Ze zeiden tot Hem: ‘Rabbi – vertaald betekent dit: Meester – waar houdt Gij U op?’ Hij zei hun: ‘Gaat mee om het te zien.’
Johannes 1,38-39

Kan er uit Nazareth iets goed komen?
Misschien speelt mee dat Natanaël zelf uit Kana afkomstig is,
een plaatsje in de buurt van Nazareth.
Iemand uit het dorp verderop? Dat kan toch nooit iets bijzonders zijn?

Het is een opmerkelijk fragment, aan het begin van het Johannesevangelie. Zou je de moeite nemen om het helemaal uit te puzzelen,
dan verbaas je je steeds meer over wat er precies wordt verteld
en hoe er onderling wordt gereageerd.
De ene keer neemt Jezus het initiatief,
de andere keer komen de leerlingen op hem af.
En dan de uitspraken: de twijfel van Natanaël – uit Nazareth,
dat kan niks wezen – maar nog meer de uitspraken van Jezus.
Hij noemt die twijfelende, sceptische Natanaël
‘een echte Israëliet, een mens zonder bedrog’.
Waar is dat weer op gebaseerd?
En dan die uitspraak aan het einde,
als hij zijn verbazing over Natanaëls verbazing heeft uitgesproken:
‘jullie zullen nog grotere dingen zien:
de hemel open en de engelen van God omhooggaan
en neerdalen naar de Mensenzoon’, dat zijn toch wonderlijke uitspraken.

En let eens op met hoeveel verschillende namen en titels Jezus krijgt.
Lam van God, maar ook, Rabbi, Messias –
en dan ben ik nog niet compleet.
Er is veel meer over te zeggen, maar dat voert nu te ver.
Waar het mij om gaat is te laten zien dat het symbool van het lam van God meer is dan alleen een verwijzing naar het kruisoffer;
sterker, dat daar niet de belangrijkste betekenis
van het symbool in gelegen is. Wat dan wel?

Misschien moeten we het zoeken bij de eerste associatie die opkomt bij het beeld van een lam. Dat van de onschuld en de vredelievendheid.
Jezus is het lam van God, dat door zijn liefde de zonde van de wereld wegdraagt, wegvaagt. Lam van God.
Symbool van de zachte krachten, die het uiteindelijk winnen
van de macht en het geweld dat zich in de wereld zo breed maakt.
Het is opmerkelijk dat dit beeld van het lam van God
aan het begin van het evangelie voorkomt
en niet pas bij de kruisiging waar je het misschien zou verwachten.
Het evangelie begint als het ware in de hemel: In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.
Maar dan daalt het af, naar de aarde
Er is dan sprake van ontmoeting in het menselijke,
van het getuigenis van Johannes de Doper
en van de een die de ander overhaalt en overtuigt, kom en zie.
Daar begint het mee, mensen raken overtuigd, gaan meedoen,
herkennen in Jezus de Messias, enzovoort.

Zo vindt Jezus de mens op zijn pad, vinden mensen Jezus op hun weg,
en vinden mensen elkaar in dat vinden.
‘Vinden’ is een kernwoord in dit gedeelte. Vinden en gevonden worden. Zien en gezien worden. Het actieve en het passieve, inéén.
Geloof begint niet met een redenering,
je gaat niet geloven als je eerst alle opties hebt verkend
en alle verstandelijk twijfels hebt overwonnen,
maar geloven is, je mee laten nemen in een ontmoeting
die veelbelovend is, die verwachtingen wekt
van grotere dingen en nieuwe ervaringen,
geloven begint met de ervaring gevonden te worden.

Aan het begin van het evangelie wordt deze Jezus ons aangewezen.
Dat moet, anders zouden we hem niet opmerken,
in het geweld van de wereld, in de waan van de dag.
Je hebt andere mensen nodig om hem op het spoor te komen.
Je hebt de aanmoediging van anderen nodig, om te kunnen geloven,
te durven geloven, dat de weg van het lam,
van de weerloosheid en de geweldloosheid, de weg naar het leven is.

‘Kan er iets goeds komen uit Nazaret’, vraagt Natanaël zich af.
Is dat dwaze geloof in een lam dat de wereld regeert,
nog wel van deze tijd?
De reactie van Filippus is: Kom en zie’ ‘Ga zelf maar kijken…’.
Ja, waarom ook niet.
Ga zelf maar kijken…

Als kerk hebben we natuurlijk de tien geboden.
En we hebben het grote gebod:
heb de Heer uw God lief en je naaste als jezelf.
Maar, er is nog een belangrijk gebod.
Het meest voorkomende gebod in de Bijbel. Het staat er zo’n 400 keer in. Meer dan één keer voor elke dag.

En dat gebod is: Wees niet bang.

En als iets zo vaak in de Bijbel genoemd wordt,
betekent dat dat het heel belangrijk is.
Maar als ‘wees niet bang’ 400 keer in de Bijbel staat,
dan betekent dat ook dat wij het heel moeilijk vinden
om er naar te luisteren en er van overtuigd te raken.

En we hebben ook heel veel om bang voor te zijn.
Nu bijvoorbeeld dat coronavirus wat de hele wereld in haar ban houdt. De besmettingen dalen stijgen per dag.
Je bestaanszekerheid kan zomaar onder druk
We weten werkelijk niet waar we aan toe zijn.
Als je baan op de tocht staat of je bedrijf op omvallen staat.
Als je bang bent voor je financiële toekomst.

‘Ga maar vast met de boot naar de overkant,’
had Jezus tegen zijn discipelen gezegd.
Hijzelf zou de menigte, die daar was, wegsturen.
Jezus neemt afscheid van de menigte en dan wordt het eindelijk stil.
De avond valt, de mensen zijn vertrokken
en de discipelen zijn het water opgegaan.
Na een lange, drukke dag is stilte een zegen.
Even alleen zijn en tot rust komen.
Jezus gaat de berg op, schrijft Marcus,
en dat betekent dat Hij God opzoekt,
want ‘de berg’ is in de Bijbel niet zomaar een plaats.
De berg is de plaats van de nabijheid van God.
Een plek te zoeken waar je in alle rust samen kunt zijn
met God en verder niemand.

Intussen bevinden de discipelen zich in een totaal andere situatie:
midden op het meer van Galilea is de wind plots gaan waaien.
De golven worden steeds groter en het schip steeds kleiner.
Geen prettige toestand, maar deze mannen zijn wel wat gewend.
‘Als Jezus zegt dat ze naar de overkant moeten, dan
zullen ze er komen ook!’ – En ze geven niet op.
Maar het is al avond, en het begint nu toch donker te worden.
Bezorgde gezichten kijken elkaar aan.
De moeheid slaat toe en de wind gaat niet liggen.
De zee wordt onstuimiger, het water vliegt hen om de oren.

Het is goed om je te realiseren dat zulke plekken dus bestaan.
Plekken waar je onveilig bent, waar je machteloos staat,
overgeleverd aan de onvoorspelbare krachten van het kwaad,
overgeleverd aan de grillige deining van de golven.
Ik stel die vraag, omdat ik denk dat dit nog niet zo vanzelfsprekend is
om daar rekening mee te houden.
Onze westerse maatschappij is ver gekomen in het handhaven van de orde,
we alles goed voor elkaar lijken te hebben: verzekerd van wieg tot graf.
Het zijn allemaal dingen waar we dankbaar voor moeten zijn. Het maakt ons leven veiliger.
Maar we denken vaak ook dat we het risico van het leven
hebben afgekocht, dat we het kwaad onderschatten of weg relativeren.
De zee is in de Bijbel een beladen begrip.
De zee als domein van de chaos is er ook altijd,
en zal er ook altijd zijn tot op de jongste dag.
Er kunnen van die momenten in het leven zijn dat je uitroept:
‘Is God er werkelijk bij?’ Er staat te veel in de weg om dat mee te maken. Er is te veel om Jezus te herkennen op de golven van de zee.
Het is niet eenvoudig om God te herkennen
wanneer een stormwind opsteekt.
Het leven is zo verraderlijk als de zee.
En God verandert daar niets aan voor je gevoel, omdat je hem niet herkent, omdat alles wat gerust moet stellen je bevreemdend in de oren klinkt.

In het Bijbelgedeelte uit Marcus waait de wind waait nog steeds
en golven slaan tegen het schip
en in het geweld van de zee loopt Jezus de discipelen … voorbij.
Ze schreeuwen het uit. Jezus hoort zijn discipelen roepen.
Hij ziet dat ze in paniek raken van zijn verschijning.
Ze zien hem wel, maar ze herkennen hem niet.
Ze snappen niet dat ze nu veilig zijn, omdat Jezus hen voorgaat.
Jezus is er wel, maar het komt niet tot een werkelijke ontmoeting.

Dan doet Jezus iets, wat ik echt bijzonder vind. Ontroerend eigenlijk.
Hij loopt naar het schip en kalmeert zijn leerlingen.
Als Hij wandelend over de zee niet herkent wordt, dan komt Hij dichterbij. Als angst de kop opsteekt, klimt Hij aan boord.
Als God in de hoge te ver weg is, dan daalt Hij af naar beneden.
Jezus komt aan boord en dan zien ze het pas: het is hun Heer!
‘Wees niet bang’ zegt hij tegen zijn discipelen en ook tegen ons.

Ja, ook ons bootje wordt dan geteisterd door diezelfde golven.
En ja wij kunnen soms moeite hebben om onszelf drijvend te houden.
En ja soms raken we behoorlijk uit koers.
Maar Jezus belooft dat hij ons op deze weg niet alleen laat.
Hij draagt ons in zijn gebeden.
Hij is dichterbij dan wij vaak vermoeden of durven hopen.
Hij vraagt niet van mij om dan dat laatste stukje zelf te overbruggen.
Hij loopt helemaal door tot hij mij vindt waar ik ben.
En brengt daar iets van vrede, te midden van de golven.

Voor mij is het tegenovergestelde van angst niet controle,
maar vertrouwen, als tegenwicht tegen de onzekerheid.
Vertrouwen kijkt de onzekerheid echt in de ogen
en kan dat aan omdat het vertrouwen de balans herstelt.
Is controle over de manier waarop het leven gaat,
niet vrijwel altijd een illusie?
Hoe zou het zijn als we meer Godsvertrouwen hadden?
Vertrouwen vraagt dat je buiten jezelf treedt,
dat je je verbindt met anderen.
Vertrouwen is de erkenning dat de ander een dragend deel is
van jouw bestaan.
Waar controle, als antwoord op angst, gevangen blijft
binnen het schema van een individualistisch mensbeeld,
treedt vertrouwen daarbuiten en laat het de ander toe
als onmisbaar om mij in evenwicht te houden in crisistijden als deze…

Abraham moest Isaak offeren. Zijn enige zoon.
Dat wil zeggen: hij was Abrahams enige hoop,
de enige door wie men van nageslacht van Abraham zou kunnen spreken. In Isaak was al Abrahams verwachting samengetrokken.
En dat was maar niet alleen al Abrahams menselijke verwachting,
omdat Isaak de enige was
die zijn eigen naam zou kunnen laten voortbestaan,
maar vooral ook Abrahams geloofsverwachting.
Isaak was de wonderzoon in wie al Gods beloften waren samengevat.
Hij was zijn houvast, zijn onderpand,
dat God ook verder zou doen wat Hij beloofd had.
Veel eerder dan om de vraag of Abraham alles voor God over zou hebben, gaat het in deze proef dus om de vraag of Abraham,
nu hij Isaak heeft gekregen, nog steeds wel alles van God zou verwachten. Iedereen die zichzelf een beetje kent,
weet hoeveel zin zo’n beproeving heeft.
Verwachten we dan ook nog alles, echt alles van Hem?
Waar blijft onze verwachting op de Heer?
Daarom is ook de boodschap voor ons niet zozeer de vraag
of wij alles voor God over hebben,
maar de vraag of wij alles van Hem verwachten willen.
En dat werkelijk in de praktijk van ons leven.
Niet maar met woorden — en ondertussen toch je eigen gang gaan — maar met daden.
Hoe vaak gebeurt het ons niet dat wij,
zodra wij weer een beetje grip op ons bestaan denken te hebben,
in dezelfde beweging weer op eigen kracht en op eigen houtje gaan leven? Dat had bij Abraham toch net zo kunnen zijn? Maar dat blijkt niet zo. Abraham noemt ‘die plaats waar hij een ram heeft gevonden
om die in plaats van zijn zoon te offeren’
maar niet ‘de Heer zal erin voorzien’
omdat hij daar net die ram gevonden had.
Nee, hij noemt die zo, omdat dat het precies is,
waar het in heel het verhaal om ging:
de Heer stelde Abraham op de proef
of hij inderdaad leefde uit die verwachting,
dat de Here in alles zou voorzien, wat er ook gebeurde.
En daaruit had hij inderdaad geleefd.
God zal zichzelf voorzien van een dier voor het brandoffer, mijn zoon.
Dat is werkelijk godvrezend zijn,
niet maar de plichten van je geloof afwerken,
God bewaren voor noodgevallen en verder je eigen gang gaan,
niet maar zeggen dat je gelooft wat God zegt,
maar er verder geen handen en voeten aan geven,
maar leven vanuit de zekerheid dat God zal voorzien van wat nodig is, alles van Hem verwachten.
Alles? Ja. Alles.

Een begrip dat mij uit mijn vorige blog bleef bezighouden
is de term zelf-secularisatie.
De uitleg die er toen aan gegeven werd was:
jezelf zo aanpassen aan de normen en de waarden van de samenleving
dat je aanvaardbaar bent voor iedereen.
In mijn vorige blog legde Olivier Roy uit dat de kerk dit momenteel doet.
Laatste hoorde ik een meditatie over 1 Petrus 2.
Vers 11 van dat hoofdstuk begint met de constatering
dat christenen te vergelijken zijn met vreemdelingen die ver van huis zijn:
‘jullie zijn vreemdelingen geworden in de steden waar jullie wonen.
Jullie wonen tussen de ongelovigen.
Toch vraag ik jullie dringend om niet te leven zoals zij.
Want dan brengen jullie je nieuwe, christelijke leven in gevaar.’ (BGT)
Het lijkt mij dat de juist de Bijbel waarschuwt tegen
‘het verlangen (andere vertaling)’
om te leven zoals de samenleving waarin een christen leeft.
Christenen horen hoe dan ook niet meer bij deze samenleving.
Ze zijn vreemdelingen geworden.
‘Doe goede dingen, en laat de ongelovigen zien
dat jullie je goed gedragen.
Dan zullen de ongelovigen niet langer slecht over jullie spreken. Misschien veranderen ze zelfs hun eigen leven.
Dan zullen ook zij God eren als hij komt rechtspreken over de wereld.’ vervolgt het Bijbelgedeelte.
Als je dit Bijbelgedeelte als uitgangspunt neemt,
zou het dan niet goed zijn dat een christen een voorbeeldfunctie heeft
voor de mensen om zich heen,
of liever gezegd een christelijk leven te leiden.
Wat je doet, juist in crisissituaties toont iets van je diepste drijfveren.
Laat dat dan het goede zijn: de liefde.
Geef mensen geen reden om slecht van je te spreken.
Doe het goede in de hoop dat de vrucht van je leven
het verschil zal maken.
Wat lezen mensen in jouw leven,
in hoe je omgaat met het gezag van de overheid,
hoe je omgaat met andersdenkenden,
andersgelovigen of mensen uit andere culturen
en hoe reageert op praatjes over de kerk, geloof en God.
Op vooroordelen, pesterijen.
Die oproep van Petrus kan je misschien verlammen.
Ik ben immers Jezus niet.
Maar met Jezus in je en door de Geest,
wordt je in staat gesteld het goede te doen.
Dan is het geen gebod, maar een levenswijze.
De liefde van Christus stelt je in staat om werkelijk vrij te zijn.

Als christenen leven we momenteel in veertigdagentijd.
De veertigdagentijd (ook wel vastentijd of lijdenstijd)
is voor christenen een periode van vasten
en bezinnen op de feitelijke christelijke levenspraktijk
als voorbereiding op Pasen.
Momenteel vind ik het interessant om me eens te bezinnen op het kerkzijn, en dan vooral het kerkzijn na coronatijd.
De kerk vond zichzelf misschien zelfs tot voor kort nog redelijk belangrijk. Maar toen volgende de wereldwijde pandemie.
We moeten onszelf – denk ik – misschien als kerk
opnieuw gaan uitvinden.
Want het lijkt er op dat dat we na een jaar – en misschien langer –
niet meer op reguliere basis bij elkaar komen
en moeten we wellicht omgaan met een heel ander kerkelijk landschap
als het ‘nieuwe normaal’ zich weer aandient.
In de voorgaande blogberichten ben ik ingegaan
op de 5 fasen van rouw van Kübler-Ross
en ik heb dat proberen te verknopen aan de christelijke levensstijl.
Eerlijk gezegd denk ik dat de meesten van ons nog niet
in de laatste fase zijn aanbeland, namelijk het aanvaarden.
Naar aanleiding van een door mij gehouden preek werd ik stilgezet
bij het zesentwintigste vers uit 1 Korinthe 1:
Broeders en zusters, God heeft jullie uitgekozen.
Denk eens terug aan het moment dat jullie gingen geloven.
Jullie waren toen geen belangrijke mensen.
Jullie vielen niet op door jullie wijsheid,
en jullie waren ook niet machtig of rijk.

Van het weekend las ik een artikel
waarin de Franse wetenschapper Olivier Roy
het had over Europa waar volgens hem de kerken
‘zichzelf hebben geseculariseerd.’
Volgens Roy is de de vrijheid van meningsuiting
in de maatschappij onbegrensd, behalve die van godsdienst.
Je kunt als gelovig christen en kerk niet meer
tegen abortus en homohuwelijk zijn.
In de liberale staat geeft dat geen pas.
In deze liberale opvatting gingen de kerken en christenen ook zelf mee. Roy noemt dit dan ‘ethische’ zelf-secularisatie.
Politiek – in zijn mening – zijn kerken en officiële geloofsopvattingen allang onderhorig aan de overheid,
die strijd is in de zestiende eeuw beslecht.
Maar omdat staat, kerk en burgermaatschappij
tot en met de jaren vijftig
ongeveer dezelfde ethische opvattingen aanhingen,
merkte je daar niet zoveel van.
Maar de jaren zestig waren dé grote spelbreker.
Toen koos de maatschappij massaal en zeer snel
voor totale vrijheid en een libertair gedachtegoed.
De overheid paste zich aan
en nam met die maatschappij het liberalisme als norm.
Die werd ook de maatstaf voor anderen, inclusief de kerk.
En dus pasten de kerken zich massaal aan het heersende klimaat aan.
En nu verheft de kerk haar stem nog wel inzake bepaalde ontwikkelingen in de maatschappij maar de slagkracht van de kerk is
na zoveel aanpassing tragisch miniem geworden,
het maakte geen enkele indruk meer.
Na zoveel negativisme kwam ik dus met die tekst
uit de eerste Korinthebrief.
Ik leg het zo uit: beste mensen, weet wie je bent.
Je bent niet uitgekozen vanwege je belang of je wijsheid.
Ja, misschien zijn we als christenen
te veel bezig geweest met zelf-secularisatie
en hebben we ons te veel neergelegd bij de normen en waarden
van ‘de maatschappij’.
Weet dan wie je bent en waar voor je staat en volg Jezus Christus, misschien wel door de tekst uit Micha 6 echt in praktijk te brengen:
De Heer heeft jullie al verteld wat hij van jullie verlangt.
Hij heeft al bekendgemaakt wat goed is. Hij vraagt alleen dit:
Wees eerlijk, rechtvaardig en trouw.
En denk niet alleen aan jezelf, maar leef dicht bij God.