Soms komen zinvolle dingen ter sprake.

Te vaak gebeurt het dat de geachte spreker

niet meer in de aanbieding heeft dan een praatje voor de vaak.

De situatie kan er ook naar zijn, dat je met stomheid geslagen bent.

Hoe dan verder?

Roept u maar!

Het hoort bij een gespreksleider die een geanimeerde discussie wil aanzwengelen.

Zo’n onvoorwaardelijke uitnodiging is niet zonder risico’s.

Je mag tenminste enige zelfkennis en kennis van zaken veronderstellen.

Discussiëren komt van een werkwoord in het Latijn,

met de letterlijke betekenis: uiteen splijten.

Willem Barnard vertaalt het dan ook met ‘splijtzwammen’.

Deze negatieve duiding is niet zonder reden.

Een regel, die meer is dan spelen met woorden:

inspraak zonder inzicht leidt tot uitspraak zonder uitzicht.

Een oude profeet, op naam van Jesaja, wordt tot spreken geroepen.

In een ellendige, dat is: uitlandige situatie.

Het volk Israël is in ballingschap, ontredderd en ontheemd.

Wie kan dan zinnige dingen zeggen, laat staan mond van God zijn?

Toch weet de profeet zich van Hogerhand geroepen.

Blijkbaar is de Here, door middel van zijn Woord en Geest,

hem te machtig geworden.

De profeet weet vooralsnog niet meer uit te brengen

dan een besef van machteloosheid:

‘Wat zal ik roepen?’ .

‘Roepen’ heeft de klank, de kracht van een nieuw begin,

zelfs van leven uit de dood.

Zoals de Here ooit deed bij de schepping:

‘En God riep het licht: dag! en de duisternis riep Hij: nacht!’.

Dat roepen, dat spreken met gezag, die bevrijdende taal,

waartoe wij zelf niet bij machte zijn, is verankerd in het Woord van onze God,

dat eeuwig stand houdt.

Dat Woord hebben wij niet in, bij of achter de hand.

Onze woorden kunnen alleen maar tot Woord worden,

waar en wanneer het God behaagt,

als zijn Adem, zijn Geest de woorden vult.

Zo is de Bijbel ontstaan en overgeleverd.

Woorden van mensen, waarin en waardoor God zichzelf ter spraken wil brengen.

Daarom wordt bij de opening van dit Boek altijd gebeden

om de verlichting van en door de Heilige Geest.

‘Want ieder blijft Gods Woorden vreemd, behalve wie ze van Hem zelf verneemt’ (M. Nijhoff).

Eeuwen later heeft Johannes de Doper

deze profetische woorden opnieuw in de mond genomen

met het oog op Jezus Christus.

Even tevoren, in de proloog van het evangelie naar Johannes,

is deze Ene bezongen als degene,

in wie de Here God zichzelf geheel en al heeft uitgesproken.

Hij wordt dan ook WOORD genoemd, sprekend God.

Alle voorgaande Woorden van God vinden in Hem hun diepste bestemming.

Alle volgende Woorden hebben hun bestand in Hem.

Karl Barth sprak in dit verband over de drie gestalten van het woord:

WOORD, Woorden, woord.

Onze woorden staan in dit bezielde verband.

Daarbuiten is er niets te zeggen dat echt beklijft.

Advent kan nooit zonder Pinksteren.

Met de woorden van een gebedslied (Lied 680), uitziende naar de Heilige Geest:

Waar Gij niet zijt, is het bestaan,

is alle denken, alle doen

zo leeg en woest, zo dood als toen

Gij, Geest, nog niet waart uitgegaan.

Er is geen licht dan waar Gij zijt,

uw vleugels breidt, uw vleugels strekt,

geen leven, dan waar Gij het wekt

in een gemis dat tot U schreit.

 

Een klemmende vraag en een kort antwoord
Johannes de Doper stelt een vraag die voor hem van levensbelang is.
Het antwoord van Jezus is op het eerste gehoor strijdig met onze pastorale handboeken.
Die leggen de nadruk op empathie, inlevend vermogen.
Waarom is de reactie van Jezus,
Pastor bij uitstek, zo kort door de bocht?
Jules de Corte – blindeman, liedjeszanger, gelovige met vallen en opstaan –
schreef indertijd een brief aan prof. H. Jonker (1917-1990),
hoogleraar Praktische Theologie in Utrecht.
Ik citeer enkele regels:
‘De God over wie u spreekt, preekt en schrijft, professor,
waar kom je Hem tegen in het gewone leven?
Vooral als het echt spannend wordt:
harde onderhandelingen tussen winnaars en verliezers,
mensen in de modder en aan de marge, kinderen in de knel en in de vernieling …
Die God van u, professor, woont in een mooi huis, de kerk.
Daarbuiten is Hij, naar mijn besef, nergens aanwezig’.
Jonker doceerde onder meer Pastoraat.
Hij was alles behalve een mooi-weer-prater.
Hij wist van heel nabij van de schaduwzijden, de diepe tunnels van het leven.
Het onvoorstelbare leed in de wereld hield hem duurzaam bezig.
Ik verbind deze correspondentie met een episode uit het Evangelie.
Johannes laat een vraag overbrengen naar Jezus.
Zelf is hij daartoe niet in staat. Hij verblijft in de gevangenis.
Vanwege zijn dienstwerk, zijn prediking.
Die vraag is uit de nood geboren.
Niet zozeer de nood van zijn eigen situatie.
Hij wist dat het levensgevaarlijk is om, hoe en waar dan ook, mond van God te zijn.
Johannes heeft alle kaarten van zijn leven gezet
op het oordeel dat staat te komen,
met het oog op Hem die komt:
de bijl aan de wortel van de boom, de wan die al het kaf uitzift.
Door de komst van die Ene komen er werkelijk andere tijden.
Maar de prangende vraag verteert hem: is dat wel zo?
Is deze Jezus de vanouds beloofde, de Messias die komen zou?
Hij kan het nauwelijks geloven.
Er gebeurt ogenschijnlijk niets.
Aanstootgevend?
Johannes moet het doen met de dingen die hij al wist,
maar waarop hij stukloopt:
‘Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien:
blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen,
mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen,
doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt’ .
Cruciaal is de vraag: waar ligt de climax in deze opsomming die Jezus geeft?
Voor de hand ligt de veronderstelling: doden worden opgewekt!
Dat is echt spectaculair, het sprekende bewijs dat de tijden kantelen.
Maar deze vlieger gaat niet op.
De climax ligt in het slot: armen ontvangen het Evangelie!
Arm zijn zij, die geen raad weten met hun verfomfaaide bestaan,
die geen kant op kunnen, tenzij God aan hun kant staat.
Daartoe is Christus gekomen.
De Hoog-Heilige, de Eeuwig-Trouwe is niet iemand die minzaam wuift vanuit de verte,
als een vorst in een gouden koets.
Niet iemand, die idealen laat zweven om ons aan op te trekken
en dan toch weer naar beneden te duikelen.
In een onbegrijpelijke solidariteit deelt Hij ons bestaan.
Zo draagt en bewaart Hij ons.
Het aanstootgevende bij uitstek is een kruis:
de Rechter gaat zelf in de beklaagdenbank zitten.
De Leeuw uit Juda’s stam komt vooralsnog als Lam,
dat de zonde der wereld draagt.
Die ergernis raken we nooit kwijt, maar wie er enigszins vertrouwd mee raakt,
ontwaart daarin de kracht, de wijsheid van God.
Reden tot eindeloze vreugde!
Zo maakt de drie-enige God zijn heil bekend.
De eerste komst van Christus gedenken wij.
Zijn uiteindelijke komst verwachten wij: Advent!

 

 

 

We leven allemaal van genade.
Als we elkaar niet zouden vergeven, zou geen van ons kunnen bestaan.
Hoe meer je met mensen samenleeft, hoe meer je vergeving nodig hebt.
Voor alle stommiteiten die je begaat, voor elk onnadenkend kwetsend woord, voor elke nalatigheid.

Genade hebben we nodig van anderen.
Genade heb je ook nodig van jezelf.
Kijk hoe belangrijk de nederigheid en zachtmoedigheid van Jezus zijn. Hoe het je leven verlicht.
Dit heeft ook met genade te maken. Door nederigheid besef je dat je genade nodig hebt.
Door zachtmoedigheid geef je genade geven aan jezelf en anderen.
Het woord ‘vinden’, in het Grieks ‘heuriskō’, is een favoriet woord van de evangelist Lucas.
Maria hoefde niets te presteren om genade bij God te vinden.
Ze hoefde het alleen aan te nemen en ermee in te stemmen.
Lucas herhaalt dit woord zoveel keer dat het wel een belangrijk woord moét zijn.
Ook jij kunt genade bij God vinden. Niet maken, niet verdienen, maar vinden.
Durf jij nederig genoeg te zijn om die genade te accepteren?
Ben jij zachtmoedig genoeg om die genade bij jezelf toe te laten?
Dan kan er, naar het voorbeeld van Maria, ook in jou nieuw leven ontstaan.
In de woorden van de engel: ‘Wees niet bang, je hebt genade gevonden bij God.’

Het is één van de grootste problemen die veel mensen ervaren
tijdens deze coronacrisis: hoe houd ik afstand?
Want dat is het dringende advies:
Houd anderhalve meter afstand!
We ervaren steeds meer afstand van veel dierbare medemensen,
en de mens van oorsprong een sociaal wezen is
dat behoefte heeft aan nabijheid.
Die afstand kunnen mensen ook ervaren ten opzichte van God.
Zeker in deze tijd.
Hij is ver en hoog in de hemel. Afstand, verbijstering, verwijt.
Waarom laat Hij dit alles toe!
Het is een vaak gedeelde ervaring in de gemeente van nu.
Afstand ervaren, ja tot elkaar
en misschien daardoor ook tot God, minder beleving.
‘Ik beleef veel minder aan de dienst’.
Maar je kunt ook los van de pandemie
kun je geconfronteerd worden met je eigen moeheid om te geloven.
Probeer die impasse voor je te zien.
Iemand die merkt dat het niet meer werkt, die zichzelf ziet verharden.
Dat is misschien een enkeling maar die heeft dan een signaalfunctie. Iemand die van zichzelf durft te zeggen:
het is alsof er niets gebeurd is en alles is kwijt.
Ik bid nog en ik hoor mezelf en tegelijk denk ik dat het niet helpt.
Vroeger wel maar nu niet.
Ik wen eraan, ik geniet nog van de kinderen in de kerk
maar innerlijk word ik onbewogen, minder ontvankelijk.
Die eenling toont misschien wat meer christenen vandaag ervaren.
Waarom houdt God die als de Almachtige volop bezig is
zich als de Genadige zo ver van mij, nu.
Dat is spannend en het kan een valkuil zijn:
opgaan in zelfbeklag, je hart toesluiten.
Maar juist met Kerst komt deze God in Jezus naast ons staan.
Hij bevrijdt van zonden, die geen fouten zijn
maar een impasse waar je jezelf niet uit gelooft.
Hij komt daarom zelf in een lichaam dat het onze is.
Jezus is echt iets nieuws,
iets onmogelijks (maagdelijke geboorte) voor mensen
die met geen mogelijkheid nog bij God uitkomen. Dit is God. Immanuel.
Het lichaam van Jezus is belangrijk.
Hij brengt je op een lichamelijke manier bij de Vader.
Zo mag dat iets los te maken,
het verlangen naar een eerlijk leven aanwakkeren,
een biecht die niet alleen oplucht maar die ons meer aan Christus verbindt. Zijn ogen op de mijne, zijn hart tegen het mijne aan.
Zulke woorden mag je gebruiken
omdat je ook met je lichaam Jezus Christus toebehoort?
Jezus is de Bevrijder van zonden door zijn lichaam en bloed
maar ook door de Geest die Hem geboren deed worden.
Bevrijd zijn van zonden is vergeving hebben
maar ook vrij zijn om nu, in dit heden, het goede te doen.
Om een Jozef te zijn, die in een complexe realiteit doet wat zijn roeping is. Niet gemakkelijk, voor hem betekent het dat hij moet vertrekken,
reizen, vluchten en een tijd in onthouding leven.
Dat is gehoorzaamheid misschien ook voor ons nu.
Dat je opgeroepen wordt het uit te houden met jezelf
voor het aangezicht van God.
Daarin blijven we adventsmensen.
Mensen op weg, levend van verwachting!

Soms kan je een gevoel van somberheid bekruipen,
als je het nieuws een beetje volgt.
Coronadoden, gijzelingen, moord, corruptie geweld van allerlei aard.
Het gaat maar door.
Het ene slechte nieuws is nog niet gekomen
of andere slecht nieuwsberichten staan al weer klaar.
Crisis, problemen, tegenslagen,
ze verdringen het goede en mooie dat er ook is zomaar naar de rand.
En dat in de grote wereld, maar soms ook zo akelig dichtbij.
De teleurstelling in je relatie, de lastige dingen op je werk,
je gezondheid die zo ineens anders loopt. Je komt er niet los van.
Een documentaire over oorlogsveteranen
die voor de VN waren uitgezonden op missie kreeg als titel:
oorlog in je hoofd.
Deze mannen en vrouwen zijn teruggekeerd uit de strijd
maar worden sindsdien geplaagd door PTSS:
post traumatische stress stoornissen.
Zij vieren weliswaar thuis kerst met geliefden rond de kerstboom.
Maar in hun hoofd, hun hart, hun onderbewuste
woedt de oorlog volop voort. Om moedeloos van te worden.
We maken ons klaar om Kerst te vieren,
maar is er sinds de komst van Jezus
wel echt wat in deze wereld veranderd?

Je hoeft geen oorlogsveteraan te zijn om dit te herkennen.
Die oorlog, die onvrede kun je tegenkomen in je eigen hart.
De monnik en schrijver Anselm Grün schrijft ergens:
we verlangen allemaal rusteloos naar iets,
vooral naar rust, tevredenheid en acceptatie. Naar God dus.
En, zegt Grün, steeds weer zoeken we onze eigenwaarde
in bezit, geld, zekerheid, aandacht, erkenning, bewondering,
seks, eer en macht.
Maar, zegt hij, dat leidt tot ‘hebzucht, jaloezie, controledwang, geroddel, narcisme en geweld.
Of altijd maar de lieve vrede willen bewaren.
Of geen minuut zonder die smartphone kunnen.
Eindeloos veel diploma’s willen halen. Altijd iets nuttigs willen doen. Door je werk geen tijd voor je gezin hebben.
Voor alles een verzekering afsluiten.
Piekeren over of je het wel goed genoeg doet.’ Aldus Grün

Wat zijn uw en mijn vijanden? Hebben wij vijanden?
Van welke vijanden zouden we verlost willen worden?
Misschien zegt iemand:
voor zover ik weet heb ik geen vijanden en daar ben ik blij mee.
In onze belevingswereld nu klinkt veelmeer de roep om verbinding.
Het woord ‘verbinding’ is het woord, dat nu meteen referenties oproept, niet het woord vijandschap.
Het woord ‘vijandschap’ lijkt ons terug te brengen in een wij-zij denken, waarvan de meeste mensen in het beschaafde Westen vinden,
dat we daarvan af moeten.

Moeten we dan misschien veelmeer aan geestelijke machten denken,
zoals vanouds de doodsvijanden, de duivel , de wereld en ons eigen vlees, beschreven werden.
Of zouden we nog een andere kant op moeten denken:
vijanden als samenvattend woord voor alle machten en krachten
in de schepping en de geschiedenis,
die het goede leven kapot willen maken?
Dan komen we in onze tijd snel uit bij het Covid-19 virus.
Vooral in het begin van de pandemie werd vaak oorlogsretoriek gebruikt om de strijd tegen dit virus aan te duiden.
In de dagelijkse werkelijkheid hebben ook wij het er over,
dat we samen het corona virus eronder zullen moeten krijgen.
Maar wie hier publiek durft te spreken
over een vijand waarvan we verlost moeten worden,
wordt meewarig aangekeken of erger: ervan verdacht
te behoren tot een gevaarlijke sekte.
Dat geldt niet alleen het coronavirus.
Wij moeten als mensen met en voor elkaar dingen oplossen: natuurwetenschap, medische wetenschap en techniek
kunnen ons daarbij helpen.
Ook de geesteswetenschappen, zoals psychologie en psychiatrie
kunnen behulpzaam zijn.
Het woord verlossen behoort tot het vocabulaire van de theologie,
een wetenschap die buiten de christelijke bubbel
geen enkele indruk lijkt te maken.
Spreken wij niet vanuit een luxe positie?
Wanneer wij het niet op een akkoordje willen gooien
met de machten van het kwaad,
krijgen we dan niet als vanzelf vijanden?
Wanneer wij door het geloof,
door de goede keuze te maken aan Gods kant komen te staan,
dan begint de strijd allereerst al in ons eigen hart.
‘Het goede dat ik wil, doe ik niet, het kwade, dat ik niet wil, doe ik’.
Vervolgens lopen we ook op tegen alles
wat in strijd is met Gods wil in deze wereld:
onrecht, vernietiging van Gods schepping, machtswellust,
onderdrukking en al die andere dingen, waar onze wereld vol van is, vlakbij soms ook op ons werk, in onze kring van bekenden.
Probeer er maar eens iets van te zeggen,
probeer maar eens even het sluiten van compromissen te vermijden
en je zult merken dat je vijanden hebt eer je er erg in hebt
en soms helemaal in strijd met je vredelievende karakter.

Verkijk je dan niet op dat kind in de kribbe. Jezus Christus.
Je eerste indruk is misschien: vertederend,
schattig en een klein beetje zielig.
Maar hier in de kribbe ligt iemand die als namen krijgt:
Wonderbare Raadsman, Goddelijke held, Eeuwige vader, Vredevorst.
Hij zal al snel deze kribbe en de doeken achter zich laten
en op een heel eigen manier zijn heerschappij zichtbaar maken.
Een vorst van de vrede zijn. Ja, vrede zal van zijn leven echt de kern zijn. Hij zal vrede mét God tot stand brengen
en ook de vrede ván God realiseren.

Hij zal de strijd aanbinden met de diepere oorzaken van onze onvrede.
De zonde die ons onze bestemming doet missen
zal hij op zich nemen naar het kruis, het daar verzoenen en wegdragen.
De boze machten die ons bezetten en binden.
Ons van onze vreugde en vrede beroven zal hij onttronen en overwinnen.

Vrede op aarde, scanderen de engelen.
Het Bijbelse woord vrede betekent meer dan afwezigheid van oorlog.
Het Griekse woordje dat hier staat: ‘eirene’
gaat terug op het Hebreeuwse shalom.
Het betekent zoiets als: op orde brengen, alles op zijn plaats zetten. Kerkvader Augustinus zei dat heel mooi:
vrede is de kalmte die komt uit orde.

Vrede is daar waar evenwicht is, balans.
Alle dingen de juiste plaats en proporties hebben.
Deze vrede zorgt ervoor dat je als mens
in al je relaties tot je volle bestemming mag komen.
In verhouding tot God, tot jezelf en de ander.
Hoor hoe de hemelse strijders het uitroepen.
Eer aan God in de hoge, vrede op aarde.
Eerst: eer aan God.
En dan en op die manier ook: vrede.

klok

We moeten het dit jaar ook zonder die typische kerstsfeer doen.
Dit jaar even niet met elkaar in een volgestopte kerk,
met lichtjes en een uitbundig Ere zij God.
Ook dat zal behoorlijk gemist worden.
Kerst is normaliter een feest van eensgezindheid en warmte,
maar nu zit iedereen ergens anders, in eigen huizen,
eigen bubbels, eigen zorgen.
We zijn verspreid en geestelijk is er ook verstrooiing.

‘Ik bespeur ook veel verlangen’,
zei één van de collega’s uit de werkgemeenschap van predikanten.
Dat herken ik wel.
Ook ik proef verlangen naar een betere tijd.
Verlangen naar de fysieke ontmoeting van de geloofsgemeenschap.

Verlangen ook naar gedeeld geloof, misschien?
Zou dat verlangen, hoe diffuus ook,
een aanknopingspunt bij Maria kunnen zijn?
Die verwachting komt dan tot klinken wanneer Maria gaat zingen.
Daarbij treedt Maria toe tot een rijtje zingende vrouwen in de Bijbel: Mirjam, Debora, Hanna, en Judith.
Het is belangrijk om hier oog voor te hebben,
want hieruit blijkt dat Maria’s lied niet voortkomt
uit haar persoonlijke gemoedstoestand of bevinding.
Het gaat om het juiste perspectief.
God heeft niet zozeer een rol gekregen in Maria’s leven,
maar Maria heeft een rol gekregen in Gods plan met Israël.
Maria zingt mee in het koor van de verdrukten.
Haar Magnificat is een regelrecht protestlied.
Alles wordt op losse schroeven gezet en omgekeerd.
Dat ‘alles’ heeft vooral betrekking op macht en vermogen,
politiek en economie. God neigt naar berooide mensen.
In dit lied, dit gebed kiest Maria positie voor de vromen,
de nederigen en de hongerigen.
De gelovige staat samen met berooide mens tegenover de hoogmoedigen, de machtigen en de rijken.
Het jaar 2020 was een jaar van verstrooiing en versloffing.
We zijn moe en snakken naar de aanraking van boven,
want die ervaren we minder nu de volle kerk ontbreekt,
nu we geen daverend slot– of morgenlied zingen.
God kan ver weg voelen en we verlangen nu juist Zijn nabijheid.
Maar dit verlangen – als we het hebben – vraagt om gebed,
en veel spirituele toewijding.
Het evangelie komt niet zomaar ons leven binnenfietsen.
Er moet wel plek zijn om te landen.
Geloven wij wel werkelijk dat God zich in ons leven zal melden
als wij ons net als Maria toeleggen op het gebed?
In het spoor van kerkvader Augustinus kun je zeggen
dat mensen niet gevormd worden door kennis, maar door verlangen.
Niet ‘wat wij weten’ vormt en verandert ons, maar wat wij liefhebben.
Niet het hoofd, maar het hart maakt wie wij zijn.
Maria zingt in het koor van de verdrukten.
Wie hoog en droog zit, valt naar beneden, en wie laag
bij de grond stond, wordt verhoogd.
Dat is heel radicaal en bij Lucas is armoede ook echt armoede.
Ik denk dat het goed is om het appel van Maria’s protestlied te laten staan:                                                         ‘Wees maar niet al te verknocht aan je mooie, geïsoleerde huis met visgraatvloer, want God keert alles om.’

Hoe ik deze tijd beleef? Ik ervaar wat denk ik iedereen van ons ervaart. Een verlangen naar verlossing.
Verlost te worden van de angst op besmettingen en van protocollen
die alle spontaniteit noodgedwongen wegdrukken.
Verlost te worden van de constante stroom aan berichten
over besmettingen, ziekenhuisopnames, overlijdens,
maatregelen en overtredingen.
Verlost te worden van de eenzaamheid.
Verlost te worden van het afstand houden.
Verlost te worden van een kerk
waarin je maar een beperkt aantal mensen ziet en niet mag zingen.
Het valt me op hoe vatbaar wij mensen zijn, ook wij kerkmensen.
Vatbaar voor berichten over nepverlossing.
Vatbaar voor complotdenken, ook in de kerk.
Ook mensen die hoogopgeleid zijn, een prima baan hebben
en een fijn sociaal netwerk. Ze hebben grootste kritiek op de regering,
op de maatregelen, op nieuwe vaccins en ontwikkelaars daarvan.
Ze prediken een ‘verlossing’, nog met een christelijk sausje ook.

Maar wat is de boodschap die verlost?
Deze weken en deze dagen staan bol van gesprekken over Kerst:
hoe gaan we Kerst vieren?
Hoeveel mensen mogen aanschuiven bij het Kerstdiner?
De gesprekken domineren persconferenties en talkshows.
En ik begrijp het, maar ervaar het ook als bevreemdend,
nog meer dan vorige jaren.
Wat me opvalt is dat ik weinig hoor over Advent.
Oftewel: we willen snel doorspoelen,
fast forward, naar ‘verlossing’ zonder eerst de tijd te beleven van wachten, stil worden, inkeer, en voorbereiding.
Misschien omdat we denken
dat we die al ruimschoots hebben gehad als samenleving.
Toch wordt het geen Kerst zonder Advent.
Geen feest zonder wachten, stil worden voor God en inkeer,
en vergeving vragen voor wat scheef zit.

In het begin van de coronacrisis las ik een reactie
op de situatie waar we in verkeren.
Bisschop Steven Charleston schreef:
‘Nu is de tijd waarvoor ons geloof ons heeft voorbereid.
Nu is het moment dat we alles wat we geloven,
kunnen inzetten. (..)
we zijn niet bang voor deze crisis want we zijn erop voorbereid.
We hebben ons leven gewijd aan het geloof
dat er iets is dat groter is dan angst en ziekte.
We hebben geleerd en gebeden en zijn gegroeid in de Geest.
Nu kunnen we in de praktijk brengen wat we geloven.
Onze mensen hebben hoop nodig, vertrouwen, moed en compassie.
Precies de dingen waar wij voor zijn getraind.
Wij zijn de kalmte middenin de storm.
Dus laat je licht schijnen
zodat andere mensen het zien en ook vertrouwen krijgen.’
Toen ik het voor het eerst las vond ik het mooi.
Het sprak me aan, want het is positief; het is hoopgevend.
En dat hebben we nodig, juist nu.

Als je het Bijbelse verhaal van Zacharias uit Lukas 1 er naast legt wordt je is echter ontnuchterd.
Daar aan moest ik denken bij de reactie van Charleston op de crisis.
Zacharias behoorde tot de priesterorde.
Hij was zijn leven lang betrokken op de dienst aan God.
Je zou kunnen zeggen dat hij zijn leven lang had uitgekeken
naar dit moment om dient te doen in de tempel,
en het reukoffer te brengen.
Dat hij zijn leven lang juist hierop voorbereid was.
Maar op wat er dan gebeurt is hij juist niet voorbereid. Hij hapt naar adem. Hij kan de boodschap niet geloven.
Hij wordt met stomheid geslagen.
En na zijn tempeldienst zou hij buiten het volk de zegen geven.
Na het moment van het reukoffer brengen,
het andere moment suprême van zijn tempeldienst.
Als er één moment is waarop hij zou moeten spreken, dan hier wel.
En hij kan het niet. Hij, die zo was voorbereid.

Dat wij als gelovigen dus voorbereid zijn op de huidige crisis,
dat wij erop getraind zijn, dat wij het nu in praktijk kunnen brengen.
Dat wij de kalmte zijn in de storm. Dat is nogal een uitspraak.
Ik vraag het me af of het waar is.
Zacharias beleeft het grote moment waarop hij gewacht heeft,
hij al die jaren voor klaargestoomd was.
En dan… je valt door de mand… Is het erg dat we door de mand vallen? Nee, want juist dán komt het evangelie.
Juist dan blijkt waar onze kracht vandaan komt.
Juist dan blijkt wie werkelijk het verlossende woord spreekt:
de gezant van God en daarmee God Zelf, niet ik.

In deze periode begint voor christenen de tijd van Advent:
verwachtingsvol uitzien naar de herdenking
van de komst van Jezus Christus in deze wereld.
Zijn volgelingen – christenen – worden opgeroepen
om juist dan na te denken over hoe zij Jezus Christus volgen
en hoe ze Hem ingang in hun leven wil geven.
Willen ze echt hun geloof hun leven laten bepalen?
Dat vergt in deze tijd het een en ander van de christen.

Want zo bij tijd en wijle poppen er weer bepaalde discussies op
waarbij de conclusie is dat religie – dus ook het christendom –
misschien een mooie levensovertuiging is
maar toch alleen beleden moet worden ‘achter de voordeur’.
Wanneer dit soort discussies zich voor doen denk ik
dat juist christenen de opdracht hebben zich uit te spreken.
Zij moeten in een democratie leren het publieke debat niet schuwen.
Dat is volgens mij een voorwaarde van christelijke ethiek
die beraadt hoe men goed moet handelen.
In navolging van de lijn van kerkvader Augustinus
is het de opdracht van een christen op zoek te zijn
naar de zuiverheid van het christelijk handelen
en naar het compromis in een gemengde wereld.
Dit zou een christelijke ethische levensoriëntatie moeten zijn.
Hierbij is ethiek meer dan alleen reflectie op handelen.
Christelijke ethiek zou zich rekenschap moeten geven
van de vraag naar wezen en bestemming van de mens.

Over het algemeen veronderstelt ethisch handelen
vrijheid om keuzes te maken.
Maar waardoor wordt een keus voor het goede bepaald?
Is het de rede die de toon aangeeft?
En moet de wil de rede volgen,
zoals ethici vanaf de oudheid tot en met Kant verdedigd hebben?
Bij hem treedt de wil als bepalend element op de voorgrond.
Niets anders kan in absolute zin voor Kant en de zijnen
goed heten dan de redelijke wil.
Een visie die nog altijd aanhangers heeft,
maar tegelijk heftig bestreden is onder invloed
van Schopenhauer, Nietzsche en Freud.
Maar je behoeft geen christen te zijn om te erkennen
dat de wil op drift is geraakt en mensen geneigd zijn tot kwaad.

Daarbij laat het christendom met haar belijdenis van zonde en genade
wel een eigen geluid horen.
Het kwaad schuilt in de wil zelf, de wil die zich van God heeft afgekeerd, de verdorven wil. Dat is geen tragiek, maar schuld.
Daarom begint christelijke ethiek, zo leert Calvijn,
niet met vrijheid, zij begint met bevrijding.
Een mens behoeft zich niet zoals baron Von Münchhausen
zelf uit het moeras op te trekken.
De Tien Geboden beginnen met de proclamatie van God die bevrijdt.
En het apostolisch getuigenis verkondigt de bevrijding
van de wil uit de macht van de zonde tot de vrijheid van het leven
als kinderen van God. Zo wordt de wil tot rede gebracht.
Het goede is niet inherent aan de mens. Het is vrucht van de Geest.
Geloof, hoop en liefde zijn geen te verwerven deugden,
maar gaven van de Geest.
Christelijke ethiek staat zo gezegd, in de schijnwerpers
van Pasen en Pinksteren.
Het vrije leven is het leven in gehoorzaamheid
en liefde onder de tucht van de Geest die ons het gebod leert verstaan.

Maar wat betekent dat nu voor de concrete velden van de politiek,
de sociale ethiek, de gezondheidszorg, de economische vragen?
Wat is de christelijke boodschap voor leven en samenleving?
En volgens mij zit ‘m daar de kneep.
Immers, dwang is niet verenigbaar met het christelijk geloof.
Kerkhervormer Maarten Luther verwoordde het eens zo:
‘Een christen is een vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan.’

Maar hoezeer christenen ook hun best moeten doen
om via argumentatie verstaanbaar over te komen,
uiteindelijk staat een ethische reflectie
die zich de wet laat voorschrijven door de Geest
die hem bepaalde gedragsregels voorhoudt;
weer in de woorden van Luther:
‘Een christen is een dienstbare knecht
van alle dingen en ieders onderdaan.’
Omzien naar elkaar, de ander belangrijker achten dan jezelf
Dat maakt de christen weerloos in een wereld
waar de autonomie van het Eigen Ik hoge ogen gooit.
Nu is dat voor het christelijke geloof geen vreemde zaak.
Een christen is, zo laat het Nieuw Testament zien,
een vreemde eend in de bijt van de samenleving.
Wat mensen doet ophoren en doet vragen
naar de Weg is ten diepste niet de argumentatie,
maar een getuigend leven in de navolging van Christus.
Ik denk dat christenen juist nu moeten laten zien
in woord en daad dat hun levensoriëntatie
van barmhartigheid en solidariteit
in een samenleving waar individualisme de heersende levensfilosofie is
hét Verschil kan maken.
Laten we daar in de periode van Advent verder over door denken.

Geen antwoord op vragen.
Geen warm onthaal.
Geen glamour of glitter.
Geen man van staal.

Geen aangekleed voetstuk.
Geen pracht, geen praal.
Geen neonreclame.
Geen bliksemstraal.

Geen vuurwerk, geen kernbom.
Alleen maar een ster,
die mensen de weg wijst
van toen tot dusver.

door Fiet van Beek

Zo in de donkere tijd aan het einde van jaar is een mens snel geneigd melancholisch te worden. Achteromkijken naar het afgelopen jaar: alles wat je overkomen is aan goede en minder goede zaken. Eén van de conclusies kan dan zijn: vroeger was alles beter: meer solidariteit, betere werkomstandigheden, gelukkiger en minder problemen. Ach ja, in de tijd van onze grootmoeders was het leven niet zo jachtig, alles ging meer in harmonie, men had meer tijd… voor alles.

Maar als paus Franciscus het Europees Parlement Europa vergelijkt met het beeld van een oude afgetobde oma uit wie alle levenslust verdwenen is kantelt het beeld zoals hierboven geschetst radicaal. paus Europees ParlementAanstaande zondag begint voor christenen de Adventstijd. Tijd van bezinning, beschouwing en het je voorbereiden op het aanstaande Kerstfeest. Kerstfeest: het feest van de geboorte van Jezus Christus; herinnering voor mensen dat God zijn verbond en zijn beloften van heil aan mensen niet vergeten is. Een nieuwe wereld is begonnen. Een wereld waarin gerechtigheid en vrede zullen regeren. En wij worden opgeroepen daar aan te werken. Maar voor Europa lijken (nog) steeds andere dingen belangrijker: technocratie en bureaucratie. Een wereld waarin mensenlevens worden uitgedrukt in geld en ‘economisch instrument’. De paus wijst de parlementariërs, en dus ook ons, om mensen hun ‘transcendente waardigheid’ weer terug te geven. Want ‘wie God vergeet en Hem niet de eer geeft, schept een voedingsbodem voor onrecht en geweld. Europa dreigt haar ziel te verliezen wanneer zij hiervoor geen oog heeft.

Het zijn woorden van de paus. Laten wij allen, als christenen  in deze Adventstijd ons ook bezinnen op deze waarschuwing. Want wij zijn allen inwoners van Europa. Wij vormen Europa.