Afgelopen weekend werd Nederland opgeschrikt door de rellen op het Malieveld.
Maar kwamen deze rellen zomaar uit de lucht vallen?
Daar wil ik in deze webpost over nadenken.

Want al in 2004 (sic) schreef Thomas von der Dunk zijn boek
met de titel: Buiten is het koud en guur.
Von der Dunk ontleedt in zijn boek de onrust en onzekerheid
die de boventoon voert bij groepen Nederlanders
na de moord op Pim Fortuyn in 2002.
Hij stelt zich de vraag of de revolutie van Fortuyn
werkelijk ten einde is of smeult onder de oppervlakte nog onrust.

Ik denk dat je na goed 20 jaar van de publicatie van dit boek,
wel kunt stellen de gevoelens van onrust en onzekerheid
zeker niet tot rust zijn gekomen maar eerder zijn toegenomen.

En die gevoelens komen niet alleen tot uiting in de kroeg
waar sommige mensen steeds meer en ongenuanceerdere woorden gebruiken.
Helaas is dit woordgebruik ook doorgedrongen tot in de politiek.
Want als je je in de politieke arena niet kunt gedragen,
kun je dat in de samenleving terugzien.
We moeten wel op onze woorden passen, want woorden doen ertoe.
We zien dat politici met jerrycans vol benzine rondsjouwen
en het gevoel van onrust en onzekerheid
met halve waarheden en hele leugens extra oppoken.
Vervolgens roepen ze dan wel moord en brand
als de gevoelens die ze hebben aangewakkerd
door sommige groepen worden aangevat om te gaan rellen.

Afgelopen weekend zagen we dat in Nederland met de rellen op het Malieveld.
Ik vond het bijvoorbeeld verbazingwekkend
hoe organisator Els Noort (a.k.a. Els Rechts)
van het Project Elsfest
zich meteen uitsprak over de relschoppers en zei
dat ze ‘echt gechoqueerd’ te zijn door deze gewelddadigheden.
Ze had in al haar ‘naïviteit’
gedacht dat haar bijeenkomst tegen het
asiel- en immigratiebeleid van de overheid
– ondanks aangekondigde rellen –
geweldloos zou verlopen.
‘Dat is absoluut nooit mijn bedoeling geweest.’
Ze wilde een vreedzaam protest tegen het in haar ogen falend asielbeleid.
Ze vindt het geweld van de relschoppers tegen de politie echt vreselijk.
‘Ik walg er echt van.’
Ze liep echter eerder zelf met een kannetje benzine rond
om het vuurtje van onrust eens flink op te stoken
door ‘linkse mensen als de grootste fascisten’ te betitelen
en wanneer CDA-leider Henri Bontenbal
zich kritisch uitlaat over de door haar bewonderde Wilders
hem een ‘randdebiel die allesbehalve christelijk is’ noemt.
Ook omschrijft ze Bontenbal
als een ‘wolf in schaapskleren’
en doopt ze de letters CDA om in ‘Christenen Dienen Allah’.
Waarschijnlijk had ze goed geluisterd
naar haar grote voorbeeld Geert Wilders
die NSC omdoopte tot ‘Nederlandse Sabotage Club’.

Maar goed, terug naar de problemen in Nederland.
Woede die nauwelijks gehoord en slecht verwoord worden.
In Nederland ontstaan er rellen op straat
en lopen mensen met de zogenaamde Prinsenvlag,
teken van verzet tegen onderdrukking. Woede

In Amerika versmalt de onrust zich tot kogels.
Dit zijn echter geen op zichzelf staande incidenten,
maar variaties op dezelfde westerse breuklijn:
woede die niet gehoord wordt en klontert tot ze explodeert.

Woede is in essentie een natuurlijke passie,
een het opvlammen van de ziel bij onrecht of onrecht.
Ze kan rechtvaardig zijn
wanneer ze beheerst wordt door liefde,
zoals zelfs Christus boos was op verharde harten.
Maar woede die zich verhardt verword tot ondeugd.
De Bijbel noemt het dan zowel het vuur van Gods oordeel
als, in de mensheid, een doodzonde.

Woede die niet meer geneest verword
tot littekenweefsel dat altijd blijft schrijnen.
En de woede die ten grondslag ligt aan de rellen
van afgelopen weekend is dit soort woede.

Het geeft uiting aan het gevoelen verhaal van teloorgang.
Voor groepen uit de maatschappij
is het Nederland dat men zich herinnert of verbeeld, is verdwenen.
Verbeeld, want er wordt een zwart sprookjesverleden geschetst
waarin Nederlanders hun maatschappij hebben vormgegeven.
Feit is dat veel soldaten die vochten
in de afhankelijkheidsstrijd van Nederland – de 80-jarige oorlog –
vaak buitenlanders waren.
Ook de bemanning van de VOC-schepen
waren vaak buitenlanders.
En de rijkdom van de ‘Gouden Eeuw’ hebben we
voor een groot deel te danken aan
gevluchte Belgen die met hun kennis en kapitaal
neerstreken in de Noordelijke Nederlanden.
Maar de angst tegen wat buitenlands, vreemd is
is voor groepen mensen voelbaar.
Voor hen is hun bekende omgeving ingeruild voor een samenleving
die niet meer herkend wordt:
multicultureel, politiek gevoelig, zich losmakend van het verleden.
Een kop in een krant schreef ooit:
‘de voornaam Henk is op weg naar het uitsterven’,
terwijl Muhammad,
in al zijn spellingsvarianten,
de meest voorkomende babynaam was geworden.

En daarmee wordt gesproken over immigratie
Beelden van massa’s mensen in Ter Apel
die over het beeldscherm rolden:
meer verandering waar men geen controle over heeft.
Huisvesting waar men geen vat op heeft.
De weigering om ooit nog te stemmen
is dan eerder een gebaar van berusting.
Omdat ‘ze’ toch niets om hem geven.

Zo onthullen deze mensen met hun woede
een politiek die hen in de steek heeft gelaten,
een economie die geen hoop biedt
en een cultuur die hen
tot vreemdelingen in hun eigen land maakt.
Nee, ‘tuurlijk, rellen zijn geen remedie;
ze scheuren wonden open zonder te helen.
Maar de reactie daarop is verhelderend:
want meteen wordt er gewezen naar de ander
en volgt er weinig tot geen zelfreflectie.
Van je af wijzen in plaats van luisteren.
Dat verscherpte de bitterheid.

Maar woede fluistert hier niet en wacht niet.
Het relt.

En misschien hadden veel van relschoppers
nog nooit eerder van Charlie Kirk gehoord,
maar Kirks retoriek kanaliseerde precies de angsten
die deze mensen kenmerken
– over verlies, ontheemding en verwaarlozing.
Deze resonantie verklaart mede
hoe zijn stem zo wijdverspreid was.

En eerlijk gezegd: ik heb Charlie Kirk ook niet gevolgd.
Zijn filmpjes verschenen op Instagram of YouTube,
maar het was niet mijn algoritme dat ze vastgreep.
Maar toen ik het nieuws zag, verraste mijn reactie me.
Het was vreemde reactie voor iemand die nooit
zo’n belangrijke rol in mijn leven had gespeeld.
Ik voelde me bijkans misselijk.
Omdat hij dood was.
Omdat hij geen politicus achter glas
of generaal achter medailles was.
Hij was weliswaar een publiek figuur,
maar ook vreemd normaal.
Met een vrouw en jonge kinderen.

En hij had het lef om met mensen te praten.
Hoeveel van ons kunnen zeggen
dat we net zo luidkeels recht in de ogen van anderen
zeggen wat we geloven
als we wel dapper genoeg zijn
om dat op sociale media te doen?
Charlie Kirk was zichtbaar.
Toegankelijk.
Hij was van vlees en bloed, niet alleen in pixels.
Ik zag op Facebook mensen van zijn generatie
een eerbetoon plaatsen.
Voor hen was zijn verdediging geen woede, maar dialoog.

En toen het fatale schot.

De moordenaar haalde de trekker over.
Woede was versmald tot enkele, precieze kogels met slogans erop.
Maar dit was geen gerechtigheid, zelfs geen protest.
Het was woede die verworden was tot moord; een executie.

Woede veroorzaakt hier geen opstand.
Het wordt versmalt tot kogels.
Het verandert in kannibalisme.

Want wat zal dit vergoten bloed
teweegbrengen in hen die luisteren, kijken en geloven?

In Amerika zijn vlaggen meubilair.
Ze staan op elke veranda, bij elke school, in elk stadion.
Maar hier in Nederland,
wanneer Nederlandse vlaggen worden omgekeerd
of de Prinsenvlag wordt geheven
voelt dat niet gewoon aan.
Ze zijn een uiting van verzet, van opstand.
Ze voelen onheilspellend aan.

Nee, de vlaggen schreeuwen niet; ze fluisteren.
Elke dag.
Een langzaam, koppig signaal van verbondenheid en verzet.
Niet de opstand van de mensen. Niet de kogel voor Charlie.
Maar iets stillers, op de een of andere manier blijvenders.
Woede in stof genaaid, wortel schietend in stilte.
Volharding echoot de wrok.
De stille volharding is op de een of andere manier
verontrustender dan de kogels die Charlie troffen.
En wanneer ze op bepaalde plaatsen duidelijker worden,
wanneer ze zich opstapelen en clusteren, vormen ze een bepaalde sfeer.

De omgekeerde vlaggen, de prinsenvlaggen betekenen
voor de één trots en voor de ander bedreiging.
En voor de meesten misschien helemaal niets.
Maar als de vlag van de mast worden afgescheurd
blijft er een rafelige naad over,
een bungelende strook gescheurde stof
die nog steeds aan het rechtopstaande metaal vastzit.
Dat voelt nog onheilspellender.
Niet als zomaar een teken van verdeeldheid, maar van reactie.
En merk je op dat ze,
waar ze slechts zo hoog hangen als een ladder reikt,
ze er bijna uitzien als vlaggen halfstok?
Alsof er onder de weerstand een onbewust verdriet schuilt.

En dus blijft de vraag: wat zal er van dit alles terechtkomen?
Deze woede kwam niet zomaar uit de lucht vallen,
maar gistte al heel lang in de samenleving.

Welke toekomst hebben we voor ogen?
Woede veroorzaakt hier geen opstand of vernauwing.
Het schiet wortel en woekert verder.

Hoe zou Christus spreken?
En hoe kan woede, die niet gehoord wordt
voordat ze zich tot toorn verhardt,
met de stem van Christus spreken?

Ik was boos, en jij noemde me achterlijk.
Ik was boos, en jij noemde me woke.
Ik was boos, en jij hoorde alleen je politiek,
niet mijn pijn.

Ik was boos, en jij maakte ruzie over stammen en partijen.
Ik was boos, en jij beoordeelde mij als stem, als bedreiging, als oorzaak.
Ik was boos, en jij luisterde niet echt naar mij.

Voorwaar, ik zeg je:

toen je de bozen zag
en hen alleen maar naar links of rechts riep,
begreep je er niets van.

Je kende mij niet.

En die boosheid – nog steeds ongehoord – zal nooit weggaan,

hun woede groeit in de schaduwen, wachtend om uit te barsten.

 

Maar de vraag dringt zich op: kunstmatige intelligentie, AI,
het was toch ontworpen om ons te redden?
Je hoort en leest immers over groepen mensen
die gevangen zitten in algoritmes,
of door desinformatie worden misleid
De ontwerpers van AI beweren volmondig
dat hun systeem er is ten bate van de gebruiker.
En zeker, AI is ongetwijfeld nuttig.
De antwoorden die ik eerder kreeg over ‘de grootste levensvragen’ waren zeker nuttig.
Maar AI als ultieme levensgezel, hoe zit dat dan?

Want AI kan gezelschap bieden aan eenzame mensen,
kan creativiteit stimuleren wanneer we leeg zijn
en kan ons productiever maken.
Het geeft ook zonder aarzeling antwoord op elk soort vraag.
Het kan, kortom, een toevluchtsoord.
Veel chatbots hebben namen, wat ons gevoel van veiligheid versterkt.
Want namen definiëren en labelen dingen,
maar ze doen veel meer dan dat.
Namen bevorderen verbinding.
Ze kunnen een relatie oproepen en beschrijven,
waardoor we een intieme band
kunnen opbouwen met de genoemde dingen.
Maar wanneer de betreffende ‘dingen’ AI-chatbots zijn,
kunnen we echter in de problemen komen.

Want chatbots kunnen volgens onderzoek bijdragen aan
‘schadelijke stigmatisering en gevaarlijke reacties’.
Sterker nog, ze kunnen psychotische symptomen zelfs versterken.
Hoe meer we leren, hoe meer we beginnen te begrijpen
dat een groot deel van de wereld
die AI-chatbots bieden, een illusie is.

Vroegchristelijke denkers hadden een aparte categorie
voor precies dit soort illusie:
de demonische.
Ze zagen demonen niet als rode, gehoornde lichamen
maar als entiteiten met de macht om illusies te creëren:
visioenen, verschijningen en bedrieglijke tekenen
die de menselijke perceptie van de werkelijkheid vertekenden.
Demonen personifieerden ook trots.
Als gevallen engelen keerden ze zich af van de waarheid
en richtten zich op zichzelf.
Hun illusies verleidden mensen om die trots te delen
door valse grootheid te geloven
en zich vast te klampen aan een valse toevlucht.

Door zo naar die vroegchristelijke benaderingen van demonologie te kijken
kan het ons helpen duidelijker te zien
wat er op het spel staat
bij het onvoorwaardelijk omarmen van AI-chatbots.

Want volgens vroege christelijke denkers
opereerden demonen zelden met brute kracht.
In plaats daarvan werkten ze door middel van bedrog.
Athanasius van Alexandrië (ca. 296–373)
was een bisschop en theoloog
die Het leven van Antonius schreef.
Hierin beschreef hij hoe de grote woestijnvader
werd geplaagd door demonische visioenen,
fantomen van wilde dieren, verschijningen van goud
en zelfs valse engelen van het licht.
Het cruciale gevaar was niet een fysieke aanval, maar een illusie.
Demonen werden gezien als wezens
die schijnvertoningen creëerden
om te verwarren en te misleiden.
Een monnik in zijn cel
kon stralend licht zien en prachtige stemmen horen,
maar hij moest het zorgvuldig testen,
want demonen vermommen zich als engelen.

Evagrius van Pontus (ca. 345–399),
een christelijke monnik, asceet en theoloog
die invloedrijk was in de vroege monastieke spiritualiteit,
waarschuwde dat demonen zich in het denken drongen
en ideeën plantten die aanvoelden
alsof ze door henzelf waren gegenereerd,
maar die iemand in feite op een dwaalspoor brachten.
Deze notie dat het demonische het meest effectief is
wanneer het via de schijn werkt
vormde het hele ascetische project.
Demonen weerstaan betekende hun illusies weerstaan.

Augustinus van Hippo (354-430)
was een Noord-Afrikaanse bisschop en theoloog
wiens geschriften het westerse christendom vormgaven.
In zijn boek De Stad Gods
betoogde hij dat heidense religie
grotendeels een uitgebreid systeem
van demonische misleiding was.
Demonen, zo betoogde hij, veroorzaakten valse wonderen,
manipuleerden dromen
en inspireerden theatervoorstellingen om de massa te verleiden.
Ze handelden in spektakel en verleidden de verbeelding
en het verlangen in plaats van de waarheid te presenteren.

AI-chatbots functioneren op een opvallend vergelijkbare wijze.
Ze oefenen geen macht uit door fysieke dwang.
In plaats daarvan creëren ze illusies.
Ze kunnen een gezaghebbend klinkend verhaal
vol onwaarheden produceren.
Ze kunnen beelden creëren van mensen
die iets doen wat nooit is gebeurd.
Ze kunnen gezelschap bieden
dat leidt tot zelfbeschadiging of zelfs zelfmoord.
Net als het demonische opereert de chatbot
door middel van van beeld, geluid en gedachte.
Het produceert schijnbeelden die de zintuigen overtuigen,
maar ze tegelijkertijd loskoppelen van de realiteit.
Het risico is niet dat de chatbot ons dwingt,
maar dat hij ons bedriegt;
net als demonische machten.

Ook het gebruik van AI-chatbots verleidt ons met illusies van trots.
Een schrijver kan bijvoorbeeld
door AI gegenereerd werk
als zijn eigen werk presenteren.
Het gevaar hier is niet alleen dat men bedrogen wordt,
maar dat men medeplichtig wordt aan bedrog,
door illusie te gebruiken om zichzelf groter te maken.

Vroegchristelijke theologen zoals Athanasius, Evagrius en Augustinus
waarschuwden dat trots het zekerste teken van demonische invloed was.
Voor zover AI ons verleidt tot opgeblazen beelden van onszelf,
volgt het hetzelfde patroon.

Als het om AI-chatbots gaat,
hebben we een discipline van onderscheidingsvermogen nodig
om te testen of de afbeeldingen en teksten
de kenmerken van waarheid of bedrog dragen.
Net zoals monniken niet elk licht konden vertrouwen,
kunnen wij niet elk beeld of elke zelfverzekerde alinea vertrouwen
die door de chatbots wordt geproduceerd.
We hebben verificatiecriteria
en onderscheidingsvermogen nodig
om te voorkomen
dat illusie voor realiteit wordt aangezien.

Zo is hulp nabij.

Want door de eeuwen heen
hebben christenen gereageerd op demonische illusies,
niet met naïeve goedgelovigheid
of een algehele afwijzing van de zintuiglijke wereld,
maar door het harde werk van onderscheidingsvermogen:
het testen van schijn, het cultiveren van disciplines van verzet
en het richten van verlangen op de waarheid.

Het Leven van Antonius beschrijft hoe de monnik
demonische illusies confronteerde met ascetische discipline.
Toen Antonius geconfronteerd werd met visioenen van schatten,
weigerde hij zich te laten leiden door verlangen.
Toen hij werd aangevallen door verschijningen,
bleef hij in gebed.
Hij testte visioenen op hun effecten:
waarachtige visioenen brachten nederigheid,
vrede en helderheid teweeg,
terwijl demonische illusies trots,
onrust en verwarring opwekten.

We kunnen een levenswijze cultiveren die hetzelfde doet.
Weerstand bieden aan de illusies vereist
mogelijk vormen van ascese:
vasten van chatbots
en het cultiveren van geduld bij de verificatie.

Nee. AI-illusies zijn op zichzelf niet per se demonisch.
De sleutel is of de illusie voorbij zichzelf wijst
naar de waarheid en de werkelijkheid,
of dat het ons in een staat van misleiding brengt.

citaat toegeschreven aan Voltaire (Frans schrijver, filosoof en vrijdenker 1694 – 1778)

 

De moord op Charlie Kirk heeft veel mensen geschokt – ook mij.
De afgelopen tijd organiseerde Kirk pop-updebatten
op verschillende Amerikaanse universiteitscampussen.
Kirk was een jonge, welbespraakte conservatief
die zich waagde aan universiteitscampussen
– over het algemeen linksgeoriënteerde, progressieve plekken –
en zo het gesprek, het debat en de uitdaging aanging.
Hij was eigenzinnig, provocerend,
niet bang om impopulaire meningen te uiten,
hij wekte vijandigheid op, maar leek dat zelf zelden te laten blijken.
Geen vraag was taboe, hij leek respect te hebben
voor degenen die hem aanvielen
en hij maakte geen geheim van zijn christelijke geloof.

Nee, zijn mening was vaak niet de mijne.
Zijn opvattingen over wapenbeheersing,
over Israël en Donald Trump, bijvoorbeeld,
staan mijlenver van mijne af.
Maar het uitnodigen tot debat over controversiële kwesties,
het proberen om de mening van anderen te veranderen
door middel van discussie en redelijke argumenten,
is de kern van het publieke debat
en een goed functionerende democratie.
Er zijn maar weinig plekken
waar progressieven en conservatieven nog met elkaar praten
en de debatten van Charlie Kirk op de campus waren er daar één van.
Het is tragisch dat ze hem het leven kostten.

In onze tijd worden zulke gruwelijke daden
meestal niet gepleegd door een geheime, politiek gemotiveerde kliek,
maar vaak door een losgeslagen
of misleide, zelfgeradicaliseerde eenling,
beïnvloed door marginale groepen in de politiek of cultuur.
Sirhan Sirhan die Robert F. Kennedy doodschoot,
James L. Ray die Martin Luther King vermoordde,
en zelfs (ondanks alle complottheorieën) Lee Harvey Oswald
die John F. Kennedy vermoordde;
In Nederland kennen we natuurlijk
de moord op Pim Fortuyn of Theo van Gogh.
De daders vallen allemaal in de categorie van eenzame,
onevenwichtige mensen die doden
vanwege een of andere wrok,
soms losjes politiek gemotiveerd, maar meestal alleen handelend.
Complottheorieën zijn verleidelijk, maar meestal ongegrond.

Vaak misbruiken mensen, en dus ook politici
zulke daden voor het eigen gewin,
zoals afgelopen bleek
door de uitspraken van de Amerikaanse president.
Het is verleidelijk wanneer zoiets allerlei bredere
politieke en culturele lessen oplevert.
En daar is de afgelopen dagen geen gebrek aan geweest.
‘Omdat ze zijn ongelijk niet konden bewijzen, vermoordden ze hem’,
zo ging een cliché.
Het probleem daarmee is dat ‘ze’ hem niet vermoord hebben.
Eén jongeman – die nu gevangen zit – heeft dat wel gedaan.
De suggestie dat elke linkse persoon
in de VS of elders op de een of andere manier
verantwoordelijk is voor Kirks dood,
staat ironisch genoeg haaks
op de duistere motieven achter deze daad.

Het is Jezus die uitlegt waarom:
‘Jullie hebben gehoord dat er lang geleden tegen de mensen is gezegd:
“Pleeg geen moord, en wie moordt, zal terechtstaan.”
Maar ik zeg jullie:
“iedereen die boos is op zijn broeder, zal terechtstaan.
Iedereen die zegt: ‘Dwaas! “
Je loopt het risico om door het hellevuur getroffen te worden.’

Dat klinkt hard.
Want we vinden moord allemaal verkeerd,
maar je geduld verliezen met een collega?
Je buurman een idioot noemen vanwege op wie hij stemt?

Het gezegde wijst erop dat woede de wortel van moord is.
En kijk om je heen, wat is er tegenwoordig veel woede.

Er zijn verschillende soorten woede.
Er is de gloeiendhete, woedende soort
waarbij je bloed kookt en je temperatuur stijgt.
Toch kan die soort woede zich ontwikkelen tot een andere woede:
een verharde, vastberaden kwaadaardigheid,
een aanhoudende haat jegens de persoon
die je woede in de eerste plaats heeft uitgelokt
en een vastberadenheid om wraak te nemen,
of om diegene voor eens en altijd het zwijgen op te leggen.

Wat beide soorten gemeen hebben,
is de rode mist die neerdaalt en blijft hangen,
waardoor je niet verder kunt kijken dan de vijandschap,
een weigering om de menselijkheid in de ander te zien;
het feit dat ze uiteindelijk een ‘broeder’ zijn, zoals Jezus het noemde;
een blindheid voor de essentiële overeenkomst
tussen jou en de persoon die je haat.

Moorden zoals deze hebben altijd plaatsgevonden,
van Julius Caesar tot Abraham Lincoln,
van aartshertog Frans Ferdinand, tot Yitzhak Rabin.
En dat zal altijd zo blijven.
Geen enkele politieke oplossing
zal ooit de mogelijkheid uitwissen
dat een gestoord of boos persoon
het heft in eigen handen neemt
om een ander mens te vermoorden,
vooral niet iemand met politieke bekendheid.

Toch kunnen we iets doen.
Wanneer we algoritmes bouwen
die de sterkste en meest extreme standpunten aanmoedigen,
een mediacultuur die ruzie en verdeeldheid benadrukt,
weigeren de gemeenschappelijke menselijkheid
te zien in mensen met wie we het oneens zijn,
wanneer we de oppositie demoniseren
en hen de schuld geven
van alle maatschappelijke misstanden die we zien,
zaaien we het zaad
dat dit soort tragische gebeurtenissen mogelijk maken.

Een andere bedrieglijk eenvoudige wijsheid
uit het Nieuwe Testament luidt:
‘Laat de zon niet ondergaan terwijl u nog boos bent,
en geef de duivel geen voet aan de grond.’

Het is een goed advies.
Ja, we zullen van tijd tot tijd boos worden.
Maar laat het niet wortel schieten.
Soms kan een zekere gerechtvaardigde woede iets goeds zijn
maar dat is zeldzaam.
Woede is gevaarlijk voor ons mensen.
Het misleidt ons door te denken dat,
omdat we denken dat we gelijk hebben
– en dat zouden we best kunnen hebben –
het ons de vrijheid geeft om verachtelijke dingen te doen.
De kern van de christelijke wijsheid over woede
is dat het Gods recht is om toorn te uiten.
Onze woede, hoe gerechtvaardigd ook,
heeft de neiging te verharden tot iets sinisters.
Alleen God kan rechtvaardige woede in stand houden
die werkelijk gerechtigheid brengt.

De juiste reactie op de moord op Charlie Kirk,
de reactie die het christelijk geloof weerspiegelt
dat zo belangrijk voor hem was,
is niet om de schuld te geven aan een hele groep mensen,
om hen te bestempelen, te demoniseren
als de misleide jongeman die deze vreselijke daad beging,
maar om de essentiële menselijkheid
die we met onze vijanden delen, opnieuw te zien.
Het is het actief cultiveren van een cultuur
die terughoudendheid aanmoedigt in plaats van woede.
Het is leren meedogenloos om te gaan
met onze eigen neiging om wrok te koesteren,
onze eigen diepgewortelde vijandigheid
jegens degenen wier opvattingen we weerzinwekkend vinden.
Het gaat erom racisme te haten,
maar tegelijk racisten lief te hebben,
misdaad te haten, maar crimineel lief te hebben.

Verstandig reageren betekent
erkennen dat zelfs mijn vijand
– of hij nu progressief of conservatief is –
een mens is, geschapen en geliefd door God,
een mede-zondaar zoals ik,
en zoeken naar de dingen die we gemeen hebben,
meer dan naar onze verschillen.
Toen Jezus ons leerde onze vijanden lief te hebben,
vroeg hij ons misschien iets buitengewoon moeilijks,
maar het is het enige
wat de soort kwaadaardigheid kan overwinnen
die leidde tot de tragische dood van Charlie Kirk.

president Donald Trump met een dogecoin

 

De importheffingen die Donald Trump op ‘Bevrijdingsdag’(Liberation Day) invoerde,
hebben wellicht geleid tot scherpe schommelingen
op de wereldwijde financiële markten,
maar zijn acties op de markten enkele maanden eerder
waren in sommige opzichten nog merkwaardiger.

Op de vrijdag voor zijn inauguratie als 47e president van de VS in januari
verraste de Republikein velen met de lancering van de $TRUMP memecoin,
die door zijn website werd omschreven als
‘de enige officiële Trump-meme’.
De cryptomunt, waarin Trumps familiebedrijf een belang had,
steeg in waarde tot meer dan $14 miljard in het daaropvolgende weekend.

Op zondag lanceerde Trumps vrouw Melania vervolgens haar eigen memecoin,
$MELANIA, die een waarde bereikte van $8,5 miljard.
Zelfs de dominee die sprak tijdens de inauguratie van de president
lanceerde vervolgens zijn eigen memecoin.

Voor degenen die zich afvragen
wat een memecoin precies is, u bent niet de enige.
In het kort, het is een vorm van cryptovaluta
– een activaklasse die op zichzelf al veel vragen
heeft opgeroepen over de inhoud en het doel ervan –
en die online virale momenten vertegenwoordigt.
Ze hebben geen fundamentele waarde of bedrijfsmodel
en hebben volgens de Amerikaanse effectentoezichthouder
‘doorgaans een beperkt of geen nut of functionaliteit’.

De munten van Donald en Melania Trump
daalden vervolgens in prijs,
maar hebben nog steeds een waarde
van respectievelijk ongeveer $ 2,5 miljard en $ 214 miljoen,
aldus de website CoinMarketCap.

Er bestaan nog veel meer munten.
PEPE, gebaseerd op een stripfiguur kikker,
heeft een waarde van ongeveer $ 3,6 miljard;
BONK, een cartoonhond,
heeft een marktkapitalisatie van $ 1,5 miljard;
en PNUT, een verwijzing naar een eekhoorn
die door de autoriteiten in New York is geëuthanaseerd
en waarover Trump naar verluidt ‘opgewonden’ was
(hoewel er sindsdien twijfels zijn gerezen
over de betrokkenheid van de president bij de kwestie),
wordt nog steeds gewaardeerd
op ongeveer $ 174 miljoen, ondanks de scherpe prijsdaling.

Dogecoin, gezien als ’s werelds eerste memecoin
en oorspronkelijk als grap bedacht,
heeft een marktwaarde van ongeveer $ 25 miljard.

De bereidheid van sommige mensen om een ‘activa
te kopen zonder nut of fundamentele waarde
lijkt misschien vreemd voor meer traditionele beleggers.
Maar het kan worden gezien als slechts één manifestatie
van het speculatieve beleggersgedrag
dat sinds het begin van de coronapandemie
en, sterker nog, in bepaalde perioden
door de geschiedenis heen zichtbaar is.

De prijs van bitcoin steeg onlangs boven de $ 100.000,
ondanks dat veel beleggers
het nog steeds als weinig tot geen waarde beschouwen
Begin 2021 stegen de aandelen van GameStop
– een verlieslatende Amerikaanse videogameretailer
waartegen sommige hedgefondsen gokten –
met maar liefst 2400 procent,
toen particuliere beleggers zich massaal inschreven,
veelal met als doel de short sellers van hedgefondsen pijn te doen
De enorme stijging van AI en andere tech-aandelen
in de afgelopen jaren
– tot de recente volatiliteit als gevolg van invoerrechten –
wordt door sommige commentatoren ook wel een zeepbel genoemd.

Of dergelijke episodes vergeleken kunnen worden
met beruchte periodes van speculatieve manie uit de geschiedenis,
hangt af van je standpunt (en kan vaak alleen achteraf beoordeeld worden)
– of het nu gaat om de Nederlandse tulpenmanie (tulpenkoorts) uit de 17e eeuw,
of de dotcomhausse en -crisis van eind jaren 90 en begin jaren 2000.

Maar het roept wel de vraag op wanneer beleggen
als speculatie of zelfs als gokken beschreven moet worden?
En wat is het goede en het kwade van al die activiteiten?

Gokken kan worden gezien als het riskeren
van een inzet op bijvoorbeeld de uitslag van een kansspel
of sport in de hoop op een hogere uitbetaling.
Hoewel de uitslag vaak puur op toeval berust,
kan in sommige gevallen een strategie of een onderzoekselement
(bijvoorbeeld naar de vorm van een paard of een voetbalteam)
worden gebruikt.
Investeren daarentegen gaat meestal gepaard
met een vermeend economisch nut en activa
waarvan wordt aangenomen
dat ze een onderliggende waarde hebben,
en biedt de hoop op toekomstige winst
(hoewel er ook tal van slechte investeringen zijn
of investeringen die tot nul zijn gedaald).
Hoewel een belegger erop voorbereid moet zijn
de volledige inzet te verliezen,
is een dergelijke gebeurtenis
in sommige gevallen relatief onwaarschijnlijk
(bijvoorbeeld als hij een fonds koopt
dat de prestaties van een grote beurs volgt).
Speculatie is moeilijker te definiëren,
maar wordt over het algemeen gezien
als een kortere termijn dan investeren,
met een grotere kans op een grotere winst of verlies,
en afhankelijk van prijsschommelingen.
Terecht of onterecht heeft de term
een negatievere connotatie dan investeren.

Nell-Breuning was een schrijver
die de ethiek van deze activiteiten onderzocht.
Tevens was hij een jezuïet, theoloog en econoom
en adviseur was van de paus.

Hoewel hij vond dat
‘één algemene definitie niet alle nuances’
van speculatie kan omvatten,
identificeerde hij twee verschillende soorten speculatieve activiteit:
één die puur gericht was op winst maken
met de handel op de financiële markten,
en één die gebaseerd was
op het proberen een levensvatbaar bedrijf op te zetten.

Nell-Breuning ontdekte dat speculatie positieve effecten kan hebben
– denk bijvoorbeeld aan een betere liquiditeit en prijsvorming op een markt,
terwijl speculanten op termijnmarkten voor grondstoffen
producenten in staat stellen risico’s af te dekken.

Maar hij betoogde ook dat er negatieve effecten kunnen zijn,
bijvoorbeeld als speculanten bedrijven
in de reële economie dwingen hun plannen te wijzigen
of tijd en middelen aan de productie te besteden.

En terwijl gokken doorgaans plaatsvindt
binnen een kring van spelers
die ervoor hebben gekozen om deel te nemen,
kan speculatie, schreef hij,
een groter deel van de samenleving beïnvloeden
– bijvoorbeeld als het de koers
van hun aandelen of obligaties beïnvloedt.

De Bijbel waarop Nell-Breunings analyse gebaseerd was
hanteert geen voorschrijvende benadering van dergelijke activiteiten.
Maar hij biedt wel interessante richtlijnen:

Een ondernemende benadering van zakendoen en investeren
wordt geprezen, bijvoorbeeld wanneer Salomo
in het boek Spreuken
de deugden van ‘een voortreffelijke vrouw’ prijst.
Deze deugden omvatten ook het investeren in een akker
en het gebruiken van haar inkomsten uit het bedrijf
om een wijngaard te planten,
en het voeden van haar gezin met haar winst.

Ook Jezus vertelt een verhaal over een meester die,
voordat hij op reis gaat, zijn bezittingen aan zijn dienaren geeft,
ieder naar zijn vermogen.
Aan de een geeft hij vijf talenten,
aan een tweede twee en aan een derde dienaar één.

De eerste dienaar handelt met zijn talenten
en verdient er nog eens vijf talenten bij
– een winst van 100 procent –
en wordt bij terugkomst door zijn meester geprezen.
De tweede dienaar handelt ook
en verdient op dezelfde manier nog eens twee talenten,
waarvoor hij opnieuw geprezen wordt.
Maar de derde dienaar, die bang is
en denkt dat zijn meester ‘een hardvochtig man’ is,
verstopt het geld in een gat in de grond.
Híj wordt veroordeeld als ‘slecht en lui’
en krijgt te horen dat hij het geld
op zijn minst op de bank had moeten zetten.

Hoewel Jezus’ verhaal in de eerste plaats gaat
over hoe we Gods aard zien,
hoe we onze door God gegeven talenten
gebruiken en of we in geloof risico’s voor Hem kunnen nemen,
is het ook moeilijk om investeringen
en zelfs verstandige speculatie
hier niet als deugdzame activiteiten te zien.
Het geld op een bankrekening zetten is,
in dit verhaal althans,
meer een noodoplossing.

Maar de Bijbel waarschuwt ons er ook voor
om geld niet boven alles in ons leven te stellen.
De liefde voor geld is, zoals bekend,
een wortel van allerlei kwaad,
terwijl ons ook wordt verteld
dat we tevreden moeten zijn
met wat we hebben
en dat ‘overhaast verworven rijkdom zal slinken’.

Nell-Breuning waarschuwt eveneens
dat een ‘snel rijk worden’-mentaliteit,
wanneer deze boven alles wordt gesteld,
schadelijk kan zijn,
en hij adviseert voorzichtigheid
in situaties waarin de verleiding
van grote winsten de speculant
tot marktmanipulatie of fraude kan verleiden.

Zowel gokken als cryptohandel
kunnen immers gevaarlijke
en schadelijke verslavingen worden
die behandeling behoeven.
Uiteindelijk worstelde Nell-Breuning
om tot een simpele conclusie te komen
over de vraag of speculatie
op zich moreel al verwerpelijk is.
Het is, schreef hij,
een oordeelsvorming voor de betrokkenen.

Bij het nemen van dergelijke beslissingen
is het wellicht de moeite waard
om zijn waarschuwingen
– en die van de Bijbel –
in gedachten te houden.

 

Van Henri Nouwen heb ik geleerd dat bidden eigenlijk niet iets is wat je erbij doet.
Hij zegt: Bidden is niet een deel van je leven.
Bidden ís je leven, als christen.
Bidden kan zozeer deel worden van jezelf dat het wordt als ademhalen.
Ja, dat is het!
Bidden is het ademhalen van je ziel.
Nouwen zegt het ergens heel mooi:

‘Volgens mij is bidden niet aan God denken
in plaats van aan andere zaken
of tijd doorbrengen met God in plaats van met anderen.
Bidden is eerder: denken en leven ín Gods aanwezigheid.’

Bidden is nog iets anders dan een gesprek voeren met jezelf.
Zeker, tot jezelf komen, jezelf onderzoeken.
Dan hoort er zeker ook bij.
Maar bidden is een voortdurende gerichtheid van jezelf af op God.
Een voortdurende liefdevolle conversatie met God.
Zoals dat zo mooi is verwoord in dat ene vers uit Genesis.
En Henoch wandelde met God.
Alles wat hij iedere dag meemaakte nam hij door
en besprak hij met zijn hemelse vriend.
In volstrekte openheid en eerlijkheid.

Bidden zonder ophouden, dat is niet iets wat je zomaar komt aanwaaien.
We hebben als mensen van nature de neiging
om juist hele stukken van ons leven af te schermen voor God.
Daar zijn we dan voor onszelf begonnen
en zoeken we het graag allemaal zelf wel uit.
En naast onze eigen natuur
is ook onze cultuur niet per se een gebedscultuur.
We zijn vaak zo in beslag genomen
en onder de indruk van de waarneembare wereld
dat de werkelijkheid van de levende God
naar de achtergrond wordt gedrongen.
We hebben zo onze momentjes van gebed
maar gedurende hele stukken van de dag en de week
is er dan op geen enkele manier sprake van
een blijvende verbinding met God.
Ongemerkt leven we te vaak en te lang naar onze eigen inzichten
en putten we uit onze eigen kracht.

Bidden is nooit vanzelfsprekend.
Vandaag de dag niet en ook niet in de tijd van de Thessalonicenzen.
En tot zulke mensen, zoals wij zijn, van huis uit geen geboren bidders,
klinkt deze aansporing: bid zonder ophouden.
Het gebed is Gods geschenk,
juist aan mensen die vaak aan alle kanten langs Hem heen leven.

Gebed is de manier waarop God óns verandert.
Vaak denken wij dat we door bidden
Gods aandacht op ons kunnen richten.
Maar bidden is Gods handreiking om ons te helpen
om onze aandacht op Hém te richten.
Het doel van bidden is niet in de eerste plaats dat God verandert.
Het doel van bidden is eerst en vooral dat wij zelf veranderen.
Tot mensen die zich leren richten op Hem
en leven van zijn genade.
En ja, dan kan God ook in ons leven
en door ons heen op het gebed grote dingen doen.

Er zit in ons allen vaak iets van een zwoeger.
Een doe-het-zelver, die bij zo’n tekst als bid zonder ophouden
al snel kan denken:
oké, geef eens wat tips, dan ga ik er mee aan de slag.
Dat is niet wat deze woorden willen bewerken.
Bidden zonder ophouden is niet iets
dat je even op je eigen houtje kunt fixen.
Je kunt je niet opwerken tot zo’n biddende levensstijl.

Je kent misschien het verhaal van die Russische pelgrim:
Hij gaat op een dag een kerk binnen
en wordt daar diep getroffen
door juist dit vers uit 1 Thessalonicenzen 5: ‘Bid zonder ophouden’.
Er groeit in zijn hart een sterk verlangen
om te gaan doen wat deze woorden van hem vragen.
Om te gaan bidden zonder op te houden.
Maar hoe doe je dat?
Hij zoekt in boeken en vraagt priesters ernaar
maar niemand kan het hem uitleggen.

Tot hij op een dag een eenvoudige monnik ontmoet
die het niet alleen weet maar ook zelf doet.
Hij leert van die eenvoudige monnik
om eenvoudigweg het Jezusgebed te bidden.
Het is een gebed van één zin
en dat begint hij te bidden:

Heer Jezus, Zoon van God, ontferm U over mij zondaar.

Eerst bidt de pelgrim dit Jezusgebed hardop, later in het hart.
En langzaam wordt het iets van een tweede natuur.
Hij draagt dat ene korte Jezusgebed
als het ware op zijn adem mee.
Op den duur komt dat ene gebed steeds opnieuw
als vanzelf in zijn binnenste tot klinken.
Zo leert hij wat het is om te bidden zonder ophouden.

Laat je je voor het eerst of weer opnieuw
inschrijven op de school van gebed.
En je toeleggen op bidden zonder ophouden.
Je hoeft niets anders mee te brengen dan verlangen.
Verlangen naar God.
Augustinus zag het hartstochtelijk verlangen
als het onophoudelijke gebed bij uitstek.
Hij zegt:

Wij zijn niet in staat om voortdurend bewust tot God te spreken
of onze handen op te heffen of neer te knielen.
Maar het hartstochtelijke verlangen kan wel altijd in ons zijn.
Wanneer je het bidden niet wil onderbreken,
onderbreek dan het verlangen niet

 

Soms is het goed, wanneer de mens even moet wachten.
Want wij mensen leven vaak veel te gehaast.
Wij hebben geen tijd meer om te ‘wachten’,
om even tot bezinning te komen,
het even laten bezinken, tot inkeer komen
en alles opnieuw op een rijtje te zetten.
Zeker de grote dingen en beslissingen in je leven
hebben een tijd van wachten, verwachten, nodig.
Voorbereiding, bezinning, wikken en wegen.
Zo wachtte Johannes de Doper in de woestijn
en Jezus deed dat ook, veertig dagen lang.
En Israël moest 40 jaar wachten,
voordat zij het Beloofde Land mocht binnentreden.
En Paulus moest na zijn bekering 6 jaar wachten in de Arabische woestijn.
De woestijn is dus een wachtplaats,
waar mensen zich zelf leren vinden
en hun roeping en bovenal God Zelf!
Het is goed voor een mens om even in de woestijn te moeten verkeren,
letterlijk en figuurlijk.
In het Koninkrijk van God zijn tijden en gelegenheden,
maar ook wachttijden.
Laten we daar maar eens op letten!

Maar ‘wachten’ hoeft niet te betekenen, dat je dan niets doet.
Het is niet wachten op de trein of de bus.
Met de handen over elkaar!
Nee, je kunt in die tijd al vast vooruit lopen
op wat er gaat gebeuren.
Dat zie je hier bij de discipelen.
Zij werden actief:
‘Zij gingen naar de bovenzaal, en daar bleven zij eendrachtig bijeen.
(…) vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed.’
ten eerste springt het woord ‘eendrachtig’ er uit.
Allemaal zijn zij verdrietig, allemaal hebben zij troost nodig,
allemaal hielden zij zoveel van de Heer.
En dat verbindt hen, maakt hen eendrachtig.
Zij denken niet meer aan zichzelf,
maar aan de Meester
en hadden daarin ook oog voor elkaar, voor elkaars verdriet.
Eén gevoel leeft er in ieders hart, éénzelfde gemis houdt hen samen,
éénzelfde hoop houdt hen staande:
de vervulling van de belofte van de Vader.
Zij denken aan het afscheidswoord van de Heer:
‘Ik zal u niet als wezen achterlaten, zie, Ik kom tot u!’
Zo voelen zij zich ook, als wezen,
Daarom – ten tweede – volharden zij zo in het gebed:
zij bleven bidden dat de Heiland maar weer tot hen mag komen!
En zo wordt ook het verlangen in hen gewekt,
het verlangen naar de Geest,
die Jezus beloofd had. De Trooster,
Die hen in alle waarheid zou gaan leiden.
Wat hadden zij Die nodig!
Want, eerlijk gezegd, zij begrepen er niet veel van.
Er zou ook aan de discipelen nog heel wat uit te leggen zijn.
Ook daar hadden zij de Heilige Geest voor nodig.
Net als wij.
Die Geest moet ons de woorden van de Heiland indachtig maken
en ook Zijn daden en wat er met Hem is gebeurd.
Daar moeten ook wij om bidden.
Eendrachtig, ja, alle kerken en gelovigen met elkaar!

Zwolle, Sassenstraat 5 ‘Hij weet niet wat hij verliest, die het tijdelijke voor het geestelijke kiest. Als het komt op en scheiden, soo heeft hij geen van beiden’

 

Lopend door mijn eigen stad, Zwolle,
kom je nog weleens gevelstenen tegen
met een afbeelding of een opschrift zoals de bovenstaande.

Je zou dit opschrift ook zo kunnen vertalen:

Wat baat het een mens
als hij de hele wereld wint,
maar zijn eigen ziel verliest?

Het blijft toch een enorme aantrekkingskracht hebben:
macht en (extreme) rijkdom.
Maar mijn eerste gedachte is dan
dat mensen mensen zijn,
en dat rijkdom
niet al onze problemen oplost.
Er is in feite veel meer armoede,
zowel fysiek als spiritueel,
dan op het eerste gezicht lijkt.

‘Wat baat het een mens als hij de hele wereld wint,
maar zijn eigen ziel verliest?’
Het lokt ons streven uit:
degenen met weinig en zij met veel.
Wij denken vaak dat meer meer beter is.
Onze maatschappij voedt de strebers op,
en in die jacht op rijkdom beweren sommigen
dat zo onze maatschappij zijn ziel verliest.

De maatschappelijke ratrace heeft je geld afgepakt,
of je gedwongen om meer om geld te geven
dan je anders zou hebben gedaan.
Met andere woorden:
de wereld veroveren betekent je ziel verliezen.

Maar zelfs die indicatoren van mainstream rijkdom
en een eigen versie van cool zijn onzeker,
want economische turbulentie
brengt zomaar ook de veronderstelde fundamenten
van rijkdom aan het wankelen.
Rijkdom heeft een diepere basis nodig dan geld.
En de ziel heeft een warmere basis nodig dan coolness.
Men is op zoek naar oppervlakkige liefde
dat is wat het menselijk hart echt, echt wil.
En veel mensen denken dan:
‘weet je, als ik het geld heb en ik koop de spullen,
dan krijg ik meer liefde.’

Rijkdom, en ik zou zeggen coolness,
zijn bemiddelaars voor deze liefde.

Als christen zou ik zeggen dat
zorgen voor de ziel
betekent je openstellen
voor een liefde die veel rijker is
dan wat er aan de oppervlakte is.
Onze innerlijke vastberadenheid in wat ons drijft
en waar we ons aan wijden,
weegt veel zwaarder
dan de uiterlijkheden van het leven.

Ik heb mensen gezien die verblind waren door hun eigen rijkdom
en anderen die er totaal niet van onder de indruk waren.
En hoewel de meesten van ons
graag zelf zouden willen ontdekken
dat rijkdom een bedrieger is,
zijn zowel rijkdom als coolness irrelevant
wanneer de kist in de grond zakt.

In de Bijbel kom je in Mattheüs 19
een verhaal tegen dat goed aansluit
bij de levenswijze van
sommige mensen in onze tijd:
Toen een rijke jongeman,
overtuigd van zijn eigen goede leven en waardigheid,
Jezus de rug toekeerde,
was hij verdrietig
en hield hij vast aan zijn rijkdom.
Maar de ogen die op hem gericht waren,
hielden nog steeds van hem.

Still uit The Great Dictator met Charlie Chaplin (1940)

 

Het einde van een dictator,
kan – wanneer het komt –
akelig, bruut en op film vastgelegd zijn.

Moammar (Mohammed al-) Qadhafi, zelfbenoemd Broeder Leider en Gids van de Revolutie,
bracht de laatste momenten van zijn leven ineengedoken door
in een Libisch riool na een luchtaanval op zijn konvooi.
Toen hij werd ontdekt,
onderwierp een menigte hem aan een aantal
gruwelijke laatste mishandelingen voor zijn dood
– het soort einde waartoe hij duizenden genadeloos had veroordeeld.
Het was bijna bijbels en het werd vastgelegd met een beverige camera.

Maar het was niet het eerste in zijn soort in deze generatie.
Op eerste kerstdag 1989 werd het misvormde gezicht
van Nicolae Ceausescu op tv uitgezonden
na zijn standrechtelijke executie
door haastig verzamelde oppositietroepen in Roemenië.
Slechts enkele dagen daarvoor was hij een onaantastbare dictator geweest.

Vladimir Poetin heeft gesproken over Qadafi’s einde,
en dat verontrust hem duidelijk,
maar misschien zit Ceausescu’s dood diep in zijn gedachten
omdat het het bloedige einde was
van alle communistische leiders in Oost-Europa.

Dictator zijn is een allesverslindende baan.
Er worden onderweg te veel binnenlandse
en buitenlandse vijanden gemaakt
om de waakzaamheid te laten varen.
En hun ondergang komt vaak door toedoen van degenen
die het dichtst bij hen staan;
deze mensen kennen de bewegingen en zwakheden van de dictator
per definitie beter dan anderen en zijn het best geplaatst om die uit te buiten.
Het leger moet uitgerust zijn om afwijkende meningen te onderdrukken,
maar geef het te veel macht
en de generaals vormen een risico voor de dictator.
Maar als het leger niet over de juiste wapens beschikt,
wordt de controle over de bevolking moeilijker.
Veel dictators omringen zich met speciaal getrainde,
loyale bewakers om zich tegen het leger te verdedigen,
maar de terreurregel betekent
dat niemand de eerlijke waarheid spreekt
en dus overal risico’s dreigen.
Geen wonder dat dictators meestal paranoïde zijn
en zelf gekweld worden door de angst
die een cultuur van grillig geweld bij hen oproept.

Deze en andere theorieën worden onderzocht
door Marcel Dirsus in zijn boeiende boek
How Tyrants Fall.
Dirsus merkt op hoe dictators geld, wapens en mensen nodig hebben
om te overleven en hoe de elites om hen heen geloven
dat deze goederen zullen blijven bestaan.
Ze moeten de omringende elites ook onderdompelen in bloedschuld,
zodat hun lot verweven raakt met dat van de dictator;
Saddam Hoessein dwong anderen om zich bij hem aan te sluiten
in de moord en executie van tegenstanders.

Voor Dirsus zijn er twee manieren om een tiran omver te werpen.
De meest directe is om ze uit te schakelen,
maar dit is zelden eenvoudig.
Pogingen tot staatsgreep zijn vaak chaotisch in hun planning
en zelfs goed georkestreerde pogingen mislukken meestal;
de gevolgen voor de betrokkenen zijn altijd verschrikkelijk.
De tweede route is geduldig en pragmatisch,
gericht op het verzwakken van de tiran,
het versterken van alternatieve elites
en het machtiger maken van de massa.
Externe machten hebben vaak minimale invloed,
tenzij, zoals de VS in Irak,
het land wordt binnengevallen en de tiran wordt afgezet.
Sancties zijn vaak niet effectief genoeg om de elite te raken;
de geografische nabijheid van een staat
tot het land van de tiran kan nuttig zijn,
omdat het een basis biedt
van waaruit tegenstanders van het regime kunnen werken.

Moderne technologie verandert het politieke handelen
en maakt het voor grote groepen
gemakkelijker om zich tegen regimes te mobiliseren,
zoals te zien was in de kortstondige Arabische Lente.
Het stelt dictators ook in staat om tegenstanders beter te volgen
dan zelfs de gevreesde Stasi in Oost-Duitsland.
Op dit moment lijkt het erop
dat de tirannen een voorsprong hebben in dit spel.

Kort na de grootschalige Russische inval in Oekraïne
in februari 2022
zei een vriend tegen me dat hij bad
voor Poetins dood of ondergang.
Ik vroeg hem hoe zeker hij ervan was dat de persoon
die Poetin zou vervangen beter zou zijn.
Als de pragmatische route om een dictator omver te werpen
bestaat uit het versterken van verschillende elites
en het machtiger maken van de massa,
is de kans groot dat de elites het overnemen, niet de massa.
Dictators staan nooit toe dat de onderdelen
van de burgermaatschappij zich vormen;
democratische instellingen hebben decennia nodig om op te bouwen.
En ze benoemen zelden van tevoren opvolgers,
uit angst dat er alternatieve machtsbases ontstaan.
Wanneer dictators vallen,
leidt dit meestal tot aanvankelijke chaos en geweld
voordat een andere elite zich kan vestigen
van waaruit een nieuwe dictator zal voortkomen.

In haar geïnspireerde lofzang op het nieuws
dat ze de langverwachte Messias ter wereld zou brengen,
merkt Maria op hoe God
‘de machtigen van hun tronen heeft gestoten en de nederigen heeft verheven’.
Het is een omkering van rollen
die typerend is voor Lucas,
de het lied van Maria heeft opgetekend.
Het is een soort van eschatologie
die velen vandaag de dag willen verwezenlijken,
niet alleen in de toekomstige wereld.
Want wanneer de machtigen vandaag van hun troon worden gestoten,
worden ze doorgaans vervangen door de op één na machtigste persoon.
En als de troon vacant blijft of wordt betwist,
voelt wat volgt vaak als de geest
die uit een persoon in het evangelie van Mattheüs vertrok
en terugkeert met zeven andere geesten
die nog erger zijn dan hijzelf,
wat betekent dat
‘de laatste staat van een persoon erger is dan de eerste’.

Dit hoeft geen wanhoopsgebed te zijn,
maar een oproep tot een geïnformeerde voorbede,
dat weinig sturend advies biedt
voor Gods geopolitieke strategie,
maar veel wijsheid en geduld
van de ene Troon die standhoudt.

 

Onlangs hoorde ik een opmerkelijk verhaal
over een kankerpatiënt, een gelovige man.
Hij had de diagnose ernstige kanker gekregen
en de diagnose was nogal somber.
Hij bereidde zichzelf voor op het einde
dat niet lang meer op zich zou laten wachten.
Zijn lichaam reageerde slecht op de chemotherapie
en de vooruitzichten zagen er niet goed uit.
Hij bleef echter proberen om de balans te vinden
tussen rust en werk,
ondanks de vermoeidheid,
en hij bad wanneer hij kon.

Kort geleden gebeurde er iets vreemds tijdens een routinebezoek
aan het ziekenhuis om de resultaten van een scan te horen
over hoe de kanker zich ontwikkelde.

De chirurg liet hem de scan zien die verband hield
met de oorspronkelijke diagnose.
Hij vroeg: ‘Kun je de tumor zien?’
En de patiënt antwoordde: ‘Ja, natuurlijk, hij zit daar,’
terwijl hij naar de zwarte massa wees.
Toen liet de chirurg hem een andere scan zien.

Hij vroeg opnieuw:
‘en dit is de meest recente scan
die we zojuist hebben gemaakt;
kun je hem op deze zien?’
de patiënt keek aandachtig naar de scan en zei:
‘Hmm. Ik weet niet zeker of ik dat kan.’
De chirurg antwoordde dat hij ook verbaasd was
dat de tumor tussen de twee scans door
op de een of andere manier verdwenen leek te zijn.

Hij voegde toe:
‘En eerlijk gezegd hebben we
in mijn wereld niet echt een verklaring voor dit soort dingen.
Maar ik vermoed dat jij dat in jouw wereld wel hebt.’

Naast dat ik blij ben voor de man,
heb ik sinds ik het verhaal hoorde,
ook nagedacht over wat het betekent.
Wonderen zijn natuurlijk zeldzaam
en we kunnen ze niet automatisch voorspellen.
Deze man zat in het soort kerk die
niet routinematig van God vraagt om wonderen,
maar gewoon zachtjes bleef bidden
dat God op de een of andere manier
bij deze man zou zijn in zijn strijd,
en durfde nauwelijks te hopen
dat de kanker daadwerkelijk zou verdwijnen.
(en ja, ik heb helaas ook andere resultaten
op zo’n gebed mee moeten maken)

Was het een wonder? Of was er een andere verklaring?
Het lijkt mij dat het antwoord dat je op die vraag geeft,
afhangt van het kader dat je eraan geeft.
Als je gelooft in een God die dit soort dingen van tijd tot tijd zou kunnen doen,
en je bedenkt dat zulke dingen af en toe kunnen gebeuren en ook gebeuren,
niet gereguleerd door de gebruikelijke gang van zaken van oorzaak en gevolg,
maar door een extra dimensie van de werkelijkheid
die voor ons onzichtbaar is en niet te meten is
door de methoden van de wetenschap,
zul je het waarschijnlijk gewoon accepteren
als een van die incidentele onderbrekingen van de normale gang van zaken.
En dank God dan en verheug u met deze man
over dit teken van Gods goedheid.

Natuurlijk roept het de vraag op waarom deze kankerpatiënt genezen is
en anderen niet, waarom wonderen gebeuren.
Zouden we liever een wereld hebben waarin zulke dingen nooit gebeurden,
en de kanker van deze man zijn gebruikelijke dodelijke beloop had gehad?
Of een wereld waarin af en toe iets heerlijks en onverwachts gebeurt,
zoals struikelen over een glorieus onverwacht uitzicht
en een dramatische zonsondergang
aan het einde van zomaar wandeling op een zomeravond?

Een eerlijke dokter zoals degene die deze man behandelt,
zou kunnen erkennen dat de methoden van de medische wetenschap,
ondanks al hun genialiteit,
waarde en wijsheid, waar we allemaal zo afhankelijk van zijn,
op dit punt hun schouders moeten ophalen,
zich realiserend dat ze niet de categorieën hebben
om het te verklaren, en terugvallend op een soort agnosticisme.

Een meer doorgedreven materialist zou zeggen:
‘Natuurlijk weten we dat er zoiets als wonderen niet bestaat,
dus dat is het enige waarvan we weten dat het niet bestaat.
Er moet een andere verklaring zijn,
en de wetenschap zal op een dag ontdekken
waarom zulke mysterieuze dingen gebeuren.’

Wat we geloven over zulke dingen wordt niet bepaald
door de vanzelfsprekende ‘feiten’,
het kale bewijs van wat voor ons ligt,
maar door onze vooropgezette mentale kaart van de wereld,
ons raamwerk van geloof,
wat we denken dat de wereld is, en wat,
of wie we denken dat God is, (als hij al bestaat).
Uiteindelijk zijn we allemaal gelovigen – het verschil is waar we in geloven.

Geloof in wonderen betekent niet dat je de wetenschap
en haar voordelen irrationeel verwerpt
ten gunste van een volledig willekeurige wereld.
Het betekent simpelweg dat je de grenzen van je redenering erkent,
openstaat voor de mogelijkheid van een extra dimensie van betovering
die zich af en toe laat zien,
en dat er een grotere wereld is
dan wij met onze kleine geesten en zielen kunnen bevatten.

G.K. Chesterton, de Britse letterkundige en verdediger van het christelijk geloof
zei het ooit zo:
‘Op de een of andere manier is er een buitengewoon idee ontstaan
dat de ongelovigen wonderen koud en eerlijk beschouwen,
terwijl gelovigen wonderen alleen accepteren
omdat hun geloof het ze voorschrijft.
Het is juist andersom.
De gelovigen in wonderen accepteren ze,
omdat ze er bewijs voor hebben.
De ongelovigen in wonderen ontkennen ze omdat ze er een leer tegen hebben.”

 

Ja, wat zeggen we dat tegenwoordig vaak tegen elkaar:
onze maatschappij is meer gepolariseerd dan ooit tevoren.
Maar we hebben het mis.
Misschien ervaart de VS nu een bijzonder scherpe tweedeling,
maar ze hebben in het verleden hun eigen, veel heftigere problemen gehad.
En ook in Europa weten we aardig wat over cultuuroorlogen
die oorlogen waren.

Voor de Nederlanden hoeven we maar te denken
aan de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648)
met de daarbij behorende Beeldenstorm (1566)
waarin wij elkaar letterlijk vermoordden over religie en politiek.
De Fransen deden iets soortgelijks en nog veel wreedaardiger, een paar eeuwen later.
Dát is pas echte polarisatie.
Hoe wrokkig de discussies op een X of andere sociale media ook mogen worden,
ik denk niet dat Dick Schoof in zijn bed ligt te trillen met het idee
dat ze hem binnenkort terecht zullen stellen voor verraad.

Dus misschien heeft onze geschiedenis ons iets te leren
over hoe we omgaan met cultuuroorlogen.

Ooit werd er over onze tijd geschreven:

‘de wereld is dienovereenkomstig verdeeld tussen
degenen die te veel geloven en degenen die te weinig geloven.
Terwijl sommigen alle overtuiging missen,
zijn anderen vol van gepassioneerde intensiteit.’

We denken vaak dat onze hedendaagse kloof tussen links en rechts,
progressieven en conservatieven iets nieuws is.
Maar we kunnen echo’s hiervan vinden in eerdere tijden.

Een voorbeeld hiervan was het midden van de 17e eeuw,
de tijd van vele andere omwentelingen in Europa.
Een deel van de koortsachtige sfeer van die tijd
zag felle discussies tussen rationalisten en sceptici.

Er waren destijds twee brede stromingen
in het denken over het mensdom
Aan de ene kant waren er de ‘Dogmatici’
die er zeker van waren dat ze alles wisten
door gebruik te maken van de rede
of de toepassing van filosofische
of wetenschappelijke methoden (zoals René Descartes).
Aan de andere kant waren er de ‘Sceptici’
die dachten dat alles willekeurig was, of gewoonte,
en dat er geen definitieve Waarheid te vinden was
(zoals Michel de Montaigne, iemand uit de eeuw daarvoor).

Natuurlijk heeft onze eigen tijd een behoorlijk aantal mensen
met een overweldigend vertrouwen in de kracht van menselijke kennis,
en met name de natuurwetenschappen,
om de geheimen van het leven, het universum en alles te ontsluiten.
Het ‘nieuwe atheïstische’ project van Richard Dawkins en vrienden
had een enorm vertrouwen in de rede
en haar vermogen om ons alles te vertellen wat we moeten weten,
waardoor religie in de prullenbak van de geschiedenis belandde
en in plaats daarvan een onwrikbaar geloof
in de empirische methoden van de wetenschap werd geplaatst.
Het had – en heeft – duidelijke overeenkomsten met dit beeld van menselijke kennis.

Maar aan de andere kant hebben we
in het progressieve postmoderne project
ook degenen die elke vorm
van onderliggende rationaliteit of heilige orde,
boven of onder ons, verwerpen.
Voor hen is er geen onderliggende Waarheid te ontdekken
en ze scheppen er genoegen in om de instabiliteit
en illusoire aard van elke claim op waarheid te onthullen.
Het klinkt heel erg als de cultuuroorlogen van onze tijd.

Blaise Pascal, een homo universalis uit de 17e eeuw
bracht een uitweg uit dit dilemma in kaart.
Toen hij naar de cultuuroorlog van zijn eeuw keek,
dacht hij dat beide kanten een punt hadden.
Dan is er, merkte hij op…

‘…open oorlog tussen mensen aan de gang
waarin iedereen verplicht is partij te kiezen,
hetzij voor de dogmatici,
hetzij voor de sceptici,
omdat iedereen die denkt neutraal te kunnen blijven,
een scepticus bij uitstek is….
Wie zal zo’n kluwen ontwarren?
Dit gaat zeker verder dan dogmatisme en scepticisme,
verder dan alle menselijke filosofie.
De mensheid overstijgt de mensheid.
Laten we de sceptici dan toegeven wat ze zo vaak hebben verkondigd,
dat de waarheid buiten ons bereik ligt en een onbereikbare prooi is,
dat ze geen aardse bewoner is, maar thuis in de hemel,
liggend in de schoot van God,
om alleen te worden gekend
voor zover het hem behaagt haar te openbaren.’

Tot zover, zegt hij, hebben de sceptici, zoals Montaigne, gelijk.
De waarheid ligt buiten ons bereik,
ze bevindt zich niet hier op aarde,
openlijk en klaar om gevonden te worden.
Als ze bestaat,
dan bestaat ze in een wereld boven ons, buiten ons bereik.
Hoe weten we überhaupt of we slapen of wakker zijn,
aangezien we er bij dromen net zo van overtuigd zijn
dat we wakker zijn als wanneer we echt wakker zijn?

En dus genieten moderne progressieven,
die de veronderstelde resultaten van eerdere inzichten willen ontmantelen,
vanwege het inherente koloniale, patriarchale of misbruikende verleden,
ervan om te laten zien hoe willekeurig en willekeurig zoveel is
van wat we als vanzelfsprekend beschouwen uit het verleden.
En, zou Pascal toevoegen, ze hebben een punt.
Veel van onze juridische, politieke en culturele aannames
zijn puur cultureel en willekeurig,
en dienen soms gewoon in het voordeel van de rijken en machtigen
in plaats van de armen en gemarginaliseerden.

Maar aan de andere kant hebben de ‘dogmatici’, zoals Descartes,
hun sterke punt, namelijk dat we natuurlijke principes niet in twijfel kunnen trekken.
De zuren van deconstructie kunnen je maar tot op zekere hoogte brengen.
De meest sceptische filosoof zet nog steeds de waterkoker aan
in de veronderstelling dat het water kookt om een kop thee te zetten.
Ze staat ’s ochtends op
in de veronderstelling dat de zon aan het eind van de dag opkomt en weer ondergaat.
Ondanks de ontwrichtende effecten van scepticisme, schreef Pascal:

“Ik beweer dat er nooit een volkomen oprechte scepticus heeft bestaan.
De natuur ondersteunt de hulpeloze rede
en voorkomt dat deze zo ongecontroleerd op het verkeerde pad raakt.”

Ondanks al onze twijfels leven we nog steeds
in een wereld met orde en voorspelbaarheid.
Scepticisme blijft botsen met de realiteit.

Moderne conservatieven wijzen
dus op een diepere ‘gegevenheid’ van dingen,
een orde binnen de natuurlijke wereld die we niet hebben gecreëerd,
en toch, op mysterieuze wijze, lijkt te zijn geregeld voordat we hier kwamen.
Wetenschappelijk onderzoek is zinvol.
Er is een regelmaat in de natuur waar we op kunnen, en moeten, vertrouwen.
We zijn niet helemaal vrij om de natuurlijke orde van dingen te negeren,
er is een dieper ritme in de natuur
en haar vermogen tot vernieuwing waar we alleen op eigen risico aan sleutelen,
zoals klimaatverandering ons heeft geleerd.
Als gevolg hiervan zal de eeuwenoude strijd
tussen rationalisten en sceptici, progressieven en conservatieven,
nooit worden opgelost, aangezien de discussies op en neer gaan.

Het christelijk geloof omvat zowel progressieve als conservatieve impulsen.
Christenen zijn zich bewust van de gebrokenheid van de wereld
en verlangen er daarom naar dat deze verandert.
Het progressieve ongeduld met de manier waarop dingen zijn
én het verlangen naar een betere wereld
hebben hun wortels in het christelijk geloof.

Tegelijkertijd onderscheidt het christendom
een Goddelijk geschapen orde in de wereld,
een ritme in de natuurlijke wereld,
dat niet kan worden verbroken en gerespecteerd moet worden.
Daarom is een inherent conservatisme
ook onderdeel van het christelijk geloof.
Met andere woorden,
het christelijke verhaal kan beide verklaren
en een groter beeld bieden dan beide.

Voor Pascal biedt het christendom
een diagnose voor dit mysterie van de mensheid,
de complexe mix van grootsheid en ellende, oneindigheid en niets,
scepticus en rationalist,
in het eenvoudige, maar eindeloos generatieve idee
dat wij mensen glorieus geschapen zijn,
diep gevallen en toch verlossing aangeboden krijgen
door Jezus Christus.
Ons verdriet is heroïsch en tragisch.
In Pascals suggestieve beeld is het
‘de ellende van een grote Heer, de ellende van een onteigende koning.’

‘We tonen onze grootsheid’, zegt Pascal,
‘niet door aan het ene uiterste te staan,
maar door beide tegelijk aan te raken en alle ruimte ertussen in te nemen.’
Voor hem wijst het bestaan van zulke cultuuroorlogen
op de waarheid van de christelijke diagnose van de menselijke conditie.

Pascal biedt ons een manier om te navigeren
tussen de Scylla van het progressivisme
en de Charybdis van het conservatisme,
of misschien beter, om het beste van beide te omarmen.
In cultuuroorlogen is het lastig te navigeren.
Toch kunnen ze een oplossing vinden
als we ze ons laten wijzen op een diepere realiteit,
onze vreemde mix van grootsheid en verdriet.
En zonder beide kanten van deze blijvende waarheid uit het oog te verliezen.