maar volgens Jezus ook vreemd gezegend is. Aan welke kant je ook staat, misschien heb je een morele plicht om alle moeite te doen om de ander te begrijpen. Want als we dat niet doen, kunnen we niet beginnen met het helpen oplossen van dit meest hardnekkige en gevaarlijke van alle wereldwijde problemen.
De kerk, dat is de veelkleurige gemeenschap waar: ‘de één de ander uitnemender acht dan zichzelf’ (Filippenzen 2: 3), om maar wat te noemen. Of: waar ieder ‘voor zover het in zijn of haar macht ligt, alles in het werk stelt om met alle mensen in vrede te leven’ (Romeinen 12: 18). De kerk is de plaats waar we elkaar ‘aanvaarden zoals Christus ieder van ons heeft aanvaard’ (Romeinen 15: 7). En zo is er eindeloos veel te noemen, wat samen de kerk tot die geestelijke gemeenschap maakt. Waarvan je ten minste verwachten mag, dat we op een andere manier met elkaar omgaan. ‘Niet driftig zijn, niet gewelddadig, niet hebzuchtig’, als kwaliteiten van leiderschap in de gemeente, volgens de brief aan Titus. En als positieve competenties gelden dan: ‘gastvrij zijn, goedwillend, bezonnen, beheerst’ en nog meer.
Te mooi om waar te zijn, zegt u misschien. Ook ik ben nuchter genoeg, als je lang genoeg meedraait in de kerk weet je daar alles van. En toch, zeg ik graag: het is te mooi om niet waar te zijn…
‘Tuurlijk; de kerk is een vrijwilligersorganisatie. Ja, maar we zijn ook en vooral een gééstelijke gemeenschap en als we dat zouden vergeten, als we de uitdaging die daarin gelegen is, uit het oog zouden verliezen, dan leven we onder de maat. Dat laten we toch niet gebeuren?
Daarom wil ik toch tegen het einde nog even terug naar de gelijkenis. Er zitten ook problematische kanten aan. Met name het grove geweld is iets dat opvalt. De genodigden willen niet komen. Als de koning aandringt door zijn dienaren op pad te sturen om hen persoonlijk uit te nodigen, volharden ze in hun weigering en slaan ze zelfs de dienaren dood.
De reactie van de koning is al even gewelddadig. Hij stuurt een strafexpeditie erop af, laat de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken. Waar is dat allemaal voor nodig, vraag je je af.
Maar het geweld is nog niet voorbij. Als de bruiloftszaal gevuld is, blijkt er iemand niet de juiste kleding aan te hebben. Ook zoiets aparts. Hij wordt zonder pardon op koninklijk bevel door de uitsmijters verwijderd.
Waarom die strengheid? Er is door uitleggers volop gespeculeerd over de betekenis van dat slot, wat dat bruiloftskleed, dat die ene aangelegen persoon kennelijk niet aan had, precies behelst. In de tekst zelf wordt dat niet duidelijk.
Maar het zou kunnen zijn dat het bruiloftskleed een beeld is, van hoe je je gedraagt, van je levenswandel. Zo wordt datzelfde beeld ook elders in het Nieuwe Testament gebruikt. ‘Bekleed je met de nieuwe mens’ (Efeziërs 4: 24), of ‘bekleed je met Christus’ (Galaten 3: 27), of ‘met de wapenuitrusting van God’ (Efeziërs 6: 11) of is dat weer te gewelddadig?
Hoe dan ook. Als wij geroepen zijn, en dat geldt voor ieder van ons; als wij bij de kerkelijke gemeenschap horen, schept dat verplichtingen. Niet zozeer om ook vrijwilligerswerk te doen, al is dat nooit verkeerd, maar vooral om te leven naar de maatstaven van de geestelijke gemeenschap, waarin het beeld van Christus norm en leidraad is.
In een gelijkenis vertelt Jezus over een bruiloft van de zoon van de koning. De bruiloftszaal is afgehuurd en in gereedheid gebracht. Maar de genodigden willen niet komen. Waarom niet, wordt niet duidelijk. Maar ze passen, ze komen niet.
Waar het nu even om gaat is hoe de koning vervolgens toch zorgt dat het gehuurde zaaltje vol komt. Hij zegt tegen zijn personeel: ‘Ga naar de toegangswegen van de stad en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt’. En zo stroomt de zaal vol, uit heggen en stegen, goede en slechte mensen, staat er wat al te denken geeft. Maakt niet uit, de zaal moet en zal vol, is de opdracht. Alle middelen heiligen het doel. Mensen die elkaar niet kennen: bent u soms familie? Mensen die niets met elkaar gemeen hebben, behalve dan dat ze kennelijk op het juiste moment op de juiste plaats waren, daar waar de dienaren van de koning waren. Mensen in allerlei soorten en maten, goeden en slechten, die zichzelf terugvinden als gasten op een koninklijk bruiloftsfeest. Wonderlijk is het.
Of je dat één op één met de kerk zoals wij die kennen gelijk kunt stellen, is overigens ook nog een vraag. Maar laten we daar even op voortborduren. Dan is de kerk dus een gemeenschap van mensen die elkaar niet zelf hebben uitgezocht. Je vindt jezelf terug in een gezelschap van mensen van allerlei slag. De kerk als contrastgemeenschap Eén die haaks staat op de normen en waarden van de ons omringende maatschappij waar groepjes van gelijkgestemden het liefst in hun eigen bubble blijven.
Zo is het in de geschiedenis precies gegaan. De beweging die ontstaat na Jezus’ dood en leven, de kerk, is vanaf het allereerste begin divers en veelkleurig geweest. Vanaf het allereerste begin is er ook kerkelijke gedoe geweest, laten we dat ook niet vergeten. Soms is dat troostend… het is van alle tijden. De kerk, de gemeente van de Heer, of het lichaam van de Heer, Bijbelse beelden die spreken, is daarbij een geestelijke gemeenschap. Waarin eigen regels gelden, een bijzondere gedragscode. Ook dat kom je vanaf het begin tegen, al in het Nieuwe Testament.
Wat me de laatste tijd opvalt is dat veel sporters tijdens de wedstrijd blijk geven van hun geloof. Dat gebeurde ook regelmatig tijdens de Olympische Spelen. Én dat veel verslaggevers daar geen oog voor hebben, het niet vertaald wordt of er maar een draai aangeven: ‘ze roepen de goden aan…’. Hun routine vóór of ná hun prestatie is geen gebed tot de goden van een heidens pantheon, een smeekbede om een beetje geluk of voorspoed, maar een gebed tot God en Jezus – ja, van een commentator die zijn huiswerk had gedaan, had je dat kunnen verwachten. –
Zo’n openbare uiting van toewijding is geen uitzondering. Een kenmerk van de afgelopen Olympische Spelen was het aantal atleten dat hun geloof. Elke keer zie je wel iemand God bedanken, een kruis slaan, reclame maken voor zijn geloof, niet zozeer als een smeekbede om de overwinning, maar meer als een manier om met de ups en downs van de sport om te gaan.
Wanneer je deze openbare christelijk geloofsuiting naast de rij boven de openingsceremonie plaatst, roept dat een interessante vraag op. Tijdens die ceremonie waren christenen over de hele wereld boos over wat leek op een parodie op het Laatste Avondmaal. De organisatoren van de Olympische Spelen beweerden toen dat de aanstootgevende scène niet bedoeld was om de spot te drijven met het hart van de christelijke eredienst, maar een verwijzing was naar Dionysius en het feest van de heidense goden, waarmee de moderne Olympische Spelen werden verbonden met hun wortels in de heidense wereld van de klassieke periode.
Als het een verwijzing was naar het heidense feest van Dionysius, was de openingsceremonie misschien een nog veelzeggender teken van de richting van onze cultuur dan we zouden denken, en een teken dat christenen misschien nog meer zorgen baart dan een tweederangs bespotting van het Laatste Avondmaal. Omdat het een keuze verduidelijkt waar onze cultuur mee te maken kan krijgen naarmate ons westerse tijdperk vordert.
In 1939, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, gaf T.S. Eliot een reeks lezingen. Daarin deed hij een grimmige prognose:
‘De keuze die voor ons ligt, is tussen de vorming van een nieuwe christelijke cultuur en de acceptatie van een heidense cultuur.’
Eliot dacht dat zijn samenleving noch volledig christelijk, noch volledig heidens was, maar ‘neutraal’. Toch vreesde hij dat dit niet lang zou duren. Een dergelijk ‘politiek liberalisme’ dreigde zijn eigen ondergang te bevorderen door een willekeurige weigering om morele waardeoordelen te vellen en te kiezen tussen versies van het goede. Toen Eliot de opkomst van het fascisme in Europa zag, dat op het punt stond van de meest vernietigende oorlog in zijn geschiedenis tot nu toe, deed hij een belangrijke bewering: dat het enige alternatief voor wat hij zag als een heidens totalitarisme een christelijke samenleving was.
Dichter bij onze tijd is een soortgelijke gedachte bij anderen opgekomen. Onlangs mijmerde onlangs een feministische schrijfster over het idee dat onze samenleving opnieuw heidens wordt, waarbij ze het morele raadsel over moderne abortus aanhaalde. Ondanks dat ze geen praktiserend christen is, ziet ze abortus vertoont ongemakkelijke overeenkomsten met heidense kindermoord, een teken dat we teruggaan naar een moreel plan met een sterke gelijkenis met heidense waarderingen van het menselijk leven. De Joodse feministische schrijfster Naomi Wolf heeft hetzelfde gedaan in een buitengewoon essay. Ondanks haar neiging om te gemakkelijk af te glijden naar samenzweringstheorieën, betoogt ze overtuigend dat naarmate het Joods-christelijke ethos dat de westerse samenleving ondersteunde, is verdwenen, wat is ontstaan geen goedaardige neutraliteit is, maar duistere krachten die vroeger op de achtergrond van de religie van het Oude Testament loerden:
‘de pure amorele macht van Baäl, de vernietigende kracht van Moloch, de ongebreidelde verleiding en seksuele losbandigheid van Astarte of Ashera, dat zijn de oerkrachten die mij inderdaad lijken te zijn teruggekeerd… of in ieder geval de energieën die ze vertegenwoordigen, morele macht over; doodsverering; oppositie tegen de seksuele ordelijkheid van het intacte gezin en trouwe relaties, ze lijken te zijn ‘teruggekeerd’, zonder terughoudendheid.’
Het nazisme waar Eliot naar verwees, was, zoals we nu weten, een doodlopende weg, letterlijk. We troosten onszelf vandaag met de gedachte dat we zulke extremen achter ons hebben gelaten, dat de afgoderijen van fascisme en communisme respectievelijk in 1945 en 1989 werden verslagen, en dat we nu een seculiere liberaal-democratische ruimte erven die gelukkig neutraal is en de vrede bewaart tussen verschillende claims op de waarheid, een vooruitgang ten opzichte van zowel het heidendom als het christendom.
De makers van de openingsceremonie van de Olympische Spelen rechtvaardigden hun creatie zonder een spoor van ironie door te zeggen dat het een viering was van de Franse Republikeinse ideeën van inclusie, vrijheid, mensenrechten enzovoort, de vrijheid, broederschap en gelijkheid van de Franse Revolutie, die op zijn beurt was geboren uit de Franse Verlichting. Dit was een secularisme dat tentoon werd gespreid. Het was een klassiek libertair beeld van vrijheid, de absolute vrijheid om te kiezen wat we met ons leven doen, van individuele zelfexpressie, zonder overkoepelend, universeel idee van het Goede, wat natuurlijk een bepaald begrip is van wat vrijheid betekent. Het onderscheidt zich bijvoorbeeld van een ouder beeld van vrijheid als geleidelijke bevrijding van (en dus de disciplinering van) enkele van onze innerlijke, conflicterende impulsen die als destructief voor de ziel of de samenleving worden beschouwd. Seculier liberalisme dat zichzelf voordoet als vanzelfsprekend, de mening van alle weldenkende mensen, is zo vaak niet in staat te zien hoe het voor anderen – moslims en christenen bijvoorbeeld – allesbehalve vanzelfsprekend is. Er zijn veel mensen over de hele wereld die niet tevreden zijn met een overkoepelend moreel schema dat erop staat hen te vertellen dat hun geloof een privéaangelegenheid is in plaats van een afzonderlijke transcendente waarheid.
Dus, wat als de openingsceremonie een lofzang was op Franse waarden, geworteld in de Franse Verlichting? En wat heeft dat te maken met heidendom?
Achter het schijnbare rationalisme of de tolerantie was het voor de Verlichting het een eis om alles in twijfel te trekken. Het was een verwerping van één enkele geloofsbelijdenis, ten gunste van meerdere manieren van leven en geloven. Het tijdperk greep terug naar het klassieke verleden, zag zichzelf als een voltooiing van de Renaissance en liet uiteindelijk de overblijfselen van religie achter die de Renaissance nog had behouden. De Verlichting was niet zozeer de geboorte van een nieuw rationeel tijdperk, maar in feite een vernieuwing van een oud heidens sensueel pluralisme.
Dat we tot het heidendom zijn terugkeert kun in meerdere zaken zien. We zijn teruggekeerd naar een soort pluralisme waarin er veel objecten van aanbidding zijn onder een overkoepelend schema dat elk van hen de ultieme waarheid of waarde ontkent.
Natuurlijk, er zijn geen tempels meer voor Bacchus, Aphrodite, Tyche of Plutus op straathoeken in onze steden. Toch waren dit vroeger de goden van wijn, liefde, toeval en rijkdom. Het is moeilijk te ontkennen dat de aantrekkingskracht van die verslavende middelen, de verleiding van seks, de hoop op een loterijwinst of de wens om rijk te zijn, het leven in onze wereld niet domineren. Er wordt beweerd dat heidendom nooit echt is verdwenen. Het bleef op de loer liggen in de hoeken van Europese samenlevingen, zoals blijkt uit een bijvoorbeeld een boek van Anton Wessels ‘Kerstening en ontkerstening van Europa’’.
Leslie Newbigin, een christelijke missioloog, bracht het grootste deel van zijn leven door als missionaris in India In de jaren 80 keerde hij terug naar het door de Verlichting gevormde Westen. Hij zag toen dat het Western was verworden tot een seculiere samenleving waarin geen algemeen erkende normen bestonden. ‘We weten nu’, betoogde hij, ‘dat het enige mogelijke product van dat ideaal een heidense samenleving is. Want de menselijke natuur verafschuwt een vacuüm. Maar het heiligdom blijft niet leeg. Als het enige ware beeld, Jezus Christus, er niet is, zal een afgod zijn plaats innemen.’
Vroege christenen gaven al aan, dat die goden tot slaaf maken. Als je jezelf volledig overgeeft aan drugs, seks, geld of Dionysisch genot, zullen ze uiteindelijk je leven beheersen, je tot slaaf maken en vernietigen, zoals veel verslaafden hebben ontdekt.
Misschien had Eliot gelijk: Het kost veel tijd om religieuze overtuigingen diep te laten wortelen. Zowel het christendom als het heidendom zijn diep in onze bodem geworteld. En dus heeft de Europese cultuur eigenlijk maar twee opties: het heidendom dat eeuwenlang heeft bestaan vóór de komst van het christendom, en het christendom dat het heeft vervangen.
De Olympische Spelen lieten ons twee paden zien. Het ene werd aangeboden door de makers van de openingsceremonie, het andere door de atleten die een hoger doel zien dan een gouden medaille of aardse roem. Ach, de makers van de openingsceremonie hadden misschien niet de bedoeling om het christendom aan te vallen. Toch juichten ze met plezier iets toe dat Europeanen al lang geleden achter zich hebben gelaten.
En we zouden even moeten stilstaan voordat we dat vieren.
De openingsceremonie van de Olympische Spelen van Parijs in 2024, gehouden aan de rivier de Seine, heeft niet verrassend voor controverse gezorgd. Zulke momenten, waarbij een land zich door middel van pracht en praal aan alle anderen presenteert, zorgen altijd voor commentaar, niet in de laatste plaats degenen die beweerden dat de ceremonie een ‘aanval op het christendom’ was.
Hoewel het weer de uitvoering enigszins dwarsboomde, was het de inhoud van de voorstelling die kritiek kreeg. De parade van atleten werd overschaduwd door de kritiek op de creaties van theaterdirecteur Thomas Jolly, het brein achter de hele ceremonie. Extreemrechtse politici bekritiseerden Jollys creaties als een schending van de Franse nationaliteit. Conservatieve deskundigen richtten hun kritiek op Jollys verheffing van de LHBTIQ+-cultuur.
Christelijke commentatoren hebben, met verschillende mate van wrok, een vreemde scène veroordeeld waarin Leonardo da Vinci’s beroemde schilderij van het Laatste Avondmaal – volgens hen – werd ondermijnd door een mengelmoes van ostentatief queer personages. Centraal stond niet Jezus Christus, maar een robuust ogende figuur die leek op Lady Liberty.
Voor de ceremonie vertelde Jolly aan het Britse Vogue over het hart achter zijn creatie: ‘er is ruimte voor iedereen in Parijs. Misschien is het een beetje chaotisch, dat is waar, maar dat geeft iedereen de mogelijkheid om een plek voor zichzelf te vinden.’ De openingsceremonie zal een succes zijn, zegt Jolly, ‘als iedereen zich erin vertegenwoordigd voelt.’ Ik denk dat dit niet het geval is voor de dertig procent van de wereld die zich als christen identificeert. Dat komt omdat elke familie en elke smaak van het christendom zou erkennen dat de Heilige Communie, Het Heilig Avondmaal, de centrale handeling van christelijke eredienst gedurende 2000 jaar, waarvan de instelling is afgebeeld in het schilderij van da Vinci, publiekelijk en wereldwijd werd verkracht.
Hoe kunnen we dit moment duiden? Is er nog iets anders dat de christen kan bijdragen dan verontwaardiging of woede? Wanneer zoiets gebeurt, herinnert het me aan de centrale rol die het christendom heeft gespeeld in de westerse cultuur. Het onbegrip rondom de controversiële scène van de ceremonie berust op het idee dat het schilderij van Da Vinci een wereldwijd erkend symbool is. Anders hadden we alleen maar naar een heel vreemd etentje zitten kijken zonder eten. En met het beroemde schilderij van Da Vinci in gedachten, komt de subversieve kracht van Jollys scène dan hard aan.
Ik heb een heel aantal artikelen gelezen van een bepaald soort rechtse journalist die gedachten napraat als: ‘dat zouden ze niet doen met de Koran.’ en ideeën over de ‘neergang van het christelijke Westen en de westerse cultuur’, Dan zou dat kunnen kloppen, maar het mist fundamenteel het punt.
De scène is alleen logisch vanwege de nu afnemende machtspositie van het christendom. Wanneer je – zoals radicaal rechts vaak doet – Jezus Christus en het christendom op één lijn brengt met de status quo, wanneer het christendom moreel behang wordt voor een hele beschaving en haar cultuur. Dan wordt het niet verrassend genoeg een doelwit voor satire. Vooral voor iedereen of een groep die zich vervolgd of gemarginaliseerd voelt. Nee, ik verdedig geen moment wat Jolly deed, maar probeer te begrijpen waarom het gebeurde.
Het soort culturele macht dat het christendom in het Westen heeft gehad, gaat ten koste van de duidelijkheid, omdat het christendom oorspronkelijk zelf een tegencultuur was. Kruisiging, een opperste daad van keizerlijke overheersing, werd de basis van het christelijk denken en uiteindelijk het grootste symbool ervan. De oorspronkelijke christelijke beweging werd door zowel de Joodse als de Romeinse religieuze leiders van die tijd als godslasterlijk gezien om tegenstrijdige redenen.
Het fundamentele verschil tussen het christendom en het louter vasthouden aan conservatieve waarden die niet overtreden mogen worden, is God. Het is een oprecht geloof in Jezus Christus als de langverwachte Messias van het Joodse volk, en de Redder van de hele wereld een geloof dat zijn eerste verwaarloosde en verbijsterde discipelen ertoe bracht om op zulke radicale en tegenculturele manieren te leven dat velen door het Romeinse Rijk werden vermoord.
Het is terecht dat zijn volgelingen vandaag de dag hun mond opendoen en zeggen hoe fout het is wanneer de speciale en heilige zaken die hij voor hen deed opnieuw in het openbaar worden vertrapt, maar het is ook de moeite waard om te onthouden dat het verhaal zo begon, met het lichaam van Jezus dat werd mishandeld en gebroken.
Dat we op de een of andere manier, in momenten als deze, de kracht van Jezus missen wanneer we Hem simpelweg verdedigen op grond van ‘fatsoen’ en ‘respect.’ is meegaan in het narratief van radicaal rechts.
In plaats daarvan, als we terugkeren naar de oorspronkelijke gebeurtenissen zelf, onthult Jollys uitbeelding, in zijn spot en subversiviteit, juist de kracht van Het Laatste Avondmaal.
Laten we even duidelijk zijn: Da Vinci’s schilderij was niet bedoeld voor een galerie, maar werd oorspronkelijk geschilderd op de muur van een vrij onbekend klooster, en pas jaren later getransporteerd naar een galerie om ineens ‘kunst’ te worden. Voor Da Vinci was het bedoeld als een fundamenteel hulpmiddel voor de gelovigen om de oorspronkelijke gebeurtenissen te herinneren.
Het laatste avondmaal, de maaltijd die Jezus de avond voor zijn kruisiging met zijn vrienden deelde, was de openingsceremonie van het christendom. Elke keer dat christenen deelnemen aan het Heilig Avondmaal, de centrale handeling van christelijke eredienst gedurende meer dan 2000 jaar, herinneren ze zich de openingsceremonie waarbij:
‘Jezus nam brood, en toen Hij gedankt had, brak Hij het en gaf het aan Zijn discipelen, zeggende: Neemt en eet, dit is Mijn lichaam.” En Hij nam een beker, en toen Hij gedankt had, gaf Hij die aan hen, zeggende: Drinkt allen hieruit. Dit is Mijn bloed van het verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.
Maar het meest merkwaardige deel van de openingsceremonie van het christendom, merkwaardiger dan alles wat we tijdens de openingsceremonie zagen, is de aanwezigheid van Judas. De Bijbelse verslagen beschrijven Jezus’ kennis van de intentie van Judas om Hem aan de Romeinen te verraden, en toch is Judas nog steeds welkom aan tafel. Als er ruimte is voor Judas, dan is er ruimte voor ons allemaal. De openingsceremonie van het christendom kan niet worden herdacht zonder de aanwezigheid van Judas de verrader, en Petrus de lafaard, of Thomas de twijfelaar. De grote ironie en het grote mysterie van het christelijk geloof is dat je de genade niet kunt overtreffen. Je kunt het bespotten en ondermijnen, maar Christus stierf voor de goddelozen.
Daarmee komt de scène tijdens de openingsceremonie niet in de buurt van de oorspronkelijke gebeurtenissen. Jezus werd niet alleen verraden door zijn vrienden, Hij werd vervolgens gemarteld, vernederd en publiekelijk geëxecuteerd op ongeveer de meest pijnlijke manier die mensen hebben bedacht. Dat was godslastering van een ander niveau, maar het was ook een overwinning omdat God ervoor koos om inclusief lief te hebben, voorbij elke menselijke norm.
Dit betekent dat er niets inclusiever is dan de openingsceremonie van het christendom en tegelijkertijd ook niets exclusiever. Wij zijn niet degenen die het eten verzorgen, maar God. In Jollys uitvoering werd de scène van het Laatste Avondmaal afgesloten door de Franse acteur Philippe Katerine, die van top tot teen in het blauw was geverfd. Terwijl deze ‘baardsmurf’ verbijsterde reacties over de hele planeet veroorzaakte, vertegenwoordigde Katherine blijkbaar Dionysius, de Griekse god die geassocieerd wordt met wilde dronken feesten. Het eten dat Jolly aanbiedt is een wild verlangen en zelfexpressie. In het christendom is het eten God zelf, zijn lichaam en Zijn bloed. Gods liefde wordt gegeven, zelfs aan degenen die hem zullen verraden.
Maar scenes als deze kunnen voor christenen voelen alsof er nu een golf van seculier liberalisme eindelijk de machtspositie wil veroveren die het christendom eeuwenlang heeft gehad. En wat je nu ziet dat er een nieuwe conservatieve voorhoede van verzet opstaat om die afbrokkelende positie van het westers christendom te beschermen of het in te schakelen voor zijn eigen doeleinden. Uit de mond van Modi of in Trumps tirades woedt een nieuw religieus bewapend populisme. Dit zal het voor christenen moeilijker maken om te navigeren, tussen het volgen van Christus of hen die: ‘ons proberen te misleiden met mooiklinkende filosofie en redeneringen’( Kolossenzen 2)