Still uit besproken film: Dylan en Báez op het podium

 

Laatst zag ik de de biopic A Complete Unknown
die begint met de aankomst van Bob Dylan in New York
en eindigt met zijn optreden op het Newport Folk Festival in 1965.
Dylan begint de film als een volkomen onbekende,
aangezien hij arriveert zonder achtergrondverhaal om te delen
of, als hij dat wel heeft, een verhaal dat hij zelf heeft bedacht.
En hij eindigt de film ook als een volkomen onbekende,
omdat hij consequent alle hokjes of etiketten weigert
waarin anderen hem willen opsluiten.

Dit aspect van Dylans leven en carrière
kenmerkte ook veel van de eerdere biopics over hem,
zoals I’m Not There uit 2007.
Daarin zijn zes verschillende versies van Dylan te zien:
als dichter, wedergeboren christen, outlaw, acteur,
folkzanger en troubadour.
Suze Rotolo, die evenals Joan Báez, zijn vriendin was
gedurende een groot deel van de tijd
die in A Complete Unknown wordt behandeld,
beschreef de manier waarop hij in die tijd
invloeden absorbeerde als een spons:

Hij had een ongelooflijk vermogen om te zien en alles op te zuigen,
daar zat zijn genie in.
Het vermogen om alles wat rondvliegt te creëren.
Om het te synthetiseren.
Om het in woorden en muziek te vatten.’

Door je te richten op dit aspect van Dylans leven en praktijk,
kun je zijn opvoeding echter minimaliseren
en ook een misleidend gevoel creëren
van briljante maar volledig losstaande fasen
– in feite een reeks afwijzingen –
die zijn carrière hebben gekenmerkt.
Er zijn enkele belangrijke elementen
van Dylans leven en ideeën
die over het hoofd worden gezien,
worden onderschat of simpelweg verloren gaan
als gevolg daarvan.
Veel hiervan hebben te maken
met de specifieke uiting van spiritualiteit
die zijn werk vanaf het begin heeft beïnvloed.

Bob Dylan werd geboren als Robert Allen Zimmerman in Duluth, Minnesota, op 24 mei 1941.
Hij bracht het grootste deel van zijn jeugd,
inclusief zijn jaren op de middelbare school,
door in Hibbing, ongeveer 60 mijl ten noordwesten van Duluth.
Zijn vader en moeder, Abram en Beatie,
wiens ouders immigranten waren uit Oost-Europa,
stuurden hem en zijn jongere broer David
naar de plaatselijke synagoge voor hun Joodse opvoeding,
wat uitmondde in hun Bar Mitswa op 13-jarige leeftijd.

Als gevolg hiervan zijn Dylans liedjes
vanaf het begin van zijn carrière doordrenkt
met de zinnen en beelden uit de (Joodse) Bijbel;
Of het nu gaat om de verwijzingen
naar Judas in Masters of War
en With God on Our Side
of het citeren van Jezus
in the first one now will later be last (The Times They Are A-Changin’)
of de verhalen uit het Oude Testament
die aan het einde van When the Ship Comes in voorkomen,
waar je ook kijkt in Dylans teksten, de invloed van de Bijbel is duidelijk.

Volg die gedachte op met een andere
die de prevalentie van apocalyptische beelden
(zoals stormen, orkanen)
en gebeurtenissen opmerkt
(The hour when the ship comes in,
het moment wanneer The Times They Are A-Changin
of de nacht wanneer de Chimes of Freedom luidt, bijvoorbeeld).
Denk dan eens na over waar beelden van apocalyptische gebeurtenissen
in de westerse verbeelding voornamelijk vandaan komen
en je komt weer terug bij de Bijbel,
en met name de boeken Daniël en Openbaring.
Dat is natuurlijk wat Dylan zelf deed
na zijn wedergeboorte-ervaringen
eind jaren 70 en begin jaren 80,
maar de Bijbel was altijd de oorspronkelijke voedingsbodem
voor zijn beelden en ideeën.

Kijk dan eens goed naar een van zijn meest apocalyptische vroege nummers
A Hard Rain’s A-Gonna Fall –
en je ziet een manifest waar hij zich zijn hele carrière
aan heeft gehouden
en dat zijn werk in elk decennium
en elke verandering van richting
in zijn lange carrière belicht.
Het centrale personage in A Hard Rain’s A-Gonna Fall
verbindt zich ertoe om door een apocalyptische wereld te lopen
om te vertellen en denken en spreken en ademen en reflecteren wat hij ziet,
zodat alle zielen het ook kunnen zien.
In een veel later manifestlied – Ain’t Talkin’ – verwoordt hij het als volgt:

Ain’t talkin’, just walkin’

Through this weary world of woe …

Heart burnin’, still yearnin’

In the last outback, at the world’s end

Gedurende Dylans carrière
schrijft hij liedjes over mensen
die door het leven reizen in het aangezicht
van apocalyptische stormen
op zoek naar een vorm van verlichting
of verlossing of toegang tot de hemel.
Dus wat we in het beste werk van Dylan hebben,
is een hedendaagse pelgrim,
Dante of Rimbaud op een meelevende reis,
ondernomen in het oog van de apocalyps,
om samen met de verdoemden
in het hart van de duisternis te staan
die de cultuur van de twintigste eeuw
(en later de eenentwintigste eeuw) is.

Het staat er eigenlijk allemaal in het begin in het lied
dat hij schreef voor
en zong voor zijn held Woody Guthrie:

I’m out here a thousand miles from my home

Walkin’ a road other men have gone down

I’m seein’ your world of people and things

Your paupers and peasants and princes and kings

Hey, hey, Woody Guthrie, I wrote you a song

’Bout a funny ol’ world that’s a-comin’ along

Seems sick an’ it’s hungry, it’s tired an’ it’s torn

It looks like it’s a-dyin’ an’ it’s hardly been born

(“Song to Woody”)

Dylans liederen hebben vanaf dat moment vastgelegd
waar zijn pelgrimstocht
in het oog van de apocalyps
hem naartoe heeft gebracht;
vaak met beelden van stormen die zijn pad verlichtten.
Hij heeft de paden van politiek protest, stedelijk surrealisme,
plattelandstevredenheid, bekering tot het evangelie
en wereldmoeie blues bewandeld.
Tijdens zijn reis zag hij: zeven windvlagen waaien rond de deur van de hut
waar slachtoffers wanhoopten (Ballad of Hollis Brown);
bliksemflitsen voor degenen die verward,
beschuldigd en misbruikt zijn (Chimes of Freedom);
Desolation Road inspecteren;
de waarheid spreken met een dief
terwijl de wind begon te huilen (All Along the Watchtower);
beschutting zoeken bij een naamloze vrouw
tegen de apocalyptische storm (Shelter from the Storm);
de idiote wind door de knopen van zijn jas voelen waaien,
zichzelf herkennen als een idioot
en medelijden hebben (Idiot Wind);
een pad naar de sterren vinden
en niet geloven dat hij het had overleefd
(Where Are You Tonight? Journey Through Deep Heat);
met de langzame trein om de bocht rijden (Slow Train);
de stad uitrijden in de aanhoudende regen vanwege geloof (I Believe in You);
de oude voetstappen horen
die zich bij hem op zijn pad voegen (Every Grain of Sand);
voelde de Caribische winden,
die het verlangen aanwakkerden
en hem dichter bij het vuur brachten (Caribbean Wind);
verraadde zijn verbintenis,
voelde de adem van de storm
en ging op zoek naar zijn eerste liefde (Tight Connection to My Heart);
dan, op het laatste moment,
is het nog niet helemaal donker
maar loopt hij door het midden van nergens
en probeert hij de hemel te bereiken
voordat de deur dichtgaat (Tryin’ To Get To Heaven):

The air is getting hotter, there’s a rumbling in the skies

I’ve been wading through the high muddy water

With the heat rising in my eyes.

Everyday your memory grows dimmer.

It don’t haunt me, like it did before.

I been walking through the middle of nowhere

Tryin’ to get to heaven before they close the door.

(“Tryin’ To Get To Heaven”)

Wat voor crises we ook tegenkomen,
of ze nu persoonlijk of politiek zijn,
er is een Dylan-liedje dat zegt dat er licht is
aan het einde van de tunnel
als je ernaartoe blijft lopen
en, wat het liedje ook is,
er is een diep inzicht en medeleven
voor degenen die onderweg worstelen.

 

Bestaanszekerheid kreeg net als migratie
veel aandacht bij de verkiezingsdebatten.
Bestaanszekerheid gaat over armoedebestrijding.
De Thora, de wet van Mozes,
roept op om iemand die in armoede vervalt
niet te laten verkommeren:

Armen zullen er altijd zijn bij u.
Daarom gebied ik u vrijgevig te zijn tegenover iedereen in uw land
die in armoede leeft of er slecht aan toe is.
(Deuteronomium 15)

Maar bestaanszekerheid is meer dan armoedebestrijding.
Het heeft ook te maken met de zekerheid van een woning,
van werk en inkomen, van vervoer,
schone lucht en water, van zorg en van onderwijs.
En met de toegankelijkheid van al die voorzieningen.

Eigenlijk is het een raar woord,
want het hoort bij ons bestaan
dat we geen zekerheid hebben.
Je kunt zomaar ziek worden, een ongeluk krijgen,
je baan kwijtraken.
Kwetsbaarheid hoort bij het menselijk bestaan.

Je hebt niet alles in de hand.
Veel zelfs niet:
waar je wieg staat, welke kansen je krijgt, hoe gezond je bent.
Of je niet toevallig op de verkeerde plaats bent.
In een gebouw dat instort door een aardbeving.
In een vliegtuig dat uit de lucht wordt geschoten.

Wij zijn ons bestaan juist níet zeker.

 

Bijna weer een nieuw jaar.

En ze zeggen dat we optimistisch zijn voor dat nieuwe jaar.

Het zal wel weer beter gaan, in ieder geval: nieuw jaar, nieuwe kansen.

Of misschien niet.

Wat zegt dat nieuws jou in jouw eigen hoogstpersoonlijke leven?

Wat gebeurt er als je tegen God, tegen Jezus, tegen Gods Geest zelf, zegt: mijn God?

Hoe ziet je moeilijke leven er dan uit?

Je eenzaamheid, je verdriet, al de ingewikkeldheden van je leven?

Hoe ziet je fascinerende leven er dan uit,

je nieuwe uitdagingen, je verlangens en alles waar je zin in hebt?

Vertrouw je op God?

Heer, laat u mij niet los, laat mij niet op de weg verkwijnen.

Laat ik het zo zeggen: ook als je optimistisch bent heb je belang bij verdieping daarvan,

zin in echt goede dingen hebben is iets anders dan zin hebben in illusies.

Juist als je ziet hoe God zelf in Christus bezig is

alles mooi en nieuw te maken,

kun je met des te meer zin en optimisme het leven van 2024 ingaan.

God blijft, gelukkig, dus kunnen wij, zijn dienaren en onze kinderen

in vertrouwen het boek van 2023 sluiten en dat van 2024 open doen.

Want Vóór alle tijden hebt u de aarde gegrondvest,

de hemel is het werk van uw handen.

Zij zullen vergaan, maar u houdt stand,

zij zullen als kleren verslijten,

u verwisselt ze als een gewaad en zij verdwijnen,

maar u blijft dezelfde, uw jaren nemen geen einde.

De kinderen van uw dienaren zullen veilig wonen,

ook op hun nageslacht rust uw oog.

Kijk, daarvan krijg ik pas echt zin in 2024.

Of het beter zal gaan weet ik helemaal niet.

De beroemde crisis kan zich best verdiepen.

En sowieso maakt niemand van ons haar leven, zijn leven zelf.

Maar wat er ook gebeurt,

wie ons ook in de steek laat, al is het ons eigen lichaam,

God niet. Hij blijft.

Jezus niet. Hij blijft.

Gisteren en vandaag en morgen dezelfde.

Tot in eeuwigheid.

Tot in het leven van de komende eeuw.

In de boeken van de profeten lijkt het heel normaal

dat ze de stem van God horen en vervolgens doen wat hun gezegd wordt.

Je kunt je afvragen:

sprak God alleen in die dagen tot mensen

en is dat op een gegeven moment opgehouden?

Of verkondigt een profeet zijn eigen visie en probeert hij die gezag te geven

door het een woord van God te noemen.

In de profetische boeken staat het duidelijk:

de profeet treedt op in naam van de Levende.

Ze zijn niet blij met die zending.

Voor alle profeten geldt dat ze met grote moeite en oprechte tegenzin het woord nemen.

Ze zijn niet uit op aanzien en erkenning, ze zijn niet voldaan over wat ze gezegd hebben,

ze gaan gebukt onder hun boodschap.

Ze worstelen met de grote vragen van het leven.

Vragen van lijden, pijn, onrecht en geweld.

Men roept het naar de Heer.

Waarom gebeurt dit Heer? Waarom handelt U zo, God?

Wat is hiervan de bedoeling?

Dit past toch niet bij U, die de Rechtvaardige en Liefdevolle bent?

Waar bent U, Heer? Het zijn grote vragen.

Geboren in verbijstering. Geboren in verdriet. Geboren in bewogenheid.

Bij mensen die getuige zijn van het kwaad.

Het maakt mensen boos. Soms bang. Of bezorgd.

Habakuk bijvoorbeeld roept het naar God.

En zegt dan: ‘Ik ga op mijn wachtpost staan.

Ik ga uitkijken naar het antwoord van de Heer.’

En hij kreeg antwoord. Een Godswoord.

‘Onrecht gaat te gronde, maar de rechtvaardige zal leven door zijn geloof.’

Is het een antwoord op onze vragen? Ja toch wel! Geloof betekent leven!

Dat is Gods reactie. Op bidders, smekers, klagers en huilers.

Daarmee worden de emoties niet gedempt.

Maar klinkt er tegelijk een ander geluid. Een andere stem. Een Godswoord.

Dat licht geeft in het donker.

De weg wijst in de verwarring.

Rust brengt in de worsteling.

Nee, nog steeds weten we niet waarom er zoveel onrecht en lijden is.

Nog steeds begrijpen we niet

waarom er zoveel pijn en spanning moet zijn.

Maar wel weten we: Gods recht zal zegevieren.

Jezus Christus nam het op zich. Hij bracht vrede, het herstel van Gods recht.

En ieder die gelooft, zal leven. LEVEN!

Van dit Godswoord staat de definitieve vervulling nog open.

Zeker als het gaat over de verwijdering van het kwaad.

Maar dit woord over later is een woord voor nu en hier.

Voor al Gods kinderen, die willen weten waar de Heer is.

Hoe God tegen de wereld aankijkt. Wat Hij gaat doen.

God opent de toekomst. In Jezus Christus.

In Hem ontvangen mensen het eeuwig leven.

Door zijn dood heeft Hij de vrede gebracht.

Die door de Geest over ons wordt afgekondigd:

Geloof betekent leven!

Voor mij is het tegenovergestelde van angst niet controle,
maar vertrouwen, als tegenwicht tegen de onzekerheid.
Vertrouwen kijkt de onzekerheid echt in de ogen
en kan dat aan omdat het vertrouwen de balans herstelt.
Is controle over de manier waarop het leven gaat,
niet vrijwel altijd een illusie?
Hoe zou het zijn als we meer Godsvertrouwen hadden?
Vertrouwen vraagt dat je buiten jezelf treedt,
dat je je verbindt met anderen.
Vertrouwen is de erkenning dat de ander een dragend deel is
van jouw bestaan.
Waar controle, als antwoord op angst, gevangen blijft
binnen het schema van een individualistisch mensbeeld,
treedt vertrouwen daarbuiten en laat het de ander toe
als onmisbaar om mij in evenwicht te houden in crisistijden als deze…

Abraham moest Isaak offeren. Zijn enige zoon.
Dat wil zeggen: hij was Abrahams enige hoop,
de enige door wie men van nageslacht van Abraham zou kunnen spreken. In Isaak was al Abrahams verwachting samengetrokken.
En dat was maar niet alleen al Abrahams menselijke verwachting,
omdat Isaak de enige was
die zijn eigen naam zou kunnen laten voortbestaan,
maar vooral ook Abrahams geloofsverwachting.
Isaak was de wonderzoon in wie al Gods beloften waren samengevat.
Hij was zijn houvast, zijn onderpand,
dat God ook verder zou doen wat Hij beloofd had.
Veel eerder dan om de vraag of Abraham alles voor God over zou hebben, gaat het in deze proef dus om de vraag of Abraham,
nu hij Isaak heeft gekregen, nog steeds wel alles van God zou verwachten. Iedereen die zichzelf een beetje kent,
weet hoeveel zin zo’n beproeving heeft.
Verwachten we dan ook nog alles, echt alles van Hem?
Waar blijft onze verwachting op de Heer?
Daarom is ook de boodschap voor ons niet zozeer de vraag
of wij alles voor God over hebben,
maar de vraag of wij alles van Hem verwachten willen.
En dat werkelijk in de praktijk van ons leven.
Niet maar met woorden — en ondertussen toch je eigen gang gaan — maar met daden.
Hoe vaak gebeurt het ons niet dat wij,
zodra wij weer een beetje grip op ons bestaan denken te hebben,
in dezelfde beweging weer op eigen kracht en op eigen houtje gaan leven? Dat had bij Abraham toch net zo kunnen zijn? Maar dat blijkt niet zo. Abraham noemt ‘die plaats waar hij een ram heeft gevonden
om die in plaats van zijn zoon te offeren’
maar niet ‘de Heer zal erin voorzien’
omdat hij daar net die ram gevonden had.
Nee, hij noemt die zo, omdat dat het precies is,
waar het in heel het verhaal om ging:
de Heer stelde Abraham op de proef
of hij inderdaad leefde uit die verwachting,
dat de Here in alles zou voorzien, wat er ook gebeurde.
En daaruit had hij inderdaad geleefd.
God zal zichzelf voorzien van een dier voor het brandoffer, mijn zoon.
Dat is werkelijk godvrezend zijn,
niet maar de plichten van je geloof afwerken,
God bewaren voor noodgevallen en verder je eigen gang gaan,
niet maar zeggen dat je gelooft wat God zegt,
maar er verder geen handen en voeten aan geven,
maar leven vanuit de zekerheid dat God zal voorzien van wat nodig is, alles van Hem verwachten.
Alles? Ja. Alles.

naar aanleiding van psalm 145

(Na twintig afleveringen van ‘meditaties in tijden van corona’ heb ik besloten dat dit de voorlopig laatste meditatie is in deze reeks. Niet dat ik ophoud met bloggen, maar er zijn ook nog andere vormen en onderwerpen die aandacht verdienen. Ik hoop van harte dat veel mensen iets gehad hebben aan de meditaties en dat onze Here God mag werken via deze woorden.)

Verwondering, verrassing dat God die zo verheven is, tegelijk zo nabij kan zijn, zo betrokken op ons, op mij. Zo nabij dat ik voor hem een woning kan zijn.
Deze psalm gaat over Gods grootheid én nabijheid. Over een God die ver is én tegelijk nabij. Maar liefst zeventien keer staat in dit lied het Hebreeuwse woordje kol: heel, al, alles. Vers na vers benadrukt dit lied dat God goed is voor alles en voor allen.
Voor heel zijn schepping en al zijn schepselen. Voor alle geslachten en in alles wat hij doet.

En deze God die het geheel overziet en draagt is tegelijk betrokken op de enkeling, die ene mens. Die gevallen is, die gebukt gaat, die honger heeft, die hem aanroept.
Ja onder miljoenen, heeft hij ook mij op het oog.
En andersom: de ogen van allen wachten op U (vers 15a)
Want voor velen was het geen makkelijke tijd. Een aantal weken geen kinderen of kleinkinderen zien. Zorgen over het werk. De angst om ziek te worden.
Degenen die ziek geworden zijn en daar nog lang niet van zijn hersteld.
De vraag hoe lang we nog in deze situatie zitten en wanneer het weer normaal wordt.
Ogen die wachten. Dat zeggen we niet zo snel. Het gaat om het wachten op de Heer.
Daar gaat vers 16 verder op in: Gij doet uw hand open en verzadigt al wat leeft naar uw welbehagen 
God opent zijn handen door mensen die hun handen openen.
In een Joods midrasj – uitleg –  wordt dit vers 16 daarom als volgt vertaalt: Hij verzadigt al wat leeft met wil. Hij verzadigt al wat leeft met wil….
En de uitleg van de rabbijnen hierbij is dan:
aan ieder mens die voor God openstaat geeft God het verlangen om de dingen te willen die bij God horen. En zo kan God hen dan ook gaan geven wat ze willen.
Zo lezen zij ook vers 19 waar in onze vertaling staat: Hij vervult het verlangen van wie hem eren. De Joodse uitleg van dit vers is: de wil van die hem vrezen vormt hij.
In deze psalm wordt bezongen hoe de schepselen beseffen dat zij het voedsel uit Gods hand ontvangen. Zoals een jonge vogel wacht op het eten dat vader of moeder vogel komt brengen.
Zo kijkt de gelovige uit naar de Vaderlijke zorg van onze Schepper.
Jezus Christus zegt in Johannes 15: wat je de vader in mijn naam vraagt zal hij je geven.
Het is kennelijk mogelijk om zo te groeien in je omgang met God,
zo gekneed en gevormd te worden en met Hem één van geest te zijn,
dat je steeds beter aanvoelt hoe God de dingen ziet
en waar Hij aan het werk is of aan het werk wil gaan.
En dat je eigen denken en doen en met name ook je gebedsleven
steeds meer in lijn komt met de wil van de Vader.
Wachtende ogen: Ogen die vol verlangen uitkijken. Ogen die willen zien wat God doet.
Die daar niet aan voorbij willen kijken, maar willen zien dat die zorg er inderdaad is.
Wachten is in de Bijbel nooit afwachten.
Maar wel het besef dat alles wat we hebben van de Heer komt. Gegeven wordt door God.
En dat Hij zal geven wat we nodig hebben. De ogen van allen wachten op de Heer, totdat Hij geeft. Niet uit onzekerheid, maar uit geloof dat God zal geven.
Als mens zijn we altijd in alles van de Heere afhankelijk.
Nu in deze tijd beseffen we des te meer dat we van Hem afhankelijk zijn.
We kunnen niet anders dan ons leven in Zijn hand leggen.
We kunnen niet anders dan met onze ogen ‘wachten’. Dat betekent niet niets doen.
Dat betekent actief zijn. In het zoeken van de Heer.
In het zien hoe God ook in een moeilijke tijd doorhelpt.
In het ervaren dat God kracht geeft om bezig te zijn. Wijsheid geeft om beslissingen te nemen.
Dat kunnen wij niet uit onszelf. De Heer geeft dat. Daarom wachten we op Hem.