Soms kan je een gevoel van somberheid bekruipen,
als je het nieuws een beetje volgt.
Coronadoden, gijzelingen, moord, corruptie geweld van allerlei aard.
Het gaat maar door.
Het ene slechte nieuws is nog niet gekomen
of andere slecht nieuwsberichten staan al weer klaar.
Crisis, problemen, tegenslagen,
ze verdringen het goede en mooie dat er ook is zomaar naar de rand.
En dat in de grote wereld, maar soms ook zo akelig dichtbij.
De teleurstelling in je relatie, de lastige dingen op je werk,
je gezondheid die zo ineens anders loopt. Je komt er niet los van.
Een documentaire over oorlogsveteranen
die voor de VN waren uitgezonden op missie kreeg als titel:
oorlog in je hoofd.
Deze mannen en vrouwen zijn teruggekeerd uit de strijd
maar worden sindsdien geplaagd door PTSS:
post traumatische stress stoornissen.
Zij vieren weliswaar thuis kerst met geliefden rond de kerstboom.
Maar in hun hoofd, hun hart, hun onderbewuste
woedt de oorlog volop voort. Om moedeloos van te worden.
We maken ons klaar om Kerst te vieren,
maar is er sinds de komst van Jezus
wel echt wat in deze wereld veranderd?

Je hoeft geen oorlogsveteraan te zijn om dit te herkennen.
Die oorlog, die onvrede kun je tegenkomen in je eigen hart.
De monnik en schrijver Anselm Grün schrijft ergens:
we verlangen allemaal rusteloos naar iets,
vooral naar rust, tevredenheid en acceptatie. Naar God dus.
En, zegt Grün, steeds weer zoeken we onze eigenwaarde
in bezit, geld, zekerheid, aandacht, erkenning, bewondering,
seks, eer en macht.
Maar, zegt hij, dat leidt tot ‘hebzucht, jaloezie, controledwang, geroddel, narcisme en geweld.
Of altijd maar de lieve vrede willen bewaren.
Of geen minuut zonder die smartphone kunnen.
Eindeloos veel diploma’s willen halen. Altijd iets nuttigs willen doen. Door je werk geen tijd voor je gezin hebben.
Voor alles een verzekering afsluiten.
Piekeren over of je het wel goed genoeg doet.’ Aldus Grün

Wat zijn uw en mijn vijanden? Hebben wij vijanden?
Van welke vijanden zouden we verlost willen worden?
Misschien zegt iemand:
voor zover ik weet heb ik geen vijanden en daar ben ik blij mee.
In onze belevingswereld nu klinkt veelmeer de roep om verbinding.
Het woord ‘verbinding’ is het woord, dat nu meteen referenties oproept, niet het woord vijandschap.
Het woord ‘vijandschap’ lijkt ons terug te brengen in een wij-zij denken, waarvan de meeste mensen in het beschaafde Westen vinden,
dat we daarvan af moeten.

Moeten we dan misschien veelmeer aan geestelijke machten denken,
zoals vanouds de doodsvijanden, de duivel , de wereld en ons eigen vlees, beschreven werden.
Of zouden we nog een andere kant op moeten denken:
vijanden als samenvattend woord voor alle machten en krachten
in de schepping en de geschiedenis,
die het goede leven kapot willen maken?
Dan komen we in onze tijd snel uit bij het Covid-19 virus.
Vooral in het begin van de pandemie werd vaak oorlogsretoriek gebruikt om de strijd tegen dit virus aan te duiden.
In de dagelijkse werkelijkheid hebben ook wij het er over,
dat we samen het corona virus eronder zullen moeten krijgen.
Maar wie hier publiek durft te spreken
over een vijand waarvan we verlost moeten worden,
wordt meewarig aangekeken of erger: ervan verdacht
te behoren tot een gevaarlijke sekte.
Dat geldt niet alleen het coronavirus.
Wij moeten als mensen met en voor elkaar dingen oplossen: natuurwetenschap, medische wetenschap en techniek
kunnen ons daarbij helpen.
Ook de geesteswetenschappen, zoals psychologie en psychiatrie
kunnen behulpzaam zijn.
Het woord verlossen behoort tot het vocabulaire van de theologie,
een wetenschap die buiten de christelijke bubbel
geen enkele indruk lijkt te maken.
Spreken wij niet vanuit een luxe positie?
Wanneer wij het niet op een akkoordje willen gooien
met de machten van het kwaad,
krijgen we dan niet als vanzelf vijanden?
Wanneer wij door het geloof,
door de goede keuze te maken aan Gods kant komen te staan,
dan begint de strijd allereerst al in ons eigen hart.
‘Het goede dat ik wil, doe ik niet, het kwade, dat ik niet wil, doe ik’.
Vervolgens lopen we ook op tegen alles
wat in strijd is met Gods wil in deze wereld:
onrecht, vernietiging van Gods schepping, machtswellust,
onderdrukking en al die andere dingen, waar onze wereld vol van is, vlakbij soms ook op ons werk, in onze kring van bekenden.
Probeer er maar eens iets van te zeggen,
probeer maar eens even het sluiten van compromissen te vermijden
en je zult merken dat je vijanden hebt eer je er erg in hebt
en soms helemaal in strijd met je vredelievende karakter.

Verkijk je dan niet op dat kind in de kribbe. Jezus Christus.
Je eerste indruk is misschien: vertederend,
schattig en een klein beetje zielig.
Maar hier in de kribbe ligt iemand die als namen krijgt:
Wonderbare Raadsman, Goddelijke held, Eeuwige vader, Vredevorst.
Hij zal al snel deze kribbe en de doeken achter zich laten
en op een heel eigen manier zijn heerschappij zichtbaar maken.
Een vorst van de vrede zijn. Ja, vrede zal van zijn leven echt de kern zijn. Hij zal vrede mét God tot stand brengen
en ook de vrede ván God realiseren.

Hij zal de strijd aanbinden met de diepere oorzaken van onze onvrede.
De zonde die ons onze bestemming doet missen
zal hij op zich nemen naar het kruis, het daar verzoenen en wegdragen.
De boze machten die ons bezetten en binden.
Ons van onze vreugde en vrede beroven zal hij onttronen en overwinnen.

Vrede op aarde, scanderen de engelen.
Het Bijbelse woord vrede betekent meer dan afwezigheid van oorlog.
Het Griekse woordje dat hier staat: ‘eirene’
gaat terug op het Hebreeuwse shalom.
Het betekent zoiets als: op orde brengen, alles op zijn plaats zetten. Kerkvader Augustinus zei dat heel mooi:
vrede is de kalmte die komt uit orde.

Vrede is daar waar evenwicht is, balans.
Alle dingen de juiste plaats en proporties hebben.
Deze vrede zorgt ervoor dat je als mens
in al je relaties tot je volle bestemming mag komen.
In verhouding tot God, tot jezelf en de ander.
Hoor hoe de hemelse strijders het uitroepen.
Eer aan God in de hoge, vrede op aarde.
Eerst: eer aan God.
En dan en op die manier ook: vrede.

klok

We moeten het dit jaar ook zonder die typische kerstsfeer doen.
Dit jaar even niet met elkaar in een volgestopte kerk,
met lichtjes en een uitbundig Ere zij God.
Ook dat zal behoorlijk gemist worden.
Kerst is normaliter een feest van eensgezindheid en warmte,
maar nu zit iedereen ergens anders, in eigen huizen,
eigen bubbels, eigen zorgen.
We zijn verspreid en geestelijk is er ook verstrooiing.

‘Ik bespeur ook veel verlangen’,
zei één van de collega’s uit de werkgemeenschap van predikanten.
Dat herken ik wel.
Ook ik proef verlangen naar een betere tijd.
Verlangen naar de fysieke ontmoeting van de geloofsgemeenschap.

Verlangen ook naar gedeeld geloof, misschien?
Zou dat verlangen, hoe diffuus ook,
een aanknopingspunt bij Maria kunnen zijn?
Die verwachting komt dan tot klinken wanneer Maria gaat zingen.
Daarbij treedt Maria toe tot een rijtje zingende vrouwen in de Bijbel: Mirjam, Debora, Hanna, en Judith.
Het is belangrijk om hier oog voor te hebben,
want hieruit blijkt dat Maria’s lied niet voortkomt
uit haar persoonlijke gemoedstoestand of bevinding.
Het gaat om het juiste perspectief.
God heeft niet zozeer een rol gekregen in Maria’s leven,
maar Maria heeft een rol gekregen in Gods plan met Israël.
Maria zingt mee in het koor van de verdrukten.
Haar Magnificat is een regelrecht protestlied.
Alles wordt op losse schroeven gezet en omgekeerd.
Dat ‘alles’ heeft vooral betrekking op macht en vermogen,
politiek en economie. God neigt naar berooide mensen.
In dit lied, dit gebed kiest Maria positie voor de vromen,
de nederigen en de hongerigen.
De gelovige staat samen met berooide mens tegenover de hoogmoedigen, de machtigen en de rijken.
Het jaar 2020 was een jaar van verstrooiing en versloffing.
We zijn moe en snakken naar de aanraking van boven,
want die ervaren we minder nu de volle kerk ontbreekt,
nu we geen daverend slot– of morgenlied zingen.
God kan ver weg voelen en we verlangen nu juist Zijn nabijheid.
Maar dit verlangen – als we het hebben – vraagt om gebed,
en veel spirituele toewijding.
Het evangelie komt niet zomaar ons leven binnenfietsen.
Er moet wel plek zijn om te landen.
Geloven wij wel werkelijk dat God zich in ons leven zal melden
als wij ons net als Maria toeleggen op het gebed?
In het spoor van kerkvader Augustinus kun je zeggen
dat mensen niet gevormd worden door kennis, maar door verlangen.
Niet ‘wat wij weten’ vormt en verandert ons, maar wat wij liefhebben.
Niet het hoofd, maar het hart maakt wie wij zijn.
Maria zingt in het koor van de verdrukten.
Wie hoog en droog zit, valt naar beneden, en wie laag
bij de grond stond, wordt verhoogd.
Dat is heel radicaal en bij Lucas is armoede ook echt armoede.
Ik denk dat het goed is om het appel van Maria’s protestlied te laten staan:                                                         ‘Wees maar niet al te verknocht aan je mooie, geïsoleerde huis met visgraatvloer, want God keert alles om.’

Hoe ik deze tijd beleef? Ik ervaar wat denk ik iedereen van ons ervaart. Een verlangen naar verlossing.
Verlost te worden van de angst op besmettingen en van protocollen
die alle spontaniteit noodgedwongen wegdrukken.
Verlost te worden van de constante stroom aan berichten
over besmettingen, ziekenhuisopnames, overlijdens,
maatregelen en overtredingen.
Verlost te worden van de eenzaamheid.
Verlost te worden van het afstand houden.
Verlost te worden van een kerk
waarin je maar een beperkt aantal mensen ziet en niet mag zingen.
Het valt me op hoe vatbaar wij mensen zijn, ook wij kerkmensen.
Vatbaar voor berichten over nepverlossing.
Vatbaar voor complotdenken, ook in de kerk.
Ook mensen die hoogopgeleid zijn, een prima baan hebben
en een fijn sociaal netwerk. Ze hebben grootste kritiek op de regering,
op de maatregelen, op nieuwe vaccins en ontwikkelaars daarvan.
Ze prediken een ‘verlossing’, nog met een christelijk sausje ook.

Maar wat is de boodschap die verlost?
Deze weken en deze dagen staan bol van gesprekken over Kerst:
hoe gaan we Kerst vieren?
Hoeveel mensen mogen aanschuiven bij het Kerstdiner?
De gesprekken domineren persconferenties en talkshows.
En ik begrijp het, maar ervaar het ook als bevreemdend,
nog meer dan vorige jaren.
Wat me opvalt is dat ik weinig hoor over Advent.
Oftewel: we willen snel doorspoelen,
fast forward, naar ‘verlossing’ zonder eerst de tijd te beleven van wachten, stil worden, inkeer, en voorbereiding.
Misschien omdat we denken
dat we die al ruimschoots hebben gehad als samenleving.
Toch wordt het geen Kerst zonder Advent.
Geen feest zonder wachten, stil worden voor God en inkeer,
en vergeving vragen voor wat scheef zit.

In het begin van de coronacrisis las ik een reactie
op de situatie waar we in verkeren.
Bisschop Steven Charleston schreef:
‘Nu is de tijd waarvoor ons geloof ons heeft voorbereid.
Nu is het moment dat we alles wat we geloven,
kunnen inzetten. (..)
we zijn niet bang voor deze crisis want we zijn erop voorbereid.
We hebben ons leven gewijd aan het geloof
dat er iets is dat groter is dan angst en ziekte.
We hebben geleerd en gebeden en zijn gegroeid in de Geest.
Nu kunnen we in de praktijk brengen wat we geloven.
Onze mensen hebben hoop nodig, vertrouwen, moed en compassie.
Precies de dingen waar wij voor zijn getraind.
Wij zijn de kalmte middenin de storm.
Dus laat je licht schijnen
zodat andere mensen het zien en ook vertrouwen krijgen.’
Toen ik het voor het eerst las vond ik het mooi.
Het sprak me aan, want het is positief; het is hoopgevend.
En dat hebben we nodig, juist nu.

Als je het Bijbelse verhaal van Zacharias uit Lukas 1 er naast legt wordt je is echter ontnuchterd.
Daar aan moest ik denken bij de reactie van Charleston op de crisis.
Zacharias behoorde tot de priesterorde.
Hij was zijn leven lang betrokken op de dienst aan God.
Je zou kunnen zeggen dat hij zijn leven lang had uitgekeken
naar dit moment om dient te doen in de tempel,
en het reukoffer te brengen.
Dat hij zijn leven lang juist hierop voorbereid was.
Maar op wat er dan gebeurt is hij juist niet voorbereid. Hij hapt naar adem. Hij kan de boodschap niet geloven.
Hij wordt met stomheid geslagen.
En na zijn tempeldienst zou hij buiten het volk de zegen geven.
Na het moment van het reukoffer brengen,
het andere moment suprême van zijn tempeldienst.
Als er één moment is waarop hij zou moeten spreken, dan hier wel.
En hij kan het niet. Hij, die zo was voorbereid.

Dat wij als gelovigen dus voorbereid zijn op de huidige crisis,
dat wij erop getraind zijn, dat wij het nu in praktijk kunnen brengen.
Dat wij de kalmte zijn in de storm. Dat is nogal een uitspraak.
Ik vraag het me af of het waar is.
Zacharias beleeft het grote moment waarop hij gewacht heeft,
hij al die jaren voor klaargestoomd was.
En dan… je valt door de mand… Is het erg dat we door de mand vallen? Nee, want juist dán komt het evangelie.
Juist dan blijkt waar onze kracht vandaan komt.
Juist dan blijkt wie werkelijk het verlossende woord spreekt:
de gezant van God en daarmee God Zelf, niet ik.

Maakbaarheid is een term die uitdrukking geeft
aan de menselijke ambitie om het leed uit de wereld te krijgen,
tragiek te verbannen en geluk te realiseren.
Het draait bij maakbaarheid om het perfecte leven
en de perfecte samenleving.

Vandaag manifesteert maakbaarheid zich in de prestatiemaatschappij.
Wij zijn ons leven gaan begrijpen als een persoonlijk project
dat wijzelf moeten laten slagen.
Wanneer je leven mislukt, is dat je eigen schuld,
had je maar harder moeten werken.
Daarbij ligt de lat hoog: perfectie is de norm.
De grootste vrees is middelmatigheid.

De prestatiemaatschappij wordt vergezeld door een preventiestaat.
Die gaat nog sterker uit van maakbaarheid
dan voorheen de verzorgingsstaat deed.
Beleidsinterventies worden steeds ambitieuzer en indringender.
In een preventiestaat ligt de focus niet meer op het compenseren van leed, maar op het voorkomen ervan.
In de preventiestaat draait het om een zo lang mogelijk
gezond en energiek bestaan.
Dat vormt een robuuste basis om productief door het leven te gaan. Vandaag de dag bestrijden we vooral risico’s;
van mógelijke gevaren, die zich kúnnen gaan voordoen.
Ook hier is perfectie de eis: ons mag niets meer overkomen.
En de overheid moet dat garanderen.

Dit gaat gepaard met intensieve leefstijlpolitiek:
toezicht, monitoring en nudging
(mensen een duwtje in de goede richting geven)
zijn daarbij centrale beleidsinstrumenten,
gericht op het beïnvloeden van het gedrag van individuen.

En dan ineens is er die coronacrisis.
Het immense project om het noodlot uit te bannen wordt ruw verstoord. Net als velen koesterde ik in het begin de stille hoop
dat corona een gamechanger zou zijn.
Het coronavirus zou ons kunnen doen inzien
dat maakbaarheid maar relatief is,
dat tragiek en leed altijd onder ons zullen zijn,
en dat we ons op een andere manier daartoe moeten leren verhouden.
We werden gedwongen tot rust.
Rust is bedoeld om het leven te vieren en vollediger mens te zijn.
De lockdown (nu al de gedeeltelijke tweede)
gaf bovendien de kans
om aan het juk van de prestatiemaatschappij te ontkomen.
Ineens zaten we allemaal thuis, met leeggeveegde agenda’s
in een samenleving waar niets meer te beleven viel.

Ja, ja corona als gamechanger. Hoe kon ik zo naïef zijn?
Nog onverzettelijker beten we ons vast in het ideaal van maakbaarheid.
Als in een reflex schakelden we door
naar een nóg hogere versnelling.
Haast in een oogwenk maakten we ons bestaan coronaproof,
christelijke organisaties en kerken inbegrepen,
vertolkt in een onwaarschijnlijke hoeveelheid protocollen.

We noemen dit alles ‘veerkracht’…
of is het een prestatiemaatschappij in overlevingsmodus?
We zoeken ook driftig steun bij de preventiestaat.
Die kreeg de wind nog meer in de zeilen.
Het voortdurende mantra bij persconferenties is:
‘We zullen het virus eronder krijgen’.
Elke besmetting is er één te veel
en daarom gaan we voor de zekerheid maatregelen stapelen.

Natuurlijk gaat het volk op een gegeven moment morren.
De preventiestaat moet wel de prestatiemaatschappij blijven bedienen.
En die heeft nu wel lang genoeg stilgelegen, zo vinden we massaal.
De fear of missing out wordt te groot;
uitgestippelde life-events moeten doorgang krijgen.
Daarom moet alles nu zo snel mogelijk weer normaal worden.
Begrijp me goed: natuurlijk moet er gehandeld worden;
een venijnig virus bedreigt volksgezondheid en zorgstelsel.
Maar hoe lang kunnen en willen we dit nog volhouden?
Wanneer is de rek uit onze veerkracht?
En hoeveel preventiestaat kunnen we nog opbrengen,
financieel en moreel?
Wanneer gaan we ons serieus rekenschap geven
van de fragiliteit en onzekerheid van het menselijk bestaan?

Wil de samenleving van morgen er anders uitzien,
dan zullen we dit heilloze spoor moeten verlaten.
We moeten toe naar een minder verkrampte omgang
met maakbaarheid en een meer ontspannen manier van leven,
waar de boog niet immer strak gespannen staat.

Bij uitstek de christelijk-sociale traditie
biedt een variëteit aan bronwoorden voor deze heroriëntatie.
Tragiek raken we nooit helemaal kwijt
en we kunnen ons daar maar beter mee verzoenen.
Dat begint met de kunst van het loslaten.
Loslaten of stoppen resulteert in momenten van nietsdoen.

Uiteindelijk zal dit uitmonden in ‘gelatenheid’ en ‘rust’.
De notie ‘gelatenheid’ uit de middeleeuwse mystiek kan hierbij helpen. Gelatenheid is het vermogen de dingen gewoon ‘te laten zijn’,
zodat er ruimte ontstaat voor iets anders: onze vrijheid.
Door de dingen te laten zijn wat ze zijn,
stellen we grenzen aan de trivialisering van ons bestaan.
We voorkomen dat de drift tot presteren en interveniëren oeverloos wordt. In de woorden van theoloog Erik Borgman:
gelatenheid schept een bedding om te ‘leven van wat komt’.
Het brengt fundamentele ontvankelijkheid
voor de mogelijkheid dat dingen ons ‘toevallen’.
In een ontspannen samenleving
is een radicale herwaardering van rust nodig.
Wij denken: ‘rust roest’ en beschouwen het als een noodzakelijk kwaad. Maar dat is een armetierig perspectief.
Rust houden is evengoed een betekenisvolle sociale praktijk.

In de Bijbelse traditie is rust diep verbonden
met festiviteit, ontmoeting en liturgie.
De schepping van de wereld in het Bijbelboek Genesis
vindt zelfs haar voltooiing in een rustdag.
Rabbijn Abraham Joshua Heschel noemt de sabbat een ‘paleis in de tijd’, bedoeld om vreugdevol het leven te vieren en om vollediger mens te zijn.

Juist in de rust vallen ons dingen doe die er in de maakbaarheid
vaak bekaaid afkomen, zoals gemeenschap, broederschap, solidariteit. Laten dit nu net zaken zijn die een vermoeide prestatiemaatschappij
en een overspannen preventiestaat hard nodig hebben.

Laatst kwam ik een artikel tegen in een christelijk blad.
Daar werd de toekomst in donkere kleuren geschetst. Terecht. Aardbevingen en tsunami’s, kernrampen, sprinkhanenplagen, ontbossing, klimaatverandering, milieuvervuiling, overbevissing,
plastic soep en opwarming van de aarde … het komt allemaal langs.
Het staat volgens de schrijver allemaal al in de Bijbel.
Die plastic soep ben ik er trouwens niet in tegengekomen,
sprinkhanen en aardbevingen wel. Daar val ik niet over.
Maar dan wordt het artikel zo afgesloten:
‘Het enige wat wij kunnen doen is beseffen
dat de Bijbel waar is en dat God tot Zijn doel komt met deze wereld.
Als we in Hem geloven, mogen we uitzien naar een nieuwe aarde.
In het Nieuwe Testament van de Bijbel kun je hier meer over lezen.’

Dat vind ik nou een te gemakkelijk evangelie.
Dit is wat Bonhoeffer ‘goedkope genade’ noemde,
waarvan niet duidelijk is dat ze ons wat kost.
Ja, aan aardbevingen kunnen we niets doen,
aan overbevissing en plastic soep wel.
Alle dreigende rampen worden opgesomd
en vervolgens wordt gezegd dat wie gelooft,
weet dat alles in Gods hand is
en dat we zo ‘ware rust en vrede’ kunnen vinden.
Er wordt niet opgeroepen tot bekering,
in elk geval wordt niet concreet gezegd wat bekering is.

De profeet Amos sprak ook over rampen en oordelen
die over het volk zouden komen. Hij zegt ook waarom.
Het oordeel van God wordt opgeroepen door steekpenningen, rechtsverkrachting, sjoemelen in de handel, dienen van andere goden, enzovoort.
Maar zijn toepassing is niet:
als je op de Heer vertrouwt dan komt alles goed.
Dit zegt hij: als je je niet bekeert dan zal de dag van de Heer
duisternis voor je zijn en geen licht! (Amos 5: 23-24)

Alleen als je je bekeert tot God kun je behouden worden.
En wat is dan bekeren? Dat je je omkeert.
Je leeft niet langer met je rug naar God toe,
maar met je gezicht naar God toe.
Je wil Hem zien, je wil graag dat Hij jou aankijkt
met ogen vol liefde en een hart vol warmte.
En je wil uit zijn mond de Woorden horen die een weg wijzen
die niet doodloopt maar die uitloopt op het leven.
Bekering is dat je je omkeert, dat je het roer in je leven omgooit, of liever: dat je God het roer in je leven laat omgooien
omdat Hij je aanraakt door zijn Geest.
De ommekeer die de bekering van je vraagt,
dat is een ommekeer die de Geest in je leven bewerkt.
Maar dat betekent niet dat je dus maar moet gaan zitten afwachten.
Want heel de Bijbel door,
zowel in het Oude als het Nieuwe Testament komt de oproep naar ons toe: Bekeer u! Dat is ook de kern van de boodschap die Jezus brengt in Israël. Bekeer u!
In het Marcus-evangelie zijn dat de eerste woorden
die we uit Jezus’ mond horen als Hij gaat prediken.
‘Bekeert u en gelooft het evangelie!’
Dat is een oproep waarop wij moeten antwoorden,
en als je dat doet dan zeg je achteraf:
ik deed het niet zelf, de Geest van God heeft dat in mij gedaan.
Dat is bekering:
dat je door de Geest je omkeert, het roer in je leven omgooit,
dat je ermee stopt om almaar met je rug naar God toe te leven:
je draait je om en gaat met je gezicht naar God toe leven.
Een radicale verandering,
een verandering die je raakt tot in de wortel van je bestaan:
je leeft niet langer voor jezelf maar voor God.
Van aangezicht tot aangezicht.

Bijna niemand heeft hem gemist:
de wilde theorie dat Bill Gates met hulp van het 5G-netwerk
het coronavirus verspreidt, zodat iedereen zijn vaccin nodig heeft.
Inmiddels vijf jaar geleden voorspelde miljardair Bill Gates
dat er weleens een virus kon ontstaan dat de hele wereld zou ontwrichten. Nu is er het coronavirus.
Dat kan geen toeval zijn, denken sommige mensen.
Gates heeft het zelf in de wereld geholpen,
zodat hij geld kan verdienen aan een vaccin,
waarbij hij en passant een chip laat implanteren
bij iedereen die dit vaccin ontvangt.
Het teken van het beest uit het Bijbelboek Openbaring,
vinden sommige christenen.
(een soortgelijke gedachte deed trouwens ook de ronde
bij de invoering van de streepjescode)
Of deze:
de anderhalvemetersamenleving is ingesteld
zodat camera’s gezichten beter kunnen herkennen.
Je hebt zulke complottheorieën waarschijnlijk wel gehoord.
Misschien haal jij je schouders erover op en vind je zoiets lachwekkend.
Hoe ga je om met zulke verontrustende berichten
en met aanhangers van complottheorieën?
Je merkt misschien dat zulke theorieën een kloof scheppen
als je erover in gesprek bent met je buren of familieleden.
Discussiëren of factchecken verkleint de kloof zelden.
Integendeel, het lijkt of je alleen maar meer
tegenover elkaar komt te staan. Hoe ga je daar nu mee om?

Allereerst: geruchten en complottheorieën zijn er altijd al geweest
en waren voor de komst van journalistiek en internet
nog veel sterker.
Jesaja en Jeremia bijvoorbeeld leefden in zo’n tijd.
Zij maanden tot kalmte: ‘Noem niet alles een samenzwering
wat zij een samenzwering noemen.
Wees niet bang voor wat hun angst aanjaagt’ (Jesaja 8:12).
‘Wees niet bang voor geruchten her en der.
Dit jaar gaat er een bang gerucht, het volgend jaar gaat er een ander’ (Jeremia 51:46).
En Jezus zei tegen zijn leerlingen:
‘Jullie zullen berichten horen over oorlogen en oorlogsdreiging.
Laat dat je dan niet verontrusten’ (Matteüs 24:6).

Een beetje nuchterheid kan dus geen kwaad.
Er zijn voortdurend nieuwe geruchten of theorieën
en die zijn echt niet allemaal waar.
Maar het kan onbevredigend zijn om alleen nuchter naar ‘de feiten’ kijken. Is het coronavirus er alleen,
omdat sommige mensen in China vleermuizen eten
en een virus van dier op mens is overgegaan?
Is het slechts stomme pech dat de globalisering
er vervolgens voor zorgde dat het zo’n wereldwijde ramp is geworden? Hoewel dat misschien heel verstandig klinkt,
is het ook nogal nihilistisch om te zeggen:
dingen gebeuren nu eenmaal omdat ze gebeuren.
Zo’n gedachtegang zit niet achter Jesaja’s, Jeremia’s en Jezus’ oproepen
tot nuchterheid.
Voor hen is de grootste reden om niet bang te zijn
de overtuiging dat God zelf aan het werk is.
‘Alleen de HEER van de hemelse machten is heilig,
voor Hem zijn angst en ontzag op hun plaats’ (Jesaja 8:13).
Jeremia ziet in de rampen die plaatsvinden
God zelf zijn oordeel uitvoeren (Jeremia 51:47).
Jezus spoort de leerlingen aan vooral waakzaam te zijn
voor de komst van de Mensenzoon.
Alle rampen die plaatsvinden, zijn het begin van de weeën,
de aankondiging van Jezus’ komst. (Matteüs 24:6-44).
Ook elders in het Nieuwe Testament kun je lezen
dat in alles wat er gebeurt God aan het werk is.
Het meest uitgebreid wordt dat geschilderd in het Bijbelboek
dat ‘Onthulling’ of ‘Openbaring’ heet.
Daar wordt gesproken over dat de dingen zijn niet wat ze lijken:
het altaar van Zeus in Pergamum is niet alleen een religieus bouwwerk,
het is de troon van Satan zelf (Openbaring 2:12).
Het Romeinse rijk is niet het rijk van vrede,
maar het is een allesverslindend godslasterlijk beest
en het geld met de afbeelding van de keizer is het teken van dat beest (Openbaring 13).

Het gevoel dat er ‘meer aan de hand is’, klopt dus volgens de Bijbel.
God is aan het werk. Dat is zeker ook verontrustend.
Angst en ontzag voor Hem zijn op hun plaats.
God kijkt niet vanuit de hemel machteloos toe,
terwijl mensen oorlog voeren, elkaar onderdrukken, bedriegen,
aan de kant zetten of zwartmaken.
God haat al dat kwaad en wil het vernietigen.
Daarom gaan volgens Openbaring zijn oordelen nu al over de wereld.
Je kunt in rampen die de wereld treffen
iets proeven van Gods woede over het kwaad
en van zijn verlangen het kwaad te vernietigen.
Uiteraard mag je er niet simplistisch over spreken,
alsof je het allemaal snapt.
Bijvoorbeeld door te veronderstellen
dat zij die het hardst getroffen worden, ook het meest gezondigd hebben. Juist het besef dat God aan het werk is, moet jou ook nederig maken.
Wie zou kunnen overzien wat God allemaal doet en waarom?
Aansluitend bij Jezus’ woorden en de beelden van Openbaring
kun je in de rampen van deze wereld ook Gods oordeel zien
en de aankondiging van Jezus’ komst om alles en iedereen te oordelen.
Jezus is én de komende rechter
én degene die Gods oordeel heeft ondergaan.
Onbegrijpelijk genoeg kan Jezus tegelijkertijd
aan de kant van het slachtoffer en van de schuldige dader staan.
Als slachtoffer liet Hij zich doodmartelen aan het kruis
om daar een misdadiger welkom te heten in het paradijs.
Gods oordelen hoeven niet alleen maar beangstigend
en verpletterend te zijn
als je ziet dat God ons zelfs in het oordeel niet alleen laat.
Juist ook dan is Hij Immanuel (Jesaja 8:8,10).
God is ook aan het werk door hen die protesteren tegen onrecht,
die zieken en slachtoffers genezen en hen niet aan hun lot overlaten.

Je hoeft het coronavirus en de verspreiding ervan
dus niet alleen maar te zien als domme pech. Er zit meer achter.
God is daarin het werk.
Je kunt er zijn oordeel in zien: deze wereld kan zo niet blijven bestaan. Tegelijkertijd:
Hij is aanwezig in ieder die er alles aan doet om er voor de ander te zijn. Hij toont Zijn liefde voor de mens.

Hoe ga je dus om met verontrustende berichten
en met aanhangers van complottheorieën?
Als je gelooft dat God aan het werk is,
is het goed om een beetje bescheiden te blijven
en niet te denken dat jij precies weet hoe het allemaal in elkaar zit. Neerkijken op mensen die bizarre theorieën aanhangen,
past al helemaal niet.
Hun intuïtie dat er (soms) meer aan de hand is,
wordt in de Bijbel bevestigd.
Maar daar krijgt dat ‘meer’ wel een heel andere invulling:
God is aan het werk!
Daarom hoef je ook niet bang te zijn voor wat er gebeurt
of wat er verteld wordt.
Wel is het terecht om ontzag te hebben voor God
die met zijn oordelen en zijn goedheid toewerkt
naar een nieuwe wereld vol gerechtigheid.

Eerder schreef ik over het idee dat een aangevochten geloof
in de zin van dat je door vertwijfeling heen bent gegaan
om het vertrouwen te krijgen dat je Gods kind bent,
dat je daarmee in deze tijden van corona sterker staat in het geloof.
Waarom schreef ik dit?
Laat ik het anders stellen:
Is een positief mensbeeld bestand tegen
de machten en krachten van het kwaad?
Een populair mensbeeld waarbij er alleen maar wordt gesteld
dat God je aanvaard zoals je bent.
Ik wil in deze blog dit verder uitwerken.

De zestiende-eeuwse kerkhervormers
schreven in de Heidelbergse Catechismus
dat de mens niet instaat was tot enig goed.
‘de mens is geneigd tot alle kwaad’ en ‘onbekwaam tot enig goed’.
De zogenaamde leer van de erfzonde.
Eigenlijk wilden ze daarmee een antwoord geven op de vraag:
hoe gaan we om met de werkelijkheid van goed en kwaad?
Want – zo zeiden ze – wij mensen kunnen niets in de weegschaal leggen,
ons nergens op beroepen,
om God ervan te overtuigen dat Hij ons lief zou moeten hebben.
Dat is louter een kwestie van genade.
Binnen de relatie van de mens met God kan ik niet zeggen:
ik deug.
In het licht van Gods heiligheid kan ik pas goed beseffen
dat ik tekortschiet,
maar tegelijkertijd staat daar die tekortkoming
in de context van Gods genade.
Dat helpt ook voor je relatie, je houding naar anderen toe:
je kijkt er niet vreemd van op als anderen soms niet deugen,
want je weet dat dat kwaad ook in jezelf zit.
In die zin kan het idee dat de mens van nature is geneigd tot kwaad,
juist een houding van mildheid opleveren.

Zeker als mensen onderling en in onze relatie met de natuur
kunnen we zeker goede dingen doen.
Iets wat je kunt omschrijven als een rechtvaardig leven.
Maar zo’n leven vergt ook en in de eerste plaats het inzicht
dat ik mezelf niet kan rechtvaardigen.
Niemand leidt een volledig rechtvaardig leven.
Als antwoord op dat idee, dat we altijd tekortschieten, wat we ook doen,
brachten de zestiende-eeuwse kerkhervormers in:
‘God aanvaard mij, maar ik moet ook nog steeds zelf handelen.
Dietrich Bonhoeffer vraagt in zijn gedicht ‘Wie ben ik?’
zich af of hij de sterke persoon is die anderen in hem zien of de zwakke, angstige mens die ik zelf zie.
En dan eindigt hij met: ‘Wie ben ik? Wie ik ook ben, U kent mij’.
Het verwoordt precies het besef geaccepteerd te zijn, ongeacht wie je bent. Het geeft je een realistische blik op het leven.
God accepteert mij, hoezeer ik ook faal alle slechte dingen uit te bannen. Luther zegt het dan mooi:
‘in het geloof in Christus kan je geweten gerust slapen.’
Het beschuldigt je niet meer.
Dit verandert je motivatie om het goede te doen:
je doet het niet om geaccepteerd te worden,
maar omdat je vorm wil geven aan het feit dat je geaccepteerd bent.
Dus als je aanvaardt dat je van nature verloren bent,
Ik geloof niet dat een heel optimistisch mensbeeld uiteindelijk bestand is tegen het kwaad in de wereld. Juist vanuit het besef van het eigen tekort, waarin je je wonderlijk genoeg aanvaard mag weten, ben je in staat om niet gelijk om te vallen door het tekort van een ander.
De Engelse ethicus Theodore Dalrymple zei een jaar of tien geleden:
‘als je geen erfzondeleer hebt,
heb je geen verweer tegen wat er allemaal
aan kwaad kan gebeuren in je leven.’
Dat God je uit genade accepteert zoals je bent
brengt dat uiteindelijk rust teweeg,
zet je anders in relatie met je medemens
en doet je sterker staan in aangevochten geloof.

Ook wie in een gemeente meeleeft kent er iets van:
de vreemde murwheid en uitgeblustheid die je soms ineens kan overvallen. Zeker in deze tijd van corona.
Deze diepe vermoeidheid kan iedereen overvallen,
ook toegewijde gemeenteleden.

Hoe moet je daar in prediking en pastoraat nu mee omgaan?
Volgens door dit onzichtbaar aanwezige ongeloof,
deze onderhuidse twijfel en toenemende verveling openlijk te benoemen. En door tijdgenoten met aandacht en mededogen, zonder veroordeling, vanuit de Schriften nabij te komen.
Laat juist de Schrift niet zien dat God niet ‘voor het oprapen’ ligt
en dat geloven in de Onzienlijke geregeld een zware opgave is.
Staat er niet geschreven dat je enthousiast kunt beginnen
maar het beu kunt worden,
dat geloven lang niet altijd goed voelt en
het vaak een klus is om het vol te houden?
Ik ben ervan overtuigd dat deze noties méér aanspreken,
meer lucht en troost bieden,
dan allerlei bemoedigende slogans waar we
‘de week weer mee in kunnen’.
Want preken die eenzijdig suggereren
dat God altijd onder handbereik is
en klaarstaat met genade en geborgenheid,
gaan op den duur vervelen en irriteren.

Zulke preken hebben méér iets van pleisters plakken in de ruimte
dan van wonden blootleggen en behandelen.
Mensen van vandaag zijn volgens mij meer geholpen
met preken die niks verbloemen van onze innerlijke weerzin
tegen wat God met ons voorheeft
en van onze neiging ons zo makkelijk mogelijk van Hem af te maken. Preken ook die eerlijk erkennen dat je God eerder kwijt bent dan rijk,
dat Hij geregeld niet te volgen is
en dat wij meer dan eens nauwelijks iets van Hem gewaarworden.
Preken ook die iets tonen van het gevecht met je eigen hart,
dat minder meegaand is dan je zou wensen,
van de twijfel en het ongeloof die je te pakken kunnen nemen,
en van de worsteling met God, óm God, tegen alle vertwijfeling in.
Zit achter het verlangen van velen naar ‘aansprekende’ preken
geen honger naar woorden die vanuit de Schrift ingaan
op de omgang met God, met alle verrassing en verbijstering,
met alle verzoeking en vertwijfeling, met alle verzet en verlangen,
met alle verlatenheid en geborgenheid vandien?
Zou dat niet de remedie zijn om het aangeprate en opgeplakte geloof voorbij te komen en levend geloof gaande te maken en te voeden?

Ik denk dat met zo’n existentiële aanpak
het in de preek opnieuw gaan vonken en vlammen.
Omdat mensen zich gezien en opgezocht weten in hun twijfels en vragen en vanuit de Schrift worden aangespoord – soms op leven en dood – opnieuw te roepen om God zelf.
Zal de Levende niet uitgerekend daar van zich laten horen?
Om ons door de Geest woorden in te fluisteren
die je zelf niet meer bedenken kunt?
En geloof te wekken dat, hoe fragiel ook, niet zomaar kapot te krijgen is?

Enige tijd geleden – ver voor de coronacrisis – publiceerde een aantal collega’s een artikel over het geloof onder kerkgangers. Ze ontmoetten vaak mensen die het geloof beu waren. Allerlei signalen wezen daarop: kerkgang zonder verlangen naar de ontmoeting met God, Bijbellezen zonder verwachting en verrassing, een kwijnend gebedsleven.
Een belangrijke oorzaak daarvoor was volgens hen gelegen in het feit dat het geloof ongemerkt en sluipenderwijs tot ‘gemeengoed’ is geworden. Het is niet langer een gave van God, door twijfel, verwarring en aanvechting verworven.

Als je in een traditie staat waarin God niet automatisch jouw God was en jij niet vanzelfsprekend zijn kind is geloof zeker geen ‘gemeengoed’. God moet gezocht en gevonden worden. Sterker nog: het gaat erom dat jij door Hem gezocht en gevonden wordt. Je bent niet bij voorbaat gered, eerder van nature verloren. Intussen was je in de doop wel het beslissende toegezegd. Maar dat lag niet voor het oprapen. God is niets aan ons verplicht, maar wel alles verplicht aan zichzelf – en daarmee aan ons. In die beloftevolle spanning kwam het aan op een diepe doorleving. Het spande erom om van Hemzelf te vernemen en er zo van overtuigd te raken, dat Hij jou genadig is. In die strijd tussen hoop en vrees kon het er heftig aan toe gaan. God kon nabij komen en eindeloos ver weg zijn. Je kon in de ban zijn van de twijfel aan zijn bestaan als je dagen en nachten niks van Hem vernam. En er kon een diep vertrouwen geboren worden als Hij van zich liet horen. Het was een strijd met God, óm God.

Het gevolg was een geloof dat was verankerd in de Levende zelf. Wars van alle zelfverzekerdheid en tegelijk zekerder dan wat ook maar. Het was het geloof dat door de diepten van ‘verliezen en verloren zijn’ was heen gegaan; het geloof als vrucht van bange worsteling en verrassend geschenk van God. Kostbaar, omdat het je niet was komen aanwaaien of was aangepraat. Weerbaar, omdat het door allerlei innerlijke vertwijfeling was heen gegaan, gehard en gestaald in het gevecht: ‘ik laat U niet gaan, tenzij U mij zegent’.

Zou het kunnen zijn dat een opgroeiende generatie van kinds af aan inmiddels te veel wordt aangepraat dat Jezus op voorhand je beste vriend is? De gevolgen daarvan zie ik om me heen: geloof als het sluitstuk van een redenering, zonder daadwerkelijke bekering, zonder ‘goede strijd’ om met God in het reine te komen. Een geloof ‘van horen zeggen’, zonder zelf zijn overtuigende stem te hebben vernomen. Een geloof dat je jezelf voor een appel en een ei hebt eigengemaakt. Dat daarom ook voor de eerste de beste schotel linzen van de hand kan worden gedaan.

Daarmee zijn we bij de kern. Een geloof dat niet op leven en dood is verworven, wordt niet als een kostbaar geschenk gekoesterd. Het is niet bestand tegen de kritische vragen van een wereld die het zonder God ook prima voor elkaar heeft. Het is evenmin opgewassen tegen de harde werkelijkheid van alledag, waarin je vaak bitter weinig van God gewaar wordt. De twijfel zit bij velen maar net onder de oppervlakte. En zodra ze de kop opsteekt, blijkt ze veel dieper geworteld dan men zelf vermoedde. Geruisloos valt het geloof af, als een verdord blad van een boom. Geloof dat niet ontvonkt is aan de omgang met God, met alle verbijstering en verrukking vandien, wordt op den duur een saaie bedoening. Het wordt een riedel, die je steeds minder raakt en die je na verloop van tijd beu wordt. Bovendien – kijk om je heen! – zonder geloof kun je toch ook prima een goed mens zijn?

Deze overtuiging is tegenwoordig wijdverbreid. Mijn vraag is of zo’n geloof ook bestand is tegen de coronacrisis waarbij mensen voornamelijk op zich zelf zijn teruggeworpen.
Kunnen we – juist in deze periode –  het tij keren?
Daar wil ik in een volgende blogpost verder op door gaan.

Blue Sakura

Hoewel zingeving volop in de aandacht staat,
kloosterweekenden maanden van tevoren vol zitten,
er yoga in elke sportschool wordt aangeboden
en in boekwinkels de rekken vol staan met tal van spirituele zelfhulpboeken, sluiten kerkgebouwen massaal de deuren.
Ze worden afgebroken of verbouwd met een andere bestemming.
Loop door mijn thuisstad Zwolle en je vindt er tal van prachtige kerkgebouwen met een andere bestemming. Sommige zijn omgebouwd tot appartementencomplex, boekhandel of sushirestaurant.

Een sushirestaurant in een kerk is zeven dagen per week open.
De meeste kerken als godshuis zijn enkel op zondagochtend toegankelijk, in een voor buitenstaanders vaak onverstaanbare dienst. Ook daarom staat de ‘traditionele geloofsbeleving’ waarbij mensen regelmatig kerkdiensten bezoeken onder druk. En dan hebben we het nog geen eens over de huidige ‘tijd van corona’. Dit wil overigens niet per se zeggen dat mensen niet zoeken naar oorsprong, zin en doel van dit bestaan. God is niet dood, maar de zoektocht naar God kent veelkleurige uitingsvormen. In de samenleving groeit een nieuwe generatie op die onbevangen en nieuwsgierig de kerk tegemoet treedt.
Aan deze behoefte wordt echter amper tegemoetgekomen.

Daarom zoeken veel kerken als gemeenschap en met hun gebouw naar nieuwe wegen. Er wordt veel gepraat en nog harder gerend om allerlei nieuwe activiteiten van de grond te trekken, zonder te zien waar de ware schat ligt – in de gemeenschap, in het gebouw dat behoort tot de orde van het niet-efficiënte, niet-nuttige en niet-economische domein.
Het kerkgebouw contrasteert daardoor met deze tijd; het is heilig.
Moeten we dus massaal de vaak inefficiënte kerkgebouwen maar van de hand doen? Dat vraag ik mij wel af. Want het is misschien niet meer het ritme van de tijd van alles zo efficiënt mogelijk, maar het zijn fysieke plekken die mensen dwingen stil te staan bij de zin van het leven. Denk aan de overweldigende natuur, een museum of een treincoupé die dwingen tot stilte en reflectie. Het zijn anti-plaatsen in verhouding tot hun context. Plekken die hun betekenis aan dat anders-zijn ontlenen. Waar de dynamiek van de weerbarstige, gebroken realiteit kan samenvallen met de hoop dat het anders zou kunnen zijn.

Dit is de schat die ook het kerkgebouw herbergt. Geheel passend bij het DNA van de kerk om ‘wel in, maar niet niet van’ deze wereld te zijn. Zo blijkt bijvoorbeeld dat een bezoek aan de Dominicanenkerk in Zwolle voor 70 procent van de bezoekers rust oplevert; 52 procent van de bezoekers die zelf niet gelovig zijn, ervaren er verwondering. Het openstellen van je kerkgebouw kan een heilzaam antwoord zijn op de zoektocht van velen naar rust en ontstijging van het lelijke aardse.
De hemel raakt er even de aarde.

Nee, je vindt er geen sushi, maar voedsel voor de ziel.