Wij kunnen de tijd van de lege, stille kerken opvatten

als slechts een korte, voorbijgaande periode

die we alweer snel vergeten zijn.

Maar we kunnen die tijd ook als als een gelegenheid

‘de diepte in te gaan’,

en te zoeken naar een nieuwe identiteit voor het christendom

in een wereld die voor onze ogen radicaal verandert.

Onze god is een god van verrassingen.

Ja, misschien zullen sommige oppervlakkige christenen weg gaan.

Maar anderen zullen komen!

Mensen worden altijd geconfronteerd met zeer belangrijke vragen;

met lijden, met pijn, met de dood. En zitten met vragen.

Als christen zijn we bedoeld om ambassadeur te zijn van Gods koninkrijk.

Mensen die met de ogen van Jezus naar mensen leren kijken.

Zien wat Hij ziet en geraakt worden door wat Hem raakt:

de vermoeidheid, het opgejaagd zijn, de onvrede, de leegte,

de pijn, de angst van een leven zonder Herder.

En die het hart hebben, de moed, de vrijmoedigheid,

de kracht om in zulke situaties voor de ander iets van een herder te zijn.

Om in Jezus naam de macht van de boze te breken

en de vrede van God over de ander uit te spreken.

En zo in woorden en daden voor de ander een persoon,

een huis van vrede te zijn.

Als christenen zijn we niet op aarde om toerist te zijn

om maar wat rond te hangen, onze dingetjes te doen

waarin het vooral draait om wat goed voelt en fijn is.

Christenen zijn ook niet op aarde om kerkganger te zijn

onze dagelijkse godsdienstige dingetje te doen,

daar een goed gevoel aan over te houden

en te denken dat dat het is.

Christen bereiken hun bestemming ook niet

door noeste ijverige harde werkers te zijn thuis,

op het werk en in de kerk

en te denken dat we daarvoor gemaakt zijn,

voor verantwoordelijkheidsgevoel en plichtsbesef.

Jezus ziet de nood, de pijn, de moeite, het zoeken

van zoveel mensen die zonder herder leven.

Daar zijn uw buren bij, uw vrienden, uw klanten,

uw familie en de vraag galmt door de hemelse gewesten:

Wie zal ik zenden? Is de tijd gekomen dat u, dat jij opstaat en zegt:

zie hier ben ik Heer, zend mij! Heer, ik ben klaar met een leven als toerist.

En kerkganger zijn of noeste werker is niet genoeg.

Heer zend ook mij als uw ambassadeur.

Uitdeler te zijn van de oogst van genade en vrede,

heling en hoop voor wie u op mijn pad gaat brengen.

Zegen mij met nieuwe vrijmoedigheid met compassie,

met lef, met moed en met Geestkracht.

Om voor de ander een persoon van vrede, een herder te zijn.

Een ambassadeur te zijn van uw koninkrijk.

Vandaag zoeken veel mensen naar hun identiteit.
Dat is van alle tijden, maar juist in onzekere tijden speelt dat sterker op.
Het is de paradox dat in onze welvarende samenleving
steeds meer mensen, en niet alleen jongeren,
kampen met depressies, burn-out
en er meer antidepressiva wordt geslikt dan ooit tevoren.
De Vlaamse psychiater Paul Verhaeghe ziet een belangrijke oorzaak
in de cultuur van neoliberalisme, waarin we steeds maar moeten presteren,
waarin hebzucht als iets goed wordt gezien,
succes een eigen verdienste en egoïsme als een deugd. Veel mensen hebben hooggestemde idealen, ook voor hun kinderen. Maar het kind stemt niet altijd overeen met de idealen van de ouders. In de film Fight Club zegt de persoon Tyler Durden iets over dit probleem

We’ve all been raised to believe that one day we all be millionaires and moviegods and rockstars. But we won’t, and we’re very, very pissed off.

Het zijn de demonen van onze tijd. Als een kind in zijn opvoeding meekrijgt dat alles, maar dan ook alles mogelijk is, vormt dit een uitstekende basis voor teleurstelling en faalangst.
In een maatschappij waarin mensen
steeds meer op zichzelf teruggeworpen worden, verkommert onze ziel.
Waar mensen bevrijd worden uit die verkrampende en verlammende angst
voor zichzelf en voor de ander, gaan we open, staan we op,
en krijgt het bevrijdend visioen van het Koninkrijk gestalte.

Als de christelijke kerk de test van de huidige veranderingen
in onze beschaving
en de overgang van het moderne naar het postmoderne tijdperk
wil doorstaan,
ben ik ervan overtuigd dat zij zich niet alleen kan bezighouden
met de schapen die keurig meelopen in haar kudde
of met het traditionele zendingswerk
dat tot doel heeft zoekers in bewoners te veranderen
en hen in de bestaande institutionele en mentale begrenzingen
van de kerken wil persen.
Zij moet buiten haar grenzen treden en proberen
de zoekers met wederzijds respect te ‘begeleiden’,
zonder daarmee per se zielen te willen winnen.
We lopen dan het risico dat niet alleen zij, maar ook wij zullen veranderen,
omdat de waarheid ons gemeenschappelijke doel is.
De waarheid die ons in Christus is gegeven,
is geen statisch object en geen reeks formules,
maar de weg en het leven, iets wat in beweging is
en ons voortdurend ertoe oproept ‘naar dieper water te varen’.

Als christenen leven we momenteel in veertigdagentijd.
De veertigdagentijd (ook wel vastentijd of lijdenstijd)
is voor christenen een periode van vasten
en bezinnen op de feitelijke christelijke levenspraktijk
als voorbereiding op Pasen.
Momenteel vind ik het interessant om me eens te bezinnen op het kerkzijn, en dan vooral het kerkzijn na coronatijd.
De kerk vond zichzelf misschien zelfs tot voor kort nog redelijk belangrijk. Maar toen volgende de wereldwijde pandemie.
We moeten onszelf – denk ik – misschien als kerk
opnieuw gaan uitvinden.
Want het lijkt er op dat dat we na een jaar – en misschien langer –
niet meer op reguliere basis bij elkaar komen
en moeten we wellicht omgaan met een heel ander kerkelijk landschap
als het ‘nieuwe normaal’ zich weer aandient.
In de voorgaande blogberichten ben ik ingegaan
op de 5 fasen van rouw van Kübler-Ross
en ik heb dat proberen te verknopen aan de christelijke levensstijl.
Eerlijk gezegd denk ik dat de meesten van ons nog niet
in de laatste fase zijn aanbeland, namelijk het aanvaarden.
Naar aanleiding van een door mij gehouden preek werd ik stilgezet
bij het zesentwintigste vers uit 1 Korinthe 1:
Broeders en zusters, God heeft jullie uitgekozen.
Denk eens terug aan het moment dat jullie gingen geloven.
Jullie waren toen geen belangrijke mensen.
Jullie vielen niet op door jullie wijsheid,
en jullie waren ook niet machtig of rijk.

Van het weekend las ik een artikel
waarin de Franse wetenschapper Olivier Roy
het had over Europa waar volgens hem de kerken
‘zichzelf hebben geseculariseerd.’
Volgens Roy is de de vrijheid van meningsuiting
in de maatschappij onbegrensd, behalve die van godsdienst.
Je kunt als gelovig christen en kerk niet meer
tegen abortus en homohuwelijk zijn.
In de liberale staat geeft dat geen pas.
In deze liberale opvatting gingen de kerken en christenen ook zelf mee. Roy noemt dit dan ‘ethische’ zelf-secularisatie.
Politiek – in zijn mening – zijn kerken en officiële geloofsopvattingen allang onderhorig aan de overheid,
die strijd is in de zestiende eeuw beslecht.
Maar omdat staat, kerk en burgermaatschappij
tot en met de jaren vijftig
ongeveer dezelfde ethische opvattingen aanhingen,
merkte je daar niet zoveel van.
Maar de jaren zestig waren dé grote spelbreker.
Toen koos de maatschappij massaal en zeer snel
voor totale vrijheid en een libertair gedachtegoed.
De overheid paste zich aan
en nam met die maatschappij het liberalisme als norm.
Die werd ook de maatstaf voor anderen, inclusief de kerk.
En dus pasten de kerken zich massaal aan het heersende klimaat aan.
En nu verheft de kerk haar stem nog wel inzake bepaalde ontwikkelingen in de maatschappij maar de slagkracht van de kerk is
na zoveel aanpassing tragisch miniem geworden,
het maakte geen enkele indruk meer.
Na zoveel negativisme kwam ik dus met die tekst
uit de eerste Korinthebrief.
Ik leg het zo uit: beste mensen, weet wie je bent.
Je bent niet uitgekozen vanwege je belang of je wijsheid.
Ja, misschien zijn we als christenen
te veel bezig geweest met zelf-secularisatie
en hebben we ons te veel neergelegd bij de normen en waarden
van ‘de maatschappij’.
Weet dan wie je bent en waar voor je staat en volg Jezus Christus, misschien wel door de tekst uit Micha 6 echt in praktijk te brengen:
De Heer heeft jullie al verteld wat hij van jullie verlangt.
Hij heeft al bekendgemaakt wat goed is. Hij vraagt alleen dit:
Wees eerlijk, rechtvaardig en trouw.
En denk niet alleen aan jezelf, maar leef dicht bij God.

Ten slotte volgt dan de fase van aanvaarding.
Aanvaarden dat de Nederlandse samenleving
sinds half maart 2020 niet meer gelijk is als daarvoor.

Aanvaarden dat heel de wereld veranderd is
en dat zaken niet meer gaan zoals we ze gewoon waren.
Dat een anderhalvemetersamenleving van deze tijd is.
Dat dit grote consequenties heeft voor evenementen
zoals concerten, festivals, sportwedstrijden en kerkdiensten.

Aanvaarden betekent loslaten van wat was
en het nieuwe normaal omarmen.
Al blijft het voelen als abnormaal.
Want aanvaarden en loslaten
is wat anders dan vergeten hoe het was.
Toch realiseer ik me dat ik
de nieuwe situatie niet aanvaard heb.
In deze fase ben ik niet beland.
Ik houd en wil teveel vasthouden aan mijn oude leven.
Ik vraag me zelfs af of ik de fase hiervoor al in ben gegaan. Veel meer ontdek ik bij mij zelf het marchanderen.
Want als dat medicijn er nu is
en mensen er tegen gevaccineerd kunnen worden,
dan is het toch klaar en dan gaan we toch gewoon verder
zoals we in 2019 gewend waren.
Ik hoop van harte dat er een moment komt
waarop we als samenleving opgelucht
en met vreugde in het hart kunnen zeggen:
‘Dit is zo 2019’. Ik verlang er naar.
Een normale samenleving waarin mensen
misschien op gepaste afstand dicht bij elkaar leven
en gevaar van besmetten of besmet worden geweken is.

Ik weet niet of die tijd komt.
Als het lukt om binnen een korte periode
met medicijnen mensen die besmet zijn te genezen
en door vaccinatie te voorkomen dat mensen ziek raken,
dan lijkt deze periode tijdelijk te zijn.
Dan hebben we ‘slechts’ het verlies te verwerken van geliefden die gestorven zijn door het coronavirus,
van bedrijven die omgevallen zijn
en van een tijd waarin we niet bij elkaar
over de vloer kwamen.
Dan rest het de samenleving slechts om dit te aanvaarden. Voor talloze mensen zal het persoonlijk moeilijk zijn
om tot aanvaarding te komen,
maar als samenleving zal deze stap niet zo groot zijn.
Er zal een nieuw ‘goed’ moeten komen.
In de kerk zal nagedacht moeten worden
over de invulling van kerk zijn in de komende jaren.
Voor kerkdiensten lijken online diensten een goed alternatief. Tegelijk is dit het doorgaan op oude voet.
Zal er een ander ‘normaal’ komen?
Zover zijn we nog niet,
maar ik laat me graag verleiden om verder te denken.
Bovenal wil ik me laten leiden door de Geest van God.
Want Hij die hemel en aarde geschapen heeft,
blijft dezelfde tot in alle eeuwigheid.
God verandert niet en is en blijft betrokken bij deze wereld
en in het bijzonder bij de kerk op aarde.
Voor een kerk die niet weet hoe het verder moet,
maar wel door heeft dat het niet bij het oude kan blijven,
is het gebed tot Hem en om leiding door de Heilige Geest
het enige wat rest.
Het brengt de gedachten bij de volgelingen van Jezus
die na de hemelvaart van de Here Jezus
eensgezind bijeen waren in bidden en smeken.
God vulde hen met Pinksteren met de Heilige Geest
en gaf en de mogelijkheden
om het Evangelie van Jezus Christus te delen
met allerlei mensen en in allerlei talen.
In dit vertrouwen wil ik leven.
Dat God ook nu door Zijn Geest geeft wat nodig is
om het Evangelie van Zijn Zoon te delen.
Zo mogen we te midden van een rouwproces
de Heer dienen met blijdschap.

Als ik zo mijn oor te luister leg verkeren kerken de laatste tijd in crisis. Deze crisis heeft – denk ik – verschillende oorzaken, bijvoorbeeld:
de jarenlange secularisatie die geloofsgemeenschappen
de komende tijd zullen decimeren
en de coronacrisis die kerken op z’n minst uitdaagt
naar de eigen rol te kijken.
Volgens sommigen moeten men zich dan ‘herkerken’
of wordt er stoer gezegd dat we zelfs af moeten
van het idee van een levenslang predikantschap. (sic)
Als ik hier verder nadenk popt bij mij de figuur van Paulus op:
een apostel en verkondiger van het evangelie
maar daarnaast een tentenmaker.
Ergens klinkt bij deze gedachte door
bij het aankijken tegen het ambt van predikant:
of het is een vrijgestelde persoon die zich kan wijden
aan de zorg voor de gemeente in de breedste zin van het woord;
of een persoon die naast een betaalde baan
de zorg in de gemeente ‘erbij’ doet.
Hoewel ik een warm voorstander ben van de eerste opvatting,
zie ik om me heen dat de tweede opvatting steeds meer opkomt.
Moet je dan koste wat het kost vasthouden
aan de eerste opvatting – hoe legitiem die ook is –
of oog hebben voor maatschappelijk veranderende ideeën rondom dit vak?

Laatst kwam ik het idee van social enterprise tegen.
Misschien draagt dit idee bij aan het denken rondom
het zo geplaagde ambt van de predikant.
Social enterprises verdienen geld aan producten en diensten,
maar herinvesteren een groot deel van hun winst
in hun organisatie en in de gemeenschap
om zo hun maatschappelijke missie te verwezenlijken.
De maatschappelijke impact van social enterprises
wordt gerealiseerd door het aanbod van (verantwoorde)
producten en diensten, of door het personeel dat ze in dienst heeft.
Een social enterprise:

1. Heeft primair een maatschappelijk doel: impact first.
2. Realiseert dat doel als private onderneming,
met of zonder winstoogmerk, die een dienst of product levert.
3. Is financieel zelfvoorzienend gebaseerd op handel
of andere vormen van waarde uitruil:
is dus beperkt of niet afhankelijk van giften of subsidies
4. Is sociaal in de wijze waarop de onderneming wordt gevoerd:
de bestuursfilosofie is gebaseerd op medezeggenschap van alle betrokkenen, is fair naar medewerkers en leveranciers,
en bewust van haar ecologische voetafdruk.

Een social enterprise onderscheidt zich van een
traditioneel commercieel bedrijf
omdat dat zij haar maatschappelijke missie
boven financiële doelen heeft gesteld.
Commerciële bedrijven, zijn daarom zelden een social enterprise
ook al willen zij vaak in hun processen zo min mogelijk schade doen
en streven zij er naar om een bijdrage leveren aan een betere wereld. Primair streven zij altijd een financiële doel na.
Want willen social enterprises hun missie kunnen realiseren,
dan moeten zij ook financieel gezond zijn.
Het financiële doel is voor de social enterprise daarentegen
slechts een middel om haar eigenlijke, sociale missie te verwezenlijken.
Een social enterprise onderscheidt zich van traditionele goede doelen
in dat zij financieel zelfvoorzienend is.
Financieel zelfvoorzienend wil zeggen dat de social enterprise
een verdienmodel heeft gebaseerd op omzet uit diensten of producten. Omdat social enterprises door hun commerciële activiteiten
in staat zijn eigen inkomen te genereren, buiten subsidiestromen om, behouden zij een relatief grote mate van onafhankelijkheid.

ik weet het, het klinkt allemaal erg zakelijk
en dit stuk ontbeert ook iets van de ‘heiligheid’ van het ambt
– iets waar ik dus echt over na wil denken,
misschien van roeping naar beroep –
maar als we echt het ambt en de kerk willen doordenken
dan moeten we het lef willen tonen door ook aan te gaan. 
Misschien ziet het er vreemd uit om de kerk als ‘onderneming’ te zien, maar uit ervaring weet ik dat veel bestuurders van de kerk
dit al jarenlang doen, inclusief de ‘werknemers’,
dus laten we het dan nu maar ook op deze manier concretiseren.
Veel zaken zullen zeker nog beter doordacht moeten worden
zoals de predikant te zien als social entrepeneur
en de kerk als social enterprise,
maar om alleen maar zo’n concept te doordenken
kan op zich al verruimend en verfrissend zijn.

Blue Sakura

Hoewel zingeving volop in de aandacht staat,
kloosterweekenden maanden van tevoren vol zitten,
er yoga in elke sportschool wordt aangeboden
en in boekwinkels de rekken vol staan met tal van spirituele zelfhulpboeken, sluiten kerkgebouwen massaal de deuren.
Ze worden afgebroken of verbouwd met een andere bestemming.
Loop door mijn thuisstad Zwolle en je vindt er tal van prachtige kerkgebouwen met een andere bestemming. Sommige zijn omgebouwd tot appartementencomplex, boekhandel of sushirestaurant.

Een sushirestaurant in een kerk is zeven dagen per week open.
De meeste kerken als godshuis zijn enkel op zondagochtend toegankelijk, in een voor buitenstaanders vaak onverstaanbare dienst. Ook daarom staat de ‘traditionele geloofsbeleving’ waarbij mensen regelmatig kerkdiensten bezoeken onder druk. En dan hebben we het nog geen eens over de huidige ‘tijd van corona’. Dit wil overigens niet per se zeggen dat mensen niet zoeken naar oorsprong, zin en doel van dit bestaan. God is niet dood, maar de zoektocht naar God kent veelkleurige uitingsvormen. In de samenleving groeit een nieuwe generatie op die onbevangen en nieuwsgierig de kerk tegemoet treedt.
Aan deze behoefte wordt echter amper tegemoetgekomen.

Daarom zoeken veel kerken als gemeenschap en met hun gebouw naar nieuwe wegen. Er wordt veel gepraat en nog harder gerend om allerlei nieuwe activiteiten van de grond te trekken, zonder te zien waar de ware schat ligt – in de gemeenschap, in het gebouw dat behoort tot de orde van het niet-efficiënte, niet-nuttige en niet-economische domein.
Het kerkgebouw contrasteert daardoor met deze tijd; het is heilig.
Moeten we dus massaal de vaak inefficiënte kerkgebouwen maar van de hand doen? Dat vraag ik mij wel af. Want het is misschien niet meer het ritme van de tijd van alles zo efficiënt mogelijk, maar het zijn fysieke plekken die mensen dwingen stil te staan bij de zin van het leven. Denk aan de overweldigende natuur, een museum of een treincoupé die dwingen tot stilte en reflectie. Het zijn anti-plaatsen in verhouding tot hun context. Plekken die hun betekenis aan dat anders-zijn ontlenen. Waar de dynamiek van de weerbarstige, gebroken realiteit kan samenvallen met de hoop dat het anders zou kunnen zijn.

Dit is de schat die ook het kerkgebouw herbergt. Geheel passend bij het DNA van de kerk om ‘wel in, maar niet niet van’ deze wereld te zijn. Zo blijkt bijvoorbeeld dat een bezoek aan de Dominicanenkerk in Zwolle voor 70 procent van de bezoekers rust oplevert; 52 procent van de bezoekers die zelf niet gelovig zijn, ervaren er verwondering. Het openstellen van je kerkgebouw kan een heilzaam antwoord zijn op de zoektocht van velen naar rust en ontstijging van het lelijke aardse.
De hemel raakt er even de aarde.

Nee, je vindt er geen sushi, maar voedsel voor de ziel.

In deze periode beleggen veel kerken hun Startzondag:
de aftrap van een nieuwe kerkelijk seizoen
waar veel activiteiten op het kerkelijk erf weer opnieuw beginnen.
Maar de eerlijk gebied te vragen ‘Wat starten we eigenlijk?’
Startzondag, dat is een woord uit een andere tijd, zo lijkt het wel. In de anderhalvemetersamenleving kan zo veel niet. De atmosfeer is nu anders. De wereldwijde coronacrisis heeft diepe sporen getrokken in onze samenleving. Het kerkelijk leven is op veel plaatsen ontwricht en het is de vraag hoe gemeenten uit de crisis tevoorschijn komen. We zitten immers helemaal niet in de cyclus van een jaarlijkse carrousel die we weer aan de gang proberen te krijgen.
De coronacrisis versterkt daarmee het gevoel dat een gure, winterse kou veel kerken in haar greep heeft. We somberen met elkaar over lege kerkbanken, afnemende interesse in de Bijbel en het geloof dat verdwijnt naar de rand van de samenleving. Volgens sommige berichten versnelt de coronacrisis de neergang van de kerk. Men stelt dat de kerk qua ontvolking nu jaren eerder komt dan geprognosticeerd is voor een situatie van over een paar jaar. We zitten midden in een vreemde tijd, waarin we afvragen wie uit de gemeente waar zit, hoe mensen erbij zitten en met wie we amper nog contact krijgen. Een periode waarin je lange adem nodig hebt, wijsheid, gezamenlijke reflectie en gebed. Misschien ook iets van besef dat het in onze eigen recente kerkgeschiedenis het zonder precedent is dat de gemeente zo lang niet samen heeft kunnen komen.
Ik merk in contacten met collega’s hoeveel er onder de oppervlakte speelt. De teleurstelling over wat ons ontvalt, de verzwakking die je om je heen ziet gebeuren, de geestelijke dynamiek van de liturgie en de prediking die zo verandert. Soms ook de mensen die de gemeente in de steek laten, door hun afwezigheid of hun onbereikbaarheid. Ook je eigen dorheid of onbestemdheid van binnen. En je bezorgde intuïtie hoe je er in deze omstandigheden eind oktober aan toe moet zijn. Ondertussen moet je flexibel zijn, mediageniek en vol nieuwe ideeën over kerkzijn.

Vanuit verschillende kanten worden aanbevelingen aangereikt.
Bijvoorbeeld ‘Heb aandacht voor de sociale en spirituele functie van de kerk’ of ‘Neem ruimte om te bouwen vanuit de kern’.

Ten aanzien van het eerste legde ik in mijn vorige blog al de vinger op één punt dat mijns inziens best belangrijk is: namelijk dat er is eigenlijk heel weinig behoefte aan prediking want gemeenteleden willen vooral ontmoeting en sociaal contact. Uit een onderzoekje bleek namelijk als antwoord op de vraag naar wat mensen missen in het kerkzijn,
preken behoorlijk laag te scoren. Ook werd ergens onlangs gesteld dat gemeenteleden eerder het gezellig samenzijn missen dan de gezamenlijke viering van het Heilig Avondmaal. 

Ondanks dat ik dat herken en ik geloof dat het van belang is om daar heel aandachtig naar te kijken en ons op te bezinnen, speelt bij mij van binnen vooral sterk de gedachte op dat dat eigenlijk heel zorgwekkend is. Als ik het even ruwweg vertaal, doe ik dat zo: de kern van kerk zijn (dat het evangelie van Jezus Christus en zijn koninkrijk van Geest en liefde er klinkt en mensenlevens aanraakt en transformeert) is vervangen door verlangen naar sociaal contact.
Nee, met sociale aandacht is niets mis. Maar die vinden we ook in het buurthuis en op de sportvereniging en de muziekband waarin we spelen.
Als dan de kern van het kerkzijn verwordt tot een verlangen naar sociaal contact dan zie ik een tekort aan aandacht voor en ervaring met het werk van de Heilige Geest. Een spiritueel tekort gaat in wezen dus over iets wat nogal ernstig is: geen of te weinig ruimte voor de Geest die waait waar en wanneer hij wil; geen of te weinig aandacht voor het eigen werk van de heilige Geest die troost, vernieuwt, wijsheid schenkt, profetisch leert spreken en geneest; geen of te weinig focus op de gaven van de Geest en de vrucht van de Geest; geen of te weinig aandacht voor gebed en biddend leven, kortom voor spiritualiteit als leven in de Geest van Jezus.

Juist omdat ik het zo herken in het kerkelijke leven dat ‘gelovigen ontmoeting broodnodig hebben’, juist omdat ik zie hoezeer de kerk kan verworden tot een sociaal netwerk dat aan elkaar hangt van barbecues en andere ontmoetingen zonder veel inhoud, juist omdat het me raakt hoe groot de machteloosheid lijkt te zijn om in kleine groepen geloofsgesprekken te voeren, juist omdat ik merk dat de Woordverkondiging naar de marge van het kerkzijn wordt gedrongen door al die andere dingen die moeten gebeuren in kerkdiensten, juist omdat ik zoveel biddeloosheid lijkt het me dat gelovigen Jezus juist broodnodig hebben.

Ondanks al deze somberingen moet ik denk aan dat clubje van 12 doodsbange mannen op dat zolderkamertje meer dan twee duizend jaar geleden. Hun leider was dood, alle beloftes en voorspellingen waren in hun ogen niet uitgekomen en ze zagen alleen een boze wereld om hun heen die op z’n zachtst gezegd niet op hen zat te wachten. We weten wat er gebeurd is sinds die tijd. En meermalen is de kerk al doodverklaard en het christelijk geloof ten grave gedragen. Ik geloof dat de Geest nog steeds nieuwe kieren vindt om mensen te inspireren en te stimuleren om Gods vrederijk dichterbij te brengen en op een of andere manier proberen het Evangelie uit te dragen.

Toen in maart de coronamaatregelen van kracht werden
betekende dat ook voor kerken
dat de ‘traditionele’ diensten werden opgeschort.
Hard werd er gewerkt aan een mogelijkheid
om elkaar online te ontmoeten.
En dat heeft geresulteerd in een veelheid van online diensten
die vrijwel zondag aan zondag het wereldwijde web opgeslingerd worden en die – zo laat ik mee vertellen –
door veel mensen worden beluisterd en bekeken.
Toch hoorde je dat veel mensen de diensten en het samenkomen misten.
Maar nu voorzichtig aan er, met inachtneming van de coronamaatregelen, weer diensten worden gehouden in kerkgebouwen
blijkt het dat veel kerken de maximaal toegestane aantallen
niet worden gehaald.

De groep mensen die nu wegblijft,
heeft vaak de meest uiteenlopende redenen om niet te komen.
Ik noem er een paar:
ik ga niet naar de kerk, want we kunnen nog niet zingen;
ik ga niet naar de kerk, want het is zo’n gedoe met inschrijven;
ik ga niet naar de kerk, want het is zo kil als je zover uit elkaar zit;
ik ga niet naar de kerk…het is nog zo anders dan ik gewend ben;
ik ga wel weer een keer als alles weer normaal is.
Ook zijn er ouderen die het vanwege het coronavirus niet durven.
Andere mensen vinden het juist fijn om een dienst online
vanuit de luie stoel te volgen.
Er zijn zelfs stemmen die zeggen dat
de terugloop van het aantal kerkgangers
door de coronacrisis nog sneller zal gaan.

Ooit schreef Van Ruler, een theoloog van midden twintigste eeuw
een boek ‘Waarom zou ik naar de kerk gaan?’
met een aantal argumenten om juist wel naar de kerk te gaan.
Ik noem er een aantal: om een kans op bekering te lopen (tot in je binnenste geraakt worden door Gods Woord);
om een gewoonte vast te houden (stijl, roeping);
om een traditie voort te zetten (als schakel in een lange keten, vanuit het voorgeslacht);
om de wereld voor te dragen ( voorbede, alle dingen met God bespreken); om rust te vinden (even terugtrekken uit de hectiek van alledag);
om weer op toonhoogte te komen ( godsdienst-oefening, Gods bedoeling met ons leven);
om in het openbaar mijn geloof te belijden (ik belijd mijn geloof. De kerkgang zelf is belijdenis).

Zijn deze argumenten nog valide
of moeten we in onze tijd toch anders gaan denken?
Ja, hoe moet dit nu verder?
Hebben wij de fysieke kerk te belangrijk geacht
voor de geloofsgemeenschap?
Zijn wij niet op allerlei andere manieren ‘kerk’?
Moeten we de ‘diensten’ heel anders gaan opzetten? Echt omdenken?
Het lijkt me een hele uitdaging om daar de komende tijd
verder over na te denken
en ik zal daar ik komende blogs zeker op terug komen.
Mochten mijn lezers mee willen denken dan verneem ik dat graag!

De coronacrisis zet het leven van en in de kerk behoorlijk op z’n kop.
Dat lijkt me het understatement van dit jaar.
‘Traditionele’ kerkdiensten waarin een ongelimiteerd
aantal mensen samen konden komen,
die lekker uit volle borst mee konden zingen
en na de dienst heerlijk met elkaar
onder het genot van iets te drinken na konden keuvelen
zijn sinds eind maart voor langere tijd van de baan.
In veel kerken zijn de online-diensten met beeld en geluid
een zoektocht met allerlei experimenten begonnen.  Het zijn eigenlijk stuk voor stuk missionaire (noem het ‘evangeliserende’) diensten geworden omdat de meeste diensten laagdrempelig voor een ieder te volgen zijn.
Ook de voorgangers moeten zichzelf opnieuw uitvinden. 
Ze moeten zich vaardigheden aanleren die zij in de meeste gevallen nooit geleerd hebben. Daarover wil ik in een later stadium iets schrijven.

In de voor-corona-periode werd er al heel veel gepionierd (geëxperimenteerd) ook binnen ‘gewone’ gemeenten.
Op allerlei manieren richtten kerken zich naar buiten.
Er gebeurden daarbij veel mooie dingen.
Een van de vragen die daarbij ook in beeld komt
is of wij in deze tijd ook ‘zieltjes mogen winnen’?
De laatste tijd – ook voor de corona – was er het idee ontstaan
dat ‘zieltjes winnen’ hoort daar voor velen niet meer bij.
Dat was volgens velen iets van voorbije tijden. Deze vraag komt ook naar boven bij de onlinediensten in de coronatijd.

Nu zijn er zeker goede redenen om op dit punt kritisch naar het verleden te kijken, maar zou dat laatste echt zo zijn?
Of zou de meest wezenlijke missionaire dienst van de kerk misschien
toch kunnen liggen in het in contact brengen van mensen met Jezus Christus?
Zouden ‘zieltjes’ juist in verbondenheid met Hem
niet kunnen uitgroeien tot florerende ‘zielen’?

Die vraag komt natuurlijk direct als een boemerang
terug bij de gemeente en ook bij mijzelf:
ben ik meer mens geworden door mijn geloof en mijn betrokkenheid bij de kerk?
Dat kan een confronterende vraag zijn,
maar het is goed als we deze in de gemeente elkaar toch durven te stellen.
Want als de gemeente me (onverhoopt)
eigenlijk niet helpt in mijn mens-zijn (menswording!),
dan is er ook weinig reden anderen uit te nodigen te kiezen voor Jezus Christus.
Want dan ‘bekeer’ je je tot meer van hetzelfde.
Maar als daadwerkelijk blijkt dat die keuze tot ‘meer dan het gewone’ leidt,
dan ontstaat er een basis om ook niet-gelovigen uit te dagen
hun kaarten op Jezus Christus te zetten.

Het gaat hier om een heel belangrijke zaak.
Wat is de plek van het christelijk geloof op de markt van welzijn en geluk?
Is het een kraampje als willekeurig elk ander kraampje
met ongeveer dezelfde spullen?
Of kun je daar iets krijgen wat nergens anders wordt aangeboden?
Laat ik een voorbeeld geven uit het nabije verleden.
De campagne #doeslief die door SIRE werd geïnitieerd:
je werd opgeroepen om in deze tijd van algemene verharding
oog te hebben voor de behoeftes van de ander.
Ook christenen worden vanuit de Bijbel opgeroepen
om ‘lief te hebben’ en ‘goed te doen’?
Is dat werkelijk anders dan de #doeslief-campagne?
Ik denk dat wij vanuit onze christelijke gemeenschap
werkelijke langdurige aandacht en steun kunnen bieden aan de ander.
Dit maakt volgens mij het verschil maakte met andere soorten van liefdadigheid.
Mensen moeten het kunnen ervaren, beleven.
De liefdadigheid of christelijk gesproken ‘diakonia’ van de christelijke gemeente
droeg al in het verleden werkelijk bij aan de verspreiding van het christendom.
Ik kan me voorstellen dat niet iedereen gecharmeerd is van dit soort markttaal,
maar hoe dan ook zullen we in de gemeente ons over deze vragen moeten buigen.

Want de stap om in deze tijd christen te worden, lijkt steeds groter te worden.
Dat heeft te maken met de vaak grote afstand
van mensen tot de wereld van het christelijk geloof
en helaas ook met het negatieve beeld dat velen van kerk en geloof hebben.
We leven immers in een tijd van beleving, van willen ervaren.
Willen mensen iets gaan zien in het christelijk geloof,
dan moeten ze de waarde daarvan kunnen proeven, kunnen beleven.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat bekeringen vaak via relaties verlopen.
Iemand proeft iets van het geloof van de ander, wordt nieuwsgierig,
gaat op onderzoek uit en besluit christen te worden.
Een jonge vrouw die door haar contact met christenen tot geloof was gekomen vertelde:
‘Ik moest tot mijn eigen verwondering erachter komen
dat ik een godsgeloof heb ontwikkeld.
Daar heb ik lang mee geworsteld. Ik heb er eindelijk maar aan toegegeven.
Ik heb mijn hele leven herzien. Dat is heel helend geweest.
Mijn leven is behoorlijk op z’n kop gekomen.
Ik doe niet meer zo moeilijk over dat je grootse dingen wilt bereiken.’
Ook zij moest ‘wennen’ aan het idee
dat er in haar leven echt een knop was omgegaan.
Nog steeds ontdekken in ons land mensen
de kracht en de schoonheid van het christelijk geloof.
‘Zieltjes winnen’, het gebeurd nog steeds.
Door relaties, door ‘goed doen’ door zoveel andere zaken.
Laten we elkaar niet aanpraten dat de tijd van ‘zieltjes winnen’ achter ons ligt.
Nee, het is niet de zeepkist die daarvoor moet worden bestegen,
maar eerder de aloude manier van werkelijk aandacht en hulp geven aan je naasten.
Zou het kunnen zijn dat we
– vertrouwd als we vaak zijn met de kerk en de christelijke traditie –
dat helemaal niet meer zo scherp zien?
Gelukkig de gemeente die ‘bekeerlingen’ in haar midden heeft.

In deze coronatijd is de kerk naarstig op zoek naar hoe zij in en na deze tijd kerk kunnen zijn. Misschien scherper gesteld: Hoe kunnen de kerken zich ontworstelen aan het dilemma tussen verstarring en beleving? Moet zij zich onveranderlijk vasthouden aan haar oude dogmatische wortels, of geeft zij zich over aan grenzeloze vrijzinnigheid. In beide gevallen mist ze aansluiting bij de behoeften van de (post)moderne mens. In beide stromingen blijft de liturgie strak en conservatief terwijl de kern van het geloof en de essentie van het Evangelie worden verdrongen door respectievelijk krampachtig kerk-zijn of juist niet langer op een kerk willen lijken. Een kerk die zich openlijk afvraagt of God wel bestaat en de Bijbel tot een interessant literair verschijnsel maakt, reduceert God tot een menselijk bedenksel dat op den duur het opstaan op de vroege zondagmorgen niet meer waard is. Zij verliest haar angel, het mysterie van de opgestane Christus, de ongemakkelijke wrijving die het geloof in een God die niet te doorgronden valt, met zich meebrengt. Ondertussen dendert de wereld door en bereikt de kerk in haar verschijningsvorm in snel tempo haar uiterste houdbaarheidsdatum.
Als er nu niets verandert, is het christendom in Nederland binnen enkele decennia op sterven na dood en verliest onze samenleving voor altijd haar diepste

We zijn zulke individualisten geworden, dat het eerste woord dat vier- of vijfjarige kinderen leren schrijven ik is: ik, een losstaand, eigen individu. Maar wie ben ik dan? Wat betekent die ik? Wie geeft er invulling aan de identiteit van onze jonge kinderen? Als onze ouders in niets geloven en niet weten waarvoor ze staan, hoe zouden onze kinderen dat dan moeten weten?
Mensen gaan op zoek en nemen beslissingen die hen dichter brengt bij hun levensdoel – of niet. Dit is het twijfelachtige wonder van de vrije wil.

In die zoektocht kan een levende en betrokken kerk voeding geven aan de zoekende ziel en haar volgelingen helpen hun levensbestemming te vinden.
Onze maatschappij is verweesd en schreeuwt om leiders met een verhaal. Het geloof biedt die noodzakelijke richting en houvast. De kerk kan het broodnodige sociale vangnet vormen in onze wankelende welvaartstaat, maar uitgerekend deze christelijke stem is verstomd. De christelijke stilte ten aanzien van de grote vragen van vandaag zoals milieuproblematiek, armoede en sociale ongelijkheid is een fluisterstem geworden. Gebrek aan een uitgesproken en principieel getuigenis heeft de rol van religie in de moderne maatschappij tot bijna nul gereduceerd.

In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam een ontkerkelijking op gang die tot op de dag van vandaag doorgaat. Maar al eerder is de kerk ontzield geraakt. Sprankelend geloof werd door papier en inkt verstoten. Levende ervaring door ratio verdreven. Niet God, maar religie is een heilige zaak geworden. Wat we vergeten is dat God ons niet nodig heeft om te bestaan. God is. 

Willen we mensen weer terug de kerk in krijgen en voorkomen dat nog meer gemeenteleden vroeg of laat de kerk verlaten, dan moet zij geen geloof van angstig “gij zult niet” maar van opgewekt “u mag wel!” prediken. Hierin ligt vooral een uitdaging voor de kerken.

Van gebrokenheid naar heelheid, van scheiding naar eenheid, dat is de grote uitdaging voor de postmoderne christen anno nu. Dit nieuwe christen-zijn vereist een grote ommezwaai in ons denken. Het zal geen eenvoudige weg zijn, de kerk zal verkeerde afslagen blijven nemen (zoals christenen door de eeuwen heen zo vaak hebben gedaan) maar stil zijn is geen optie meer. En dus moeten we op zoek naar een nieuwe manier van christen zijn – het christen 2.0 zoals ik dat noem. Levend en overtuigend, maar ook transparant en eerlijk.

De eerste stap op weg naar dit nieuwe christendom is een terugkeer naar de kern van het Evangelie. Het goede nieuws van de dood en opstanding van Jezus Christus is radicaal en zal altijd op weerstand stuiten. Zij is echter ook een boodschap van oneindige inclusieve liefde en genade.
De grenzeloze liefde van God en Zijn genade voor ons feilbare mensen is wat het christelijk geloof van andere religies onderscheidt, en wat ons in staat stelt bruggen te slaan. Wat voor mij onvervreemdbaar is dat ik Jezus Christus belijd  als mijn Opgestane Heer. Over de invulling van kerkelijke dogma’s en theologische zienswijzen valt te discussiëren, over de essentie van het Evangelie niet.

De tweede stap is het erkennen van de diepe pijn die de kerk haar volgelingen door de eeuwen heen heeft berokkend – en blijft toebrengen.
Het wordt tijd dat de kerk op de knieën gaan en haar zonden belijden: het onrecht dat zwarten is aangedaan, kleurlingen, vrouwen en kinderen, andersdenkenden en andersgelovigen.

De derde stap is niet langer kijken naar dat wat verdeelt, maar wat samenbindt – als kerken onderling, maar ook als kerk en alles wat daarbuiten ligt. We zijn allen schepselen van God die mogen rekenen op Zijn onvoorwaardelijke liefde.

Het wordt tijd dat de kerk leiderschap toont. Dat wij leiderschap gaan tonen. Iedereen die zich christen noemt is gewild of ongewild de kerk. Ik als gelovige ben deel van de gemeente van God en zal dus als gelovige mijn verantwoordelijkheid moeten nemen en leiderschap moeten tonen op de plaats en plek die God mij heeft toebedeeld.
Het is zoals de vrouwelijke pastor Bridget Willard schreef: “Kerk is niet waar je samenkomt, kerk is geen gebouw, kerk is wat je bent. Laten we niet naar de kerk gaan, laten we de kerk zijn.”