Het echte geluk is voor mensen die weten dat ze God nodig hebben. Want voor hen is Gods nieuwe wereld. BGT Matteüs 5,3 Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen. HSV Matteüs 5,3
Arm zijn betekent accepteren dat we geen meester zijn over ons leven. Een van de ziektes van het moderne Westen is dat we alles onder controle willen houden, alles plannen, kiezen en onderwerpen aan de menselijke wil. Het is duidelijk dat dit onmogelijk is, hoe groot de technische vooruitgang ook is. Die pretentie van almacht kan slechts leiden tot teleurstelling en angst. We moeten daarentegen geloven dat de omstandigheden die ons het meest doen groeien, juist die situaties zijn waar we geen zeggenschap over hebben. Wanneer we de uiterlijke omstandigheden niet kunnen veranderen, worden we uitgedaagd onszelf te veranderen. Dat is waar het uiteindelijk om gaat. ‘Gelukkig wie nederig van hart zijn.’ Dat is de eerste gelukwens, de eerste zaligspreking. Er volgen er nog zeven. Ze vormen samen een reeks. Ze schetsen een geestelijk groeiproces voor een kind van God. Ze vormen het profiel van een christen. In Jezus’ mond klinkt het als een roeping. Die een duidelijke richting wijst. In zijn mond klinkt het ook als een belofte. Dat je Hem als kind van God bent aangenomen. En in zijn mond klinkt het als een zegen. Dat Gods Geest je op deze weg leidt en verder brengt. Als kind van God, aan de hand van Vader, midden in deze wereld.
Het evangelie van Jezus Christus, het goede nieuws van het hemelrijk begint hier: ‘Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel.’
Als kerk hebben we natuurlijk de tien geboden. En we hebben het grote gebod: heb de Heer uw God lief en je naaste als jezelf. Maar, er is nog een belangrijk gebod. Het meest voorkomende gebod in de Bijbel. Het staat er zo’n 400 keer in. Meer dan één keer voor elke dag.
En dat gebod is: Wees niet bang.
En als iets zo vaak in de Bijbel genoemd wordt, betekent dat dat het heel belangrijk is. Maar als ‘wees niet bang’ 400 keer in de Bijbel staat, dan betekent dat ook dat wij het heel moeilijk vinden om er naar te luisteren en er van overtuigd te raken.
En we hebben ook heel veel om bang voor te zijn. Nu bijvoorbeeld dat coronavirus wat de hele wereld in haar ban houdt. De besmettingen dalen stijgen per dag. Je bestaanszekerheid kan zomaar onder druk We weten werkelijk niet waar we aan toe zijn. Als je baan op de tocht staat of je bedrijf op omvallen staat. Als je bang bent voor je financiële toekomst.
‘Ga maar vast met de boot naar de overkant,’ had Jezus tegen zijn discipelen gezegd. Hijzelf zou de menigte, die daar was, wegsturen. Jezus neemt afscheid van de menigte en dan wordt het eindelijk stil. De avond valt, de mensen zijn vertrokken en de discipelen zijn het water opgegaan. Na een lange, drukke dag is stilte een zegen. Even alleen zijn en tot rust komen. Jezus gaat de berg op, schrijft Marcus, en dat betekent dat Hij God opzoekt, want ‘de berg’ is in de Bijbel niet zomaar een plaats. De berg is de plaats van de nabijheid van God. Een plek te zoeken waar je in alle rust samen kunt zijn met God en verder niemand.
Intussen bevinden de discipelen zich in een totaal andere situatie: midden op het meer van Galilea is de wind plots gaan waaien. De golven worden steeds groter en het schip steeds kleiner. Geen prettige toestand, maar deze mannen zijn wel wat gewend. ‘Als Jezus zegt dat ze naar de overkant moeten, dan zullen ze er komen ook!’ – En ze geven niet op. Maar het is al avond, en het begint nu toch donker te worden. Bezorgde gezichten kijken elkaar aan. De moeheid slaat toe en de wind gaat niet liggen. De zee wordt onstuimiger, het water vliegt hen om de oren.
Het is goed om je te realiseren dat zulke plekken dus bestaan. Plekken waar je onveilig bent, waar je machteloos staat, overgeleverd aan de onvoorspelbare krachten van het kwaad, overgeleverd aan de grillige deining van de golven. Ik stel die vraag, omdat ik denk dat dit nog niet zo vanzelfsprekend is om daar rekening mee te houden. Onze westerse maatschappij is ver gekomen in het handhaven van de orde, we alles goed voor elkaar lijken te hebben: verzekerd van wieg tot graf. Het zijn allemaal dingen waar we dankbaar voor moeten zijn. Het maakt ons leven veiliger. Maar we denken vaak ook dat we het risico van het leven hebben afgekocht, dat we het kwaad onderschatten of weg relativeren. De zee is in de Bijbel een beladen begrip. De zee als domein van de chaos is er ook altijd, en zal er ook altijd zijn tot op de jongste dag. Er kunnen van die momenten in het leven zijn dat je uitroept: ‘Is God er werkelijk bij?’ Er staat te veel in de weg om dat mee te maken. Er is te veel om Jezus te herkennen op de golven van de zee. Het is niet eenvoudig om God te herkennen wanneer een stormwind opsteekt. Het leven is zo verraderlijk als de zee. En God verandert daar niets aan voor je gevoel, omdat je hem niet herkent, omdat alles wat gerust moet stellen je bevreemdend in de oren klinkt.
In het Bijbelgedeelte uit Marcus waait de wind waait nog steeds en golven slaan tegen het schip en in het geweld van de zee loopt Jezus de discipelen … voorbij. Ze schreeuwen het uit. Jezus hoort zijn discipelen roepen. Hij ziet dat ze in paniek raken van zijn verschijning. Ze zien hem wel, maar ze herkennen hem niet. Ze snappen niet dat ze nu veilig zijn, omdat Jezus hen voorgaat. Jezus is er wel, maar het komt niet tot een werkelijke ontmoeting.
Dan doet Jezus iets, wat ik echt bijzonder vind. Ontroerend eigenlijk. Hij loopt naar het schip en kalmeert zijn leerlingen. Als Hij wandelend over de zee niet herkent wordt, dan komt Hij dichterbij. Als angst de kop opsteekt, klimt Hij aan boord. Als God in de hoge te ver weg is, dan daalt Hij af naar beneden. Jezus komt aan boord en dan zien ze het pas: het is hun Heer! ‘Wees niet bang’ zegt hij tegen zijn discipelen en ook tegen ons.
Ja, ook ons bootje wordt dan geteisterd door diezelfde golven. En ja wij kunnen soms moeite hebben om onszelf drijvend te houden. En ja soms raken we behoorlijk uit koers. Maar Jezus belooft dat hij ons op deze weg niet alleen laat. Hij draagt ons in zijn gebeden. Hij is dichterbij dan wij vaak vermoeden of durven hopen. Hij vraagt niet van mij om dan dat laatste stukje zelf te overbruggen. Hij loopt helemaal door tot hij mij vindt waar ik ben. En brengt daar iets van vrede, te midden van de golven.
Voor mij is het tegenovergestelde van angst niet controle, maar vertrouwen, als tegenwicht tegen de onzekerheid. Vertrouwen kijkt de onzekerheid echt in de ogen en kan dat aan omdat het vertrouwen de balans herstelt. Is controle over de manier waarop het leven gaat, niet vrijwel altijd een illusie? Hoe zou het zijn als we meer Godsvertrouwen hadden? Vertrouwen vraagt dat je buiten jezelf treedt, dat je je verbindt met anderen. Vertrouwen is de erkenning dat de ander een dragend deel is van jouw bestaan. Waar controle, als antwoord op angst, gevangen blijft binnen het schema van een individualistisch mensbeeld, treedt vertrouwen daarbuiten en laat het de ander toe als onmisbaar om mij in evenwicht te houden in crisistijden als deze…
Abraham moest Isaak offeren. Zijn enige zoon. Dat wil zeggen: hij was Abrahams enige hoop, de enige door wie men van nageslacht van Abraham zou kunnen spreken. In Isaak was al Abrahams verwachting samengetrokken. En dat was maar niet alleen al Abrahams menselijke verwachting, omdat Isaak de enige was die zijn eigen naam zou kunnen laten voortbestaan, maar vooral ook Abrahams geloofsverwachting. Isaak was de wonderzoon in wie al Gods beloften waren samengevat. Hij was zijn houvast, zijn onderpand, dat God ook verder zou doen wat Hij beloofd had. Veel eerder dan om de vraag of Abraham alles voor God over zou hebben, gaat het in deze proef dus om de vraag of Abraham, nu hij Isaak heeft gekregen, nog steeds wel alles van God zou verwachten. Iedereen die zichzelf een beetje kent, weet hoeveel zin zo’n beproeving heeft. Verwachten we dan ook nog alles, echt alles van Hem? Waar blijft onze verwachting op de Heer? Daarom is ook de boodschap voor ons niet zozeer de vraag of wij alles voor God over hebben, maar de vraag of wij alles van Hem verwachten willen. En dat werkelijk in de praktijk van ons leven. Niet maar met woorden — en ondertussen toch je eigen gang gaan — maar met daden. Hoe vaak gebeurt het ons niet dat wij, zodra wij weer een beetje grip op ons bestaan denken te hebben, in dezelfde beweging weer op eigen kracht en op eigen houtje gaan leven? Dat had bij Abraham toch net zo kunnen zijn? Maar dat blijkt niet zo. Abraham noemt ‘die plaats waar hij een ram heeft gevonden om die in plaats van zijn zoon te offeren’ maar niet ‘de Heer zal erin voorzien’ omdat hij daar net die ram gevonden had. Nee, hij noemt die zo, omdat dat het precies is, waar het in heel het verhaal om ging: de Heer stelde Abraham op de proef of hij inderdaad leefde uit die verwachting, dat de Here in alles zou voorzien, wat er ook gebeurde. En daaruit had hij inderdaad geleefd. God zal zichzelf voorzien van een dier voor het brandoffer, mijn zoon. Dat is werkelijk godvrezend zijn, niet maar de plichten van je geloof afwerken, God bewaren voor noodgevallen en verder je eigen gang gaan, niet maar zeggen dat je gelooft wat God zegt, maar er verder geen handen en voeten aan geven, maar leven vanuit de zekerheid dat God zal voorzien van wat nodig is, alles van Hem verwachten. Alles? Ja. Alles.
Het lijkt wel of corona een spaak in het wiel van de zogenaamde vooruitgang heeft gestoken. Voor veel mensen markeerde corona een knik in het bewustzijn. Corona begrenst het maakbare leven dat rimpelloos en glansrijk moet zijn. Het enig legitieme antwoord op de vraag: ‘hoe gaat het?’, kan volgens velen niet anders luiden dan: ‘goed’. Of: ‘fantastisch’. Maar is dat zo? Is dit Westers adagium nog langer houdbaar? Je zou kunnen stellen dat het biologische leven wel een godheid lijkt, een absolute grootheid waaraan alles ondergeschikt wordt gemaakt. We lijken niet meer te aanvaarden dat een mensenleven eindig is. Maar waarachtig menselijk leven is in Bijbelse zin meer dan een biologisch leven: een leven dat bijdraagt aan menselijkheid.’
Zouden daarom theologen dan niet wat vaker in praatprogramma’s moeten optreden, om de waan van de dag met die westerse denktradities te pareren? Zou er niet een debat moeten plaatsvinden over de vraag wat er onder de oppervlakte van corona en andere actuele thema’s écht speelt. Moet er niet een Bijbels weerwoord worden geboden tegen de leukigheidssamenleving vol ‘ikkigheid’?
Momenteel zie je dat het vertrouwen van mensen in de instituties en de wetenschap wankelt. Coronavermoeidheid en het potten-en-pannenprotest tijdens de rede van de premier doen daar niets aan af. We zitten nu in de woestijntijd, waar het Joodse volk na de uittocht uit Egypte ook doorheen ging. Eerst waren zij ook vol goede moed en zongen ze opgewekte liederen. Toen het allemaal wat lang duurde, vervielen ze in geklaag. Enerzijds is dat natuurlijk gezond, want de mens moet vragen stellen. Maar we zijn onze ankerpunten kwijtgeraakt. Ik vind dat de kerk moet meer een rol spelen in het bieden van ruimte tot reflectie vanuit haar eeuwenoude traditie. Aan het begin van de coronacrisis schreef Ad van Nieuwpoort een boek over Job, de oudtestamentische figuur die van zijn weelde, zijn nakomelingen en zijn gezondheid werd beroofd, maar toch het geloof in zijn God behield. Wat van dit oeroude verhaal de relevantie kan zijn voor de mensen die gebukt gaan onder corona? En de waarheid dat het leven slechts tot op zekere hoogte maakbaar is?
Het zijn interessante vragen die ik graag de komende tijd op mijn weblog verder wil uitdiepen.
We moeten het dit jaar ook zonder die typische kerstsfeer doen.
Dit jaar even niet met elkaar in een volgestopte kerk,
met lichtjes en een uitbundig Ere zij God.
Ook dat zal behoorlijk gemist worden.
Kerst is normaliter een feest van eensgezindheid en warmte,
maar nu zit iedereen ergens anders, in eigen huizen,
eigen bubbels, eigen zorgen.
We zijn verspreid en geestelijk is er ook verstrooiing.
‘Ik bespeur ook veel verlangen’,
zei één van de collega’s uit de werkgemeenschap van predikanten.
Dat herken ik wel.
Ook ik proef verlangen naar een betere tijd.
Verlangen naar de fysieke ontmoeting van de geloofsgemeenschap.
Verlangen ook naar gedeeld geloof, misschien?
Zou dat verlangen, hoe diffuus ook,
een aanknopingspunt bij Maria kunnen zijn?
Die verwachting komt dan tot klinken wanneer Maria gaat zingen.
Daarbij treedt Maria toe tot een rijtje zingende vrouwen in de Bijbel: Mirjam, Debora, Hanna, en Judith.
Het is belangrijk om hier oog voor te hebben,
want hieruit blijkt dat Maria’s lied niet voortkomt
uit haar persoonlijke gemoedstoestand of bevinding.
Het gaat om het juiste perspectief.
God heeft niet zozeer een rol gekregen in Maria’s leven,
maar Maria heeft een rol gekregen in Gods plan met Israël.
Maria zingt mee in het koor van de verdrukten.
Haar Magnificat is een regelrecht protestlied.
Alles wordt op losse schroeven gezet en omgekeerd.
Dat ‘alles’ heeft vooral betrekking op macht en vermogen,
politiek en economie. God neigt naar berooide mensen.
In dit lied, dit gebed kiest Maria positie voor de vromen,
de nederigen en de hongerigen.
De gelovige staat samen met berooide mens tegenover de hoogmoedigen, de machtigen en de rijken.
Het jaar 2020 was een jaar van verstrooiing en versloffing.
We zijn moe en snakken naar de aanraking van boven,
want die ervaren we minder nu de volle kerk ontbreekt,
nu we geen daverend slot– of morgenlied zingen.
God kan ver weg voelen en we verlangen nu juist Zijn nabijheid.
Maar dit verlangen – als we het hebben – vraagt om gebed,
en veel spirituele toewijding.
Het evangelie komt niet zomaar ons leven binnenfietsen.
Er moet wel plek zijn om te landen.
Geloven wij wel werkelijk dat God zich in ons leven zal melden
als wij ons net als Maria toeleggen op het gebed?
In het spoor van kerkvader Augustinus kun je zeggen
dat mensen niet gevormd worden door kennis, maar door verlangen.
Niet ‘wat wij weten’ vormt en verandert ons, maar wat wij liefhebben.
Niet het hoofd, maar het hart maakt wie wij zijn.
Maria zingt in het koor van de verdrukten.
Wie hoog en droog zit, valt naar beneden, en wie laag
bij de grond stond, wordt verhoogd.
Dat is heel radicaal en bij Lucas is armoede ook echt armoede.
Ik denk dat het goed is om het appel van Maria’s protestlied te laten staan: ‘Wees maar niet al te verknocht aan je mooie, geïsoleerde huis met visgraatvloer, want God keert alles om.’
Maakbaarheid is een term die uitdrukking geeft aan de menselijke ambitie om het leed uit de wereld te krijgen, tragiek te verbannen en geluk te realiseren. Het draait bij maakbaarheid om het perfecte leven en de perfecte samenleving.
Vandaag manifesteert maakbaarheid zich in de prestatiemaatschappij. Wij zijn ons leven gaan begrijpen als een persoonlijk project dat wijzelf moeten laten slagen. Wanneer je leven mislukt, is dat je eigen schuld, had je maar harder moeten werken. Daarbij ligt de lat hoog: perfectie is de norm. De grootste vrees is middelmatigheid.
De prestatiemaatschappij wordt vergezeld door een preventiestaat. Die gaat nog sterker uit van maakbaarheid dan voorheen de verzorgingsstaat deed. Beleidsinterventies worden steeds ambitieuzer en indringender. In een preventiestaat ligt de focus niet meer op het compenseren van leed, maar op het voorkomen ervan. In de preventiestaat draait het om een zo lang mogelijk gezond en energiek bestaan. Dat vormt een robuuste basis om productief door het leven te gaan. Vandaag de dag bestrijden we vooral risico’s; van mógelijke gevaren, die zich kúnnen gaan voordoen. Ook hier is perfectie de eis: ons mag niets meer overkomen. En de overheid moet dat garanderen.
Dit gaat gepaard met intensieve leefstijlpolitiek: toezicht, monitoring en nudging (mensen een duwtje in de goede richting geven) zijn daarbij centrale beleidsinstrumenten, gericht op het beïnvloeden van het gedrag van individuen.
En dan ineens is er die coronacrisis. Het immense project om het noodlot uit te bannen wordt ruw verstoord. Net als velen koesterde ik in het begin de stille hoop dat corona een gamechanger zou zijn. Het coronavirus zou ons kunnen doen inzien dat maakbaarheid maar relatief is, dat tragiek en leed altijd onder ons zullen zijn, en dat we ons op een andere manier daartoe moeten leren verhouden. We werden gedwongen tot rust. Rust is bedoeld om het leven te vieren en vollediger mens te zijn. De lockdown (nu al de gedeeltelijke tweede) gaf bovendien de kans om aan het juk van de prestatiemaatschappij te ontkomen. Ineens zaten we allemaal thuis, met leeggeveegde agenda’s in een samenleving waar niets meer te beleven viel.
Ja, ja corona als gamechanger. Hoe kon ik zo naïef zijn? Nog onverzettelijker beten we ons vast in het ideaal van maakbaarheid. Als in een reflex schakelden we door naar een nóg hogere versnelling. Haast in een oogwenk maakten we ons bestaan coronaproof, christelijke organisaties en kerken inbegrepen, vertolkt in een onwaarschijnlijke hoeveelheid protocollen.
We noemen dit alles ‘veerkracht’… of is het een prestatiemaatschappij in overlevingsmodus? We zoeken ook driftig steun bij de preventiestaat. Die kreeg de wind nog meer in de zeilen. Het voortdurende mantra bij persconferenties is: ‘We zullen het virus eronder krijgen’. Elke besmetting is er één te veel en daarom gaan we voor de zekerheid maatregelen stapelen.
Natuurlijk gaat het volk op een gegeven moment morren. De preventiestaat moet wel de prestatiemaatschappij blijven bedienen. En die heeft nu wel lang genoeg stilgelegen, zo vinden we massaal. De fear of missing out wordt te groot; uitgestippelde life-events moeten doorgang krijgen. Daarom moet alles nu zo snel mogelijk weer normaal worden. Begrijp me goed: natuurlijk moet er gehandeld worden; een venijnig virus bedreigt volksgezondheid en zorgstelsel. Maar hoe lang kunnen en willen we dit nog volhouden? Wanneer is de rek uit onze veerkracht? En hoeveel preventiestaat kunnen we nog opbrengen, financieel en moreel? Wanneer gaan we ons serieus rekenschap geven van de fragiliteit en onzekerheid van het menselijk bestaan?
Wil de samenleving van morgen er anders uitzien, dan zullen we dit heilloze spoor moeten verlaten. We moeten toe naar een minder verkrampte omgang met maakbaarheid en een meer ontspannen manier van leven, waar de boog niet immer strak gespannen staat.
Bij uitstek de christelijk-sociale traditie biedt een variëteit aan bronwoorden voor deze heroriëntatie. Tragiek raken we nooit helemaal kwijt en we kunnen ons daar maar beter mee verzoenen. Dat begint met de kunst van het loslaten. Loslaten of stoppen resulteert in momenten van nietsdoen.
Uiteindelijk zal dit uitmonden in ‘gelatenheid’ en ‘rust’. De notie ‘gelatenheid’ uit de middeleeuwse mystiek kan hierbij helpen. Gelatenheid is het vermogen de dingen gewoon ‘te laten zijn’, zodat er ruimte ontstaat voor iets anders: onze vrijheid. Door de dingen te laten zijn wat ze zijn, stellen we grenzen aan de trivialisering van ons bestaan. We voorkomen dat de drift tot presteren en interveniëren oeverloos wordt. In de woorden van theoloog Erik Borgman: gelatenheid schept een bedding om te ‘leven van wat komt’. Het brengt fundamentele ontvankelijkheid voor de mogelijkheid dat dingen ons ‘toevallen’. In een ontspannen samenleving is een radicale herwaardering van rust nodig. Wij denken: ‘rust roest’ en beschouwen het als een noodzakelijk kwaad. Maar dat is een armetierig perspectief. Rust houden is evengoed een betekenisvolle sociale praktijk.
In de Bijbelse traditie is rust diep verbonden met festiviteit, ontmoeting en liturgie. De schepping van de wereld in het Bijbelboek Genesis vindt zelfs haar voltooiing in een rustdag. Rabbijn Abraham Joshua Heschel noemt de sabbat een ‘paleis in de tijd’, bedoeld om vreugdevol het leven te vieren en om vollediger mens te zijn.
Juist in de rust vallen ons dingen doe die er in de maakbaarheid vaak bekaaid afkomen, zoals gemeenschap, broederschap, solidariteit. Laten dit nu net zaken zijn die een vermoeide prestatiemaatschappij en een overspannen preventiestaat hard nodig hebben.
Laatst kwam ik een artikel tegen in een christelijk blad. Daar werd de toekomst in donkere kleuren geschetst. Terecht. Aardbevingen en tsunami’s, kernrampen, sprinkhanenplagen, ontbossing, klimaatverandering, milieuvervuiling, overbevissing, plastic soep en opwarming van de aarde … het komt allemaal langs. Het staat volgens de schrijver allemaal al in de Bijbel. Die plastic soep ben ik er trouwens niet in tegengekomen, sprinkhanen en aardbevingen wel. Daar val ik niet over. Maar dan wordt het artikel zo afgesloten: ‘Het enige wat wij kunnen doen is beseffen dat de Bijbel waar is en dat God tot Zijn doel komt met deze wereld. Als we in Hem geloven, mogen we uitzien naar een nieuwe aarde. In het Nieuwe Testament van de Bijbel kun je hier meer over lezen.’
Dat vind ik nou een te gemakkelijk evangelie. Dit is wat Bonhoeffer ‘goedkope genade’ noemde, waarvan niet duidelijk is dat ze ons wat kost. Ja, aan aardbevingen kunnen we niets doen, aan overbevissing en plastic soep wel. Alle dreigende rampen worden opgesomd en vervolgens wordt gezegd dat wie gelooft, weet dat alles in Gods hand is en dat we zo ‘ware rust en vrede’ kunnen vinden. Er wordt niet opgeroepen tot bekering, in elk geval wordt niet concreet gezegd wat bekering is.
De profeet Amos sprak ook over rampen en oordelen die over het volk zouden komen. Hij zegt ook waarom. Het oordeel van God wordt opgeroepen door steekpenningen, rechtsverkrachting, sjoemelen in de handel, dienen van andere goden, enzovoort. Maar zijn toepassing is niet: als je op de Heer vertrouwt dan komt alles goed. Dit zegt hij: als je je niet bekeert dan zal de dag van de Heer duisternis voor je zijn en geen licht! (Amos 5: 23-24)
Alleen als je je bekeert tot God kun je behouden worden. En wat is dan bekeren? Dat je je omkeert. Je leeft niet langer met je rug naar God toe, maar met je gezicht naar God toe. Je wil Hem zien, je wil graag dat Hij jou aankijkt met ogen vol liefde en een hart vol warmte. En je wil uit zijn mond de Woorden horen die een weg wijzen die niet doodloopt maar die uitloopt op het leven. Bekering is dat je je omkeert, dat je het roer in je leven omgooit, of liever: dat je God het roer in je leven laat omgooien omdat Hij je aanraakt door zijn Geest. De ommekeer die de bekering van je vraagt, dat is een ommekeer die de Geest in je leven bewerkt. Maar dat betekent niet dat je dus maar moet gaan zitten afwachten. Want heel de Bijbel door, zowel in het Oude als het Nieuwe Testament komt de oproep naar ons toe: Bekeer u! Dat is ook de kern van de boodschap die Jezus brengt in Israël. Bekeer u! In het Marcus-evangelie zijn dat de eerste woorden die we uit Jezus’ mond horen als Hij gaat prediken. ‘Bekeert u en gelooft het evangelie!’ Dat is een oproep waarop wij moeten antwoorden, en als je dat doet dan zeg je achteraf: ik deed het niet zelf, de Geest van God heeft dat in mij gedaan. Dat is bekering: dat je door de Geest je omkeert, het roer in je leven omgooit, dat je ermee stopt om almaar met je rug naar God toe te leven: je draait je om en gaat met je gezicht naar God toe leven. Een radicale verandering, een verandering die je raakt tot in de wortel van je bestaan: je leeft niet langer voor jezelf maar voor God. Van aangezicht tot aangezicht.
Bijna niemand heeft hem gemist: de wilde theorie dat Bill Gates met hulp van het 5G-netwerk het coronavirus verspreidt, zodat iedereen zijn vaccin nodig heeft. Inmiddels vijf jaar geleden voorspelde miljardair Bill Gates dat er weleens een virus kon ontstaan dat de hele wereld zou ontwrichten. Nu is er het coronavirus. Dat kan geen toeval zijn, denken sommige mensen. Gates heeft het zelf in de wereld geholpen, zodat hij geld kan verdienen aan een vaccin, waarbij hij en passant een chip laat implanteren bij iedereen die dit vaccin ontvangt. Het teken van het beest uit het Bijbelboek Openbaring, vinden sommige christenen. (een soortgelijke gedachte deed trouwens ook de ronde bij de invoering van de streepjescode) Of deze: de anderhalvemetersamenleving is ingesteld zodat camera’s gezichten beter kunnen herkennen. Je hebt zulke complottheorieën waarschijnlijk wel gehoord. Misschien haal jij je schouders erover op en vind je zoiets lachwekkend. Hoe ga je om met zulke verontrustende berichten en met aanhangers van complottheorieën? Je merkt misschien dat zulke theorieën een kloof scheppen als je erover in gesprek bent met je buren of familieleden. Discussiëren of factchecken verkleint de kloof zelden. Integendeel, het lijkt of je alleen maar meer tegenover elkaar komt te staan. Hoe ga je daar nu mee om?
Allereerst: geruchten en complottheorieën zijn er altijd al geweest en waren voor de komst van journalistiek en internet nog veel sterker. Jesaja en Jeremia bijvoorbeeld leefden in zo’n tijd. Zij maanden tot kalmte: ‘Noem niet alles een samenzwering wat zij een samenzwering noemen. Wees niet bang voor wat hun angst aanjaagt’ (Jesaja 8:12). ‘Wees niet bang voor geruchten her en der. Dit jaar gaat er een bang gerucht, het volgend jaar gaat er een ander’ (Jeremia 51:46). En Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Jullie zullen berichten horen over oorlogen en oorlogsdreiging. Laat dat je dan niet verontrusten’ (Matteüs 24:6).
Een beetje nuchterheid kan dus geen kwaad. Er zijn voortdurend nieuwe geruchten of theorieën en die zijn echt niet allemaal waar. Maar het kan onbevredigend zijn om alleen nuchter naar ‘de feiten’ kijken. Is het coronavirus er alleen, omdat sommige mensen in China vleermuizen eten en een virus van dier op mens is overgegaan? Is het slechts stomme pech dat de globalisering er vervolgens voor zorgde dat het zo’n wereldwijde ramp is geworden? Hoewel dat misschien heel verstandig klinkt, is het ook nogal nihilistisch om te zeggen: dingen gebeuren nu eenmaal omdat ze gebeuren. Zo’n gedachtegang zit niet achter Jesaja’s, Jeremia’s en Jezus’ oproepen tot nuchterheid. Voor hen is de grootste reden om niet bang te zijn de overtuiging dat God zelf aan het werk is. ‘Alleen de HEER van de hemelse machten is heilig, voor Hem zijn angst en ontzag op hun plaats’ (Jesaja 8:13). Jeremia ziet in de rampen die plaatsvinden God zelf zijn oordeel uitvoeren (Jeremia 51:47). Jezus spoort de leerlingen aan vooral waakzaam te zijn voor de komst van de Mensenzoon. Alle rampen die plaatsvinden, zijn het begin van de weeën, de aankondiging van Jezus’ komst. (Matteüs 24:6-44). Ook elders in het Nieuwe Testament kun je lezen dat in alles wat er gebeurt God aan het werk is. Het meest uitgebreid wordt dat geschilderd in het Bijbelboek dat ‘Onthulling’ of ‘Openbaring’ heet. Daar wordt gesproken over dat de dingen zijn niet wat ze lijken: het altaar van Zeus in Pergamum is niet alleen een religieus bouwwerk, het is de troon van Satan zelf (Openbaring 2:12). Het Romeinse rijk is niet het rijk van vrede, maar het is een allesverslindend godslasterlijk beest en het geld met de afbeelding van de keizer is het teken van dat beest (Openbaring 13).
Het gevoel dat er ‘meer aan de hand is’, klopt dus volgens de Bijbel. God is aan het werk. Dat is zeker ook verontrustend. Angst en ontzag voor Hem zijn op hun plaats. God kijkt niet vanuit de hemel machteloos toe, terwijl mensen oorlog voeren, elkaar onderdrukken, bedriegen, aan de kant zetten of zwartmaken. God haat al dat kwaad en wil het vernietigen. Daarom gaan volgens Openbaring zijn oordelen nu al over de wereld. Je kunt in rampen die de wereld treffen iets proeven van Gods woede over het kwaad en van zijn verlangen het kwaad te vernietigen. Uiteraard mag je er niet simplistisch over spreken, alsof je het allemaal snapt. Bijvoorbeeld door te veronderstellen dat zij die het hardst getroffen worden, ook het meest gezondigd hebben. Juist het besef dat God aan het werk is, moet jou ook nederig maken. Wie zou kunnen overzien wat God allemaal doet en waarom? Aansluitend bij Jezus’ woorden en de beelden van Openbaring kun je in de rampen van deze wereld ook Gods oordeel zien en de aankondiging van Jezus’ komst om alles en iedereen te oordelen. Jezus is én de komende rechter én degene die Gods oordeel heeft ondergaan. Onbegrijpelijk genoeg kan Jezus tegelijkertijd aan de kant van het slachtoffer en van de schuldige dader staan. Als slachtoffer liet Hij zich doodmartelen aan het kruis om daar een misdadiger welkom te heten in het paradijs. Gods oordelen hoeven niet alleen maar beangstigend en verpletterend te zijn als je ziet dat God ons zelfs in het oordeel niet alleen laat. Juist ook dan is Hij Immanuel (Jesaja 8:8,10). God is ook aan het werk door hen die protesteren tegen onrecht, die zieken en slachtoffers genezen en hen niet aan hun lot overlaten.
Je hoeft het coronavirus en de verspreiding ervan dus niet alleen maar te zien als domme pech. Er zit meer achter. God is daarin het werk. Je kunt er zijn oordeel in zien: deze wereld kan zo niet blijven bestaan. Tegelijkertijd: Hij is aanwezig in ieder die er alles aan doet om er voor de ander te zijn. Hij toont Zijn liefde voor de mens.
Hoe ga je dus om met verontrustende berichten en met aanhangers van complottheorieën? Als je gelooft dat God aan het werk is, is het goed om een beetje bescheiden te blijven en niet te denken dat jij precies weet hoe het allemaal in elkaar zit. Neerkijken op mensen die bizarre theorieën aanhangen, past al helemaal niet. Hun intuïtie dat er (soms) meer aan de hand is, wordt in de Bijbel bevestigd. Maar daar krijgt dat ‘meer’ wel een heel andere invulling: God is aan het werk! Daarom hoef je ook niet bang te zijn voor wat er gebeurt of wat er verteld wordt. Wel is het terecht om ontzag te hebben voor God die met zijn oordelen en zijn goedheid toewerkt naar een nieuwe wereld vol gerechtigheid.
(Na twintig afleveringen van ‘meditaties in tijden van corona’ heb ik besloten dat dit de voorlopig laatste meditatie is in deze reeks. Niet dat ik ophoud met bloggen, maar er zijn ook nog andere vormen en onderwerpen die aandacht verdienen. Ik hoop van harte dat veel mensen iets gehad hebben aan de meditaties en dat onze Here God mag werken via deze woorden.)
Verwondering, verrassing dat God die zo verheven is, tegelijk zo nabij kan zijn, zo betrokken op ons, op mij. Zo nabij dat ik voor hem een woning kan zijn. Deze psalm gaat over Gods grootheid én nabijheid. Over een God die ver is én tegelijk nabij. Maar liefst zeventien keer staat in dit lied het Hebreeuwse woordje kol: heel, al, alles. Vers na vers benadrukt dit lied dat God goed is voor alles en voor allen. Voor heel zijn schepping en al zijn schepselen. Voor alle geslachten en in alles wat hij doet.
En deze God die het geheel overziet en draagt is tegelijk betrokken op de enkeling, die ene mens. Die gevallen is, die gebukt gaat, die honger heeft, die hem aanroept. Ja onder miljoenen, heeft hij ook mij op het oog. En andersom: de ogen van allen wachten op U (vers 15a) Want voor velen was het geen makkelijke tijd. Een aantal weken geen kinderen of kleinkinderen zien. Zorgen over het werk. De angst om ziek te worden. Degenen die ziek geworden zijn en daar nog lang niet van zijn hersteld. De vraag hoe lang we nog in deze situatie zitten en wanneer het weer normaal wordt. Ogen die wachten. Dat zeggen we niet zo snel. Het gaat om het wachten op de Heer. Daar gaat vers 16 verder op in: Gij doet uw hand open en verzadigt al wat leeft naar uw welbehagen God opent zijn handen door mensen die hun handen openen. In een Joods midrasj – uitleg – wordt dit vers 16 daarom als volgt vertaalt: Hij verzadigt al wat leeft met wil. Hij verzadigt al wat leeft met wil…. En de uitleg van de rabbijnen hierbij is dan: aan ieder mens die voor God openstaat geeft God het verlangen om de dingen te willen die bij God horen. En zo kan God hen dan ook gaan geven wat ze willen. Zo lezen zij ook vers 19 waar in onze vertaling staat: Hij vervult het verlangen van wie hem eren. De Joodse uitleg van dit vers is: de wil van die hem vrezen vormt hij. In deze psalm wordt bezongen hoe de schepselen beseffen dat zij het voedsel uit Gods hand ontvangen. Zoals een jonge vogel wacht op het eten dat vader of moeder vogel komt brengen. Zo kijkt de gelovige uit naar de Vaderlijke zorg van onze Schepper. Jezus Christus zegt in Johannes 15: wat je de vader in mijn naam vraagt zal hij je geven. Het is kennelijk mogelijk om zo te groeien in je omgang met God, zo gekneed en gevormd te worden en met Hem één van geest te zijn, dat je steeds beter aanvoelt hoe God de dingen ziet en waar Hij aan het werk is of aan het werk wil gaan. En dat je eigen denken en doen en met name ook je gebedsleven steeds meer in lijn komt met de wil van de Vader. Wachtende ogen: Ogen die vol verlangen uitkijken. Ogen die willen zien wat God doet. Die daar niet aan voorbij willen kijken, maar willen zien dat die zorg er inderdaad is. Wachten is in de Bijbel nooit afwachten. Maar wel het besef dat alles wat we hebben van de Heer komt. Gegeven wordt door God. En dat Hij zal geven wat we nodig hebben. De ogen van allen wachten op de Heer, totdat Hij geeft. Niet uit onzekerheid, maar uit geloof dat God zal geven. Als mens zijn we altijd in alles van de Heere afhankelijk. Nu in deze tijd beseffen we des te meer dat we van Hem afhankelijk zijn. We kunnen niet anders dan ons leven in Zijn hand leggen. We kunnen niet anders dan met onze ogen ‘wachten’. Dat betekent niet niets doen. Dat betekent actief zijn. In het zoeken van de Heer. In het zien hoe God ook in een moeilijke tijd doorhelpt. In het ervaren dat God kracht geeft om bezig te zijn. Wijsheid geeft om beslissingen te nemen. Dat kunnen wij niet uit onszelf. De Heer geeft dat. Daarom wachten we op Hem.
Johannes zegt het ook in zijn apostolische brief: de volmaakte liefde drijft de vrees uit. (1 Johannes 4,18) Zoiets hoor ik ook in dat slot van psalm 84. God de Heer is een zon. Zoals iedere morgen de opkomende zon de nacht majestueus verdrijft, zo laat God in Christus de Zon van de gerechtigheid opgaan die de spoken en schimmen van de duisternis verdrijft en met haar licht en warmte nieuw leven wakker roept. Want God de Heer is een zon en een schild. Genade en glorie schenkt de Heer. Zijn weldaden weigert hij niet aan wie onbevangen op weg gaan.
We komen in de Bijbel nog al eens mensen tegen die juist wel bevangen worden. Vaak door zorgen, angsten. We komen het heel specifiek tegen bij Jezus leerlingen. Op allerlei sleutelmomenten lezen we: ‘ze werden bevangen door grote schrik.’ Keer op keer komen we in de Bijbel de aansporing tegen om niet bang te zijn, niet bevangen te zijn door angst of schrik. En dat is precies de aansporing die we vinden in het slot van psalm 84. Om onbevangen op weg te gaan: want God de Heer is een zon en schild. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert Hij niet, aan wie onbevangen op weg gaan. HEER van de hemelse machten, gelukkig de mens die op u vertrouwt. (psalm 84,12-13)
Echt onbevangen kijken en leven is zo simpel nog niet. Dat je niet wordt bevangen door iets, niet geremd leeft. Hoe vaak hoor je jezelf of een ander niet van die typische zinnetjes zeggen als: Daar gaan we weer! Al ik het niet dacht! Zie je wel! Het is altijd weer hetzelfde liedje. Waarom verbaast me dit nu niet? Je bent je van die associaties meestal niet zo bewust maar die worden gevoed door wat je hebt geleerd en meegemaakt, hoe je bent gevormd. Er zitten heel wat vooroordelen in waar je jezelf niet zomaar van kunt losmaken. Echt onbevangen leven is onmogelijk zegt de psychiater. Je kijkt nu eenmaal altijd gekleurd naar de werkelijkheid. Het is al heel mooi als je je steeds meer bewust wordt van de bril, de lens, de vooroordelen die je bij je draagt.
Onbevangen op weg gaan.
Psalmisten zijn realistisch en robuust. Maken het niet mooier dan het leven is. Dat is zeker ook het geval in deze psalm 84. God is een schild maar dar betekent nog niet dat je geen strijd zou hoeven leveren. Er zijn en blijven dorre streken en soms moet je er dwars door heen, Maar juist in zulke streken is God als een bron, een milde regen. Ik dwaal soms duizend dagen ‘elders’, verloren, verdwaald in ‘tenten van de goddelozen.’ Ze staan voor een hol, plat, vlak en leeg bestaan waar God praktisch uit is verdwenen en waar ik zelfs kan wonen. Me er te lang en te gemakkelijk in thuis voel. Maar er zijn God zij dank ook tijden en plaatsen waar ik weer iets proef van Gods nabijheid. God is weliswaar een zon maar die zon moet iedere keer opnieuw opgaan en in en om en voor mij de duisternis verdrijven.
Onbevangen op weg gaan, het betekent dat je ondanks of juist dankzij alles wat je hebt meegemaakt er toch ruimte blijft voor verwondering. Je het aandurft je te laten verrassen. Zodat je je beeld van hoe je dacht dat iemand was durft te laten bijstellen, te corrigeren, te vernieuwen. Dat je enerzijds lessen trekt uit het leven dat je achter je hebt en je ergens toch ook ruimte laat voor het wonder van een nieuw begin, een andere kijk. Wie zo op weg gaat, zegt de psalm, zal verrast worden door weldaden van God. Die zal momenten meemaken van genade en glorie. Want God, de HEER van de hemelse machten, weigert zijn weldaden niet, aan wie onbevangen op weg gaan.