Nu de focus van de crisis in het Midden-Oosten verschuift van Gaza naar Libanon,
en nu we vandaag de aanslagen van 7 oktober herdenken,
helpt misschien een blik op de verhalen die dit conflict omringen om een weg vooruit te vinden.

In het hart van de crisis in het Midden-Oosten met betrekking tot Israël, Gaza en nu Libanon,
liggen namelijk twee heel verschillende verhalen.

Eén daarvan gaat als volgt:

Israël is de enige goed functionerende democratie in het Midden-Oosten.
Het is een toevluchtsoord voor het Joodse volk
dat door de eeuwen heen en over de hele wereld
buitengewoon veel vervolging en discriminatie heeft ervaren.
Als klein land heeft het zich de afgelopen 76 jaar dapper gevestigd
als een toevluchtsoord van liberale, democratische vrijheid en welvaart,
ondanks de vijandigheid van zijn buren,
zoals de door Iran gesteunde Hezbollah in Libanon.
De Hamas-aanvallen op 7 oktober 2023 waren
een moorddadige aanval op onschuldige burgers,
waarvan de slachting en wreedheid de laatste tijd ongekend waren.
Hamas en Hezbollah vertegenwoordigen beide een islamitische ideologie
die een doorn in het oog is van alle democratische staten
en die wortel heeft geschoten in Gaza en Libanon.
Israëls reactie om te proberen zo’n dodelijke vijand uit buurlanden te verdrijven
is volkomen gerechtvaardigd en redelijk.
Elk land dat geconfronteerd wordt met buren die toegewijd zijn aan zijn vernietiging
zou ongeveer hetzelfde doen.
Ja, er vallen burgerslachtoffers in het conflict, maar die zijn er altijd in oorlog.
Je verzetten tegen Israëls campagnes in Gaza en Libanon
is in feite heimelijke steun verlenen aan terrorisme
en een vorm van antisemitisme,
omdat het het recht van Israël en het Joodse volk
op zelfbeschikking en zelfverdediging ter discussie stelt.

Ook is er nog een ander verhaal, dat zó gaat:
ten tijde van de oprichting in 1948 begingen de pioniers van de staat Israël
een erfzonde die het sindsdien teistert,
de verdrijving van een groot deel van de inheemse Palestijnse bevolking
uit het land in het Arabisch-Israëlische conflict dat volgde op de oprichting van de staat.
Sindsdien heeft Israël geprobeerd de resterende Arabische bevolking te onderwerpen,
door Palestijnen op haar grondgebied als tweederangsburgers te behandelen.
Sinds 1967 heeft het de Westelijke Jordaanoever en Gaza illegaal bezet,
Palestijnen hun basisrechten van burgerlijke gelijkheid ontzegd,
terwijl het Joodse kolonisten in staat stelde en aanmoedigde
om geleidelijk land te stelen dat door de Verenigde Naties als Palestijns wordt erkend.
Binnen Israël en de bezette gebieden vinden Palestijnen het moeilijker
om bouwvergunningen te krijgen, werk te vinden,
op de juiste manier vertegenwoordigd te worden
in het parlement of om onderwijs te volgen.
Het is dan ook niet verrassend dat de sluimerende wrok
die een dergelijke behandeling oproept,
leidt tot incidenteel verzet,
zoals tijdens de intifada’s van de jaren ’90 en 2000,
de verkiezing van Hamas in Gaza
en zelfs de aanslagen van 7 oktober.
Israël beschuldigt regelmatig iedereen die kritiek heeft op haar beleid
van antisemitisme, en gebruikt dit als schild om haar mishandeling
van de Palestijnse minderheid te verbergen.
Het heeft de aanslagen van 7 oktober aangegrepen om een massale aanval op Gaza
en nu ook op Zuid-Libanon te lanceren, ongeacht de burgerslachtoffers.
Het resultaat is, in ieder geval in Gaza,
een humanitaire ramp die jaren,
zelfs decennia zal duren om op te lossen.

Welke van deze verhalen geloof je?
Afhankelijk van een hele reeks andere eigen ideeën 
heb je waarschijnlijk meer met de een of meer met de ander.
Als je meer links bent ingesteld,
geeft je waarschijnlijk de voorkeur aan het Palestijnse verhaal.
Als jouw instincten meer rechts zijn,
zul je eerder de voorkeur geven aan het Israëlische verhaal.
En ik weet zeker dat je gaten kunt prikken
in het tegenovergestelde verhaal als je dat wilt.

Christenen zitten aan beide kanten van dit debat.
‘Christelijke zionisten’ zien de opkomst van de staat Israël
over het algemeen als een vervulling van de Bijbelse profetie
dat God het Joodse volk op een dag terug zou brengen
naar het land waaruit ze in het verre verleden werden verbannen.
Voorstanders van de Palestijnse zaak wijzen op de geboden van de Bijbel
ten aanzien van rechtvaardigheid,
het respect voor de armen en onderdrukten,
en op de roeping van Israël in het Oude Testament
om voor de vreemdelingen in hun land te zorgen.
Heeft Israël niet de plicht om de Palestijnen
binnen haar grenzen als gelijke burgers te behandelen?

Je kunt dus de vraag stellen het christendom iets bijdraagt aan dit conflict?
Of is het net zo verdeeld over dit onderwerp als over andere kwesties?

Een van de meest opvallende kenmerken van de leer van Jezus
is Zijn opmerkelijke en ongekende, sommigen zouden zeggen belachelijke oproep
om je vijanden lief te hebben en te bidden voor degenen die je vervolgen.
Het is natuurlijk puur menselijk om je familie en vrienden lief te hebben.
Maar het is al een grotere uitdaging om je buren
lief te hebben die toevallig naast je wonen.
En dan is het een heel ander verhaal om je vijanden lief te hebben.
De zin rolt van de tong als één die we goed kennen,
maar hoe zou het ooit mogelijk kunnen zijn voor Israëliërs
om Hamas-strijders lief te hebben of voor hen te bidden,
of de inwoners van het land dat hen elke dag beschiet,
de inwoners van Zuid-Libanon, lief te hebben?

Ik kan me dat niet eens voorstellen.
Maar dichter bij huis, hoe beïnvloedt dit idee van liefde voor vijanden
de liefde voor mensen die zo hartstochtelijk aan beide kanten van het debat?

Je vijand liefhebben betekent niet dat je doet alsof je vijand een vriend is,
in ieder geval nog niet.
Veel mensen die dit lezen, zullen zich hartstochtelijk inzetten
voor het ene of het andere verhaal.
Maar onze vijanden liefhebben betekent toch zeker
dat je moet proberen het verhaal vanuit een ander perspectief te zien,
dat je moet proberen om jezelf
in ieder geval in de schoenen van de ander te verplaatsen,
dat je even een beetje twijfelt over de zekerheid van je eigen morele zaak.

Dat is wat sommigen in het land Israël hebben geprobeerd te doen.
Er zijn mensen die laten zien hoe Palestijnse en Joodse christenen
dezelfde Bijbel door een andere lens lezen,
en beginnen zich voor te stellen
hoe een vorm van verzoening mogelijk zou kunnen zijn.

Ja, je vijand liefhebben is misschien wel een belachelijk, onpraktisch idee.
Toch pakt het alternatief nauwelijks goed uit.
Als Israëlische radicalen erin zouden slagen
alle Palestijnen van de Westelijke Jordaanoever of uit Gaza te verdrijven,
of als Hamas/Hezbollah erin zou slagen de Joden uit Israël te verdrijven,
geen van beide is een oplossing die spreekt van rechtvaardigheid.

Het is moeilijk om je enige vooruitgang in de richting van vrede voor te stellen
zonder iets van deze poging om een ander perspectief te proberen te begrijpen.
Je kunt geen vrede bouwen zonder een vredestichter te zijn,
een idee dat vaak verkeerd begrepen wordt,
maar volgens Jezus ook vreemd gezegend is.
Aan welke kant je ook staat,
misschien heb je een morele plicht
om alle moeite te doen om de ander te begrijpen.
Want als we dat niet doen,
kunnen we niet beginnen met het helpen oplossen
van dit meest hardnekkige en gevaarlijke van alle wereldwijde problemen.

 

Een ouderlijk huis is niet ‘zo maar’ een huis.
Het is de plek waar je letterlijk je eerste stappen zette,
vrienden maakte, herinneringen verzamelde.
Het ‘doet’ iets met je
zodra dat ouderlijk huis niet meer ‘in de familie’ is.
Hoewel er van het rijtjeshuis in dezelfde straat
nog twintig exact gelijke staan,
is er maar eentje jouw ouderlijk huis.
In zekere zin lijkt zo’n ouderlijk huis op een kerkgebouw.

In de protestantse theologie is de waarde van een kerkgebouw vaak gerelativeerd.
Sinds Pinksteren woont de Heilige Geest in elke christen;
ons lichaam is ‘Gods tempel’.
Anders dan in het Oude Testament
heeft de heilige God geen eigen tempel meer nodig.

De reformatoren benadrukten dat kerkgebouwen
‘leerhuizen’ zouden moeten zijn:
praktisch, functioneel, gericht op de Woordverkondiging.
Waar in de katholieke theologie het kerkgebouw
nog sacramentele waarde werd toegekend,
benadrukte de Reformatie dat Gods aanwezigheid
niet afhangt van het type of de kwaliteit van een gebouw.

Het was verstandig dat de reformatoren
benadrukten dat God soeverein is.
Dat betekent dat Hij als het ware vrij is
om te gaan en staan waar Hij wil.
Zijn nabijheid kan niet worden afdwongen
door imposante beelden of indrukwekkende architectuur.
Zijn Zoon liet Zich huisvesten in een arme stal
en Zijn glorie was er niet minder om.
Zijn Geest woont in onze menselijke, kwetsbare harten
en het is Hem genoeg.

Tegelijkertijd:
de Schepper gaf ons een ziel en een lichaam.
En hoewel een kerkgebouw voor God de Heer ‘niets toevoegt’,
is niet uitgesloten dat een kerkgebouw dienstbaar is
aan de relatie tussen God en mensen.
Dat ligt niet aan de Heer, maar aan ons mensen.
In die zin lijkt een kerkgebouw op een ouderlijk huis.
In zo’n huis gaat het om de liefde tussen ouders en kinderen.
Die liefde heeft op zichzelf geen gebouw nodig.
Maar het is natuurlijk wel praktisch
een dak boven je hoofd te hebben.
En het spreekt vanzelf dat je emotioneel betrokken
raakt op dat huis.

 

De kerk, dat is de veelkleurige gemeenschap waar:
de één de ander uitnemender acht dan zichzelf’ (Filippenzen 2: 3),
om maar wat te noemen.
Of: waar ieder ‘voor zover het in zijn of haar macht ligt,
alles in het werk stelt om met alle mensen in vrede te leven’ (Romeinen 12: 18).
De kerk is de plaats waar we elkaar ‘aanvaarden
zoals Christus ieder van ons heeft aanvaard’ (Romeinen 15: 7).
En zo is er eindeloos veel te noemen,
wat samen de kerk tot die geestelijke gemeenschap maakt.
Waarvan je ten minste verwachten mag,
dat we op een andere manier met elkaar omgaan.
‘Niet driftig zijn, niet gewelddadig, niet hebzuchtig’,
als kwaliteiten van leiderschap in de gemeente,
volgens de brief aan Titus.
En als positieve competenties gelden dan:
‘gastvrij zijn, goedwillend, bezonnen, beheerst’ en nog meer.

Te mooi om waar te zijn, zegt u misschien.
Ook ik ben nuchter genoeg,
als je lang genoeg meedraait in de kerk weet je daar alles van.
En toch, zeg ik graag: het is te mooi om niet waar te zijn…

‘Tuurlijk; de kerk is een vrijwilligersorganisatie.
Ja, maar we zijn ook en vooral een gééstelijke gemeenschap
en als we dat zouden vergeten, als we de uitdaging die daarin gelegen is,
uit het oog zouden verliezen, dan leven we onder de maat.
Dat laten we toch niet gebeuren?

Daarom wil ik toch tegen het einde nog
even terug naar de gelijkenis.
Er zitten ook problematische kanten aan.
Met name het grove geweld is iets dat opvalt.
De genodigden willen niet komen.
Als de koning aandringt door zijn dienaren op pad te sturen
om hen persoonlijk uit te nodigen,
volharden ze in hun weigering
en slaan ze zelfs de dienaren dood.

De reactie van de koning is al even gewelddadig.
Hij stuurt een strafexpeditie erop af,
laat de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken.
Waar is dat allemaal voor nodig, vraag je je af.

Maar het geweld is nog niet voorbij.
Als de bruiloftszaal gevuld is, blijkt er iemand niet de juiste kleding aan te hebben.
Ook zoiets aparts.
Hij wordt zonder pardon op koninklijk bevel door de uitsmijters verwijderd.

Waarom die strengheid?
Er is door uitleggers volop gespeculeerd over de betekenis van dat slot, wat dat bruiloftskleed,
dat die ene aangelegen persoon kennelijk niet aan had, precies behelst.
In de tekst zelf wordt dat niet duidelijk.

Maar het zou kunnen zijn dat het bruiloftskleed
een beeld is, van hoe je je gedraagt, van je levenswandel.
Zo wordt datzelfde beeld ook elders in het Nieuwe Testament gebruikt.
‘Bekleed je met de nieuwe mens’ (Efeziërs 4: 24),
of ‘bekleed je met Christus’ (Galaten 3: 27),
of ‘met de wapenuitrusting van God’ (Efeziërs 6: 11) 
of is dat weer te gewelddadig?

Hoe dan ook.
Als wij geroepen zijn, en dat geldt voor ieder van ons;
als wij bij de kerkelijke gemeenschap horen, schept dat verplichtingen.
Niet zozeer om ook vrijwilligerswerk te doen, al is dat nooit verkeerd,
maar vooral om te leven naar de maatstaven van de geestelijke gemeenschap,
waarin het beeld van Christus norm en leidraad is.

 

In een gelijkenis vertelt Jezus over een bruiloft van de zoon van de koning.
De bruiloftszaal is afgehuurd en in gereedheid gebracht.
Maar de genodigden willen niet komen.
Waarom niet, wordt niet duidelijk.
Maar ze passen, ze komen niet.

Waar het nu even om gaat is hoe de koning
vervolgens toch zorgt dat het gehuurde zaaltje vol komt.
Hij zegt tegen zijn personeel:
‘Ga naar de toegangswegen van de stad
en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt’.
En zo stroomt de zaal vol, uit heggen en stegen,
goede en slechte mensen, staat er
wat al te denken geeft.
Maakt niet uit, de zaal moet en zal vol, is de opdracht.
Alle middelen heiligen het doel.
Mensen die elkaar niet kennen: bent u soms familie?
Mensen die niets met elkaar gemeen hebben,
behalve dan dat ze kennelijk op het juiste moment
op de juiste plaats waren, daar waar de dienaren van de koning waren.
Mensen in allerlei soorten en maten, goeden en slechten,
die zichzelf terugvinden als gasten op een koninklijk bruiloftsfeest.
Wonderlijk is het.

Of je dat één op één met de kerk zoals wij die kennen gelijk kunt stellen,
is overigens ook nog een vraag. Maar laten we daar even op voortborduren.
Dan is de kerk dus een gemeenschap van mensen die elkaar niet zelf hebben uitgezocht.
Je vindt jezelf terug in een gezelschap van mensen van allerlei slag.
De kerk als contrastgemeenschap
Eén die haaks staat op de normen en waarden
van de ons omringende maatschappij waar groepjes
van gelijkgestemden het liefst in hun eigen bubble blijven.

Zo is het in de geschiedenis precies gegaan.
De beweging die ontstaat na Jezus’ dood en leven,
de kerk, is vanaf het allereerste begin divers en veelkleurig geweest.
Vanaf het allereerste begin is er ook kerkelijke gedoe geweest,
laten we dat ook niet vergeten.
Soms is dat troostend… het is van alle tijden.
De kerk, de gemeente van de Heer, of het lichaam van de Heer,
Bijbelse beelden die spreken, is daarbij een geestelijke gemeenschap.
Waarin eigen regels gelden, een bijzondere gedragscode.
Ook dat kom je vanaf het begin tegen, al in het Nieuwe Testament.

 

De schittering en vreugde van medaillewinnaars
op de Olympische Spelen in Parijs is ongelooflijk om te zien.
Hun discipline en gebrachte offers tijdens de training werpen hun vruchten af
in betoverende uitingen van uitmuntendheid en momenten van pure vreugde.
Maar om winnaars te zijn, moeten er ook verliezers zijn,
en er zijn onthullende momenten van verpletterende teleurstelling geweest
die nooit leuk zijn om te zien.
Bijvoorbeeld over de soms mindere prestaties van Femke Bol of Lieke Klaver.
Sommigen zullen vinden dat zij faalden, anderen zullen zeggen dat dit bij sport hoort.

Maar weinigen van ons zullen ooit Olympische grootheid bereiken,
of de media-erkenning die het profiel van een atleet definieert
door zijn naam voor altijd te verbinden aan zijn prestatie.
Maar we hebben allemaal een innerlijke neiging
om te geloven dat onze waarde gebaseerd is op wat we kunnen bereiken.
We leven in een cultuur die ons voortdurend de boodschap stuurt
dat goedkeuring en waarde afhangen van je resultaten.
Velen van ons geloven dat, en vallen dan voor een leven van voortdurende intensiteit
– een ‘cyclus van verdriet’ – terwijl we fel streven naar resultaten,
maar rouwen om het verlies van onze innerlijke vrede.
En deze culturele boodschap van acceptatie door prestatie
wordt echt giftig wanneer we de leugen gaan geloven
dat onze identiteit gebaseerd is op onze prestaties.

Het zijn niet alleen atleten die hierdoor risico lopen.
Denk eens na over hoe ons onderwijssysteem dezelfde boodschap over cijfers uitzendt.
Duizenden tieners lijden aan angst en psychische aandoeningen als ze examens afleggen,
omdat ze geloven dat hun eigenwaarde afhangt van hun cijfers.
De winnaars zullen worden gefeliciteerd,
maar anderen zullen depressief worden van het falen.

Ik ken veel werkplekken waar ‘prestatiemanagement’
zo onderdrukkend is geworden dat het leidt
tot gedrevenheid, perfectionisme en burn-out.
Zelfs gepensioneerden kunnen zich gedreven voelen
om hun ‘bucketlist’ af te werken voordat ze sterven of ziek worden.
Dus mensen uit alle lagen van de bevolking
raken gemakkelijk verslaafd aan de tredmolen
van ‘prestatiegericht leven’
en voelen zich moe, gevangen en onrustig.
Ze lijden onder de valse overtuiging
dat zelfrespect afhankelijk is van prestaties.
Als je dat gelooft, mag je van jezelf niet falen
of wordt je zelfs ziek omdat je je voelt tekortschieten.

Er is een betere manier.
We kunnen ervoor kiezen om afstand te doen
van die verderfelijke leugen van een prestatie-identiteit
en de diepe waarheid te bevestigen
dat onze echte identiteit en betekenis te vinden zijn
in wie we zijn als Gods geliefde kinderen.
We kunnen onze emoties verankeren
in de zekerheid van die ware identiteit.
Het is mogelijk om te besluiten
om de manie voor resultaten en onze cultuur
van voortdurende intensiteit onder ogen te zien.
Een daad van verzet tegen een wereld
die wordt gedomineerd door de behoefte aan succes.
God weet dat we een pauze nodig hebben, niet alleen om te rusten,
maar om ons hart en onze geest te heroriënteren op de waarheid.
We worden onvoorwaardelijk geliefd en hoeven niet te streven
naar prestaties om geaccepteerd en belangrijk te worden voor God.
Daar zit een diepe vrede in.
Een vrijheid en veerkracht die het mogelijk maken
om te concurreren zonder angst voor falen.

In de Bijbel wordt het woord uitmuntendheid
nooit toegepast op prestatie,
alleen op karakter,
en de meest uitmuntende manier is liefde.
De christelijke wereldvisie viert geweldige prestaties,
maar vermijdt om er een afgod van te maken,
omdat dat leidt tot een destructieve obsessie en onzekerheid.

Zeker zijn van God gaat niet over het vermijden van competitie of druk.
Het is leren om uitstekende prestaties na te streven
zonder het gevoel dat onze identiteit wordt gestolen
door onze cijfers, of banen, of andere mensen ons goedkeuren
of ons medailles toekennen.
Prestaties van topkwaliteit zijn superieur
en we moeten met heel ons hart ons best doen, wat we ook doen.
Maar God is een God van genade,
die iedereen onvoorwaardelijk liefheeft, accepteert en eert,
inclusief degenen die zich niet eens kwalificeerden
voor de Olympische Spelen,
net zo goed als degenen die op het podium stonden.

 

Bestaanszekerheid kreeg net als migratie
veel aandacht bij de verkiezingsdebatten.
Bestaanszekerheid gaat over armoedebestrijding.
De Thora, de wet van Mozes,
roept op om iemand die in armoede vervalt
niet te laten verkommeren:

Armen zullen er altijd zijn bij u.
Daarom gebied ik u vrijgevig te zijn tegenover iedereen in uw land
die in armoede leeft of er slecht aan toe is.
(Deuteronomium 15)

Maar bestaanszekerheid is meer dan armoedebestrijding.
Het heeft ook te maken met de zekerheid van een woning,
van werk en inkomen, van vervoer,
schone lucht en water, van zorg en van onderwijs.
En met de toegankelijkheid van al die voorzieningen.

Eigenlijk is het een raar woord,
want het hoort bij ons bestaan
dat we geen zekerheid hebben.
Je kunt zomaar ziek worden, een ongeluk krijgen,
je baan kwijtraken.
Kwetsbaarheid hoort bij het menselijk bestaan.

Je hebt niet alles in de hand.
Veel zelfs niet:
waar je wieg staat, welke kansen je krijgt, hoe gezond je bent.
Of je niet toevallig op de verkeerde plaats bent.
In een gebouw dat instort door een aardbeving.
In een vliegtuig dat uit de lucht wordt geschoten.

Wij zijn ons bestaan juist níet zeker.

 

Mieren zijn er in het land van de Bijbel en in ons eigen land. We zien ze vooral in de zomer.
Het zijn kleine beestjes, die vol ijverig bezig zijn om voedsel naar hun nest te brengen.
We kunnen ons er over verbazen dat de mieren zo sterk zijn.
In verhouding tot hun eigen gewicht kunnen ze zware dingen verplaatsen.
Al zien we nog geen mier, dan nog kunnen we aan de kleine korrels grond
tussen de tegels en stenen hun aanwezigheid opmerken.
Wie een mier over zijn arm voelt kruipen, weet dat dit irriteert.

Mieren, ze horen er voor ons besef bij, zonder dat ze veel bijdragen aan ons menselijk leven.
De Bijbel wil ons brengen tot verwondering ook over dit insect,
de Schepper van dit beestje en zijn boodschap. We kijken dus met aandacht naar de mier.
De Spreukendichter stuurt ons op weg naar de mier.
We hoeven dan geen verre reis te maken. Ze zijn achter ons huis te vinden.
Als we dan een mier, meestal meerdere mieren, gevonden hebben
roept de tekst ons om met aandacht te gaan kijken naar dit beestje.
Goed bekeken is dit kleine beestje al een wonder op zichzelf. Het kopje, het lijfje en de pootjes.
Wie dit beestje onder een microscoop legt verbaast zich nog meer. Hoe mooi, hoe kunstig.  Vakmanschap, door God geschapen.
Deze beestjes zijn vol ijver bezig. Niet eentje zit er stil. Ze zijn constant in beweging.
We spreken wel over een bezige bij, maar dat geldt evengoed een mier.
In de zomerperiode zorgen ze voor voldoende voedsel voor de winterperiode.
De ijver van de mieren brengt me bij de ijver van Jezus.
Van Hem lezen we, dat Hij altijd leeft om te bidden voor hen, die door Hem tot God gaan.
Hij is altijd bezig met dat grote werk. Wat een bemoediging.

Behalve dat we opgeroepen worden om te letten op de mieren,
spreekt de tekst ook van wijs worden. We begrijpen wel wat hij bedoelt.
De les van de mier is, dat we onze luiheid achter ons laten en ijverig zijn
in de taak, die we van God ontvangen hebben.
Zo gebruikt God het beeld van de mier. Hij geeft ons onderwijs door dit diertje.
Bij het overdenken van deze tekst vinden we nog een wijze les bij de mieren.
Een les, die we hard nodig hebben in onze tijd.
Mieren leven niet afzonderlijk, maar in een groep, in een volk.
Juist het samenleven maakt, dat een mier kan bestaan en voort bestaan.
De eendracht van dit volk maakt hen sterk.
Wie op de plaats van een mier let, te midden van het mierenvolk,
die merkt dat elke mier een eigen plaats en taak heeft in de kolonie.
Hoe groot is de onderlinge samenwerking!
Alle mieren functioneren zo, dat ze de opbouw en het voortbestaan van de groep dienen
en daardoor hun eigen welzijn.
Niet het eigen belang, maar het gemeenschappelijk belang staat voorop.
Zonder gedoe.

Begint het al te kriebelen?

 

Vorming, vernieuwing van ons karakter,
dat is waar het in de Bijbel vaak om gaat.
Jakob, Mozes, David,
stuk voor stuk kenden ze tijden waarin ze werden gevormd, gekneed.
En woestijnperioden, in tegenslagen en beproevingen, soms vele jaren lang.
Zo ontwikkelden ze het karakter dat ze nodig hadden
om hun roeping te vervullen en tot hun bestemming te komen.

Het is ook een belangrijk inzicht in het bedrijfsleven
In het beroemde boek ‘De zeven eigenschappen voor succes in je leven’
van managementgoeroe Stephen Covey
– die vooral inzet op het vlak van effectief leven en werken – staat:
‘wil je duurzaam succes hebben, focus dan op wie je bent als persoon.
Werk aan de ontwikkeling van je karakter.
Aan integriteit, aan loyaliteit, aan waarachtigheid.’
Duurzaam succesvol zijn, zegt ook Covey. Het is een kwestie van karakter.

Jezus mocht eerst opgroeien en gevormd worden.
‘Het kind groeide op, werd sterk en was begiftigd met wijsheid;
Gods genade rustte op hem.
Jezus groeide verder op en zijn wijsheid nam nog toe.
Hij kwam steeds meer in de gunst bij God en de mensen.’
Bij Jezus zien we dat juist Gods Geest zich bezig houdt met de vorming van karakter.
Als Jezus bij zijn doop in de Jordaan de Geest ontvangt
is het volgende wat we lezen dat diezelfde Geest
hem in de woestijn leidt voor een proces van beproeving, loutering.
Een karaktertest van maar liefst 40 dagen lang.

Jezus zelf is ook heel bewust bezig met karaktervorming.
Hij neemt mensen mee in een andere manier van leven.
Hij richt daarvoor geen klaslokaaltje in de lokale synagoge
maar vormt een leefgemeenschap.
Trekt intensief op met een kleine groep mensen
en door met elkaar op te trekken, samen door ervaringen heen te gaan,
en met vallen en opstaan vindt een proces plaats van karaktervorming.

Jezus noemt de Geest ‘een andere helper’
en wat hij bedoelt is:
Hij wil net als ik met je door alle dingen heen trekken
en werkelijk alles wat je meemaakt,
de kleinste dingen van iedere dag,
het zijn leermomenten, groeimomenten.
En ik wil erbij zijn, bij al die momenten
en stapje voor stapje je leren
hoe je in de stijl van Jezus om kunt gaan met wat er op je pad komt.

Misschien zit je erover na te denken en klinkt het je allemaal te maakbaar.
Je kunt zeggen: er is toch ook van alles wat invloed heeft op mijn karakter
waar ik weinig of geen invloed op heb?
Daar zit wat in. Je startpunt wordt sterk bepaald door anderen.
Je krijgt al van alles mee in je DNA.
In de opvoeding zetten anderen al een stempel op je.
Je kiest zelf niet je beginpunt, wat je meekrijgt.
En wellicht begin je in sommige opzichten aan een achterstand.
Maar bij karaktervorming draait het niet zozeer om waar je start, of waar je nu bent.
Maar veel maar om waar je heen gaat.
Je hebt de keuze waardoor je je laat leiden en vormen.

Er zit zeg maar een God-factor in en een mens-factor.
De God-factor is dat de groei zelf buiten mijn bereik ligt
De groei zelf kan ik niet realiseren.
Dat is aan Gods Geest.
Geestelijke groei is in de kern een geschenk dat je ontvangt.
Het is een vrucht van de Geest.

Tegelijk zit er ook een mensfactor aan.
Je kunt wel de juiste voorwaarden scheppen
waarin de groei kan plaatsvinden en doorzetten.
Zorgen voor voldoende voeding en zonlicht.
Zorgen dat er genoeg ruimte is, onkruid verwijderen.
Zo je leven inrichten dat je Geest niet in de hoek duwt
maar dat Geest steeds ruimer gaat wonen in je
en steeds meer vrij spel krijgt om diep in je binnenste te gaan schrijven
zodat je steeds meer wordt waar je voor bedoeld bent:
Een leesbare brief van Christus.

Jullie zullen horen dat er oorlog is, of dat er oorlog komt. Maar je moet daar niet van schrikken.             Want dat moet allemaal gebeuren, maar het is nog niet het einde.

Mattheüs 24 : 6

 

De oorlog in Oekraïne is al enige tijd bezig.
En de gebeurtenissen volgen elkaar snel op.
Hoe zal Oekraïne eraan toe zijn, als u dit leest?
Ook de Europese verkiezingen draaien onder andere om dit thema.
Hoe kan Europa zich weren tegen een oorlog en desinformatie.

Over één ding is de Bijbel duidelijk:
oorlogen zijn tekenen van het naderende einde van de wereld.
De profeten zeiden het al en Jezus, de ware Profeet,
zegt het ook in zijn rede over de laatste dingen.
Oorlog betekent heel veel.
Leugenachtigheid, verraad, haat, onderdrukking, vernietiging, moord.
En dat in massale vorm.
Het is de terugkeer van de chaos
en de verdwijning van de mogelijkheid
om te leven en samen te leven.
Het is de vernietiging van Gods goede schepping
door de totale uitbraak van het kwaad.
Maar hoe erg ook, het kan niet anders.
Het zijn de laatste consequenties van de in de zonde gevallen
en van God afgevallen mensheid,
die voor die val en afval de verantwoordelijkheid
en het oordeel moet dragen.
Blijkbaar moet dat.
‘Want dat moet allemaal gebeuren.’
Hoe onbegrijpelijk ook.
Het is de weg van Gods gerechtigheid.
Tot het einde toe.

Een oorlog maakt je vreselijk angstig.
Ieder moment kan de dood en verderf zaaiende bom op jou vallen.
En een bericht over een oorlog geeft al onrust.
Je denkt aan de doden, gewonden, hongerenden, daklozen, vluchtelingen.
Mensen zoals jij.
Hoe dichter bij het is, hoe meer onrust het geeft
en helemaal als het je eigen volk betreft.
Wie te midden van luchtalarm, geluiden van bominslagen,
in puin geschoten flats leeft, kan niet anders denken dan:
dit is het einde.
Het definitieve einde van alles.

Maar ’weest niet verontrust, dit is het einde nog niet.’
Bij God is het einde het nieuwe begin.
De herschepping van alle dingen.
Zijn Rijk van vrede en gerechtigheid.
Oorlogen zijn de geboorteweeën van de nieuwe tijd.
Het einde van Jezus, zijn dood aan het kruis
als veroordeelde misdadiger,
was het nieuwe begin: zijn opstanding.
Dat is de garantie dat het einde niet een oorlog is,
maar de vrede, niet de dood is, maar het eeuwige leven.
God belooft Zijn toekomst voor Zijn kinderen,
die in Jezus de Verzoener van hun zonden zien.
Dat is het einde.
Het einde is goed bij Hem.
Kijk niet vreemd op van oorlogen.
Wees dus niet verontrust en angstig.
Maar houd moed, houd hoop.
Hoop op Hem, die de Alfa en de Omega is:
het begin en het einde.

 

Ligt het ook niet een beetje aan die heer zelf?
Waarom maakt hij dat onderscheid?
Doet hij ook aan oneerlijke verdeling?
Dat zou je denken,
maar bij het begin staat meteen al iets waar we makkelijk over heen lezen,
dat een aanwijzing geeft, waarom die heer het zo verdeelt.
Er staat dat hij ieder geeft, naar wat hij aankon.
Dat betekent:
Hij houdt rekening met ieders kunnen en stelt dáár de verdeling op af.

Niemand wordt overvraagd.
Ieder krijgt zijn deel.
Alle drie worden op dezelfde manier behandeld,
ook al krijgen ze ieder wat anders in beheer.
Alle drie krijgen ze het vertrouwen van hun heer,
en daar gaat het om.

Het is niet zo belangrijk dat de één meer krijgt dan de ander;
het beslissende is het vertrouwen dat de eigenaar in zijn dienaren stelt.
Hij vertrouwt hun zijn bezit toe
Hij geeft als het ware zichzelf uit handen
ieder naar wat hij aankon.
Hij kent immers zijn personeel.
Hij weet wat hij aan ze heeft.
Hij weet wat ze wel en niet aan kunnen.

Daarom is de teleurstelling aan het einde ook zo groot,
als die derde dienaar met datzelfde ene talent
dat hij gekregen heeft aan komt zetten.
De heer wordt zo kwaad dat hij hem dat weinige ook nog afpakt.
Ja, het wordt nog bonter,
hij wordt een nutteloze dienaar genoemd.
‘Gooi hem eruit, in de uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt’.
Is dat niet zwaar overdreven?
Had dat niet anders gekund?

De teleurstelling moet wel diep zitten.
Of misschien moet je zeggen,
die heftige reactie laat zien dat het niet iets onschuldigs is wat hier gebeurt.
Is de heer zo boos,
omdat hij dacht dat hij zijn mensen kende
en nu moet ontdekken dat hij zich toch heeft vergist?
Heeft hij het zelf verkeerd ingeschat en is hij daardoor geïrriteerd geraakt?

Daar kun je je ook iets bij voorstellen, maar daar zegt het verhaal niets over.
Als je er langer naar kijkt, dan blijft er altijd meer te raden over