Onlangs hoorde ik een opmerkelijk verhaal over een kankerpatiënt, een gelovige man. Hij had de diagnose ernstige kanker gekregen en de diagnose was nogal somber. Hij bereidde zichzelf voor op het einde dat niet lang meer op zich zou laten wachten. Zijn lichaam reageerde slecht op de chemotherapie en de vooruitzichten zagen er niet goed uit. Hij bleef echter proberen om de balans te vinden tussen rust en werk, ondanks de vermoeidheid, en hij bad wanneer hij kon.
Kort geleden gebeurde er iets vreemds tijdens een routinebezoek aan het ziekenhuis om de resultaten van een scan te horen over hoe de kanker zich ontwikkelde.
De chirurg liet hem de scan zien die verband hield met de oorspronkelijke diagnose. Hij vroeg: ‘Kun je de tumor zien?’ En de patiënt antwoordde: ‘Ja, natuurlijk, hij zit daar,’ terwijl hij naar de zwarte massa wees. Toen liet de chirurg hem een andere scan zien.
Hij vroeg opnieuw: ‘en dit is de meest recente scan die we zojuist hebben gemaakt; kun je hem op deze zien?’ de patiënt keek aandachtig naar de scan en zei: ‘Hmm. Ik weet niet zeker of ik dat kan.’ De chirurg antwoordde dat hij ook verbaasd was dat de tumor tussen de twee scans door op de een of andere manier verdwenen leek te zijn.
Hij voegde toe: ‘En eerlijk gezegd hebben we in mijn wereld niet echt een verklaring voor dit soort dingen. Maar ik vermoed dat jij dat in jouw wereld wel hebt.’
Naast dat ik blij ben voor de man, heb ik sinds ik het verhaal hoorde, ook nagedacht over wat het betekent. Wonderen zijn natuurlijk zeldzaam en we kunnen ze niet automatisch voorspellen. Deze man zat in het soort kerk die niet routinematig van God vraagt om wonderen, maar gewoon zachtjes bleef bidden dat God op de een of andere manier bij deze man zou zijn in zijn strijd, en durfde nauwelijks te hopen dat de kanker daadwerkelijk zou verdwijnen. (en ja, ik heb helaas ook andere resultaten op zo’n gebed mee moeten maken)
Was het een wonder? Of was er een andere verklaring? Het lijkt mij dat het antwoord dat je op die vraag geeft, afhangt van het kader dat je eraan geeft. Als je gelooft in een God die dit soort dingen van tijd tot tijd zou kunnen doen, en je bedenkt dat zulke dingen af en toe kunnen gebeuren en ook gebeuren, niet gereguleerd door de gebruikelijke gang van zaken van oorzaak en gevolg, maar door een extra dimensie van de werkelijkheid die voor ons onzichtbaar is en niet te meten is door de methoden van de wetenschap, zul je het waarschijnlijk gewoon accepteren als een van die incidentele onderbrekingen van de normale gang van zaken. En dank God dan en verheug u met deze man over dit teken van Gods goedheid.
Natuurlijk roept het de vraag op waarom deze kankerpatiënt genezen is en anderen niet, waarom wonderen gebeuren. Zouden we liever een wereld hebben waarin zulke dingen nooit gebeurden, en de kanker van deze man zijn gebruikelijke dodelijke beloop had gehad? Of een wereld waarin af en toe iets heerlijks en onverwachts gebeurt, zoals struikelen over een glorieus onverwacht uitzicht en een dramatische zonsondergang aan het einde van zomaar wandeling op een zomeravond?
Een eerlijke dokter zoals degene die deze man behandelt, zou kunnen erkennen dat de methoden van de medische wetenschap, ondanks al hun genialiteit, waarde en wijsheid, waar we allemaal zo afhankelijk van zijn, op dit punt hun schouders moeten ophalen, zich realiserend dat ze niet de categorieën hebben om het te verklaren, en terugvallend op een soort agnosticisme.
Een meer doorgedreven materialist zou zeggen: ‘Natuurlijk weten we dat er zoiets als wonderen niet bestaat, dus dat is het enige waarvan we weten dat het niet bestaat. Er moet een andere verklaring zijn, en de wetenschap zal op een dag ontdekken waarom zulke mysterieuze dingen gebeuren.’
Wat we geloven over zulke dingen wordt niet bepaald door de vanzelfsprekende ‘feiten’, het kale bewijs van wat voor ons ligt, maar door onze vooropgezette mentale kaart van de wereld, ons raamwerk van geloof, wat we denken dat de wereld is, en wat, of wie we denken dat God is, (als hij al bestaat). Uiteindelijk zijn we allemaal gelovigen – het verschil is waar we in geloven.
Geloof in wonderen betekent niet dat je de wetenschap en haar voordelen irrationeel verwerpt ten gunste van een volledig willekeurige wereld. Het betekent simpelweg dat je de grenzen van je redenering erkent, openstaat voor de mogelijkheid van een extra dimensie van betovering die zich af en toe laat zien, en dat er een grotere wereld is dan wij met onze kleine geesten en zielen kunnen bevatten.
G.K. Chesterton, de Britse letterkundige en verdediger van het christelijk geloof zei het ooit zo: ‘Op de een of andere manier is er een buitengewoon idee ontstaan dat de ongelovigen wonderen koud en eerlijk beschouwen, terwijl gelovigen wonderen alleen accepteren omdat hun geloof het ze voorschrijft. Het is juist andersom. De gelovigen in wonderen accepteren ze, omdat ze er bewijs voor hebben. De ongelovigen in wonderen ontkennen ze omdat ze er een leer tegen hebben.”
Ja, wat zeggen we dat tegenwoordig vaak tegen elkaar: onze maatschappij is meer gepolariseerd dan ooit tevoren. Maar we hebben het mis. Misschien ervaart de VS nu een bijzonder scherpe tweedeling, maar ze hebben in het verleden hun eigen, veel heftigere problemen gehad. En ook in Europa weten we aardig wat over cultuuroorlogen die oorlogen waren.
Voor de Nederlanden hoeven we maar te denken aan de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) met de daarbij behorende Beeldenstorm (1566) waarin wij elkaar letterlijk vermoordden over religie en politiek. De Fransen deden iets soortgelijks en nog veel wreedaardiger, een paar eeuwen later. Dát is pas echte polarisatie. Hoe wrokkig de discussies op een X of andere sociale media ook mogen worden, ik denk niet dat Dick Schoof in zijn bed ligt te trillen met het idee dat ze hem binnenkort terecht zullen stellen voor verraad.
Dus misschien heeft onze geschiedenis ons iets te leren over hoe we omgaan met cultuuroorlogen.
Ooit werd er over onze tijd geschreven:
‘de wereld is dienovereenkomstig verdeeld tussen degenen die te veel geloven en degenen die te weinig geloven. Terwijl sommigen alle overtuiging missen, zijn anderen vol van gepassioneerde intensiteit.’
We denken vaak dat onze hedendaagse kloof tussen links en rechts, progressieven en conservatieven iets nieuws is. Maar we kunnen echo’s hiervan vinden in eerdere tijden.
Een voorbeeld hiervan was het midden van de 17e eeuw, de tijd van vele andere omwentelingen in Europa. Een deel van de koortsachtige sfeer van die tijd zag felle discussies tussen rationalisten en sceptici.
Er waren destijds twee brede stromingen in het denken over het mensdom Aan de ene kant waren er de ‘Dogmatici’ die er zeker van waren dat ze alles wisten door gebruik te maken van de rede of de toepassing van filosofische of wetenschappelijke methoden (zoals René Descartes). Aan de andere kant waren er de ‘Sceptici’ die dachten dat alles willekeurig was, of gewoonte, en dat er geen definitieve Waarheid te vinden was (zoals Michel de Montaigne, iemand uit de eeuw daarvoor).
Natuurlijk heeft onze eigen tijd een behoorlijk aantal mensen met een overweldigend vertrouwen in de kracht van menselijke kennis, en met name de natuurwetenschappen, om de geheimen van het leven, het universum en alles te ontsluiten. Het ‘nieuwe atheïstische’ project van Richard Dawkins en vrienden had een enorm vertrouwen in de rede en haar vermogen om ons alles te vertellen wat we moeten weten, waardoor religie in de prullenbak van de geschiedenis belandde en in plaats daarvan een onwrikbaar geloof in de empirische methoden van de wetenschap werd geplaatst. Het had – en heeft – duidelijke overeenkomsten met dit beeld van menselijke kennis.
Maar aan de andere kant hebben we in het progressieve postmoderne project ook degenen die elke vorm van onderliggende rationaliteit of heilige orde, boven of onder ons, verwerpen. Voor hen is er geen onderliggende Waarheid te ontdekken en ze scheppen er genoegen in om de instabiliteit en illusoire aard van elke claim op waarheid te onthullen. Het klinkt heel erg als de cultuuroorlogen van onze tijd.
Blaise Pascal, een homo universalis uit de 17e eeuw bracht een uitweg uit dit dilemma in kaart. Toen hij naar de cultuuroorlog van zijn eeuw keek, dacht hij dat beide kanten een punt hadden. Dan is er, merkte hij op…
‘…open oorlog tussen mensen aan de gang waarin iedereen verplicht is partij te kiezen, hetzij voor de dogmatici, hetzij voor de sceptici, omdat iedereen die denkt neutraal te kunnen blijven, een scepticus bij uitstek is…. Wie zal zo’n kluwen ontwarren? Dit gaat zeker verder dan dogmatisme en scepticisme, verder dan alle menselijke filosofie. De mensheid overstijgt de mensheid. Laten we de sceptici dan toegeven wat ze zo vaak hebben verkondigd, dat de waarheid buiten ons bereik ligt en een onbereikbare prooi is, dat ze geen aardse bewoner is, maar thuis in de hemel, liggend in de schoot van God, om alleen te worden gekend voor zover het hem behaagt haar te openbaren.’
Tot zover, zegt hij, hebben de sceptici, zoals Montaigne, gelijk. De waarheid ligt buiten ons bereik, ze bevindt zich niet hier op aarde, openlijk en klaar om gevonden te worden. Als ze bestaat, dan bestaat ze in een wereld boven ons, buiten ons bereik. Hoe weten we überhaupt of we slapen of wakker zijn, aangezien we er bij dromen net zo van overtuigd zijn dat we wakker zijn als wanneer we echt wakker zijn?
En dus genieten moderne progressieven, die de veronderstelde resultaten van eerdere inzichten willen ontmantelen, vanwege het inherente koloniale, patriarchale of misbruikende verleden, ervan om te laten zien hoe willekeurig en willekeurig zoveel is van wat we als vanzelfsprekend beschouwen uit het verleden. En, zou Pascal toevoegen, ze hebben een punt. Veel van onze juridische, politieke en culturele aannames zijn puur cultureel en willekeurig, en dienen soms gewoon in het voordeel van de rijken en machtigen in plaats van de armen en gemarginaliseerden.
Maar aan de andere kant hebben de ‘dogmatici’, zoals Descartes, hun sterke punt, namelijk dat we natuurlijke principes niet in twijfel kunnen trekken. De zuren van deconstructie kunnen je maar tot op zekere hoogte brengen. De meest sceptische filosoof zet nog steeds de waterkoker aan in de veronderstelling dat het water kookt om een kop thee te zetten. Ze staat ’s ochtends op in de veronderstelling dat de zon aan het eind van de dag opkomt en weer ondergaat. Ondanks de ontwrichtende effecten van scepticisme, schreef Pascal:
“Ik beweer dat er nooit een volkomen oprechte scepticus heeft bestaan. De natuur ondersteunt de hulpeloze rede en voorkomt dat deze zo ongecontroleerd op het verkeerde pad raakt.”
Ondanks al onze twijfels leven we nog steeds in een wereld met orde en voorspelbaarheid. Scepticisme blijft botsen met de realiteit.
Moderne conservatieven wijzen dus op een diepere ‘gegevenheid’ van dingen, een orde binnen de natuurlijke wereld die we niet hebben gecreëerd, en toch, op mysterieuze wijze, lijkt te zijn geregeld voordat we hier kwamen. Wetenschappelijk onderzoek is zinvol. Er is een regelmaat in de natuur waar we op kunnen, en moeten, vertrouwen. We zijn niet helemaal vrij om de natuurlijke orde van dingen te negeren, er is een dieper ritme in de natuur en haar vermogen tot vernieuwing waar we alleen op eigen risico aan sleutelen, zoals klimaatverandering ons heeft geleerd. Als gevolg hiervan zal de eeuwenoude strijd tussen rationalisten en sceptici, progressieven en conservatieven, nooit worden opgelost, aangezien de discussies op en neer gaan.
Het christelijk geloof omvat zowel progressieve als conservatieve impulsen. Christenen zijn zich bewust van de gebrokenheid van de wereld en verlangen er daarom naar dat deze verandert. Het progressieve ongeduld met de manier waarop dingen zijn én het verlangen naar een betere wereld hebben hun wortels in het christelijk geloof.
Tegelijkertijd onderscheidt het christendom een Goddelijk geschapen orde in de wereld, een ritme in de natuurlijke wereld, dat niet kan worden verbroken en gerespecteerd moet worden. Daarom is een inherent conservatisme ook onderdeel van het christelijk geloof. Met andere woorden, het christelijke verhaal kan beide verklaren en een groter beeld bieden dan beide.
Voor Pascal biedt het christendom een diagnose voor dit mysterie van de mensheid, de complexe mix van grootsheid en ellende, oneindigheid en niets, scepticus en rationalist, in het eenvoudige, maar eindeloos generatieve idee dat wij mensen glorieus geschapen zijn, diep gevallen en toch verlossing aangeboden krijgen door Jezus Christus. Ons verdriet is heroïsch en tragisch. In Pascals suggestieve beeld is het ‘de ellende van een grote Heer, de ellende van een onteigende koning.’
‘We tonen onze grootsheid’, zegt Pascal, ‘niet door aan het ene uiterste te staan, maar door beide tegelijk aan te raken en alle ruimte ertussen in te nemen.’ Voor hem wijst het bestaan van zulke cultuuroorlogen op de waarheid van de christelijke diagnose van de menselijke conditie.
Pascal biedt ons een manier om te navigeren tussen de Scylla van het progressivisme en de Charybdis van het conservatisme, of misschien beter, om het beste van beide te omarmen. In cultuuroorlogen is het lastig te navigeren. Toch kunnen ze een oplossing vinden als we ze ons laten wijzen op een diepere realiteit, onze vreemde mix van grootsheid en verdriet. En zonder beide kanten van deze blijvende waarheid uit het oog te verliezen.
Na het bezoek van Wilders aan Zwolle om het debat over de komst van een azc te kapen in zijn eigen voordeel, vaak met slaan op de trommel van het verlies van óns Nederland; wil ik deze zaak eens verder uitdiepen.
Want… Moeten de grenzen voor vreemdelingen nou dicht? En vooral: wat moeten we met de vreemdelingen binnen onze grenzen doen? Kortom, immigratie, immigranten hoe gaan we daarmee om Het zijn dus vragen die – geïnstigeerd door vooral populistische bewegingen – het debat voorafgaand aan de verkiezingen in Nederland op welke manier dan ook, gijzelen.
Wat mij interesseert, is de rol die het christendom speelt in dit debat, zoals het aan beide kanten van het debat wordt aangehaald.
Rechts gaat het argument als volgt: Nederland is (of was) een christelijk land. Het dreigt nu overspoeld te worden door mensen die dat geloof niet delen, of de waarden die in het christendom geworteld zijn. Daarom moeten we snel een einde maken aan de excessieve immigratie, met name migranten uit conservatieve islamitische landen. Als we dat niet doen, zullen we Nederland ingrijpend zien veranderen en zijn uitgesproken christelijke identiteit verliezen.
“De ‘Joods-christelijke waarden’ die de basis vormen van ‘alles’ in Nederland. Deze waarden waren: ‘het gezin is belangrijk, de gemeenschap is belangrijk, de samenwerking is belangrijk, het land is belangrijk.
‘Het christendom heeft het karakter van Nederland door de eeuwen heen gevormd. En er heerst ongetwijfeld op veel plaatsen, vooral in de meer achtergestelde gebieden, een gevoel dat gemeenschappen zijn veranderd en onherkenbaar worden ten opzichte van wat ze waren.’” Dat is het mantra.
Toch is het moeilijk om dit alles als uitgesproken christelijk te bestempelen. Veel moslims zouden vrijwel hetzelfde beweren, en het zou moeilijk zijn om zijn lijst te beschrijven als een adequate samenvatting van de boodschap van Jezus. ‘Joods-christelijke waarden’ worden rechts vaak gelijkgesteld aan ‘Nederlandse waarden’, die worden gedefinieerd als ‘democratie, de rechtsstaat, individuele vrijheid en wederzijds respect en tolerantie voor mensen met een ander geloof en andere overtuigingen’. Het is moeilijk voor te stellen dat iemand gekruisigd zou worden omdat hij dat predikte.
Toch wordt het christendom ook links gebruikt. Regelmatig klinken woorden als: ‘Jezus zou oproepen om migranten te verwelkomen. De vluchtelingencrisis is een morele test. Jezus leerde ons vluchtelingen te respecteren. Hijzelf zei: ‘Verwelkom de vreemdeling…’ En de Bijbel zegt: ‘De vreemdeling die onder u verblijft, moet behandeld worden als een autochtoon’.
Het is zeker een betere weergave van de leer van Jezus dan die rechts bezigt. Maar links maakt het verwelkomen van de vluchteling vaak deel uit van een bredere en diepere waarde van ‘diversiteit’ als een op zichzelf staand goed. Multiculturalisme, de caleidoscoop van culturen die je in veel winkelstraten vindt met Indiase, Thaise, Italiaanse en Marokkaanse restaurants, of het beeld van kinderen uit verschillende landen en religies die vrolijk rondrennen op een schoolplein, is een geliefd cliché van seculiere progressieve mensen.
Het probleem is dat het voor velen in delen van de samenleving niet zo voelt. Sommige mensen kunnen multiculturalisme omarmen omdat het hun manier van leven niet fundamenteel bedreigt. van het leven. Vreemden omarmen is makkelijker als je een vaste plek hebt om ze te verwelkomen. Een thuis waar het gezin goed met elkaar overweg kan, waar de ouders eensgezind zijn en de kinderen tevreden, zal veel eerder in staat zijn om onbekende gasten te verwelkomen met de nodige nieuwsgierigheid om van hen te leren.
Maar een gezin vol spanning en gekibbel zal de vreemdeling waarschijnlijk helemaal niet verwelkomen, omdat de nieuwkomer de bestaande spanningen nog verder zal aanwakkeren.
Maar een samenleving die een gevoel van gedeelde, brede en sterke identiteit verliest, is niet in staat een vreemdeling te verwelkomen. Wat ons anders maakt, is alleen verrijkend zolang we ons er allemaal van bewust zijn dat we iets hebben dat ons verenigt. Bij gebrek aan een verbindende band blijkt verschil bedreigend te zijn.
De visie van links; van diversiteit als een doel op zich, alleen bijeengehouden door een vaag idee van tolerantie of seculariteit waar niemand het leven voor waard vindt – dreigt de banden die ons binden te ondermijnen, omdat het geen duidelijke kern biedt die ons bij elkaar kan houden.
Het christendom biedt geen immigratiebeleid. Zowel links als rechts kunnen aanspraak maken op enige legitimiteit in het christelijke verhaal. Wat het christendom echter wél biedt, is een gemeenschap die een morele scholing biedt die draait om Jezus, als degene die ons de ware vorm van het menselijk leven laat zien, de noodzaak van zelfopoffering, niet van zelfgenoegzaamheid als sleutel tot een functionerend gemeenschapsleven, en de heilige waarde van ieder mens; overtuigingen die op hun beurt de vreemdeling kunnen verwelkomen in een veilig en zelfverzekerd thuis.
Deze zaken zijn door de eeuwen heen vanuit hun intense kern in de christelijke kerk naar de bredere samenleving doorgedrongen. Ironisch genoeg worden ze vandaag de dag meer uitgehold door het secularisme dan door de islam.
Het werkelijke probleem van onze tijd is niet de massale immigratie (zoals rechts het wil) of het onvermogen om de grenzen volledig open te stellen (voor links). Het is de wijdverbreide uitholling van het christelijk geloof.
De verdwijning van het christendom wordt bijna zonder slag of stoot geaccepteerd. Het wegebben van het geloof wordt als vaststaande feit begroet. Dit is misschien grotendeels de schuld van de kerk zelf, een gebrek aan moed om haar eigen boodschap te uiten en zich te presenteren als een zoveelste maatschappelijke lobbygroep voor diverse doelen in plaats van een gemeenschap die draait om Jezus. Maar het is ook te wijten aan de grote groepen hoogopgeleide mensen uit de middenklasse die graag de naam van Jezus claimen wanneer het hen uitkomt, en die teren op het culturele erfgoed van het christendom zonder te investeren in de toekomst ervan door ook maar in de buurt van een kerk te komen.
Een goed immigratiebeleid vereist de compassie die de kwetsbare vreemdeling verwelkomt. Maar het vereist ook een sterke, verenigde gemeenschap met gedeelde waarden om hen te verwelkomen.
Een vernieuwd christendom zou de redding kunnen betekenen voor zowel rechts als links, of op zijn minst een dieper en rijker verhaal kunnen bieden dan elk van beide afzonderlijk kan bieden. Een verhaal dat een sterke kern biedt die een samenleving bij elkaar houdt, maar dat tegelijkertijd de vreemdeling verwelkomt als een geschenk en niet als een bedreiging.
The Old Chapel at Rame Head in Cornwall (één van de filmlocaties van Het Zoutpad)
De waarheid achter het boek en de feelgoodfilm van de zomer 2025 The Salt Path (Het Zoutpad) werd kortgeleden in twijfel getrokken. Waarschijnlijk ook gedreven door de komkommertijd, was het verhaal niet uit de media te slaan. Er rezen serieuze vragen over de eerlijkheid van The Salt Path. Kritiek op het verhaal van Raynor Winn over haar wandeling langs de kust van het zuidwesten samen met haar zieke echtgenoot Moth, was de afgelopen tijd zeer fel. Onderzoeken die de echte namen van het duo, hun financiële geschiedenis en de medische onwaarschijnlijkheid van de omkeer in Moths degeneratieve aandoening – zoals beschreven in het boek – onthulden, brachten duizenden lezers tot woede en teleurstelling over het feit dat ze bedrogen waren. Maar erin trappen en ervan leren hoort bij het mens-zijn: een les in hoe je verstandiger kunt vertrouwen, in plaats van helemaal niet te vertrouwen.
Dit soort reacties nodigen ons ook uit om te verklaren hoe sommige van de twee miljoen lezers van The Salt Path het verraad dat sommige voelden. Zij investeerden emotie en empathie in het opbeurende verhaal van een door nood getroffen stel dat troost vindt in de natuur. Want de identificatie met het doorsnee duo op middelbare leeftijd in de verhalen en de overtuiging dat een lange tocht door het zuidwesten een wondermiddel is tegen dakloosheid, financiële problemen en een degeneratieve medische aandoening, maakt de voormalige fans van The Salt Path niet zielig, maar juist prachtig menselijk.
De reputatie van auteur Raynor Winn ligt aan flarden, verscheurd door de onthullingen die aan het licht zijn gekomen door meedogenloze onderzoeksjournalistiek.
Het hartverwarmende verhaal over hoe een stel te maken krijgt met financiële ondergang, dakloosheid en een terminale ziekte tijdens een wandeling over het South West Coast Path, is een inspiratiebron geweest voor velen die het boek hebben gelezen of de film hebben gezien, of allebei. Het verhaal werkt omdat het ons een leven laat zien dat we kennen, de levens die we leiden.
Maar nu moet het in een heel ander licht worden gezien.
Zeker, het artikel onder de kop in The Observer was grondig onderzocht, zorgvuldig opgebouwd en compromisloos in de beweringen die de ontdekkingen, observaties en commentaren op het verhaal impliceerden.
‘… niet haar echte naam
‘… ze was een dief… verduisterde het geld’
‘… gearresteerd en verhoord door de politie’
‘… vijf vonnissen van de rechtbank’
‘… ze bezaten land in Frankrijk’
‘… negen neurologen… waren sceptisch’
Punt voor punt wordt het verhaal achter Het Zoutpad uit elkaar gehaald.
Ten eerste zijn Raynor en Moth Winn niet de ‘echte’ namen van Sally en Tim Walker.
Ten tweede onthulde The Observer dat het echtpaar financiële problemen had om andere redenen dan de mislukte zakelijke investering die ze beweerden te hebben. Als parttime boekhouder voor een makelaar en taxateur werd Sally ervan beschuldigd £64.000 van de rekeningen van het bedrijf te hebben weggesluisd. Hierover werd gemeld dat ze door de politie was gearresteerd en verhoord.
Ten derde waren het de oplopende schulden die ze hadden door de schikking met haar voormalige werkgever, naast andere schulden, die er feitelijk toe leidden dat hun huis in beslag werd genomen en ze dakloos werden. Dus niet de mislukte zakelijke investering.
Ten vierde waren ze niet echt dakloos, aangezien ze een woning bezaten in Frankrijk, in de buurt van Bordeaux. Hoewel deze in vervallen staat en onbewoonbaar was, hadden ze eerder ter plaatse in een caravan gewoond.
En dan ten slotte, in een onthulling die de kern van het verhaal van hun gezamenlijke reis ondermijnde, merkten medische experts op dat het uiterst twijfelachtig was dat Moth al 18 jaar aan corticobasale degeneratie (CBD) leed. De journalist had met negen neurologen contact gehad, en dit was de de consensus. Niet alleen waren Moths symptomen niet wat verwacht werd, de normale levensverwachting met de aandoening was ook tragisch kort: zes tot acht jaar.
The Observer, dat verschillende onderdelen van het onderzoek samenvoegende, legt de lat hoog wat betreft het belang van ‘waarheid’: Het is onacceptabel dat er een idee van waarheid wordt aangepraat wanneer belangrijke passages in het boek verzonnen zijn. Er zijn zowel ‘…zonden van nalatigheid als van nalaten’:
‘Het verhaal bevat ongetwijfeld elementen van waarheid, maar het geeft ook een verkeerd beeld van wie ze waren, hoe ze aan hun reis begonnen en de financiële omstandigheden die de achtergrond vormden.’
Maar denk ik dan: het leven is echter ingewikkeld en er zijn altijd twee kanten aan een verhaal.
In een reactie op haar website beantwoordt Raynor Winn elk van de beschuldigingen één voor één. Te midden van de storm van venijn en bedreigingen die online door het artikel werd ontketend, protesteert ze dat ‘… [het] grotesk oneerlijk en zeer misleidend is en erop gericht is mijn leven systematisch te ontleden.’
Het meest verontrustend is hoe Moth getraumatiseerd is door de suggestie dat zijn diagnose verzonnen is. Naast haar verklaring online heeft Winn brieven van de neurologen die Moth behandelen geplaatst, die zijn diagnose en het verhaal in het boek bevestigen.
Wat betreft de beschuldigingen van verduistering, geeft ze toe dat er problemen waren met een voormalige werkgever. Er werden beschuldigingen ingediend bij de politie en ze werd erover ondervraagd. Er werd echter geen aanklacht ingediend en er werd een schikking getroffen, waaronder het terugbetalen van geld.
‘Alle fouten die ik in de loop der jaren op dat kantoor heb gemaakt, betreur ik ten zeerste, en het spijt me oprecht.’ zegt Raynor Winn
Dit was echter niet de mislukte zakelijke deal die aan de basis lag van hun financiële problemen en die hun dakloosheid en zo het Salt Path-verhaal in gang zette.
Winn meldt dat het pand in Frankrijk een eigen, losstaand verhaal. Toen ze op het dieptepunt van hun problemen overwogen het te verkopen, schatte een lokale Franse makelaar het als vrijwel waardeloos en vond het zinloos om het op de markt te zetten.
Uiteindelijk kozen ze ervoor om zichzelf niet failliet te laten verklaren en hun schulden kwijt te schelden. In plaats daarvan sloten ze een overeenkomst met hun schuldeisers voor minimale aflossingen. Het succes van het boek heeft ervoor gezorgd dat al hun schulden zijn kwijtgescholden.
Wat resteert is de impliciete beschuldiging dat ze niet zijn wie ze beweerden te zijn, dat ze zich verschuilen achter pseudoniemen en niet hun ‘echte’ namen gebruikten. Ze legt uit dat de reden waarom Sally Ann en Tim Walker Raynor en Moth Winn heten, eigenlijk heel eenvoudig is.
In de beginjaren van hun relatie vertelde ze Moth hoezeer ze het niet prettig vond om Sally Ann genoemd te worden en dat ze liever de achternaam Raynor had gehad. Moth noemde haar vanaf dat moment Ray. Winn is haar meisjesnaam. En wat Moth betreft, zijn naam is Timothy dus Moth is op TiMOTHy te herleiden.
Nadat ik het boek had gelezen en de film eerder deze zomer had gezien, was ik vooral onder de indruk van The Salt Path. De menselijkheid van hun verhaal, de reis die ze hadden gemaakt en de inzichten in een goed geleefd leven die het bood.
Toen de bom van The Observer barstte, zakte mijn hart in mijn schoenen. Moraalridders klommen hoog te paard en Raynor Winn werd publiekelijk aan de schandpaal genageld.
Ze trok zich vervolgens terug uit haar aanstaande Saltlines-tournee, waarbij ze tijdens een reeks evenementen voor zou lezen uit haar boeken. Uitgeverij Penguin werd ook opgeroepen om de publicatie van haar volgende boek, dat in oktober zou verschijnen, te annuleren.
Echter, terugkijkend op de onthullingen over het Salt Path-verhaal, vind ik het verhaal nog beter. En om precies dezelfde redenen als voorheen. Omdat het ons het leven weerspiegelt zoals we dat kennen, zoals de levens die we leiden.
Om te beginnen is het leven rommelig. Soms is het zelfs troebel, vol misverstanden, verkeerde interpretaties en geconstrueerde verhalen. Ja, wie van ons heeft nog nooit een fout gemaakt, een verkeerde beslissing genomen of een verkeerde keuze gemaakt, ‘uit zwakte, uit onwetendheid of door onze eigen opzettelijke schuld’? Lijken in vele kasten hebben we allemaal, toch?
En vervolgens, op basis daarvan, creëren we allemaal ons eigen levensverhaal. Of het nu gaat om het samenstellen van onze online aanwezigheid met de afbeeldingen die we op sociale media plaatsen, of de anekdotes die we delen en het gezicht dat we laten zien aan degenen die deel uitmaken van ons dagelijks leven. De aantrekkingskracht is altijd gericht op een versie die ons in het beste daglicht stelt.
Sterker nog, het kan zelfs gaan om de verhalen die we over onszelf vertellen, over onszelf. De interpretatie van wat ons is overkomen en waarom. Interpreteren hoeveel van onze ervaring te danken is aan wat ons is aangedaan of het resultaat is van onze eigen verantwoordelijkheid.
Wanneer we dus de verleiding voelen om iemand af te schrijven vanwege wat hij of zij heeft gedaan, doen we er goed aan om te reflecteren op onze eigen ervaring. Dan zijn we misschien wel dankbaar dat we niet zijn afgeschreven vanwege onze eerdere misstappen. Dit verhaal houdt onszelf dus ook een spiegel voor. Want ondanks het feit dat ze decennialang in kleine, landelijke gemeenschappen hebben gewoond, heeft niemand tijdens de hele controverse rond The Salt Path bijvoorbeeld gezegd dat de Winns of de Walkers misschien wel goede buren waren. Hierover spreken zou zomaar hun volgende avontuur of weer een bestseller kunnen worden.
Verder denk ik aan hoe Jezus zich in zulke omstandigheden gedroeg. Toen een zelfingenomen groep mensen in de Bijbel in Johannes 8 snel een oordeel wilde vellen over de gebrekkige seksuele keuzes van een vrouw, moedigde Jezus degenen die geen schuld hadden aan om als eersten in actie te komen. Langzaamaan beseften ze allemaal wat hij zei en dropen af.
Ik heb het onderstaan gebed van boetedoening altijd enorm nuttig gevonden. Het houdt ons gegrond in de realiteit van onze eigen ervaring en zou ons moeten waarschuwen om anderen niet af te schrijven:
‘Almachtige God, onze hemelse Vader, wij hebben tegen U gezondigd en tegen onze naaste in gedachten, woorden en daden, door nalatigheid, door zwakheid, door onze eigen opzettelijke fout. Het spijt ons oprecht en we berouwen al onze zonden. Omwille van uw Zoon Jezus Christus, die voor ons gestorven is, vergeef ons al het verleden en geef dat wij U mogen dienen in een nieuw leven tot eer van uw naam. Amen.’
Voor al onze lijken in al die kasten is er vergeving.
Voor wat voor ons ligt, hebben we de mogelijkheid om opnieuw te beginnen.
Iemand anders die zich kort na de eeuwwisseling tot het christendom werkte op de Zuidas vertelde mij over zijn leven: Het enige doel van zijn kantoorethos was om in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk geld te verdienen; Mede-werknemers verdwenen op vrijdagmiddag in toilethokjes om drugs te snuiven.
Als nieuwe bekeerling verliet híj daarentegen het kantoor om tijdens de lunchpauze de mis bij te wonen. Dat voelde enorm tegencultureel. ‘Ik las’ zei hij ‘bij Dietrich Bonhoeffer dat wanneer Christus een man roept, gebiedt Hij hem te komen en te sterven.’
Een jaar later zegde hij zijn baan op om theologie te studeren.
De apostelen van Jezus legden destijds hun netten niet neer om vissers van mensen te worden. De mystici putten zichzelf uit door te vasten; dat deden ze niet om onze vrijheid van meningsuiting te verdedigen. De martelaren stierven niet voor de goede onderwijsresultaten van stabiele gezinnen. Centraal in alles wat beweert christelijk te zijn, moet altijd de verstorende realiteit staan van levens die worden geleefd en samenlevingen die worden geleid op manieren die niet onze keuze zijn.
Al deze gedachten kunnen in een notendop worden samengevat, maar verder ook eindeloos worden uitgewerkt. De korte versie zou een bekentenis moeten bevatten dat ons leven een doel heeft. Nadenken over de verdwijning van het christendom is van belang omdat de kerk het stevigste vat is voor het behoud van waarden zonder welke de beschaving zal vergaan. Én omdat de christelijke leer verder gaat in het volhouden dat onze menselijke zoektocht naar liefde en vreugde één is met de orde en het doel van de wereld als Gods schepping.
Laatst zat ik op een mooie zomeravond in de tuin, genoot van een goed boek en de rust om mij heen. Maar plotseling werd ik opgeschrikt door een zoemend geluid – ik dacht dat we al weer last kregen van wespen; ik had namelijk wat zoetigheden op tafel staan. Ik keek om me heen om de wespen te ontdekken, maar ik kon niets waarnemen. Uiteindelijk keek ik omhoog: Het geluid was niet afkomstig van wespen, maar van een drone die boven mijn hoofd zweefde. Ik zal die sensatie nooit vergeten; het griezelige gevoel dat iets je in de gaten hield.
In een recent verslag over de oorlog in Oekraïne documenteert een journalist het inmiddels wijdverbreide gebruik van drones. De journalist schuilt met Oekraïense soldaten onder de dekking van het bos terwijl een Russische drone het gebied scant. Ten langen leste kunnen ze naar hun auto vluchten, waarin een AI-stem zegt: ‘Detection: multiple drones, multiple pilots, high signal strength‘, terwijl ze rondom je heen zoemen. Dit is het nieuwe tijdperk van geheime oorlogsvoering, waarbij de vijand toeslaat zonder gemakkelijk te identificeren te zijn. Je hoort het gezoem, maar de bron is ongrijpbaar.
In de komende jaren zal dit soort psychologische oorlogsvoering zijn intrede doen in Westerse steden. Terroristische aanslagen zullen verschuiven van persoonlijke confrontaties naar anonieme aanvallen op afstand: drones die vanuit het buitenland naar steden vliegen om burgers aan te vallen, of zwermen drones die massale aanvallen uitvoeren in dichtbevolkte stadscentra. Het doel zal zijn om psychologisch trauma op grote schaal te veroorzaken. Burgers zullen aarzelen om hun huis te verlaten, overgevoelig voor het gezoem van anonieme drones in hun eigen wijk. Volgens Michiel Driebergen gebeurd dit al Oekraïense steden. En onlangs heeft Iran verklaard dat geen enkele Amerikaanse, Britse of Franse basis veilig is voor represailles in de Israëlisch-Iraanse oorlog. Het is dan ook niet moeilijk voor te stellen dat ook Westerse steden binnenkort als legitieme doelwitten zullen worden beschouwd.
We gaan een tijd van geïntensiveerd conflict tegemoet, waarbij nationale veiligheid het dominante kader voor beleidsvorming wordt. ‘Veiligheid’ zal beleidspunt nummer één worden van de overheid en ook de komende verkiezingen zullen ook draaien om de vraag welke partij en leider de Nederlanders het beste kan beschermen tegen externe bedreigingen. In deze context worden zelfs domeinen die ooit door samenwerking werden beheerst, getransformeerd worden tot wedlopen geïnstigeerd vanuit het eigen (lands)belang, omdat het kader voor nationale veiligheid van nature de focus verschuift van wederkerigheid naar beperking van de ander.
Vrijhandel bijvoorbeeld – in wezen de wederzijds profijtelijke uitwisseling van goederen en diensten als onderdeel van de waardecreatie – wordt in een op veiligheid gerichte wereld een kwestie van inperking. Handel, in een op veiligheid gerichte wereld, wordt op zijn kop gezet, waardoor vrijhandel verandert in handelsoorlogen. Eerlijkheid (waarin de taart wordt verdeeld over meerdere mensen) wordt vervangen door belangen, of het nu gaat om belangen van landen of gemeenschappen en individuen daarbinnen die zichzelf willen beschermen. Naarmate de concurrentie tussen de VS en China escaleert, kunnen we verwachten dat menselijke relaties – tussen zowel staten als burgers – nog meer een alles-of-nietsspel zullen worden.
Doen morele waarden er in zo’n omgeving nog toe? Wanneer de vijand in een tijdperk van nationale veiligheid steeds meedogenlozer en innovatiever wordt, moeten we dan net zo hard optreden als hij? Of is het nog steeds mogelijk om principes hoog te houden en onszelf tegelijkertijd te verdedigen?
Tegenwoordig zou je kunnen denken dat gebaren van non-agressie – zoals de vernietiging van zijn voorraad van één miljoen landmijnen door Finland in 2015(!) – nu gevaarlijk naïef lijken. Oekraïne – en ook enkele Baltische staten – heeft onlangs van zijn kant heeft terecht het verdrag van de Ottawa-conventie (dat clustermunitie verbiedt) opgezegd. Want hun voortbestaan hangt af van vindingrijkheid, van snelle technologische ontwikkeling en samenwerking met bondgenoten om geavanceerde systemen te prototypen en te implementeren.
De Amerikaanse theoloog Reinhold Niebuhr stelde in zijn artikel ‘Moral Man and Immoral Society’ dat men om moreel te zijn, het vermogen tot geweld moet bezitten; ‘macht moet worden uitgedaagd door macht.’ Die macht moet echter worden uitgeoefend met verantwoordelijkheid, nederigheid en een moreel doel. Je kunt vervolgens stellen dat oorlog gerechtvaardigd kan worden wanneer deze voldoet aan de criteria van jus ad bellum: een rechtvaardige reden, legitiem gezag, juiste intentie, proportionaliteit en een redelijke kans op succes.
Oorlog kan in deze interpretatie een ‘vriendelijke hardheid’ uitdrukken: een vorm van oordeel die wordt toegepast ter verdediging van slachtoffers. Niebuhr baseert zijn argument op het Augustijnse realisme: de wereld is fundamenteel goed, maar toch gebroken. Omdat het kwaad blijft bestaan, wordt het morele gebruik van geweld noodzakelijk om te handhaven wat juist is. Ik geloof dat dit waar is en direct toepasbaar op de op nationale veiligheid gerichte wereld waarin we ons bevinden.
Wat betekent dit dan voor westerse landen, nu nationale veiligheid zich opnieuw manifesteert als het centrale organiserende principe van bestuur?
Dit vereist aanzienlijke en dringende investeringen in defensie en deep tech, waaronder bijvoorbeeld opkomende mogelijkheden zoals cognitieve oorlogsvoering en wearables die de prestaties van soldaten in gevechten verbeteren, anti-dronesystemen voor stedelijke, landelijke en maritieme omgevingen, en elektronische oorlogsvoering en geospatiale intelligentie van de volgende generatie.
Als droneaanvallen op zee toenemen – zoals die welke door de Houthi’s worden uitgevoerd om wereldwijde scheepvaartroutes te verstoren – zullen anti-dronesystemen essentieel zijn om een veilige doorgang te garanderen. In een wereld van gemanipuleerde verhalen en desinformatie zal geospatiale intelligentie dienen als een bron van waarheid en helpen vaststellen wat er daadwerkelijk op de grond gebeurt. En naarmate AI steeds beter in staat is om gebruikers te manipuleren – door middel van vleierij, overreding en andere technieken – zullen toezichttechnologieën essentieel zijn om objectiviteit en integriteit te behouden.
Verantwoord geweldsgebruik sluit tegenwoordig pacifisme uit en voorkomt geweld volledig. Het betekent het behoud – en de ontwikkeling – van de mogelijkheid tot overweldigende macht, zodat deze klaar is voor gebruik indien nodig. Moraliteit in een tijdperk van nationale veiligheid vereist snelle investeringen in defensietechnologieën om tegenstanders meerdere stappen voor te blijven. Een ‘gehele samenleving’-aanpak betekent burgers voorbereiden met een dergelijke mentaliteit. Terughoudendheid en nederigheid zijn nog steeds cruciale deugden, maar mogen niet worden verward met zwakte. Westerse landen moeten bereid zijn om snel, daadkrachtig en met de afschrikkende kracht te handelen die vrede vereist.
Dit is de wereld die we betreden: een wereld waarin zowel regeringen als burgers voorbereid moeten zijn op onverwachte dreigingen. Het gezoem van een drone boven ons hoofd is meer dan een geluid; het is een waarschuwing, die niet alleen Oekraïners, maar ook degenen die zich momenteel in een vreedzame situatie bevinden, eraan herinnert zich voor te bereiden op mogelijke conflicten die eraan komen. De gepaste reactie is niet terugtrekken, maar het verantwoord en moreel uitoefenen van macht: een noodzakelijke plicht als we vrede, vrijheid en rechtvaardigheid willen behouden in een wereld die er steeds meer op gebrand is deze te bestrijden.
Veel mensen gingen ervan uit dat Hirsi Ali’s stap meer neerkwam op een erkenning van de rol van het christendom in het veiligstellen van sociale vooruitgang dan bijvoorbeeld op een acceptatie van de geloofsbelijdenis van Nicea. Ze schrijft ook dat ze beetje bij beetje leert over het geloof terwijl ze zondag na zondag naar de kerk gaat. Net als andere christenen wil ze nu misschien een stapje verder gaan. De redenen hiervoor zijn zowel filosofisch als theologisch. Filosofisch gezien, omdat het behoud van de joods-christelijke culturele erfenis niet verward moet worden met voorouderverering. Deze tradities kunnen en moeten worden gerechtvaardigd als uitingen van onze waarheidsgetrouwe zoektocht naar het goede, het ware en het schone.
En de fundamenten zijn theologisch, Het gaat over geloof en hoop op een reis van ballingschap door een wildernis naar bronnen van levend water. Karl Barths politieke standpunt is gebaseerd op de Bijbel. Het radicale voorbehoud van het christendom ten aanzien van ‘de wereld’ van ‘vorstendommen en machten’ komt voort uit een gevoel van chronische gebrokenheid in de menselijke conditie en de corruptie van zelfs onze nobelste idealen. Kortom, we worden gekenmerkt door de erfzonde, wat op zijn beurt een zoektocht naar genezing genereert die opnieuw wordt gepresenteerd in de liturgie. De Bergrede springt er voor mij met name uit. Die preek vraagt hoe u staat, hoe u geplaatst bent als het gaat om ontvangen, geven en gebaren van verzoening en inclusie maken. …
Voor veel mensen is dit dus de periode van ‘op vakantie gaan’. Toen ik vorig jaar hoorde van een computerstoring die ook wereldwijd het vliegverkeer platlegde en de dreigende stakingen op Schiphol dit jaar had ik een beetje medelijden met de vakantiegangers die hier ook mogelijk de dupe van waren geworden.
Ja, we zeggen dan wel ‘het gaat niet om de bestemming. Het gaat om de reis.’ Maar ik denk dat het bij veel van die mensen waarschijnlijk ook wel een beetje om de bestemming ging.
Ook de christelijke boodschap is dat de bestemming én de reis eigenlijk onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Ten eerste is de kerk, als ze klein genoeg is, een plek ‘waar iedereen je naam kent’. Iedereen kent elkaars naam, ze vieren samen feest, rouwen samen een mix van overtuiging, medeleven en gemeenschap. In grotere kerken, ken je misschien niet iedereens naam, maar er is de overeenkomst dat je dezelfde bestemming in gedachten hebt. De scepticus zou kunnen zeggen dat het gewoon een ticket naar de hemel is, maar het beeld dat de Bijbel schetst van de eeuwige realiteit wordt duidelijk weerspiegeld in de reis van week tot week: een plek van bestemming waar alle mensen van elke stam en natie samenkomen. Het is een plek waar we de toekomst in kunnen worden gekatapulteerd.
En dan is er nog het kruis zelf. De evangelieschrijver Lucas zegt dat ‘Jezus vastberaden op weg ging naar Jeruzalem’. Hij had zijn bestemming in gedachten. En het kruis was de ‘bestemming’ voor Jezus. Maar er was ook een verdere reis te gaan. Zou het kunnen dat wat de kruisiging en wederopstanding van Jezus voor ons opent niet alleen een eeuwige bestemming in de toekomst is, maar ook een reis vandaag de dag waar het gezelschap van God ook de bestemming is?
Misschien is dat wat het betreden van een kerk voor ons vandaag of in de vakantie kan betekenen: de drempel naar de toekomst oversteken en de plek voor het eerst kennen.
Maar we kunnen deze enorme krachten niet pareren als we de vraag niet kunnen beantwoorden: wat is het dan dat ons verenigt? En het antwoord dat ‘God dood is!’ lijkt onvoldoende. Dat geldt ook voor de poging om troost te vinden in de op regels gebaseerde liberale internationale orde. Het enige geloofwaardige antwoord ligt, geloof ik, in ons verlangen om de erfenis van de Joods-christelijke traditie hoog te houden.
Die erfenis bestaat uit een uitgebreide reeks ideeën en instellingen die zijn ontworpen om het menselijk leven, de vrijheid en de waardigheid te beschermen – van de natiestaat en de rechtsstaat tot de instellingen van wetenschap, gezondheid en leren. Zoals Tom Holland heeft aangetoond in zijn prachtige boek Heerschappij, vinden allerlei ogenschijnlijk seculiere vrijheden – van de markt, van het geweten en van de pers – hun wortels in het christendom. ‘Ik ben tot het besef gekomen dat mijn atheïstische vrienden door de bomen het bos niet meer zagen. Het bos is de beschaving die is gebouwd op de Joods-christelijke traditie; het is het verhaal van het Westen, met alle gebreken van dien. De kritiek op tegenstrijdigheden in de christelijke leer is serieus, maar ook te beperkt van opzet.
Toch zou ik niet eerlijk zijn als ik mijn omarming van het christendom uitsluitend toeschreef aan het besef dat atheïsme een te zwakke en verdeeldheid zaaiende doctrine is om ons te versterken tegen onze dreigende vijanden. Ik heb me ook tot het christendom gewend omdat ik uiteindelijk het leven zonder enige spirituele troost ondraaglijk vond, in feite bijna zelfdestructief. Atheïsme kon geen antwoord geven op een simpele vraag: wat is de betekenis en het doel van het leven?’
Gegeven de gedachten in mijn vorige webpost over dit onderwerp is het misschien minder verrassend dan op het eerste gezicht lijkt dat de in Somalië geboren ex-moslim en feministische campagnevoerder Ayaan Hirsi Ali eind 2023 aankondigde zichzelf nu een cultureel christen noemde. Dit was zeer opvallend omdat Hirsi Ali werd gezien als bondgenoot van Richard Dawkins en andere atheïsten. Ze stelde zichzelf daarover twee vragen: ‘Wat is er veranderd?’ en ‘Waarom noem ik mezelf nu een christen?’
Het is de moeite waard om haar antwoorden uitgebreid te bespreken: ‘Een deel van het antwoord’ zei ze ‘is gegeven in wereldwijde veranderingen; De westerse beschaving wordt bedreigd door drie verschillende, maar verwante krachten: de heropleving van het autoritarisme en expansionisme van de grootmachten in de vorm van de Chinese Communistische Partij, het Rusland van Vladimir Poetin en het Amerika van Donald Trump; ook het wereldwijde islamisme, dreigt de bevolking tegen het Westen te mobiliseren; en met de virale verspreiding van dewoke-ideologie, de morele vezels van de volgende generatie aan te tasten.
We proberen deze bedreigingen af te weren met moderne, seculiere middelen: militaire, economische, diplomatieke en technologische inspanningen te verslaan, om te kopen, te overtuigen, te sussen of te bewaken. En toch verliezen we met elke ronde van conflicten terrein. We raken ofwel door ons geld heen, met onze staatsschuld van tientallen miljarden dollars, of we verliezen onze voorsprong in de technologische race.’