Tweestrijd is in de Bijbel een regelmatig terugkerend thema.
Ik proef het bij Paulus in Romeinen 7,18-19:
‘Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet.
Want ik doe niet wat ik wil, het goede,
maar juist wat ik niet wil, het kwade, dat doe ik.’
Ik denk aan Jezus’ tweestrijd in Getsemané:
‘Neem deze beker van Mij weg.
Maar laat niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wilt.’ (Markus 14,36)
Tegen zijn slapende leerlingen zegt hij daar en toen:
‘De geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’

Ook in het eerste deel van de Bijbel kom ik tweestrijd tegen.
Het oorspronkelijke Hebreeuws van de Thora
kent zelfs een apart leesteken waarmee tweestrijd wordt uitgedrukt.
Het is de Sjalsjelet, die eruit ziet als een kleine bliksemschicht, soort zigzagbeweging.
Het geeft aan dat het personage besluiteloos is en onzeker
en worstelt met een innerlijk conflict.
Deze sjalsjelet zien we in de Hebreeuwse Bijbel vier keer opduiken.
Bij Jozef in Genesis 39,8
als hij weigert om met de vrouw van Potifar het bed te delen.
Bij Lot die in Genesis 19,16
aarzelt als hij alles moet achterlaten om Sodom te ontvluchten.
Bij Abrahams knecht Eliëzer die bij de put voor Isaak een vrouw zoekt.
Hij verkeert in Genesis 24,12
in tweestrijd omdat hij mogelijk zelf in beeld zou komen als erfgenaam,
als hij zonder huwelijkskandidaat terugkeert.
En in Leviticus 8,23 krijgt Mozes een sjalsjelet
wanneer hij Aäron inwijdt als hogepriester en door die taakverdeling
zelf niet meer deze intimiteit met God in de tempel zal ervaren.
Telkens staat er iets op het spel.
Een tweestrijd tussen hebben of loslaten, claimen of dienen, houden of gunnen.

Zelf denk ik bij tweestrijd aan de Bijbelse figuur Jakob.
Strijd typeert zijn hele leven.
Al voor zijn geboorte vecht hij met zijn broer Esau.
Hij strijdt met Esau om het eerstgeboorterecht en de zegen.
Hij strijdt met Laban om diens dochters Lea en Rachel
en om een eigen deel van de veestapel.
En de meest bepalende ervaring van zijn leven
is een worsteling in de nacht met God.
Zijn beide namen roepen de sfeer van strijd op: Jakob: hij die de hiel vastpakt.
Israël: hij die strijdt met God en mensen en wint.

 

Het leven wordt achterwaarts begrepen, maar het moet voorwaarts worden geleefd.
Dat zei de Deense filosoof en theoloog Søren Kierkegaard.
We voelen allemaal op onze klompen aan dat dat niet zo eenvoudig is.
Als je bijvoorbeeld reist met navigatie helpt het je niet verder
als het schermpje je alleen de afgelegde route toont.
Je houdt je bezig met het traject dat voor je ligt.
Een achteruitkijkspiegel is best handig,
Maar je moet er niet te vaak en te lang in turen.
Ogen op de weg, handen aan het stuur dus.

Het leven wordt achterwaarts begrepen. Maar het moet voorwaarts worden geleefd.
Een uitspraak die ook past in het Bijbelse denken.
Het leven wordt inderdaad achterwaarts begrepen.
Bijbelschrijvers nemen ons steeds opnieuw mee naar vroeger tijden.
Naar wat vorige generaties gelovigen met God hebben beleefd.
Wat ze erin hebben geleerd en afgeleerd.
En de hele Bijbel is een aansporing om in die keten te staan.
Heel bewust te putten uit een rijke traditie van getuigenissen en liederen,
verhalen en profetische stemmen.
Het is bagage die helpt om iets te begrijpen van het leven
en van de God die de Bron en het Doel is van dit leven.
En het is een valkuil om te weinig terug te kijken.
Alsof je de eerste zou zijn die voor levensvragen staat.
Alsof niet al sporen zijn getrokken en wegen gebaand
door al degenen die voor ons uit zijn getrokken.
Alsof God in vroeger tijden zijn glorie niet heeft getoond.
Niet heeft bewezen wie Hij was, is en zijn zal.
Inderdaad, het leven wordt achterwaarts begrepen.

Maar er is ook een andere valkuil denkbaar.
Namelijk dat je vooral achterwaarts georiënteerd bent
en vergeet dat het leven toch echt voorwaarts geleefd wordt.
Er zit in ons menselijk bestaan een instinctieve behoefte aan geborgenheid
en zekerheid een vasthouden aan oude zekerheden van vroeger tijden.
Een hang naar wat bekend is en vertrouwd.
Waardoor we terugschrikken voor de weg die voor ons ligt.
In heel wat Bijbelverhalen proeven we juist de spanning
tussen verder trekken of terugkeren, tussen omzien of vooruitkijken.

Het leven wordt achterwaarts begrepen, het moet voorwaarts worden geleefd.
Het is de strekking van de leefregel uit Filippenzen 3.
Paulus zet er de zaak op scherp.
Hij heeft het niet eens meer over achterwaarts begrijpen.
Hij heeft het over loslaten, afleggen, wegwerpen, prijsgeven.
Ik vergeet wat achter me ligt en richt me op wat voor me ligt.
Ik ga recht op mijn doel af: Christus kennen, de kracht van zijn opstanding ervaren
en leren delen in zijn lijden.
Je proeft in deze verzen de houding en focus van de sportman.
De hardloper die alles wat hem hindert kwijt moet
zodat hij vrij is om ongehinderd de eindstreep te halen.
En zo zijn roeping als christen te vervullen
en volledig tot zijn bestemming te komen.

 

Paulus laat zijn identiteit niet afhangen van hoe anderen hem zien.
Dat kan nogal variëren zo blijkt op Malta.
Waar men hem eerst beschouwt als een slecht mens
wordt hij, als de slangenbeet hem niet deert,
van de weeromstuit opgehemeld tot een soort god.
Maar Paulus blijft in dit alles eenvoudig zijn weg vervolgen.
Hij stelt zich dienstbaar op, gaat in op aangeboden gastvrijheid.
Hij is ondanks alles vrijmoedig genoeg om initiatief te nemen
en een zieke onder gebed de handen op te leggen.
En dat daarna ook bij velen anderen te doen.
Er vinden genezingen plaats.
Zo wordt er op Malta ineens iets zichtbaar van het koningschap van Jezus.
Ook verkeerde afslagen, zijsporen en schijnbaar doodlopende wegen
vallen Godzijdank onder Zijn heerschappij.

Je zou het misschien zelfs kunnen omdraaien.
Stormen, schipbreuken en struggles,
het zijn vaak Gods voorkeursplaatsen en voorkeurstijden
om iets zichtbaar te maken van wie Hij is.
Hier zijn het juist de geketende handen van een aangespoelde drenkeling,
waar zich even eerder nog zich een giftige slang in vastbeet,
die hier de handen van Jezus worden.
Die van een onverwachts intermezzo een tijd maken van heel veel zegeningen.

Na drie maanden Malta keert Paulus alsnog terug naar zijn plan A, zijn bestemming:
zijn reis naar Rome.
In veel andere situaties in de Bijbel kan zo’n plan B route heel veel langer duren.

Denk aan Mozes die na een veelbelovende opleiding
aan het hof van Farao wordt geparkeerd in de woestijn
en daar compleet uitgerangeerd
en in de volstrekte anonimiteit veertig jaar lang
het leven leidt van een simpele schaapherder.

Of neem David,
hij werd al jong gezalfd tot koning
maar kwam vervolgens ook op een zijspoor
en moest maar liefst tien jaar wachten
voordat hij er daadwerkelijk aan mocht beginnen.

De Israëlieten zwierven maar liefst 40 lange jaren door de wildernis
voordat zij het hun beloofde land binnen konden trekken
en zeg maar op plan A aankwamen.
En eeuwen later verbleven hele generaties
maar liefst zeventig jaar als ballingen op plan B in Babel
voordat ze weer terug konden keren naar waar ze thuis hoorden.

Misschien is het eerlijker om te zeggen
dat niemand van ons werkelijk op zijn of haar plan A leeft.
Geen mens beantwoordt immers volkomen aan hoe God zijn of haar leven had bedoeld.
Iedere dag opnieuw missen we kleine of grote afslagen.
Maken we in ons denken, doen en laten vreemde bochten.
Maar kennelijk staat het God niet in de weg om zich met ons te verbinden
en met ons mee te bewegen op onze kronkelpaden.
Het wonderlijke verhaal van Paulus op Malta
herinnert ons eraan dat voor God iedere tijd en iedere plaats in ons leven
een gezegende tijd en een gezegende plaats kan zijn
op het moment dat wij besluiten om ondanks alles en in alles
ons hart op Hem te blijven richten.

Misschien is dat wat ik leer van Paulus op Malta.
Om in wat je ook overkomt altijd naar boven te blijven kijken.
En te bedenken dat welke ongelukkige afslag je ook hebt genomen
en op welk gek kronkelpad je je ook bevindt,
de plek waar je bent beland altijd nog een plek is onder de sterren.
In de goot belanden en ondanks alles toch blijven kijken naar boven,
het is als een soort van psalm 121-momentje:
‘Ik sla mijn ogen op naar de bergen, van waar komt mijn hulp?
Mijn hulp komt van de HEER, die hemel en aarde gemaakt heeft.’

4 juni 1976 – 16 februari 2024

 

In de rechtszitting kort na zijn arrestatie,
waarin zijn voorwaardelijke straf werd omgezet in echte gevangenisstraf,
vertelde Navalny het gerechtshof in Moskou dat hij christen was geworden.

Tijdens dat proces in 2021 zei hij:
‘Feit is dat ik christen ben…
Ik was zelf ooit een behoorlijk militante atheïst…
Maar nu ben ik een gelovige, en dat helpt mij enorm bij mijn activiteiten…
Er zijn minder dilemma’s in mijn leven,
omdat er een Boek is waarin over het algemeen
min of meer duidelijk staat welke actie in elke situatie moet worden ondernomen.

‘Het is natuurlijk niet altijd gemakkelijk om dit Boek te volgen,
maar ik probeer het echt. En dus is het, zoals ik al zei,
waarschijnlijk gemakkelijker voor mij
dan voor vele anderen om zich met politiek bezig te houden.’

Navalny citeerde vaak verzen uit de Bergrede van Jezus, in het bijzonder:
“Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden”           (Matteüs 5:6).
‘Ik heb altijd gedacht dat dit specifieke gebod min of meer een instructie tot activiteit is’,
merkte Navalny op.

Aleksej Navalny vocht onbevreesd tegen de corruptie in Rusland
en werd vergiftigd, gevangengezet en op 16 februari 2024 vermoord door de staat.

Sinds het nieuws over zijn dood bekend werd,
heb ik nagedacht over de woorden van Navalny.
Hij zag de instructie van Jezus niet alleen als een belofte
die in de toekomst vervuld zou worden,
maar als een zeer actuele oproep tot actie.
Het motiveerde hem niet alleen om op te komen voor gerechtigheid,
maar ook om zich uit te spreken tegen onrecht.
Het gaf hem de moed om zijn eigen leven op het spel te zetten in het belang van anderen.

Zijn honger en dorst naar gerechtigheid
waren niet alleen spiritueel, maar letterlijk:
soms koos hij voor een hongerstaking
om de aandacht van de wereld te trekken,
soms werd hij uitgehongerd als straf in de gevangenis.
Hoe dan ook, hij bleef zich inzetten
voor het teweegbrengen van verandering
in het politieke systeem van zijn land.

Als Navalny zijn geloof kan vasthouden,
gerechtigheid kan blijven nastreven
en anderen kan uitdagen om de leer van Jezus te volgen,
zelfs terwijl hij gevangen wordt gezet,
gemarteld en zelfs vermoord,
moeten we misschien allemaal heroverwegen
hoe we de vrijheden en kansen die we hebben gebruiken.

Misschien moeten ook wij ons meer uitspreken
als er sprake is van misbruik van publieke middelen,
ongepaste invloed van de media,
het oppotten van rijkdom door enkelingen,
of om de verslaving aan geld, seks en macht aan te pakken.

Kunnen we nog meer doen om te pleiten voor de gemarginaliseerden
en om ervoor te zorgen dat degenen die aan de macht zijn,
werken ten behoeve van degenen die dit het meest nodig hebben?
Hoe kunnen we pleiten voor een goed landsbestuur
en onze leiders ter verantwoording roepen,
en eisen dat degenen die leiding geven
dit met integriteit en mededogen doen?

Navalny’s leven, dood en geloof dwingen de vraag af:
wat kunnen we vandaag de dag in de naam van Jezus
en met behulp van de Bijbel doen
om rechtvaardigheid en gerechtigheid na te streven?

In zijn eigen woorden: ‘You’re not allowed to give up!’

 

Kortgeleden zag ik iets opmerkelijks.

Het speelde zich af in een restaurant.

Daar zat een gezinnetje aan tafel: man, vrouw en twee tienerdochters.

Gezellig samen uit eten.

Maar wat was het opvallende?

Deze vier mensen spraken niet met elkaar en keken elkaar ook niet aan.

Ze keken allen schuin naar beneden, naar hun telefoon.

De tienerdochters, maar ook de ouders!

Het grappige is dat je zoiets alleen van een afstandje kunt zien.

Die mensen zelf realiseerden zich ongetwijfeld niet hoe hun samenzijn eruit zag.

Want dat is het lastige van een telefoon:

als je erop kijkt, zie je niet meer wat er om je heen gebeurt.

Wat voor signaal geef je dus af als je in gezelschap uitgebreid bezig bent met je telefoon?

In feite dit: ‘ik’ hoef je niet zo nodig te zien, iets anders is boeiender op dit moment.

Niet zo netjes!

Toch is het onbedoeld dat mensen dit signaal uitzenden, tenminste dat hoop ik.

Als je die ouders vraagt:

‘wie is er nu belangrijker, je dochter of dat laatste berichtje?’,

antwoorden ze ongetwijfeld ‘mijn dochter’.

Alleen, de virtuele wereld trekt harder dan je denkt!

‘Hier, nu kijken!’ roept elke ping van een ontvangen appje.

Het werkt zelfs zonder dat de telefoon je roept.

Automatisch pak je het ding als je even een leeg moment hebt.

En nooit voor niets, er is altijd wel iets te bekijken of om op te reageren.

Voor je contacten van vlees en bloed doet het echter weinig goed!

Ik dacht: zou het een niveau hoger ook zo werken?

De onrust van de virtuele wereld die wezenlijke contacten hindert in de ‘echte’ wereld….

Zou voortdurende onrust in ons leven evenzo het contact hinderen

in de meest wezenlijke wereld, die van God?

Jezus zegt ‘kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan.

Dan zal ik jullie rust geven’.

Leg die telefoon maar opzij en probeer het!

Een kort gebed doet veel meer dan je denkt.

 

‘De geboorte van Jezus heeft niet veel aan deze wereld veranderd’

Deze opmerking krijg je rond de kerstdagen nog wel eens te horen.

 

Heeft iemand die deze opmerking plaatst gelijk?

Ja en nee.

 

Nee, in Jezus ziet God naar deze wereld om.

Dankzij Jezus is de liefde van God binnen handbereik.

Dankzij Jezus is echte vrede mogelijk. En vergeving.

En een nieuw begin! Er is hoop!

 

En ja, als wij de uitnodiging van het evangelie aan ons voorbij laten gaan.

Als wij om Jezus heen lopen. Dan verandert er niet veel in deze wereld.

Dan is er geen vrede in ons hart.

Dan zullen wij die vrede ook niet voorleven en uitdelen.

Dan blijft alles bij het oude.

 

Kerst is een appél:

Geef je verzet op.

Laat je door Jezus omarmen.

Hij brengt je thuis.

Nu komt Hij als Redder, straks als Rechter.

Er komt een moment dat je geen tijd meer hebt voor een keuze.

Als je niet kiest, sta je buiten.

Buiten de vreugde.

Buiten de vrede.

Maar daar geeft God ons niet aan over.

 

In Jezus komt God om ons te omarmen.

En wie zijn verzet opgeeft, en zich door God laat omarmen,

ontvangt vergeving en een diepe vrede in zijn hart.

En weet je,

Hij stuurt je ook weer op pad, als getuige en als vredestichter,

want de Redder heeft heel de wereld op het oog.

Zo heeft God het bedoeld.

 

In de kersttijd gonst het van religieuze activiteiten.

Voor zover er sprake is van een hoger adres

komt veelal ‘de lieve Heer’ in beeld.

God als Allemansvriend.

Maar Kerst is in werkelijkheid een schokkend gebeuren,

te waar om mooi te zijn.

In het boek Spreuken staat een mooie zin:

‘Een vriend heeft te allen tijde lief,

maar een broeder is voor de nood geboren’ (17:17).

Een spreuk heeft vaak iets oubolligs.

Zo belegen dat de schimmel erop staat.

Maar de Bijbelse Spreuken zijn anders.

Er is alom sprake van leven, eerbiedig leven,

met een uitstraling naar alles en allen.

Het hart klopt in de geheimzinnige woorden:

de vreze des Heren.

Dat wil zeggen, zorgvuldig cirkelend om dit geheim:

de eerbiedig omgang met de Hoog-Heilige.

Al doende wordt wijsheid ontvangen en geboren:

wegwijs in de wirwar van dit ondermaanse.

Het boek Spreuken weet van vrienden die te goeder trouw zijn.

Hier gaat het echter over een vriend, die een soort schaduwfiguur is.

Je ziet hem alleen maar als de zon schijnt.

Wanneer hij in geval van nood niet de benen neemt,

heeft hij ‘te allen tijde’ wel aan passend woordje bij de hand.

Hij raakt nooit van slag, nimmer in verlegenheid.

Voor alle situaties weet hij wel iets te zeggen,

dat je zelf overigens ook kunt bedenken:

Moed verloren, al verloren!

Laat je niet kisten, maar zet ‘m op!

Na regen komt zonneschijn!

Anders gezegd, met een godsdienstig sausje:

Vraag niet waarom, maar waartoe!

De mens wikt, maar God beschikt!

Wie deze voorspelbare reacties, hoe goed ook bedoeld,

op zich in laat werken, herkent de verzuchting

van een student in de theologie in Engeland.

Hij hoorde z’n hoogleraar oreren, alsof alles klopte als een bus.

Die aankomende predikant

zag zichzelf al zitten aan het sterfbed van een moeder

met drie jonge kinderen, of gaan in de slums,

de achterbuurten van Londen.

Daarom vroeg hij aan de hooggeleerde:

‘It may be true, but is it real?’

Het is misschien wel waar,

maar is het ook levensecht, werkt het ook?

Een broeder is voor de nood geboren.

Hij is een vriend, die ook en vooral in de diepte,

in het donker niet verstek laat gaan.

Een vriend is iemand die je kiest.

De band van vriendschap kan verbroken worden.

Een broeder daarentegen is iemand die je geschonken wordt.

Die band kan nooit meer stuk, wat er ook gebeurt.

De Here God wordt soms aangeduid als Vriend,

maar Hij is nog veel meer een Broeder,

voor de nood geboren.

Daarom heeft Hij ons bestaan gedeeld:

‘Het Woord is vlees geworden’.

‘Vlees’ tekent ons krakkemikkige bestaan,

dat sterfelijk, stoffelijk en schuldig is.

Met de woorden van dr. Oepke Noordmans:

‘Zo is Jezus op aarde gekomen; temidden van een evacuerende menigte.

De nood van het volk is de poort geweest, waardoor Hij binnenkwam.

Hij heeft ons vlees aangenomen met die nood erbij’.

Hij is ‘vlees geworden’.

Die Bijbelse zegswijze

‘drukt niet uit wat Hij is, maar wat Hij geworden is:

zijn zwakheid, zijn zonde, zijn nood, zijn dood’.

Deze Ene, voor allen gekomen,

‘ligt niet in de kribbe als een toonbeeld van menselijkheid,

maar Hij ligt daar als een metgezel van allen,

wier menselijkheid problematisch is geworden’.

Dat Evangelie mogen we aannemen,

‘niet met enkele daarvoor uitgezochte nette en humane eigenschappen,

maar met de stukken rauwe werkelijkheid,

die zich aan alle kanten aan ons vasthechten.

Met ons vlees’.

Daarvan wordt ook uitbundig gezongen (Gezang 117:3 (LvdK) ):

Ver van de troon der tronen

en ’s hemels zonneschijn

wilt Ge onder mensen wonen

der mensen broeder zijn.

 

Als regel is het niet gepast een vraag met een wedervraag te beantwoorden.

Toch kan de situatie ernaar zijn.

Je hebt weinig of geen andere keus, vanwege grote verlegenheid.

Zo verging het Petrus, blijkens Johannes 6,67-71.

Jezus kwam hem en anderen tegemoet.

Ook dat is een vorm van Advent.

Onlangs hoorde ik iemand uit evangelische kring zeggen:

‘Wij hebben het beste product in de aanbieding: eeuwig leven!’

Ik huiver bij zulke woorden. Meer nog: de kou trekt mij door ’t bloed.

Op zich begrijp ik zo’n uitspraak wel.

Dat doe ik sowieso bij allerhande ketterijen,

die voor de hand liggend lijken te zijn en een vrij logische indruk maken.

De gewraakte woorden werden geuit

in het kader van de communicatie van het Evangelie.

De spreker was geschoold op het veld van marketing en aanverwante psychologie.

Moderne tactieken, technieken ten aanzien van beeld,

muziek, geluid en stilte paste hij geestdriftig toe om het Evangelie te slijten.

Naar zijn zeggen: met groot succes, want ons product verkoopt zichzelf.

Ik wijt dat aan gebrek aan eerbied en dat vervult mij altijd met argwaan.

Jezus geeft aanschouwelijk onderwijs.

Hij breekt het brood, deelt het met anderen.

Dat brood tekent Hem zelf.

Hij geeft zijn leven prijs, anderen, allen ten goede.

Daartoe is Hij gekomen.

Zijn Advent heeft alles te maken met onze armoede en ellende:

schuld, schande, scheuren, schijnheiligheid.

Dit Verhaal van de Levende vlecht zich door ons levensverhaal.

Dat is moeilijk te verteren.

Daarom houden veel mensen het en dus ook Hem voor gezien.

Ze haken af en zoeken hun heil elders.

De situatie lijkt sterk op de onze.

Het is te kort door de bocht om kerkverlating te vereenzelvigen met ‘Jezus-verlating’.

Toch geldt: als die beide weinig of niets met elkaar te maken hebben,

zou het hartzeer niet zo groot zijn.

Dezer dagen stond weer in de krant te lezen:

komende tien jaar moeten elke week twee kerken sluiten.

In dit verband zou ook de vraag meer aandacht verdienen:

waar blijven al die mensen, die eerder in deze kerk hun thuis vonden?

Andere kringen spelen op deze situatie in.

Ze hebben veel, bijkans alles, in de aanbieding.

Ik mis veelal het element van de eerbied.

Wij kunnen mensen niet tot geloof brengen.

Dat wil zeggen: wij zijn niet in staat de beslissende vonk te laten overslaan.

Het diepste geheim, dat wij ons nooit kunnen toe-eigenen,

heeft de Here God zichzelf voorbehouden.

Op de vraag: ‘Willen jullie ook niet weggaan?’

weet Petrus niets anders, beters te zeggen dan:

‘Here, tot wie zullen wij heengaan?

U hebt woorden van eeuwig leven’.

Petrus heeft Hem met vallen en opstaan (h)erkend als ‘de heilige van God’.

Het zal in deze tijden van Advent en Kerst drukker zijn

in de kerk(en) dan gewoonlijk het geval is.

In het kader van de diensten vinden ook bijzondere activiteiten plaats.

Mij dunkt: alles is geoorloofd, mits de eerbied geen schade lijdt.

De kerk heeft niets in de aanbieding.

Zij put niet uit eigen voorraad.

Ze zou stenen voor brood geven.

Ze verwijst naar die Ene, die ‘God in ons midden’ mag heten.

Met de woorden van een lied van André Troost (Hemelhoog 632):

God in ons midden,

Heer, wij aanbidden

met al uw kinderen wereldwijd,

uw trouw aan mensen,

uw onbegrensde,

uw ongekende majesteit.

 

Soms komen zinvolle dingen ter sprake.

Te vaak gebeurt het dat de geachte spreker

niet meer in de aanbieding heeft dan een praatje voor de vaak.

De situatie kan er ook naar zijn, dat je met stomheid geslagen bent.

Hoe dan verder?

Roept u maar!

Het hoort bij een gespreksleider die een geanimeerde discussie wil aanzwengelen.

Zo’n onvoorwaardelijke uitnodiging is niet zonder risico’s.

Je mag tenminste enige zelfkennis en kennis van zaken veronderstellen.

Discussiëren komt van een werkwoord in het Latijn,

met de letterlijke betekenis: uiteen splijten.

Willem Barnard vertaalt het dan ook met ‘splijtzwammen’.

Deze negatieve duiding is niet zonder reden.

Een regel, die meer is dan spelen met woorden:

inspraak zonder inzicht leidt tot uitspraak zonder uitzicht.

Een oude profeet, op naam van Jesaja, wordt tot spreken geroepen.

In een ellendige, dat is: uitlandige situatie.

Het volk Israël is in ballingschap, ontredderd en ontheemd.

Wie kan dan zinnige dingen zeggen, laat staan mond van God zijn?

Toch weet de profeet zich van Hogerhand geroepen.

Blijkbaar is de Here, door middel van zijn Woord en Geest,

hem te machtig geworden.

De profeet weet vooralsnog niet meer uit te brengen

dan een besef van machteloosheid:

‘Wat zal ik roepen?’ .

‘Roepen’ heeft de klank, de kracht van een nieuw begin,

zelfs van leven uit de dood.

Zoals de Here ooit deed bij de schepping:

‘En God riep het licht: dag! en de duisternis riep Hij: nacht!’.

Dat roepen, dat spreken met gezag, die bevrijdende taal,

waartoe wij zelf niet bij machte zijn, is verankerd in het Woord van onze God,

dat eeuwig stand houdt.

Dat Woord hebben wij niet in, bij of achter de hand.

Onze woorden kunnen alleen maar tot Woord worden,

waar en wanneer het God behaagt,

als zijn Adem, zijn Geest de woorden vult.

Zo is de Bijbel ontstaan en overgeleverd.

Woorden van mensen, waarin en waardoor God zichzelf ter spraken wil brengen.

Daarom wordt bij de opening van dit Boek altijd gebeden

om de verlichting van en door de Heilige Geest.

‘Want ieder blijft Gods Woorden vreemd, behalve wie ze van Hem zelf verneemt’ (M. Nijhoff).

Eeuwen later heeft Johannes de Doper

deze profetische woorden opnieuw in de mond genomen

met het oog op Jezus Christus.

Even tevoren, in de proloog van het evangelie naar Johannes,

is deze Ene bezongen als degene,

in wie de Here God zichzelf geheel en al heeft uitgesproken.

Hij wordt dan ook WOORD genoemd, sprekend God.

Alle voorgaande Woorden van God vinden in Hem hun diepste bestemming.

Alle volgende Woorden hebben hun bestand in Hem.

Karl Barth sprak in dit verband over de drie gestalten van het woord:

WOORD, Woorden, woord.

Onze woorden staan in dit bezielde verband.

Daarbuiten is er niets te zeggen dat echt beklijft.

Advent kan nooit zonder Pinksteren.

Met de woorden van een gebedslied (Lied 680), uitziende naar de Heilige Geest:

Waar Gij niet zijt, is het bestaan,

is alle denken, alle doen

zo leeg en woest, zo dood als toen

Gij, Geest, nog niet waart uitgegaan.

Er is geen licht dan waar Gij zijt,

uw vleugels breidt, uw vleugels strekt,

geen leven, dan waar Gij het wekt

in een gemis dat tot U schreit.

 

Een klemmende vraag en een kort antwoord
Johannes de Doper stelt een vraag die voor hem van levensbelang is.
Het antwoord van Jezus is op het eerste gehoor strijdig met onze pastorale handboeken.
Die leggen de nadruk op empathie, inlevend vermogen.
Waarom is de reactie van Jezus,
Pastor bij uitstek, zo kort door de bocht?
Jules de Corte – blindeman, liedjeszanger, gelovige met vallen en opstaan –
schreef indertijd een brief aan prof. H. Jonker (1917-1990),
hoogleraar Praktische Theologie in Utrecht.
Ik citeer enkele regels:
‘De God over wie u spreekt, preekt en schrijft, professor,
waar kom je Hem tegen in het gewone leven?
Vooral als het echt spannend wordt:
harde onderhandelingen tussen winnaars en verliezers,
mensen in de modder en aan de marge, kinderen in de knel en in de vernieling …
Die God van u, professor, woont in een mooi huis, de kerk.
Daarbuiten is Hij, naar mijn besef, nergens aanwezig’.
Jonker doceerde onder meer Pastoraat.
Hij was alles behalve een mooi-weer-prater.
Hij wist van heel nabij van de schaduwzijden, de diepe tunnels van het leven.
Het onvoorstelbare leed in de wereld hield hem duurzaam bezig.
Ik verbind deze correspondentie met een episode uit het Evangelie.
Johannes laat een vraag overbrengen naar Jezus.
Zelf is hij daartoe niet in staat. Hij verblijft in de gevangenis.
Vanwege zijn dienstwerk, zijn prediking.
Die vraag is uit de nood geboren.
Niet zozeer de nood van zijn eigen situatie.
Hij wist dat het levensgevaarlijk is om, hoe en waar dan ook, mond van God te zijn.
Johannes heeft alle kaarten van zijn leven gezet
op het oordeel dat staat te komen,
met het oog op Hem die komt:
de bijl aan de wortel van de boom, de wan die al het kaf uitzift.
Door de komst van die Ene komen er werkelijk andere tijden.
Maar de prangende vraag verteert hem: is dat wel zo?
Is deze Jezus de vanouds beloofde, de Messias die komen zou?
Hij kan het nauwelijks geloven.
Er gebeurt ogenschijnlijk niets.
Aanstootgevend?
Johannes moet het doen met de dingen die hij al wist,
maar waarop hij stukloopt:
‘Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien:
blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen,
mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen,
doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt’ .
Cruciaal is de vraag: waar ligt de climax in deze opsomming die Jezus geeft?
Voor de hand ligt de veronderstelling: doden worden opgewekt!
Dat is echt spectaculair, het sprekende bewijs dat de tijden kantelen.
Maar deze vlieger gaat niet op.
De climax ligt in het slot: armen ontvangen het Evangelie!
Arm zijn zij, die geen raad weten met hun verfomfaaide bestaan,
die geen kant op kunnen, tenzij God aan hun kant staat.
Daartoe is Christus gekomen.
De Hoog-Heilige, de Eeuwig-Trouwe is niet iemand die minzaam wuift vanuit de verte,
als een vorst in een gouden koets.
Niet iemand, die idealen laat zweven om ons aan op te trekken
en dan toch weer naar beneden te duikelen.
In een onbegrijpelijke solidariteit deelt Hij ons bestaan.
Zo draagt en bewaart Hij ons.
Het aanstootgevende bij uitstek is een kruis:
de Rechter gaat zelf in de beklaagdenbank zitten.
De Leeuw uit Juda’s stam komt vooralsnog als Lam,
dat de zonde der wereld draagt.
Die ergernis raken we nooit kwijt, maar wie er enigszins vertrouwd mee raakt,
ontwaart daarin de kracht, de wijsheid van God.
Reden tot eindeloze vreugde!
Zo maakt de drie-enige God zijn heil bekend.
De eerste komst van Christus gedenken wij.
Zijn uiteindelijke komst verwachten wij: Advent!