In deze periode beleggen veel kerken hun Startzondag:
de aftrap van een nieuwe kerkelijk seizoen
waar veel activiteiten op het kerkelijk erf weer opnieuw beginnen.
Maar de eerlijk gebied te vragen ‘Wat starten we eigenlijk?’
Startzondag, dat is een woord uit een andere tijd, zo lijkt het wel. In de anderhalvemetersamenleving kan zo veel niet. De atmosfeer is nu anders. De wereldwijde coronacrisis heeft diepe sporen getrokken in onze samenleving. Het kerkelijk leven is op veel plaatsen ontwricht en het is de vraag hoe gemeenten uit de crisis tevoorschijn komen. We zitten immers helemaal niet in de cyclus van een jaarlijkse carrousel die we weer aan de gang proberen te krijgen.
De coronacrisis versterkt daarmee het gevoel dat een gure, winterse kou veel kerken in haar greep heeft. We somberen met elkaar over lege kerkbanken, afnemende interesse in de Bijbel en het geloof dat verdwijnt naar de rand van de samenleving. Volgens sommige berichten versnelt de coronacrisis de neergang van de kerk. Men stelt dat de kerk qua ontvolking nu jaren eerder komt dan geprognosticeerd is voor een situatie van over een paar jaar. We zitten midden in een vreemde tijd, waarin we afvragen wie uit de gemeente waar zit, hoe mensen erbij zitten en met wie we amper nog contact krijgen. Een periode waarin je lange adem nodig hebt, wijsheid, gezamenlijke reflectie en gebed. Misschien ook iets van besef dat het in onze eigen recente kerkgeschiedenis het zonder precedent is dat de gemeente zo lang niet samen heeft kunnen komen.
Ik merk in contacten met collega’s hoeveel er onder de oppervlakte speelt. De teleurstelling over wat ons ontvalt, de verzwakking die je om je heen ziet gebeuren, de geestelijke dynamiek van de liturgie en de prediking die zo verandert. Soms ook de mensen die de gemeente in de steek laten, door hun afwezigheid of hun onbereikbaarheid. Ook je eigen dorheid of onbestemdheid van binnen. En je bezorgde intuïtie hoe je er in deze omstandigheden eind oktober aan toe moet zijn. Ondertussen moet je flexibel zijn, mediageniek en vol nieuwe ideeën over kerkzijn.

Vanuit verschillende kanten worden aanbevelingen aangereikt.
Bijvoorbeeld ‘Heb aandacht voor de sociale en spirituele functie van de kerk’ of ‘Neem ruimte om te bouwen vanuit de kern’.

Ten aanzien van het eerste legde ik in mijn vorige blog al de vinger op één punt dat mijns inziens best belangrijk is: namelijk dat er is eigenlijk heel weinig behoefte aan prediking want gemeenteleden willen vooral ontmoeting en sociaal contact. Uit een onderzoekje bleek namelijk als antwoord op de vraag naar wat mensen missen in het kerkzijn,
preken behoorlijk laag te scoren. Ook werd ergens onlangs gesteld dat gemeenteleden eerder het gezellig samenzijn missen dan de gezamenlijke viering van het Heilig Avondmaal. 

Ondanks dat ik dat herken en ik geloof dat het van belang is om daar heel aandachtig naar te kijken en ons op te bezinnen, speelt bij mij van binnen vooral sterk de gedachte op dat dat eigenlijk heel zorgwekkend is. Als ik het even ruwweg vertaal, doe ik dat zo: de kern van kerk zijn (dat het evangelie van Jezus Christus en zijn koninkrijk van Geest en liefde er klinkt en mensenlevens aanraakt en transformeert) is vervangen door verlangen naar sociaal contact.
Nee, met sociale aandacht is niets mis. Maar die vinden we ook in het buurthuis en op de sportvereniging en de muziekband waarin we spelen.
Als dan de kern van het kerkzijn verwordt tot een verlangen naar sociaal contact dan zie ik een tekort aan aandacht voor en ervaring met het werk van de Heilige Geest. Een spiritueel tekort gaat in wezen dus over iets wat nogal ernstig is: geen of te weinig ruimte voor de Geest die waait waar en wanneer hij wil; geen of te weinig aandacht voor het eigen werk van de heilige Geest die troost, vernieuwt, wijsheid schenkt, profetisch leert spreken en geneest; geen of te weinig focus op de gaven van de Geest en de vrucht van de Geest; geen of te weinig aandacht voor gebed en biddend leven, kortom voor spiritualiteit als leven in de Geest van Jezus.

Juist omdat ik het zo herken in het kerkelijke leven dat ‘gelovigen ontmoeting broodnodig hebben’, juist omdat ik zie hoezeer de kerk kan verworden tot een sociaal netwerk dat aan elkaar hangt van barbecues en andere ontmoetingen zonder veel inhoud, juist omdat het me raakt hoe groot de machteloosheid lijkt te zijn om in kleine groepen geloofsgesprekken te voeren, juist omdat ik merk dat de Woordverkondiging naar de marge van het kerkzijn wordt gedrongen door al die andere dingen die moeten gebeuren in kerkdiensten, juist omdat ik zoveel biddeloosheid lijkt het me dat gelovigen Jezus juist broodnodig hebben.

Ondanks al deze somberingen moet ik denk aan dat clubje van 12 doodsbange mannen op dat zolderkamertje meer dan twee duizend jaar geleden. Hun leider was dood, alle beloftes en voorspellingen waren in hun ogen niet uitgekomen en ze zagen alleen een boze wereld om hun heen die op z’n zachtst gezegd niet op hen zat te wachten. We weten wat er gebeurd is sinds die tijd. En meermalen is de kerk al doodverklaard en het christelijk geloof ten grave gedragen. Ik geloof dat de Geest nog steeds nieuwe kieren vindt om mensen te inspireren en te stimuleren om Gods vrederijk dichterbij te brengen en op een of andere manier proberen het Evangelie uit te dragen.

Toen in maart de coronamaatregelen van kracht werden
betekende dat ook voor kerken
dat de ‘traditionele’ diensten werden opgeschort.
Hard werd er gewerkt aan een mogelijkheid
om elkaar online te ontmoeten.
En dat heeft geresulteerd in een veelheid van online diensten
die vrijwel zondag aan zondag het wereldwijde web opgeslingerd worden en die – zo laat ik mee vertellen –
door veel mensen worden beluisterd en bekeken.
Toch hoorde je dat veel mensen de diensten en het samenkomen misten.
Maar nu voorzichtig aan er, met inachtneming van de coronamaatregelen, weer diensten worden gehouden in kerkgebouwen
blijkt het dat veel kerken de maximaal toegestane aantallen
niet worden gehaald.

De groep mensen die nu wegblijft,
heeft vaak de meest uiteenlopende redenen om niet te komen.
Ik noem er een paar:
ik ga niet naar de kerk, want we kunnen nog niet zingen;
ik ga niet naar de kerk, want het is zo’n gedoe met inschrijven;
ik ga niet naar de kerk, want het is zo kil als je zover uit elkaar zit;
ik ga niet naar de kerk…het is nog zo anders dan ik gewend ben;
ik ga wel weer een keer als alles weer normaal is.
Ook zijn er ouderen die het vanwege het coronavirus niet durven.
Andere mensen vinden het juist fijn om een dienst online
vanuit de luie stoel te volgen.
Er zijn zelfs stemmen die zeggen dat
de terugloop van het aantal kerkgangers
door de coronacrisis nog sneller zal gaan.

Ooit schreef Van Ruler, een theoloog van midden twintigste eeuw
een boek ‘Waarom zou ik naar de kerk gaan?’
met een aantal argumenten om juist wel naar de kerk te gaan.
Ik noem er een aantal: om een kans op bekering te lopen (tot in je binnenste geraakt worden door Gods Woord);
om een gewoonte vast te houden (stijl, roeping);
om een traditie voort te zetten (als schakel in een lange keten, vanuit het voorgeslacht);
om de wereld voor te dragen ( voorbede, alle dingen met God bespreken); om rust te vinden (even terugtrekken uit de hectiek van alledag);
om weer op toonhoogte te komen ( godsdienst-oefening, Gods bedoeling met ons leven);
om in het openbaar mijn geloof te belijden (ik belijd mijn geloof. De kerkgang zelf is belijdenis).

Zijn deze argumenten nog valide
of moeten we in onze tijd toch anders gaan denken?
Ja, hoe moet dit nu verder?
Hebben wij de fysieke kerk te belangrijk geacht
voor de geloofsgemeenschap?
Zijn wij niet op allerlei andere manieren ‘kerk’?
Moeten we de ‘diensten’ heel anders gaan opzetten? Echt omdenken?
Het lijkt me een hele uitdaging om daar de komende tijd
verder over na te denken
en ik zal daar ik komende blogs zeker op terug komen.
Mochten mijn lezers mee willen denken dan verneem ik dat graag!

Ten tijde van de coronacrisis wordt de kerk en de dominee als voorganger geconfronteerd met het feit
dat veel kerken en predikanten jarenlang als de grote roze olifant
in de kamer hebben proberen te vermijden.
En dat is het feit dat er in de samenleving de laatste vijftig jaar
een verschuiving heeft plaatsgevonden van woord- naar beeldcultuur.
Juist doordat kerkdiensten noodgedwongen door de coronamaatregelen mensen in de oude zin van het woord niet bij elkaar konden komen
werd deze verschuiving heel zichtbaar.
Massaal werd er een begin gemaakt om ‘kerkdiensten’
in geluid én beeld uit te zenden via de media.
Gevolg was dat voorgangers zich iets eigen moesten maken
waarvoor ze eigenlijk nooit goed opgeleid zijn.
Voorgangers moesten ineens rekening houden met een camera
die hen het wereldwijde web opslingeren.
Kon je in de voor-coronatijd nog proberen de kerk en de diensten
in de kerk als een soort tegencultuur
tegenover de heersende beeldcultuur neer te zetten,
nu ben je zelf onderdeel geworden van die beeldcultuur.
De cultuur van sound-bites en kort-en-bondigzijn
is bijna een vereiste geworden voor de prediking.
Niet meer ellenlang uitweiden of allerlei bij en omwegen bewandelen, maar binnen een korte tijd tot de kern komen is het devies.
Nu ik dit schrijf lijkt het een open deur, maar veel voorgangers
– waaronder ikzelf –
maken ons aan bovenstaande zaken nogal eens schuldig.
Wat ik merk is dat het voorbereiden van preken mij meer tijd kost:
‘tuurlijk weet ik waar de preek over moet gaan,
maar de vraag waar ik meer aan tijd besteed is ‘hoe zeg ik het’.
Drie dingen die ik meer toepas zijn:
1) ik heb het in de preek meer over mijzelf.
Ik merk dat mensen op zoek naar herkenning.
Gelukkig heb een goed voorbeeld namelijk de apostel Paulus:
‘Toen ik in uw stad rondliep’(Hnd 17,23) tot ‘Volg mij na’ (Fil. 3,17).
2) Nog meer dan ik al deed probeer ik een beeld te vinden
uit het dagelijks leven, waarin men zich kan herkennen.
3) de ‘hoevraag’ wordt belangrijk. Ik deed dat sowieso tijdens mijn preken, maar ik merk dat dat de vraag
‘hoe krijgt deze boodschap handen en voeten in mijn leven?’.
De bewuste beantwoording van deze vraag
maakt dat de verkondiging eerder en beter bij mensen landt.

Overall zou je kunnen zeggen het de kunst is om te weten
wat je wil zeggen en dat vervolgens met kracht en eenvoud te doen. Nogmaals moet ik opmerken dat dit open deuren lijken,
maar dat deze vaardigheid de meeste voorgangers niet is aangeleerd
en die zeker in de beeldcultuur waarin we ons nu moeten bewegen
zich moeten aanleren.

De coronacrisis zet het leven van en in de kerk behoorlijk op z’n kop.
Dat lijkt me het understatement van dit jaar.
‘Traditionele’ kerkdiensten waarin een ongelimiteerd
aantal mensen samen konden komen,
die lekker uit volle borst mee konden zingen
en na de dienst heerlijk met elkaar
onder het genot van iets te drinken na konden keuvelen
zijn sinds eind maart voor langere tijd van de baan.
In veel kerken zijn de online-diensten met beeld en geluid
een zoektocht met allerlei experimenten begonnen.  Het zijn eigenlijk stuk voor stuk missionaire (noem het ‘evangeliserende’) diensten geworden omdat de meeste diensten laagdrempelig voor een ieder te volgen zijn.
Ook de voorgangers moeten zichzelf opnieuw uitvinden. 
Ze moeten zich vaardigheden aanleren die zij in de meeste gevallen nooit geleerd hebben. Daarover wil ik in een later stadium iets schrijven.

In de voor-corona-periode werd er al heel veel gepionierd (geëxperimenteerd) ook binnen ‘gewone’ gemeenten.
Op allerlei manieren richtten kerken zich naar buiten.
Er gebeurden daarbij veel mooie dingen.
Een van de vragen die daarbij ook in beeld komt
is of wij in deze tijd ook ‘zieltjes mogen winnen’?
De laatste tijd – ook voor de corona – was er het idee ontstaan
dat ‘zieltjes winnen’ hoort daar voor velen niet meer bij.
Dat was volgens velen iets van voorbije tijden. Deze vraag komt ook naar boven bij de onlinediensten in de coronatijd.

Nu zijn er zeker goede redenen om op dit punt kritisch naar het verleden te kijken, maar zou dat laatste echt zo zijn?
Of zou de meest wezenlijke missionaire dienst van de kerk misschien
toch kunnen liggen in het in contact brengen van mensen met Jezus Christus?
Zouden ‘zieltjes’ juist in verbondenheid met Hem
niet kunnen uitgroeien tot florerende ‘zielen’?

Die vraag komt natuurlijk direct als een boemerang
terug bij de gemeente en ook bij mijzelf:
ben ik meer mens geworden door mijn geloof en mijn betrokkenheid bij de kerk?
Dat kan een confronterende vraag zijn,
maar het is goed als we deze in de gemeente elkaar toch durven te stellen.
Want als de gemeente me (onverhoopt)
eigenlijk niet helpt in mijn mens-zijn (menswording!),
dan is er ook weinig reden anderen uit te nodigen te kiezen voor Jezus Christus.
Want dan ‘bekeer’ je je tot meer van hetzelfde.
Maar als daadwerkelijk blijkt dat die keuze tot ‘meer dan het gewone’ leidt,
dan ontstaat er een basis om ook niet-gelovigen uit te dagen
hun kaarten op Jezus Christus te zetten.

Het gaat hier om een heel belangrijke zaak.
Wat is de plek van het christelijk geloof op de markt van welzijn en geluk?
Is het een kraampje als willekeurig elk ander kraampje
met ongeveer dezelfde spullen?
Of kun je daar iets krijgen wat nergens anders wordt aangeboden?
Laat ik een voorbeeld geven uit het nabije verleden.
De campagne #doeslief die door SIRE werd geïnitieerd:
je werd opgeroepen om in deze tijd van algemene verharding
oog te hebben voor de behoeftes van de ander.
Ook christenen worden vanuit de Bijbel opgeroepen
om ‘lief te hebben’ en ‘goed te doen’?
Is dat werkelijk anders dan de #doeslief-campagne?
Ik denk dat wij vanuit onze christelijke gemeenschap
werkelijke langdurige aandacht en steun kunnen bieden aan de ander.
Dit maakt volgens mij het verschil maakte met andere soorten van liefdadigheid.
Mensen moeten het kunnen ervaren, beleven.
De liefdadigheid of christelijk gesproken ‘diakonia’ van de christelijke gemeente
droeg al in het verleden werkelijk bij aan de verspreiding van het christendom.
Ik kan me voorstellen dat niet iedereen gecharmeerd is van dit soort markttaal,
maar hoe dan ook zullen we in de gemeente ons over deze vragen moeten buigen.

Want de stap om in deze tijd christen te worden, lijkt steeds groter te worden.
Dat heeft te maken met de vaak grote afstand
van mensen tot de wereld van het christelijk geloof
en helaas ook met het negatieve beeld dat velen van kerk en geloof hebben.
We leven immers in een tijd van beleving, van willen ervaren.
Willen mensen iets gaan zien in het christelijk geloof,
dan moeten ze de waarde daarvan kunnen proeven, kunnen beleven.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat bekeringen vaak via relaties verlopen.
Iemand proeft iets van het geloof van de ander, wordt nieuwsgierig,
gaat op onderzoek uit en besluit christen te worden.
Een jonge vrouw die door haar contact met christenen tot geloof was gekomen vertelde:
‘Ik moest tot mijn eigen verwondering erachter komen
dat ik een godsgeloof heb ontwikkeld.
Daar heb ik lang mee geworsteld. Ik heb er eindelijk maar aan toegegeven.
Ik heb mijn hele leven herzien. Dat is heel helend geweest.
Mijn leven is behoorlijk op z’n kop gekomen.
Ik doe niet meer zo moeilijk over dat je grootse dingen wilt bereiken.’
Ook zij moest ‘wennen’ aan het idee
dat er in haar leven echt een knop was omgegaan.
Nog steeds ontdekken in ons land mensen
de kracht en de schoonheid van het christelijk geloof.
‘Zieltjes winnen’, het gebeurd nog steeds.
Door relaties, door ‘goed doen’ door zoveel andere zaken.
Laten we elkaar niet aanpraten dat de tijd van ‘zieltjes winnen’ achter ons ligt.
Nee, het is niet de zeepkist die daarvoor moet worden bestegen,
maar eerder de aloude manier van werkelijk aandacht en hulp geven aan je naasten.
Zou het kunnen zijn dat we
– vertrouwd als we vaak zijn met de kerk en de christelijke traditie –
dat helemaal niet meer zo scherp zien?
Gelukkig de gemeente die ‘bekeerlingen’ in haar midden heeft.

In deze coronatijd is de kerk naarstig op zoek naar hoe zij in en na deze tijd kerk kunnen zijn. Misschien scherper gesteld: Hoe kunnen de kerken zich ontworstelen aan het dilemma tussen verstarring en beleving? Moet zij zich onveranderlijk vasthouden aan haar oude dogmatische wortels, of geeft zij zich over aan grenzeloze vrijzinnigheid. In beide gevallen mist ze aansluiting bij de behoeften van de (post)moderne mens. In beide stromingen blijft de liturgie strak en conservatief terwijl de kern van het geloof en de essentie van het Evangelie worden verdrongen door respectievelijk krampachtig kerk-zijn of juist niet langer op een kerk willen lijken. Een kerk die zich openlijk afvraagt of God wel bestaat en de Bijbel tot een interessant literair verschijnsel maakt, reduceert God tot een menselijk bedenksel dat op den duur het opstaan op de vroege zondagmorgen niet meer waard is. Zij verliest haar angel, het mysterie van de opgestane Christus, de ongemakkelijke wrijving die het geloof in een God die niet te doorgronden valt, met zich meebrengt. Ondertussen dendert de wereld door en bereikt de kerk in haar verschijningsvorm in snel tempo haar uiterste houdbaarheidsdatum.
Als er nu niets verandert, is het christendom in Nederland binnen enkele decennia op sterven na dood en verliest onze samenleving voor altijd haar diepste

We zijn zulke individualisten geworden, dat het eerste woord dat vier- of vijfjarige kinderen leren schrijven ik is: ik, een losstaand, eigen individu. Maar wie ben ik dan? Wat betekent die ik? Wie geeft er invulling aan de identiteit van onze jonge kinderen? Als onze ouders in niets geloven en niet weten waarvoor ze staan, hoe zouden onze kinderen dat dan moeten weten?
Mensen gaan op zoek en nemen beslissingen die hen dichter brengt bij hun levensdoel – of niet. Dit is het twijfelachtige wonder van de vrije wil.

In die zoektocht kan een levende en betrokken kerk voeding geven aan de zoekende ziel en haar volgelingen helpen hun levensbestemming te vinden.
Onze maatschappij is verweesd en schreeuwt om leiders met een verhaal. Het geloof biedt die noodzakelijke richting en houvast. De kerk kan het broodnodige sociale vangnet vormen in onze wankelende welvaartstaat, maar uitgerekend deze christelijke stem is verstomd. De christelijke stilte ten aanzien van de grote vragen van vandaag zoals milieuproblematiek, armoede en sociale ongelijkheid is een fluisterstem geworden. Gebrek aan een uitgesproken en principieel getuigenis heeft de rol van religie in de moderne maatschappij tot bijna nul gereduceerd.

In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam een ontkerkelijking op gang die tot op de dag van vandaag doorgaat. Maar al eerder is de kerk ontzield geraakt. Sprankelend geloof werd door papier en inkt verstoten. Levende ervaring door ratio verdreven. Niet God, maar religie is een heilige zaak geworden. Wat we vergeten is dat God ons niet nodig heeft om te bestaan. God is. 

Willen we mensen weer terug de kerk in krijgen en voorkomen dat nog meer gemeenteleden vroeg of laat de kerk verlaten, dan moet zij geen geloof van angstig “gij zult niet” maar van opgewekt “u mag wel!” prediken. Hierin ligt vooral een uitdaging voor de kerken.

Van gebrokenheid naar heelheid, van scheiding naar eenheid, dat is de grote uitdaging voor de postmoderne christen anno nu. Dit nieuwe christen-zijn vereist een grote ommezwaai in ons denken. Het zal geen eenvoudige weg zijn, de kerk zal verkeerde afslagen blijven nemen (zoals christenen door de eeuwen heen zo vaak hebben gedaan) maar stil zijn is geen optie meer. En dus moeten we op zoek naar een nieuwe manier van christen zijn – het christen 2.0 zoals ik dat noem. Levend en overtuigend, maar ook transparant en eerlijk.

De eerste stap op weg naar dit nieuwe christendom is een terugkeer naar de kern van het Evangelie. Het goede nieuws van de dood en opstanding van Jezus Christus is radicaal en zal altijd op weerstand stuiten. Zij is echter ook een boodschap van oneindige inclusieve liefde en genade.
De grenzeloze liefde van God en Zijn genade voor ons feilbare mensen is wat het christelijk geloof van andere religies onderscheidt, en wat ons in staat stelt bruggen te slaan. Wat voor mij onvervreemdbaar is dat ik Jezus Christus belijd  als mijn Opgestane Heer. Over de invulling van kerkelijke dogma’s en theologische zienswijzen valt te discussiëren, over de essentie van het Evangelie niet.

De tweede stap is het erkennen van de diepe pijn die de kerk haar volgelingen door de eeuwen heen heeft berokkend – en blijft toebrengen.
Het wordt tijd dat de kerk op de knieën gaan en haar zonden belijden: het onrecht dat zwarten is aangedaan, kleurlingen, vrouwen en kinderen, andersdenkenden en andersgelovigen.

De derde stap is niet langer kijken naar dat wat verdeelt, maar wat samenbindt – als kerken onderling, maar ook als kerk en alles wat daarbuiten ligt. We zijn allen schepselen van God die mogen rekenen op Zijn onvoorwaardelijke liefde.

Het wordt tijd dat de kerk leiderschap toont. Dat wij leiderschap gaan tonen. Iedereen die zich christen noemt is gewild of ongewild de kerk. Ik als gelovige ben deel van de gemeente van God en zal dus als gelovige mijn verantwoordelijkheid moeten nemen en leiderschap moeten tonen op de plaats en plek die God mij heeft toebedeeld.
Het is zoals de vrouwelijke pastor Bridget Willard schreef: “Kerk is niet waar je samenkomt, kerk is geen gebouw, kerk is wat je bent. Laten we niet naar de kerk gaan, laten we de kerk zijn.”

naar aanleiding van psalm 145

(Na twintig afleveringen van ‘meditaties in tijden van corona’ heb ik besloten dat dit de voorlopig laatste meditatie is in deze reeks. Niet dat ik ophoud met bloggen, maar er zijn ook nog andere vormen en onderwerpen die aandacht verdienen. Ik hoop van harte dat veel mensen iets gehad hebben aan de meditaties en dat onze Here God mag werken via deze woorden.)

Verwondering, verrassing dat God die zo verheven is, tegelijk zo nabij kan zijn, zo betrokken op ons, op mij. Zo nabij dat ik voor hem een woning kan zijn.
Deze psalm gaat over Gods grootheid én nabijheid. Over een God die ver is én tegelijk nabij. Maar liefst zeventien keer staat in dit lied het Hebreeuwse woordje kol: heel, al, alles. Vers na vers benadrukt dit lied dat God goed is voor alles en voor allen.
Voor heel zijn schepping en al zijn schepselen. Voor alle geslachten en in alles wat hij doet.

En deze God die het geheel overziet en draagt is tegelijk betrokken op de enkeling, die ene mens. Die gevallen is, die gebukt gaat, die honger heeft, die hem aanroept.
Ja onder miljoenen, heeft hij ook mij op het oog.
En andersom: de ogen van allen wachten op U (vers 15a)
Want voor velen was het geen makkelijke tijd. Een aantal weken geen kinderen of kleinkinderen zien. Zorgen over het werk. De angst om ziek te worden.
Degenen die ziek geworden zijn en daar nog lang niet van zijn hersteld.
De vraag hoe lang we nog in deze situatie zitten en wanneer het weer normaal wordt.
Ogen die wachten. Dat zeggen we niet zo snel. Het gaat om het wachten op de Heer.
Daar gaat vers 16 verder op in: Gij doet uw hand open en verzadigt al wat leeft naar uw welbehagen 
God opent zijn handen door mensen die hun handen openen.
In een Joods midrasj – uitleg –  wordt dit vers 16 daarom als volgt vertaalt: Hij verzadigt al wat leeft met wil. Hij verzadigt al wat leeft met wil….
En de uitleg van de rabbijnen hierbij is dan:
aan ieder mens die voor God openstaat geeft God het verlangen om de dingen te willen die bij God horen. En zo kan God hen dan ook gaan geven wat ze willen.
Zo lezen zij ook vers 19 waar in onze vertaling staat: Hij vervult het verlangen van wie hem eren. De Joodse uitleg van dit vers is: de wil van die hem vrezen vormt hij.
In deze psalm wordt bezongen hoe de schepselen beseffen dat zij het voedsel uit Gods hand ontvangen. Zoals een jonge vogel wacht op het eten dat vader of moeder vogel komt brengen.
Zo kijkt de gelovige uit naar de Vaderlijke zorg van onze Schepper.
Jezus Christus zegt in Johannes 15: wat je de vader in mijn naam vraagt zal hij je geven.
Het is kennelijk mogelijk om zo te groeien in je omgang met God,
zo gekneed en gevormd te worden en met Hem één van geest te zijn,
dat je steeds beter aanvoelt hoe God de dingen ziet
en waar Hij aan het werk is of aan het werk wil gaan.
En dat je eigen denken en doen en met name ook je gebedsleven
steeds meer in lijn komt met de wil van de Vader.
Wachtende ogen: Ogen die vol verlangen uitkijken. Ogen die willen zien wat God doet.
Die daar niet aan voorbij willen kijken, maar willen zien dat die zorg er inderdaad is.
Wachten is in de Bijbel nooit afwachten.
Maar wel het besef dat alles wat we hebben van de Heer komt. Gegeven wordt door God.
En dat Hij zal geven wat we nodig hebben. De ogen van allen wachten op de Heer, totdat Hij geeft. Niet uit onzekerheid, maar uit geloof dat God zal geven.
Als mens zijn we altijd in alles van de Heere afhankelijk.
Nu in deze tijd beseffen we des te meer dat we van Hem afhankelijk zijn.
We kunnen niet anders dan ons leven in Zijn hand leggen.
We kunnen niet anders dan met onze ogen ‘wachten’. Dat betekent niet niets doen.
Dat betekent actief zijn. In het zoeken van de Heer.
In het zien hoe God ook in een moeilijke tijd doorhelpt.
In het ervaren dat God kracht geeft om bezig te zijn. Wijsheid geeft om beslissingen te nemen.
Dat kunnen wij niet uit onszelf. De Heer geeft dat. Daarom wachten we op Hem.

‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten’ Matteüs 27,46

Ja, we moeten het horen. We moeten het tot ons door laten dringen.
We moeten het laten weerklinken in ons leven.
Jezus wil dat. Hij roept het uit.
Voor God was dat niet nodig. God hoort ook de stille schreeuw van ons hart.
Hij leest de pijn in onze ogen.
Niemand hoeft voor God te roepen: mijn God, waarom?
Ook Jezus hoefde dat voor God niet. Hij deed het voor ons.
Wij moeten horen. Wij moeten iets leren beseffen.
Jezus schreeuwt een vraag uit: Waarom mij? En het is zo’n ‘waarom’ vol verbijstering.
Zo’n ‘waarom’ dat het heeft opgegeven nog te willen begrijpen,
maar dat eindeloos diepe pijn stem geeft.
Jezus hangt daar niet voor zichzelf. Hij hangt daar voor ons allen. Hij is het hoofd van alle dingen. Van alle mensen en de hele schepping.
En Jezus zegt niet: ik ben alleen.
Hij zegt: u hebt mij verlaten. En God verlaat hier dus niet alleen Jezus.
Maar in hem verlaat God hier alles en iedereen.
En het hele gewicht daarvan, dat voelt alleen deze ene man.
En als God gaat, dan gaat het licht uit.
En wat overblijft is een godverlaten, godvergeten wereld.
Je kunt zeggen: dit is de hel.
Jezus ervaart hier iets wat niemand zo ervaren heeft.
Deze schreeuw van Jezus aan het kruis. Het is ook de schreeuw van de schepping.
Jezus schreeuwt hier niet alleen voor en namens de mensen.
Hij schreeuwt namens de hele schepping. Waar nu alle licht is gedoofd, en geen vogel meer zingt. Deze Godverlaten wereld waar de machten van de duisternis.
De woestheid en ledigheid van voor het begin weer vrij spel heeft.
Die schepping die zo deelt in de gevolgen van de zonde. Die is hier begrepen in deze schreeuw. Alles schreeuwt hier mee.
Jezus schreeuw neemt alle schreeuwen in zich op.
Voor alle machteloosheid, alle onrecht, al het verdriet dat ons mensen kan overkomen.
Door andere mensen aangedaan, of je overkomen door deze kapotte wereld.
Ziekte, depressie, gebrokenheid in je relatie, of in de relatie met je kinderen,
met je ouders, met vrienden. Een ongeluk, of verdriet omdat niet lukt wat je wilt bereiken, werkeloosheid en lichamelijk ongemak.
Soms praten wij mensen dan niet meer met God.
Begrijpen we er soms helemaal niks meer van.
Maar Jezus daalt in die diepste, donkerste momenten af.
Begrijpt ons hierin beter dan wij onszelf begrijpen en neemt ons zwijgen en ons schreeuwen
en alles er tussen in op in deze ene hartverscheurende schreeuw.
En is zo echt Immanuel, God mét ons!!
Jezus sterft te midden van zijn vragen. Binnen zijn aardse leven is hij niet verhoord. Er is een nare, wrede, niets ontziende dood. Er is geen uitkomst, geen verhoring.
Daarmee deelt Jezus in al die pijn van onverhoorde gebeden, van lijden zonder zin.

Dan is er die tweede schreeuw en sterft Jezus daar aan het kruis. Je zou misschien verwachten dat het dan nog donkerder wordt. Maar nee, Als Jezus sterft, wordt het juist weer licht. Jezus neemt in zijn dood alles mee en alles weg. Dood, duisternis, vloek, oordeel, kloof, breuk.
Matteüs schrijft: Nog eens schreeuwde Jezus het uit.
Toen gaf hij de Geest. Dat doet hij echt actief, als een eigen keuze. De geest geven.
Jezus schreeuwt het nog eens krachtig uit.
In deze schreeuw klinkt er naast al het andere ook iets mee van overwinning.
Want juist als Jezus met deze laatste schreeuw sterft begint het weer licht te worden.
Voor mensen zoals wij is Jezus hier deze duisternis door gegaan.
Voor ongevoelige en dubbelzinnige types als wij
is deze eindeloos gevoelige en eenvoudige mens verscheurd door pijn en verdriet.
De God die met ons een leven lang geduld heeft,
die ons de tijd geeft om tot bezinning te komen en naar Hem terug te keren,
is bij zijn eigen Zoon huiveringwekkend consequent, voor ons, in onze plaats:
Jezus wordt genegeerd en in de steek gelaten.
En in Jezus’ naam komt nu ons leven lang Gods roep tot ons:
keer om, kom terug, hier ben ik, hier ben ik!
Waar wij ook in verzeild raken, in Jezus naam blijft voor ons nu die stem van God,
die van het Evangelie: hier ben ik, ik hoor je, ik ben bij je, we gaan er uitkomen.
‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’ En er komt geen antwoord.
God lost het raadsel van het kwaad niet op, maar draagt het voor ons weg. Onbegrijpelijk.
Het wonder van liefde die zin schept en nieuwe betekenis in het leven roept.
Nooit heeft iemand ons zó liefgehad als de God
die zijn eniggeboren Zoon gegéven heeft om te ondergaan wat wij moesten ondergaan
en om zo iedereen die in Hem gelooft eeuwig leven te geven. Nooit zullen we deze liefde begrijpen. Er gaat er bij God een deur open. Voor jou, voor mij en voor alle mensen.

Jesaja 54,10

naar aanleiding van Jesaja 54

Bergen en heuvels zijn ook in de Bijbel toonbeeld van vastheid.
Bomen kunnen door de wind ontworteld worden, huizen kunnen door vuur verbranden, steden door een oorlog worden verwoest, maar bergen, die staan vast en wankelen niet. Bergen zijn indrukwekkend. Ze zijn er altijd.
Dat bergen wijken, kun je je gewoon niet voorstellen. Misschien alleen wanneer er een aardbeving komt.

Hier in de profetie zijn bergen ook zekerheden die zullen wankelen.
En dat niet alleen. Bergen werden in de oudheid, vanwege hun hoogte en majesteit, ook met de goden verbonden. De berg is de plek waar de goden hun verblijf houden.
Dat was in Griekenland zo. Maar ook in Egypte en Mesopotamië. Op de bergen hielden de goden hun vergadering. Daar werd het lot van mens en wereld beslist. Daarom heeft men altijd op de toppen en hoogten offers gebracht aan de goden. Dat was in Israël ook zo. Op de heuvels knielde men neer voor Baäl en de andere afgoden.
Dus wanneer deze bergen wankelen, dan gaat dat over de vastheid en zekerheid waarmee men leefde, die op de helling komt te staan. Dat heeft ook met het godsdienstige leven te maken.

Bergen zullen wijken en heuvels wankelen. Waar zouden wij aan moeten denken vandaag?
Er zijn veel dingen om ons heen die wankelen. Als het gaat om de zorg, de economie, het milieu, de politiek, je gezondheid.
Misschien zijn er ook andere zaken in ons eigen leven die aan het wankelen zijn.
Het kan ook zijn dat er aan onze levensboom geschut wordt, omdat God bezig is ons te snoeien. Dat Hij takken weghaalt, die verhinderen dat we voor Hem vrucht dragen. Dingen die misschien voor ons heel belangrijk zijn, maar niet voor Hem. Dat is niet leuk. Snoeien is een pijnlijk proces. Wat zeker was in ons leven, kan komen te wankelen.

Dan is er maar één ding wat maakt dat je toch niet de moed verliest:
dat is maar en dat is de belofte van God!
‘Bergen zullen wijken, heuvels wankelen, maar…’ en dat is de bemoediging.
Tegenover alles dat wankelen kan, staat iets dat onwankelbaar is; iets dat vast en zeker is, en dat is de trouw, de goedertierenheid van God ‘Mijn goedertierenheid zal van U niet wijken.’

En wat die belofte zo bijzonder maakt is dat het woordje ‘wijken’.
‘Bergen zullen wijken’, ‘Mijn goedertierenheid zal niet wijken.’
Hetzelfde werkwoord, maar met één verschil.
Het Hebreeuwse werkwoord betekent ‘bewogen worden’ als het om voorwerpen gaat, maar als het om mensen gaat dat betekent het ‘vertrekken’.
Zo zegt God tegen Israël en vandaag ook tegen ons: er kunnen heel veel dingen in je leven wankelen, maar mijn goedertierenheid zal van u niet wijken. Niet vertrekken.
God zegt: Ik ga er niet vandoor! Ik zal er zijn!
Dat is een woord, een belofte, die we met beide handen moeten aanpakken. Dat is denk ik, de enige reden, waarom we met vertrouwen naar de toekomst kunnen kijken. Ook al is er veel onzeker, maar wat blijft, is dat de Heere blijft. Hij gaat er niet vandoor! Hij zal er zijn.
Met zijn goedertierenheid. Het Hebreeuwse woord ‘chesed’ is lastig te vertalen.
We hebben er twee woorden voor nodig in het Nederlands:
‘standvastige trouw’ of ‘onwankelbare liefde’. En die standvastige trouw is geworteld in het verbond. Het verbond van Mijn vrede, zegt God. Het is geen bevlieging. Dat kan ook niet bij God. Maar het rust in een verbond. De afspraak van God met zijn volk.
Dat verbond zal niet wankelen omdat er een handtekening onder staat namelijk
‘zegt de Here, uw Ontfermer.’
Dat is de handtekening, die de inhoud bekrachtigt. Uw Ontfermer.
Ontfermen, ‘rachamim’ heeft met de ingewanden te maken. Zo diep gaat Gods barmhartigheid.
Hij buigt zich voorover. Hij komt naar ons toe: ‘kom eens dichterbij’, en fluistert het in ons oor.
Ik ga er niet vandoor. Ik ben jouw Ontfermer.

Kijk niet angstig naar wat komt, kijk naar Mij. Ik zal er zijn!

naar aanleiding van psalm 30

In Psalm 30 ontmoet je David die gewend is aan de situatie waarin hij zich bevindt.
‘Ik zei in mijn zorgeloze rust: ik zal voor eeuwig niet wankelen.’
We voelen aan wat voor type mens dit is.
Het is iemand die het goed getroffen heeft in deze wereld.
De dingen gaan hem voor de wind – privé en zakelijk.
Het gaat hier ook over iemand die dat allemaal wel èrg goed weet.
Zijn zelfvertrouwen loopt over in zelfoverschatting.
Hij noemt weliswaar de naam van God,
maar beseft niet écht meer van wie hij alles ontvangen heeft. Hooghartig
‘In mijn overvloed dacht ik: nooit zal ik wankelen.’
Mij kan niets gebeuren.
Maar toen… toen ging het mis. David werd ziek, heel ziek.
Hij lag op het randje van de dood. Zomaar opeens.
Zijn hele wereld stortte in. En wat had hij nu aan zijn macht?
Ineens was hij heel klein en kwetsbaar. David riep tot God, hij smeekte om hulp, om genezing.
Hij beseft dat hij van Gods hulp afhankelijk was. Weg zorgeloze rust.
Is die geschiedenis van David niet heel herkenbaar?
Hoe makkelijk denk je niet dat al het goede vanzelf spreekt. Je leeft in zorgeloze rust.
Alles gaat goed, en niets wijst er voorlopig op dat dat zal veranderen.
Prachtig natuurlijk, als het zo gaat in je leven!
Maar van wie krijg je het? Heb je dat zelf allemaal voor elkaar gebokst?
Misschien heb je er hard voor gewerkt… Maar nogmaals, wie geeft je al dit goede?
Het had ook zo anders kunnen zijn, ondanks je inspanningen!
Wat gebeurd er als Hij even laat voelen dat het ook anders kan.
Als Hij, zogezegd, zich even achter een wolk terugtrekt.
‘Toen u uw aangezicht verborg’ zegt de psalm, ‘werd ik door schrik overmand’.
Dan merk je pas hoe weinig je het zelf in de hand hebt allemaal.
Je wordt wreed wakker geschud, ineens!
Doet God dan zulke dingen? Wil Hij mensen pootje haken?
Laten we voorzichtig zijn in wat we zeggen.
De psalmdichter heeft er echter geen moeite mee, om Gods hand achter allebei de dingen te zien: zijn voorspoed én zijn ziekte!
Die ervaring van ziekte vormt voor hem een keerpunt. Een wake-up call.
Wanneer zijn leven in elkaar valt als een kaartenhuis dan ziet hij het opeens weer:
als God zich verbergt dan trekt alle kleur uit mijn leven weg.
Als Hij er niet is, is alles donker om mij heen.
Want alles heb ik aan Hem te danken, niet aan mezelf.
Is God dan wispelturig? Zegent hij nu eens, terwijl Hij een andere keer ellende stuurt?
Moet je het maar afwachten hoe Hij het jou laat vergaan?
Nee, Hij ís liefdevol. Dat is hoe Hij ten diepste is: genadig, goed, en liefdevol.
Ook als Hij zich soms even terugtrekt.
De psalm zegt het zo mooi ‘een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn liefde.’
Blijf vasthouden aan het feit dat God góed is. Ook al ervaar je dat op een bepaald moment niet.
Ook al heeft Hij zijn aangezicht verborgen. Dat je blijft roepen tot Hem, net als David deed.
Tóch blijven vertrouwen dat Hij betrouwbaar is.
Ja, als alles goed gaat, is dat niet moeilijk – hoewel…
dan val je al snel in die zorgeloze rust die Hem vergeet.
Maar als Hij ver weg lijkt, dan toch zeggen en blijven zeggen
‘een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn liefde.
‘s Avonds overnacht het geween… maar ’s morgens is er gejuich!’
Soms ga je slapen vol met zorgen. Maar na de avond komt de morgen.
David mocht het ervaren in zijn eigen leven. Maar ook nú is het waar!
Al verbergt de Here zich misschien een tijdje – wie Hem verwacht zal merken dat Hij niet ver is.
Als dat ergens zichtbaar wordt, dan in Jezus Christus.
Toen Hij aan het kruis hing, verborg God Zijn aangezicht ook.
Dat is donkerste nacht die je je voor kunt stellen. Dat is de hel.
Maar Christus is er doorheen gekomen. Hij is opgestaan!
Psalm 30 is een lied over het leven dat sterker is dan dood.
Over licht in de donkerste duisternis.
‘Overnacht ’s avonds het geween, ’s morgens is er gejuich!’
In Christus is dat waar
Hij was sterker dan de dood!
Hij leeft! Hij is opgestaan!
En Hij belooft ons nooit alleen te laten.
In onze zwartste nacht is Hij nabij.
Ook als we niet genezen – Hij is er.
We ontvangen alles van de hemelse Vader.
Die door Jezus Christus ook onze Vader is.

HEER, mijn God, u wil ik eeuwig loven!

Psalm-84-vers-12naar aanleiding van psalm 84

Johannes zegt het ook in zijn apostolische brief: de volmaakte liefde drijft de vrees uit. (1 Johannes 4,18) Zoiets hoor ik ook in dat slot van psalm 84. God de Heer is een zon. Zoals iedere morgen de opkomende zon de nacht majestueus verdrijft, zo laat God in Christus de Zon van de gerechtigheid opgaan die de spoken en schimmen van de duisternis verdrijft en met haar licht en warmte nieuw leven wakker roept. Want God de Heer is een zon en een schild. Genade en glorie schenkt de Heer. Zijn weldaden weigert hij niet aan wie onbevangen op weg gaan.
We komen in de Bijbel nog al eens mensen tegen die juist wel bevangen worden. Vaak door zorgen, angsten. We komen het heel specifiek tegen bij Jezus leerlingen. Op allerlei sleutelmomenten lezen we: ‘ze werden bevangen door grote schrik.’ Keer op keer komen we in de Bijbel de aansporing tegen om niet bang te zijn, niet bevangen te zijn door angst of schrik. En dat is precies de aansporing die we vinden in het slot van psalm 84. Om onbevangen op weg te gaan: want God de Heer is een zon en schild. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert Hij niet, aan wie onbevangen op weg gaan. HEER van de hemelse machten, gelukkig de mens die op u vertrouwt. (psalm 84,12-13)
Echt onbevangen kijken en leven is zo simpel nog niet. Dat je niet wordt bevangen door iets, niet geremd leeft. Hoe vaak hoor je jezelf of een ander niet van die typische zinnetjes zeggen als: Daar gaan we weer! Al ik het niet dacht! Zie je wel! Het is altijd weer hetzelfde liedje. Waarom verbaast me dit nu niet? Je bent je van die associaties meestal niet zo bewust maar die worden gevoed door wat je hebt geleerd en meegemaakt, hoe je bent gevormd. Er zitten heel wat vooroordelen in waar je jezelf niet zomaar van kunt losmaken. Echt onbevangen leven is onmogelijk zegt de psychiater. Je kijkt nu eenmaal altijd gekleurd naar de werkelijkheid. Het is al heel mooi als je je steeds meer bewust wordt van de bril, de lens, de vooroordelen die je bij je draagt.
Onbevangen op weg gaan.
Psalmisten zijn realistisch en robuust. Maken het niet mooier dan het leven is. Dat is zeker ook het geval in deze psalm 84. God is een schild maar dar betekent nog niet dat je geen strijd zou hoeven leveren. Er zijn en blijven dorre streken en soms moet je er dwars door heen, Maar juist in zulke streken is God als een bron, een milde regen. Ik dwaal soms duizend dagen ‘elders’, verloren, verdwaald in ‘tenten van de goddelozen.’ Ze staan voor een hol, plat, vlak en leeg bestaan waar God praktisch uit is verdwenen en waar ik zelfs kan wonen. Me er te lang en te gemakkelijk in thuis voel. Maar er zijn God zij dank ook tijden en plaatsen waar ik weer iets proef van Gods nabijheid. God is weliswaar een zon maar die zon moet iedere keer opnieuw opgaan en in en om en voor mij de duisternis verdrijven.
Onbevangen op weg gaan, het betekent dat je ondanks of juist dankzij alles wat je hebt meegemaakt er toch ruimte blijft voor verwondering. Je het aandurft je te laten verrassen. Zodat je je beeld van hoe je dacht dat iemand was durft te laten bijstellen, te corrigeren, te vernieuwen. Dat je enerzijds lessen trekt uit het leven dat je achter je hebt en je ergens toch ook ruimte laat voor het wonder van een nieuw begin, een andere kijk. Wie zo op weg gaat, zegt de psalm, zal verrast worden door weldaden van God. Die zal momenten meemaken van genade en glorie. Want God, de HEER van de hemelse machten, weigert zijn weldaden niet, aan wie onbevangen op weg gaan.