De afgelopen weken werden gekenmerkt
door ingrijpende geopolitieke gebeurtenissen
onder het bewind van de regering-Trump:
Op 26 december voerden de Verenigde Staten
luchtaanvallen uit op IS-terroristen in Nigeria.
Kort daarna, op 3 januari,
bombardeerden Amerikaanse troepen Caracas,
ontvoerden ze de Venezolaanse president Nicolás Maduro
en leverden hem uit aan New York
om terecht te staan voor narco-terrorisme.
Na een snelle militaire interventie in Venezuela
richtte Trump, dronken van ‘succes’,
zijn pijlen vorige week
weer op Groenland,
het autonome onderdeel van Denemarken
dat hij al langer wil bezitten.
Deze gebeurtenissen
illustreren een nieuw Amerikaans buitenlands beleid,
aangeduid als de Donroe-doctrine:
een periode van agressieve militaire interventies
en grillige geopolitieke machtsuitoefening.

Nigeria en Venezuela delen niet alleen
een overvloed aan olie,
maar ook structurele problemen
zoals corruptie, mensenrechtenschendingen en extreme armoede.
De Amerikaanse interventies in deze landen
versterken het idee dat de naoorlogse,
op gedeelde regels gebaseerde wereldorde;
deze orde die na de Tweede Wereldoorlog opgezet
om mondiale stabiliteit te waarborgen is ingestort.
De orde was gebouwd op internationale afspraken
en morele verantwoordelijkheid.
Ze lijkt nu te zijn vervangen
door een doctrine
die wordt gedreven
door binnenlandse belangen
en politieke willekeur.

De morele focus van de huidige Amerikaanse regering
is sterk naar binnen gericht,
met nadruk op thema’s
als reproductieve rechten,
het homohuwelijk en grensbeveiliging.
Tegelijk ontbreekt het aan moreel leiderschap
op het internationale toneel.
Door het door de VS mede ontmantelen
van de Reproductive and Behaviour Order (RBO)
ontstaat een groeiend internationaal moreel vacuüm.
In een wereld waarin grootmachten
als de VS, Rusland en China
geen gezamenlijk moreel kompas tonen,
rijst de vraag
hoe dit vacuüm kan worden opgevuld.
De RBO stelt dat religie
– en in het bijzonder het christendom –
hierin een cruciale rol kan spelen.

Een illustratief voorbeeld
is het bezoek van de Indiase premier Narendra Modi
aan een kerstdienst in New Delhi op 25 december.
Dit gebaar werd internationaal geprezen
als een poging tot interreligieuze harmonie.
Toch werden binnen 24 uur
de kerstversieringen vernield
door hindoe-nationalisten
in verschillende Indiase steden.
Deze tegenreactie benadrukt
hoe kwetsbaar godsdienstvrijheid is,
vooral in landen
met een dominante meerderheidsreligie.
Wereldleiders dragen hier een morele verantwoordelijkheid
om geweld binnen hun eigen religieuze gemeenschap
ondubbelzinnig te veroordelen.

De motivatie achter deze aanvallen
op christenen in India
verschilt in essentie
niet van het geweld tegen christenen
door islamitische extremisten in Noord-Nigeria:
beide komen voort uit angst
voor het verlies van een vertrouwde beschaving.
Geen enkele samenleving
kan echter duurzaam bloeien
wanneer zij geweld
tegen religieuze minderheden
negeert of rechtvaardigt.
Tegelijk roepen deze gewelddaden
op tot metacognitie:
reflectie op de diepere motieven
achter haat en vervolging.
Juist daarin liggen de kiemen
voor een nieuwe gemeenschappelijke moraal.

De oorspronkelijke RBO was gebaseerd
op principes als soevereiniteit, gelijkheid,
rechtsstaat, mensenrechten,
multilateralisme
en vreedzame conflictoplossing.
Een nieuwe gemeenschappelijke moraal
zou hierop moeten voortbouwen,
maar ook geworteld zijn
in religieuze waarden
die gedeeld worden door de grote wereldreligies,
zonder kleinere geloofstradities uit te sluiten.
Internationale documenten
zoals het VN-Handvest (1945)
en de VN-Verklaring
inzake godsdienstvrijheid (1981)
bieden hiervoor belangrijke juridische kaders.

De grootste uitdaging
ligt bij staten
met een dominante meerderheidsreligie,
zoals het christendom in de VS
of het hindoeïsme in India.
Hoe kunnen zij minderheden
dezelfde bescherming bieden als de meerderheid?
Is religieuze diversiteit
een nulsomspel,
of kan er een moreel evenwicht bestaan?

Het christendom, als grootste religie ter wereld,
biedt het meest omvattende
morele kader om deze balans te vinden.
Zowel christendom als islam
erkennen de unieke spirituele betekenis van Christus.
De leer van Christus,
zoals beschreven in het evangelie van Johannes
en uitgewerkt door Paulus,
maakt een scherp onderscheid
tussen goed en kwaad
en leert dat de strijd
niet tegen mensen is gericht,
maar tegen de machten van het kwaad.

Daarom zou een vernieuwde,
religieus gefundeerde wereldorde
moeten voortbouwen op de leer van Christus.
Deze christocentrische moraal
herdefinieert mondiale conflicten
niet als botsingen tussen mensen of religies,
maar als een strijd tussen goed en kwaad.
Zo ontstaat een inclusieve morele visie
die alle mensen – gelovig of niet –
uitnodigt om het kwaad te veroordelen
en actief het goede te bevorderen
in de geopolitiek en de wereldmaatschappij.

 

Ik ben van nature altijd een optimist geweest.
Dat zit gewoon in mij.
Ik probeer het goede in mensen te zien.
Ik ga er meestal van uit dat iemands intenties
beter zijn dan ze er misschien op het eerste gezicht uitzien.
En ik geloof diep vanbinnen
dat er altijd weer een morgen komt.
Dat problemen vaak minder groot blijken te zijn
als je er eenmaal mee aan de slag gaat.
Dat dingen kunnen veranderen.

Misschien is dat ook wel de reden
dat ik me altijd zo thuis heb gevoeld bij Star Trek.
Die serie ademt hoop.
Het laat een toekomst zien
waarin de mensheid haar grootste problemen
achter zich heeft gelaten:
oorlog, armoede, discriminatie.
In plaats daarvan richt ze zich op iets hogers.
Op samenwerking. Op ontdekken. Op leren.
Op beter worden, samen, als mensheid,
binnen die Verenigde Federatie van Planeten.

Maar als ik terugkijk op de afgelopen jaren,
dan moet ik toegeven dat dat optimisme langzaam is weggesijpeld.
Het voelde alsof het op allerlei niveaus achteruitging.
Kijk alleen al naar het wereldnieuws.
Oorlogen in Oekraïne, Israël en Gaza, Soedan, Jemen,
een wispelturige, rancuneuze kleuter die zijn wil oplegt aan de wereld.
De macht van de sterkste die lijkt te regeren.
Dag na dag beelden van geweld en menselijk leed.
Daarbovenop het constante nieuws over klimaatverandering:
overstromingen, bosbranden, smeltende ijskappen,
ecosystemen die instorten.
Het is moeilijk om daar niet moedeloos van te worden.

En dan is er wat dichter bij huis gebeurt.
De energiecrisis.
De steeds hogere kosten van het dagelijks leven.
Zorgen over de toekomst van de zorg,
over speciaal onderwijs,
over hoe we omgaan met vrouwenhaat
en het groeiende geweld tegen vrouwen en meisjes.
En dit is nog maar een greep uit de krantenkoppen.

Alsof dat nog niet genoeg is,
komt daar ook nog bij: de invloed van giftige sociale media,
de angst voor kunstmatige intelligentie
die ons boven het hoofd groeit,
de steeds fellere polarisatie in het publieke debat,
en zelfs de serieuze kans op een nieuwe pandemie.
Op een gegeven moment dacht ik:
waar moet ik dit allemaal laten?
Ja, hoe blijf je hoopvol in zo’n wereld?

Toen stuitte ik min of meer toevallig
op een boek van Tom Ough:
The Anti-Catastrophe League.
De titel klinkt alsof het zo
uit een Marvel-film komt,
maar het boek gaat juist over
heel concrete, aardse problemen.
En over mensen die daar iets aan proberen te doen.
Het lezen ervan zette iets in beweging.
Het hielp me om voorbij de eerste laag
van angst en doemdenken te kijken
en te vragen: wat gebeurt hier nu echt?

Ough is journalist en werkte een tijd
bij een filantropische organisatie
die zich bezighoudt
met de grootste risico’s voor de mensheid.
In zijn boek neemt hij je mee
langs allerlei mogelijke rampen.
Van een asteroïde die de aarde raakt,
tot een extreme zonnestorm
die onze wereldwijde elektriciteitsnetten
kan uitschakelen.
Maar ook meer bekende zorgen komen voorbij:
klimaatverandering, kunstmatige intelligentie
en een toekomstige pandemie –
die door de WHO zelfs alvast
‘Ziekte X’ wordt genoemd.

Wat het boek bijzonder maakt,
is dat Ough niet blijft hangen in angst.
Bij elk risico introduceert hij de mensen
die ermee bezig zijn:
wetenschappers, diplomaten,
eigenzinnige denkers en stille doorzetters.
Mensen die hun morele zorg niet alleen voelen,
maar er ook naar handelen.
Vaak tegen de stroom in,
soms met grote persoonlijke offers.

Na al dat onderzoek komt Ough uit
bij wat hij ‘existentiële hoop’ noemt.
Hij ontkent de ernst van de problemen niet,
maar hij weigert te geloven
dat het einde onafwendbaar is.
Zoals hij zelf schrijft:
Het einde is zelden zo dichtbij als wordt beweerd.’

Die zin bleef bij me hangen.
Want hoe we de wereld zien,
wordt enorm beïnvloed
door de verhalen die we horen.
En daarin spelen de media een grote rol.
Nee, dat is geen nieuwe gedachte.
Al jaren wordt kritisch gekeken
naar hoe nieuws wordt gebracht:
de constante focus
op wat er mogelijk mis kan gaan,
de speculatie, het drama.

Al in 2008 werd uitgelegd hoe de media omgaan
met wat hij ‘complexe noodsituaties’ noemde.
Er werd gewerkt met vaste clichés:
de heldhaftige hulpverlener, het hulpeloze kind,
het Westen als redder.
Conflicten werden gepresenteerd
alsof het sportwedstrijden waren,
met duidelijke winnaars en verliezers.

En eerlijk gezegd: dat is nauwelijks veranderd.
Vandaag de dag wordt alles ingedeeld in kampen.
Links of rechts.
Voor of tegen.
Pro-Israël of pro-Palestina.
Klimaatactivist of ontkenner.
Voor of tegen AI-regulering.
Het is altijd een nulsomspel:
ik win alleen als jij verliest.

Juist daarom vond ik het boek
Feitenkennis van Hans Rosling zo interessant.
Deze Zweedse statisticus
liet zien hoe vaak onze gevoelens botsen met de feiten.

Rosling toonde, met data aan,
dat veel dingen wereldwijd juist beter gaan.
Minder extreme armoede.
Minder kindersterfte.
Meer meisjes naar school.
Meer vaccinaties.
Het nieuws focust op uitzonderingen en rampen,
maar dat zegt weinig over het grote geheel.

Dat zelfde geldt ook voor milieuverhalen.
Door alles als een onafwendbare apocalyps te presenteren,
raken mensen verlamd.
Terwijl de werkelijkheid genuanceerder is.
Problemen worden aangepakt.
Er wordt vooruitgang geboekt.
En er zijn echte, haalbare oplossingen.

Ja, klimaatverandering is ernstig,
maar het betekent niet automatisch
het einde van de mensheid.
Zelfs in de zwaarste scenario’s
blijft een groot deel van de aarde bewoonbaar.
Het zou een tragedie zijn, zeker.
Maar geen totale ondergang.

Ik pleit daarom voor een ander verhaal.
Niet wij als de laatste generatie die alles kapotmaakt,
maar misschien juist als de eerste generatie
die echt een duurzame wereld bouwt.
Dat vraagt geen naïef optimisme,
maar hoop die gebaseerd is
op feiten en mogelijkheden.

Wat me vooral raakt in dit hele verhaal,
is hoe sterk het raakt aan theologie.
Aan hoe we nadenken
over het einde, over de mens, over hoop.
Apocalyptische taal is overal.
Maar in de christelijke traditie,
zeker in het boek Openbaring,
gaat het niet om een letterlijke voorspelling van vernietiging.
Het is beeldtaal.
Het gaat over hoop.
Over volhouden.
Over God die de geschiedenis niet loslaat.

Theoloog Jürgen Moltmann zei het treffend:
christendom is hoop.
Geen vlucht uit deze wereld,
maar een kracht die het heden verandert.

Vanuit dat perspectief is het idee
dat alles eindigt
in totale vernietiging
eigenlijk slechte theologie.
En hetzelfde geldt voor een mensbeeld
waarin de mens alleen maar wordt gezien
als een fout in de schepping.
Ja, we zijn gebroken.
Maar we zijn ook geschapen naar Gods beeld.
Gezegend vanaf het begin.
In staat tot liefde,
zorg en verantwoordelijkheid.

En precies daar, op dat snijvlak van realisme en hoop,
heb ik mijn houvast weer teruggevonden.
Geen blind optimisme.
Maar een hoop die gevoed wordt door feiten,
door geloof,
en door het besef dat de toekomst nog openligt.

Of zoals Jean-Luc Picard in Star Trek het zegt:
het verleden ligt vast. Maar de toekomst?
Die mogen we samen vormgeven.
Met openheid. Met optimisme.
En met een nieuwsgierige geest.

Mount Doom uit Tolkiens Lord of the Rings

 

Het begin van een nieuw jaar voelt meestal als een frisse start.
Nieuwe kansen, goede voornemens, een beetje hoop.
Maar wees eens eerlijk?
Zo voelt het nu niet echt.
Aan het begin van 2026 lijkt de wereld gevaarlijker
dan ze in lange tijd is geweest,
zeker vanuit westers perspectief.

Psychologen kennen het begrip ‘catastroferen’:
mensen, vaak met PTSS of andere psychische problemen,
gaan dan elk mogelijk gevaar uitvergroten
en zien hun eigen ondergang als onvermijdelijk.
Hun gevoel voor realiteit is verstoord.
Als je elke dag de krant openslaat en wordt overspoeld
door berichten over oorlog, corruptie en rampen,
is het toch knap lastig om níét somber te worden.
Denk aan drones en moderne oorlogsvoering,
schuivende machtsblokken, groeiende ongelijkheid,
cyberaanvallen, door staten gesponsorde hacks,
en AI die we steeds minder lijken te begrijpen.
En dan hebben we het nog niet eens over klimaatverandering,
torenhoge kosten van levensonderhoud
en toenemende polarisatie.

Optimistisch? Niet bepaald.

Wat mij misschien nog wel het meest zorgen baart,
is hoe waarheid en verantwoordelijkheid
lijken te verdwijnen uit het publieke debat.
Gezond verstand voelt soms als een zeldzaamheid.
In plaats van gesprek is er geschreeuw.
Macht wint het van argumenten.
Natuurlijk is ‘gezond verstand’ deels subjectief,
maar ik ben vast niet de enige die zich afvraagt
hoe het kan dat mensen wegkomen
met overduidelijke leugens,
of keihard bewijs wegwuiven als ‘nepnieuws’.
Waar staat de werkelijkheid eigenlijk nog op?

In die stemming raakte ik diep getroffen
door een tekst van de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer,
geschreven kort voor zijn arrestatie in 1942.
Hij schrijft over het falen van de ‘redelijke mensen’:
mensen met goede bedoelingen
die denken dat je met logica en nuance een ontspoorde wereld
wel weer recht kunt trekken.
Ze willen recht doen aan alle kanten,
maar worden vermalen tussen botsende krachten.
Teleurgesteld trekken ze zich terug,
of worden slachtoffer van hardere spelers.

En dan stelt Bonhoeffer de pijnlijke vraag:
wie houdt het dan wél vol?
Volgens hem alleen degene die bereid is
zijn eigen rede, principes en zekerheden
los te laten wanneer hij geroepen wordt
tot verantwoord handelen
— niet vanuit eigen gelijk,
maar vanuit gehoorzaamheid
aan iets dat groter is dan hijzelf.
Ja, waar zijn die mensen?

Terwijl ik daarover nadacht, draaide op tv
weer eens de cyclus van The Hobbit en The Lord of the Rings.
Tolkien beschrijft daarin de strijd tegen het ultieme kwaad,
en noemt die strijd ‘de lange nederlaag’.
Tolkien was maar iets ouder dan Bonhoeffer.
Op het eerste gezicht hadden ze weinig gemeen:
een Engelse katholiek versus een Duitse lutheraan;
een fantasyschrijver tegenover een radicale theoloog.
Maar beiden waren gevormd
door de verschrikkingen van oorlog.
Tolkien had de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog meegemaakt
en had geen romantische ideeën meer over de mensheid.
En toch gaf hij de hoop niet op.

Die lange nederlaag komt maar één keer letterlijk voor
in The Lord of the Rings, maar wel op een cruciaal moment.
Galadriel, de elfenkoningin, zegt
dat zij en haar volk al eeuwenlang
die lange nederlaag strijden.
Dat roept een vreemde vraag op:
waarom vechten, als je weet dat je uiteindelijk verliest?

Het verhaal laat zien waarom.
Iedereen in het gezelschap faalt op een of andere manier.
Zelfs Frodo, die de Ring draagt,
bezwijkt op het allerlaatste moment.
Hij kán de Ring niet vernietigen.
Toch wordt het kwaad verslagen
— niet door heldendom, maar door wat lijkt op toeval:
Gollem valt in de afgrond.
Tolkien maakt daarmee een ongemakkelijke
maar eerlijke boodschap duidelijk:
zelfs de besten onder ons falen.
En tóch kan het goede winnen,
op een manier die niemand gepland had.

Dat betekent overigens niet
dat Frodo faalt als persoon.
Immers, zonder zijn inzet
was de Ring nooit op die plek gekomen.
Tolkien schreef zelfs dat niemand,
uitgeput en gekweld zoals Frodo,
weerstand had kunnen bieden.

De vraag blijft dus: waarom blijven vechten?
Omdat niet vechten erger is.
In Tolkiens wereld is wanhoop een wapen van het kwaad.
De ‘lange nederlaag’ betekent niet dat alles zinloos is,
maar dat menselijke pogingen altijd tekortschieten.
En tóch zijn ze noodzakelijk.

Dat idee sluit aan bij wat Martin Luther King ooit zei:
De boog van het morele universum is lang,
maar hij buigt naar rechtvaardigheid.
Dat betekent niet dat alles vanzelf goed komt
door onze plannen.
Integendeel: mensen falen voortdurend,
zelfs met de beste bedoelingen.
Maar het wijst op een hoger doel
dat niet afhankelijk is van onze perfectie.

Hoop komt dan niet uit systemen,
vooruitgang of natuurwetten
— die lopen uiteindelijk allemaal vast.
Hoop komt voort uit vertrouwen:
dat er Iemand is die door chaos, toeval
en zelfs menselijk falen heen werkt.
Tolkien geloofde dat ook.
Hij noemde het ‘eucatastrofe’:
precies wanneer alles verloren lijkt,
gebeurt er iets onverwachts
dat het hele verhaal laat kantelen.

Dat is geen excuus om niets te doen of ons terug te trekken.
De ‘lange nederlaag’ is geen totale nederlaag.
Het betekent dat onze pogingen om
vrede, recht en genezing te brengen
in een gebroken wereld
– wat het Oude Testament van de Bijbel ‘shalom’ noemt –
nooit compleet zullen zijn,
misschien zelfs gedoemd
zijn onvolledig of zelfs te mislukken —
maar dat ze daarom niet waardeloos zijn.

Zoals de elfen blijven vechten, zo doen wij wat we kunnen.
Niet omdat we denken dat we de wereld redden,
maar omdat het goed is om het goede te doen.
Dat is misschien geen grote overwinning,
maar wel een voorzichtige hoop.
En soms zijn onze daden korte momenten
waarin iets van die uiteindelijke gerechtigheid zichtbaar wordt.

 

Heb ik je aandacht?

 

Elk nieuw jaar begint op dezelfde plek:

niet met doelen, voornemens of betere gewoonten –

maar met aandacht.

Aandacht is waar het innerlijke leven begint.

Het is de stille, een vaak onopgemerkte beslissing die alles vormgeeft.

Mensen praten over aandacht als focus, maar focus is een te beperkt woord.

Aandacht is hoe we benoemen wat belangrijk is.

Het is hoe we verlangens onthullen.

Het is hoe we angst blootleggen.

Het is hoe we waarde uitdrukken –

lang voordat we spreken.

Aandacht is niet neutraal.

Het is een morele daad.

Waar de aandacht naartoe gaat, volgt de ziel.

Waar leiders kijken, komen teams samen.

Waar de cultuur kijkt, worden prioriteiten gevormd.

Waar families samenkomen, wordt identiteit gevormd.

 

Heeft een leider of collega ooit één vraag gesteld die plotseling iets ontsloot?

Zo’n vraag die de mist laat optrekken

en je dwingt aandacht te schenken aan wat er echt toe doet?

Die vragen blijven ons bij omdat ze richting geven, geen informatie.

 

Daarom begint Jezus zo vaak met de vraag:

‘Waar ben je naar op zoek?’

Hij vraagt niet om gegevens; Hij vraagt om richting.

 

Want aandacht doet drie stille, krachtige dingen:

Aandacht vormt verlangen

We worden zoals datgene waar we voortdurend naar kijken.

Verlangen groeit in de richting van onze blik – langzaam, onzichtbaar, onophoudelijk.

Aandacht verzamelt het zelf

Mensen die verstrooid zijn, zijn niet moreel zwak;

ze hebben een gebrek aan aandacht.

Aanwezigheid is geen persoonlijkheidskenmerk –

het is de vrucht van een aandachtig leven.

 

Aandacht stuurt liefde

Liefde zonder aandacht wordt sentiment.

Aandacht zonder liefde wordt controle.

Maar aandacht doordrenkt met liefde geneest, stabiliseert en herstelt.

 

De moderne wereld is erop gericht de aandacht te fragmenteren.

Onze apparaten genereren geld uit afleiding.

Onze angsten zorgen ervoor dat onze ogen
speuren naar gevaar in plaats van naar de waarheid.

En toch heeft aandacht een stille kracht:

het geeft het moment zijn menselijkheid terug.

Aandacht vertraagt de reactieve geest.

Aandacht herstelt de innerlijke grenzen.

Aandacht laat liefde wortel schieten.

Aandacht geeft helderheid haar stem terug.

Aandacht maakt de waarheid weer zichtbaar.

De vraag voor een nieuw jaar is dus niet:

‘Wat moet ik bereiken?’

maar iets meer diepgaand:

Wat onthult mijn aandacht over wie ik aan het worden ben?

Want aandacht is niet alleen waar we naar kijken.

Aandacht is hoe we leven.

En onze aandacht – meer dan onze voornemens –
zal het verhaal vormgeven
dat we dit jaar met ons leven vertellen.

 

 

Zo rond de jaarwisseling van Oud- naar Nieuwjaar
wordt er vaak door mensen achteruit én vooruit gekeken.
Het is een tijd voor afrekening en goede voornemens.
Misschien zoude niet alleen mensen
maar ook landen baat kunnen hebben
bij zo’n jaarlijkse afrekening met zichzelf.

Stel dat we in het leven altijd willen streven
naar een soort Aristotelische ‘gulden middenweg’,
dus tussen roekeloosheid en lafheid,
dan geldt dat ook voor staten en naties.
Veel landen, immers, zijn ten onder gegaan
door de overdaad aan misplaatste verlangens
en verkeerd geordende verlangens:
demagogen die het volk ophitsen;
oligarchen die de res publica – de ‘publieke zaak’ –
tot hun eigen persoonlijke leengoed willen maken.
Revoluties, corruptie en publieke lusteloosheid
zijn het loon van dergelijke zonden.
Uiteindelijk eindigt het in de dood van de staat zelf:
de ineenstorting van alle legitieme autoriteit in strijdende bendes,
terwijl vluchtelingen, als ze kunnen, naar de grenzen vluchten.

Veel landen daarentegen leven hun leven
in angstvallige lafheid,
totdat ze eindigen in een oude dag vol spijt,
omdat ze nooit hun volledige potentieel hebben bereikt.
Deze naties storten niet per se in,
maar gaan langzaam achteruit –
blijken niet in staat zichzelf te hervormen,
gevangen in een visie op hun verleden
die beter was dan hun heden
of welke denkbare toekomst dan ook.

Ook Nederland loopt het risico op beide gevaren.
Enerzijds een roekeloos reactionair populisme,
ter rechter en linkerzijde van het politiek spectrum,
dat lang sluimerend heeft geleefd,
maar inmiddels in volle hevigheid is losgebarsten.
Het dreigt alle voorzichtigheid te laten varen
en alle terughoudendheid omver te werpen,
de ambtenarij en de rechtbanken aan te vallen,
de mensenrechten te verwerpen,
het maatschappelijk debat te ondermijnen
en alle procedurele correctheid opzij te zetten,
totdat we uiteindelijk doorweekt raken
in de goot van despotisme.
Enerzijds staat een hardnekkig
constitutioneel conservatisme
de noodzakelijke, langverwachte hervormingen
in de weg die een oud, vermoeid land
nieuw leven en vitaliteit zouden geven
en onze instellingen de kracht zouden geven
om dergelijke destructieve krachten te weerstaan.

Naties kunnen dan , net als mensen,
beslissende momenten ervaren
van wat we berouw zouden kunnen noemen.
Wanneer ze wakker worden in de goot
– de hoofdstad gebombardeerd, het leger ontbonden,
de bevolking uitgehongerd –
kunnen ze zich afkeren van de paden
die hen daarheen hebben geleid
en een nieuw leven vinden,
een nieuwe hoop,
belichaamd in een nieuwe constitutionele orde.
Dit is wat bijvoorbeeld Duitsland, Italië en Japan na 1945 deden.
Ze kunnen ook een soort bekering ervaren,
weg van valse principes naar waarachtigere houding,
zoals een groot deel van Centraal-Europa deed
na de val van de Berlijnse Muur.

Disclaimer: in deze webpost gebruik ik theologische taal
om louter burgerlijke en politieke opvattingen te beschrijven,
wat natuurlijk altijd gevaarlijk is.
Het zou een verkeerde interpretatie van mijn bedoeling zijn
als men zou concluderen
dat ik een welgeordende staatsvorm verwar met de Hemelse Stad (Augustinus).

Niettemin is een goed geconstitueerde staatsvorm,
waarin vrijheid en rechtvaardigheid,
vrede en het algemeen belang niet alleen worden gekoesterd,
maar ook – in zekere zin – daadwerkelijk worden bereikt,
een onschatbare zegen.
We moeten ernaar streven dit te bereiken.

Een goed geconstitueerde staatsvorm is gebaseerd
op het principe van ‘openbaar bestuur’.
De staat is een publieke entiteit,
die toebehoort aan het publiek,
waarin het openbaar ambt
een publiek mandaat is dat voor publieke doeleinden wordt gebruikt,
en waarin burgers in het openbare leven
trouwe rentmeesters moeten zijn van het algemeen belang,
waarvoor zij verantwoording verschuldigd zijn aan het publiek.

Democratie is ons contract voor deze regeling,
hoewel het een nogal onhandige term is.
Democratie is, goed begrepen,
geen onbeperkte heerschappij van de meerderheid,
noch de onbeperkte heerschappij
van de door de meerderheid gekozen persoon.
Het is veeleer een complex politiek systeem
dat representatief en verantwoordelijk bestuur
combineert met burgerlijke vrijheden en de rechtsstaat.

Populisme daarentegen is een karikatuur van democratie.
Populisten proberen de barrières te ondermijnen
die machtsmisbruik tegengaan.
Hun pogingen om de rechterlijke macht
en het ambtenarenapparaat te verzwakken,
degenen die het niet met hen eens zijn
buitenspel te zetten,
fundamentele rechten te schenden,
macht te centraliseren
en publieke dissidentie te beperken,
moeten daarom worden gezien
als aanvallen op de democratie.
Ze leggen willekeurige macht
in de handen van bepaalde personen.

Nederland is in de steek gelaten door een mislukte ideologie,
die van het neoliberale kapitalisme,
dat, zo wordt gesteld, net zo rigide en doctrinair is
als de officiële marxistische ideologie
van de voormalige communistische staten.
Nederland is eveneens in de steek gelaten
door decennia van incompetent,
kortzichtig en onzorgvuldig bestuur.
De symptomen van wanbestuur zijn terug te vinden
in Nederlandse economische prestaties, de sociale problemen,
de afbrokkelende infrastructuur
en de overbelaste publieke diensten.
Het land benut zijn potentieel niet.

Dit zou ons moeten aanzetten
tot het overwegen van de zwakte van de Nederlandse democratie.
Zoals die nu is, faalt de staat er vaak in het algemeen belang te dienen.
Wij Nederlanders leven niet
in een stevig geconstitueerd staatsbestel
met ‘publiek bestuur’ als fundament,
maar in een leenstaat die is ingekrompen, geprivatiseerd
en gedereguleerd tot bijna in de vergetelheid.

Als het slechts een kwestie was
van specifieke individuen, of van één partij,
zou het probleem gemakkelijk kunnen worden opgelost.
Maar het land is niet alleen in de steek gelaten
door deze of gene regering,
door deze of gene partij of premier.
Het is het regeringssysteem,
de constitutionele orde als geheel,
die ons in de steek heeft gelaten.

Het herstellen van Neerlands hoop voor de toekomst,
zijn welvaart en zijn levenskwaliteit
moet dus beginnen
met de verbetering van de Nederlandse democratie,
en dat met een herfundering van zijn grondwet.

Want de ironie is dat degenen
die zich het meest op hun gemak voelen
met onze democratie,
ook degenen zijn die het meest bijdragen
aan de vernietiging van het openbaar bestuur in eigen land.
Want terwijl ze ‘Het (fictieve) Nederlands Verleden’ verheerlijken,
verwerpt het populistische rechts
de principes en waarden waarop dat verleden berustte.
Net zoals ze een pastiche
van het Nederlandse karakter van de jaren vijftig nastreven
(zonder sterke arbeidsrechten, sterke vakbonden,
zonder verzorgingshuizen, publieke nutsbedrijven en diensten),
zo proberen ze ook een pastiche van de Nederlandse Grondwet
van de jaren vijftig te creëren,
zonder de zelfbeheersing, gematigdheid,
het ethos van openbare dienstverlening
en de hoge mate van sociaal vertrouwen
en cohesie die dat systeem
van complexe ongeschreven regels lieten werken.

Zoals we kunnen zien,
van elke wachtlijst voor de jeugdzorg
tot elke krakkemikkige brug of tunnel,
functioneert de Nederlandse staat niet meer zo goed.
Het heeft alle ondeugden uit het verleden,
maar weinig van zijn deugden.
Een terugkeer naar de status quo
van een gefantaseerd ooit is onmogelijk.
Parlementair absolutisme,
getemperd door de ‘goede mensen’-theorie,
is geen haalbare optie meer.
Of we moeten een onaangetast absolutisme accepteren
– wat de agenda is van het reactionaire populistische rechts –
of we moeten de constitutionele hervorming verdiepen
en tot een nieuwe constitutionele regeling komen
voor een Nederlandse natiestaat,
die écht gericht is op het algemeen belang
van de gewone Nederlandse bevolking,
nu nodig is.

Dan is de vraag:
hoe zou een Nederlandse grondwet eruit kunnen zien,
en welke waarden en principes
zouden daaraan ten grondslag kunnen liggen?

Bij het beantwoorden van deze vraag
heeft de christelijke traditie
veel toe te voegen aan het gesprek.
Want christelijke theologen en politieke filosofen
hebben de afgelopen twee millennia
veel inkt gebruikt aan kwesties van goed bestuur,
de relatie tussen kerk en staat,
en wat het betekent
om christen én burger van een aardse staat te zijn.

Er lijkt een veronderstelling te bestaan
– zowel onder voor- als tegenstanders van geschreven grondwetten –
dat een geschreven grondwet
gebaseerd moet zijn op seculiere waarden.
De grondwetten van de Verenigde Staten en Frankrijk
zijn misschien strikt seculier,
maar andere versies van een grondwet
kunnen gebaseerd zijn
op principes die de suprematie van God erkennen,
of expliciet respect hebben voor christelijke principes.

Dit is geen poging tot theocratie.
Een grondwet voor Nederland zou moeten erkennen
dat zij een samenleving is met vele en geen enkele religie.
Het is echter een erkenning dat het christendom
niet alleen onze instellingen heeft gevormd en gesmeed,
maar ook onze opvattingen over goed en kwaad.
Het opgeven van dat alles
zou een ethisch vacuüm in de samenleving creëren,
dat alleen zal worden opgevuld
met steeds grotere vormen van uitbuiting.

Het belangrijkste ethische principe
van de constitutionele democratie
is de erkenning van de menselijke waardigheid.
Aan de oorsprong en grondslag van alle instellingen,
wetten en normen
moeten we ons vastklampen
aan het fundamentele gebod dat christenen de Gulden Regel noemen:
‘Behandel anderen zoals je wilt dat anderen jou behandelen.’
Als we dat principe van menselijke waardigheid loslaten,
is er geen solide basis meer
om een fatsoenlijke, goed geordende, democratische staatsvorm op te bouwen.
Misschien kunnen we dan een nieuw en beter Nederland bouwen.

 

En…voel je je al een beetje ‘kerstig’?
Of ben je, net als zovelen, gewoon moe?
Door de jaren heen heb ik vrienden en collega’s gehad
die als ware feestvierders de decembermaand indoken,
onvermoeibaar op zoek naar kerstfilms,
kerstgerechten en kerstliedjes,
en genoten van alles wat voor hen een soort
zachte, magische sfeer oproept die alles helderder maakt.
De lichtjes gaan aan, de kerstliedjes beginnen te spelen
en hun stemming lijkt mee te stijgen met de feestdagen.

Dit heeft me altijd verbaasd.
Daar zit je dan straks, op kerstavond,
in een tochtige kerk te wachten
tot de middernachtdienst begint.
De kaarsen flikkeren in de duisternis
die ze nog niet heeft overspoeld;
maar de duisternis is er nog steeds.
Je hebt het gevoel dat je er
maar net aan ben ontsnapt,
sterker nog,
je hebt haar misschien wel meegebracht.

Misschien komt dit gewoon
doordat feestdagen haaks staan
op jouw voorkeur voor rustige bijeenkomsten
met kleine groepjes mensen.
De specifieke eisen van december
betekenen dat voor veel mensen dat ze zich op de 24e
meestal helemaal niet meer in kerststemming voelen,
maar er gewoon helemaal klaar mee zijn.
Want morgen is weer een dag
en sta je onder druk om een feestelijk diner te bereiden
waar je niet bepaald zin in hebt,
noch om te koken, noch om op te eten.

Misschien is dan toch het kerkbezoek
niet meer dan een zelfzuchtige ontsnapping aan dit alles.
De boodschap is immers stralend, zelfs als je dat zelf niet bent.
God had de wereld zo lief dat Hij Zijn enige Zoon zond.
Dit is de hoop die door de eeuwen heen weergalmt:
de belofte dat God dichtbij is gekomen,
niet alleen tot degene die zich in kerststemming voelt,
maar ook (misschien wel meer)
tot degene die zich moe en overbelast voelt.

Toch kun je zelfs in de kerk
nog steeds geplaagd worden
door je eigen afstand tot de emotionele atmosfeer
die je lijkt te omringen.
Je kunt dan de woorden van geloof uitspreken,
de theologie bevestigen,
je kunt de schoonheid van het kerstverhaal erkennen
en toch voel je toch niets dieper dan je eigen vermoeidheid.
Je zingt de kerstliederen die je zo graag zingt,
maar de woorden klinken hol.
Hoeveel doet dit er eigenlijk toe?
Ja, je wordt ertoe aangezet om me dat af te vragen.

Iemand schreef eens vanuit een christelijk perspectief openhartig
over haar ervaringen met depressie.

‘…als God werkelijk de God van de Bijbel is,
dan eist hij onze aanbidding en gehoorzaamheid,
ongeacht hoe we erover denken,
of over onszelf, of over anderen.’

Deze uitspraak grijpt me, niet omdat ze streng klinkt,
maar omdat ze waar klinkt.
De kern van haar betoog is
de overtuiging dat de ziel wordt gedefinieerd
als ‘het zelf in relatie tot God’.
Met andere woorden, onze aanbidding
gaat niet primair over hoe we over God
of over Kerst denken,
maar over het feit dat we bij God horen,
dat we ons gevoel van eigenwaarde ontlenen
aan Gods achting voor ons,
en dat we ons steeds opnieuw op God richten,
ongeacht de feestdagen in december.

Dit inzicht komt op mij over
als een glimp in de decemberduisternis:
hier voel ik eindelijk een klein sprankje hoop.
Als mijn ziel mijn zelf is dat zich tot God richt,
dan doet mijn emotionele vlakheid niets af
aan die relatie, integendeel,
ze versterkt die juist.
In die koude kerk zitten is geen daad van egoïstisch escapisme.
Het is een moment waarop je er bent
voor een God die er voor jou is geweest,
en jouw onvermogen
om een kerstsfeer op te roepen
verandert niets aan de betekenis
van die roep en het antwoord.
Hierin mag je de geruststelling vinden
dat het gebrek aan emotie
geen teken van een geestelijk tekort is
– sterker nog, het zou wel eens
het tegenovergestelde kunnen zijn.

Het koor komt binnen, de dienst begint.
We zingen samen het kerstlied ‘Stille nacht, heilige nacht’,
dat op treffende wijze de worsteling weergeeft
met de spanning tussen wereldmoeheid
en de boodschap van hoop waarin we belijden te geloven:

Stille nacht, heilige nacht,
Davids Zoon, lang verwacht,
die miljoenen eens zaligen zal,
wordt geboren in Bethlehems stal,
Hij, der schepselen Heer,
Hij, der schepselen Heer.

Hulploos Kind, heilig Kind,
dat zo trouw zondaars mint,
ook voor mij hebt Ge U rijkdom ontzegd,
wordt Ge op stro en in doeken gelegd.
Leer me U danken daarvoor.
Leer me U danken daarvoor.

Stille nacht, heilige nacht,
vreed’ en heil wordt gebracht,
aan een wereld, verloren in schuld;
Gods belofte wordt heerlijk vervuld.
Amen, Gode zij eer!
Amen, Gode zij eer!

Het lijkt erop dat het echte kerstgevoel
wordt ervaren door degenen
onder ons die verdoofd,
moe of uitgecheckt aankomen.
Het kerstverhaal is immers een verhaal
over God die nabij komt,
niet naar mensen die zich heilig en hyperactief voelen,
maar naar een vermoeide wereld vol mensen
die zich gewoon, genegeerd en uitgeput voelen.
God verscheen niet in een zachte, magische omgeving,
maar in een stal (sic!);
de minst emotioneel geënsceneerde setting
die je je kunt voorstellen.
Daar, net als hier,
waren duisternis en kaarslicht
in een wankel evenwicht.
Maar daar werd een kind geboren,
en daar mag jouw ziel haar waarde weer ontdekken.

 

De verwaarloosde betekenis van Advent

Ondanks de uitdaging om de oorsprong van Advent te achterhalen,
zijn twee dingen historisch gezien duidelijk over de viering zelf.
Ten eerste waren de weken voorafgaand aan Kerst,
in tegenstelling tot de vastentijd;
– een sobere periode van vasten,
bezinning over het lijden van Christus –
vol vreugde en feestelijkheid.
Tijdens Advent keek de kerk terug
om de incarnatie te vieren
als de vervulling van Gods belofte
om zijn volk te verlossen van zonde en de dood (Genesis 3:15).
De kerk verheugde zich met de apostel Johannes:
Het Woord is vlees geworden
en heeft onder ons gewoond’ (Johannes 1).
De diensten met Advent werden vaak afgesloten
met de doop en benadrukten nieuw leven
en de vereniging met de vleesgeworden Christus.

Wat echter vaak wordt verwaarloosd,
is dat diensten tijdens Advent
ook naar de toekomst keken.
De term ‘advent’ (Latijn: adventus)
is de vertaling van het Griekse woord parousia,
een woord dat in het Nieuwe Testament
altijd verwijst naar de wederkomst van de Messias.
Advent ziet uit naar de uiteindelijke vervulling
van alles wat Jezus’ incarnatie met Kerst in gang heeft gezet.
Daarom concentreerden adventspreken zich,
in plaats van op de geboorteverhalen in de evangeliën,
vaak op eschatologische passages
(zoals Lucas 21:25-36 en Matteüs 24:37-44)
of op de triomfantelijke intocht (Matteüs 21:1-9)
als een vreugdevolle verwachting
van Jezus’ zegevierende wederkomst.
Paus Leo I (400-461) herinnerde zijn gemeente eraan
dat Kerst zowel terug als vooruit keek:

‘Omdat we dus geboren zijn voor het heden
en herboren voor de toekomst,
laten we ons niet overgeven aan tijdelijke goederen,
maar aan eeuwige.
En om onze hoop beter te kunnen aanschouwen,
laten we nadenken over wat
de Goddelijke Genade onze natuur heeft geschonken,
juist op de dag dat we het mysterie
van de geboortedag van de Heer vieren.
Laten we luisteren naar de apostel,
die zegt: “Want u bent gestorven en uw leven
is met Christus verborgen in God.
Maar wanneer Christus, die uw leven is,
verschijnt, dan zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid”,
die leeft en heerst met de Vader en de Heilige Geest,
voor eeuwig en altijd.’

Liederen van de Wederkomst

Deze toekomstgerichtheid kwam
niet alleen tot uiting in preken,
maar ook in liederen.
Misschien verwaarlozen we dan
wellicht de toekomstgerichtheid van Advent
in onze hedendaagse viering,
waar thema’s als hoop, vreugde, vrede en liefde,
de boventoon voeren.
Maar het thema van Jezus’ wederkomst is, verbazingwekkend genoeg,
diepgeworteld in onze favoriete kerstliederen.
De geschiedenis belicht de rijkdom
van de viering en verwachting van Advent.
En een praktische manier om de diepe vreugde
van deze toekomstgerichte tijd te hervinden,
zou gewoon kunnen zijn te geloven wat we zingen.

Kijk bijvoorbeeld hoe Isaac Watts’ (1674–1748)Joy to the World
Jezus’ glorieuze wederkomst
en zijn toekomstige koninkrijk viert
waar zonde en verdriet niet meer bestaan (Openbaring 21:4):

Jubel het uit.
De Heer is hier;
ontvang het koningskind!
Als redder van de aarde
geeft Hij het leven waarde.
Dus hemel en aarde, zingt!

Jubel het uit.
De Heer regeert;
wees blij, verhef je stem!
Zing als de schepping juicht,
aanbiddend voor Hem buigt
een vreugdelied voor Hem!

Zijn koningschap
zal eeuwig zijn,
rechtvaardig en vol kracht!
Laat ieder volk op aarde
zijn heerlijkheid ervaren;
de liefde die Hij bracht!
(Opwekking 525)

En in de zesde eeuw ontstond een reeks van zeven adventsliederen,
één voor elke dag van de week in de aanloop naar Kerst.
Deze zogenaamde Grote Antifonen (of de “O”-antifonen)
drukken elk het verlangen uit naar de wederkomst van de Messias:

Ontsluit, gij die de sleutel zijt,
die opendoet en niemand sluit,
het huis van dood en duisternis
waarin uw volk gekluisterd is!
O kom, ja, kom, Emmanuel!
Verblijd uw volk, uw Israël!

Koning der volken, heers alom
en, eerste van de aarde, kom!
Gij hoeksteen, maak ons samen één,
verzamel allen om u heen!
O kom, ja, kom, Emmanuel!
Verblijd uw volk, uw Israël!
(gezang 125)

volkskerstzang in de zestiger jaren van de vorige eeuw

 

Juist in deze tijd worden er allerlei
‘kerst en adventsactiviteiten’ georganiseerd,
uiteenlopend van klassieke concerten
van ‘The Messiah’ tot een volkskerstzang.
Zo’n volkskerstzang kan zich de laatste tijd
weer op een groeiende populariteit rekenen.
Waar komt het toch vandaan
dat velen zich aangetrokken voelen
tot het samen zingen van kerstliederen
en ook andere bijeenkomsten
met een sterke christelijke symboliek.
De afgelopen tijd heb ik al uitgebreid
geschreven over de ‘stille opwekking’;
statistisch bewijs uit een onderzoek
en anekdotisch bewijs van kerkleiders in het hele land,
dat steeds meer jongeren (vooral jonge mannen)
terugkeren naar de kerk.

Waarom komen ze? Wie weet?
Of Zoals Nick Cave onlangs zei:
‘Mensen hebben behoefte aan betekenis
en de seculiere wereld heeft die niet kunnen bieden.’
Mensen beginnen om allerlei redenen
naar de kerk te komen;
sommige goed, sommige slecht.
Maar onze taak in de kerk
is niet om ons zorgen te maken
over waarom ze komen,
maar om hen die komen te begeleiden
op de christelijke weg,
ongeacht hun achtergrond.

Er is een verhaal in de evangeliën (Lucas 19:1-10) over een tollenaar:
een man die alom gehaat werd als collaborateur van het Romeinse rijk,
die zijn eigen volk had verraden en bedrogen;
die uit nieuwsgierigheid in een boom klimt
om te zien wie Jezus is.
Nee, hij legt geen belijdenis van zijn geloof af
en zijn motieven zijn verre van duidelijk.
Toch toont hij enige nieuwsgierigheid,
voelt hij dat er iets ontbreekt in zijn leven
en komt hij opdagen.
En iedereen verwacht
dat Jezus zich bij de algemene veroordeling zal voegen:
je hebt hier geen recht, ga weg,
bekeer je eerst voordat je ook maar in mijn buurt komt.

Maar Jezus doet dat niet.
Hij nodigt zichzelf uit
om naar het huis van de tollenaar te komen
en er begint iets vreemds te gebeuren.
Zacheüs (want zo heet hij) begint te veranderen.
Hij begint te geven in plaats van te nemen,
hij geeft terug wat hij gestolen heeft.

In de kerk vinden we het over het algemeen prima
dat mensen uit de middenklasse naar de kerk komen
omdat ze willen dat hun kinderen
naar de plaatselijke kerkelijke school gaan,
of omdat ze een mooie gezinsdoop willen,
of – zoals ook deze kerst waarschijnlijk zal gebeuren –
omdat ze graag een paar kerstliedjes zingen,
zelfs als ze niet van plan zijn
om na afloop in de kerk te blijven.
We verwelkomen hen ondanks
hun gebrek aan begrip, hun gedrag
dat in hun gebruik van geld en privileges
verre van christelijk kan zijn.
In het beste geval zien we het als een kans
om met hen in contact te komen
en hen hopelijk te leiden naar een dieper geloofsleven.

Toch worden we nerveus
als minder verfijnde mensen naar de kerk komen
en de naam van Jezus gebruiken
met even duistere motieven;
misschien alleen maar om te klagen
over het verdwijnen van het christelijk geloof
uit het openbare leven,
zelfs als ze dat geloof nog niet goed begrijpen.

Ik vraag me af:
hoe zou een religieuze heropleving
onder de arbeidersklasse eruit kunnen zien?
Of misschien beter: hoe zou het kunnen beginnen?
Zou het kunnen beginnen
bij mensen die zich gemarginaliseerd
en vergeten voelen door de politiek
– zowel links als rechts –
die op de een of andere manier het gevoel hebben
dat er iets verloren gaat in hun culturele omgeving
door de achteruitgang van het christendom
en de vervanging ervan
door een saaie, seculiere leegte,
of in sommige buurten
door een steeds zichtbaardere
en onbekende aanwezigheid van moslims?
Zou het kunnen beginnen met zulke mensen
die denken dat ze naar de kerk moeten gaan
om te herinneren
en terug te winnen
wat verloren gaat en om het geloof te verkennen
dat ze vaag als het hunne voelen,
ook al zijn ze er niet bekend mee
en hebben ze er op dit moment
een vrij simplistisch beeld van?

Er valt veel te bekritiseren
op nationalistische benaderingen van het geloof.
Net zoals er kritiek was op het gedrag
en de denkwijze van Zacheüs.
Maar Jezus’ eerste woord
is geen veroordeling, maar genade.

Als de kerk haar werk goed doet,
zal iedereen die haar serieus neemt
leren zijn naasten lief te hebben;
zelfs zijn moslimburen.
Ze zullen leren bidden,
een Bijbel te lezen
die spreekt over het verwelkomen
van vreemdelingen,
zelfs over het liefhebben van vijanden.
Ze zullen, daar ben ik van overtuigd,
patriottisch blijven en wellicht
vragen blijven stellen
over het tempo en de omvang van de immigratie
en de gevolgen daarvan
voor de stabiliteit van hun eigen gemeenschappen,
wat volkomen terecht is.
Maar dat zal steeds meer gebeuren
met een zekere mate van empathie en mededogen,
waardoor de complexiteit
van onze debatten over immigratie wordt bezien.

Soms wordt het christelijk geloof
mogelijk cynisch gebruikt
voor verdeeldheidzaaiende doeleinden.
Motieven zijn wellicht menigmaal verre van zuiver.

Maar wat zou Jezus zeggen?
Vooral tegen degenen die voelen
dat er iets mis is en verlangen naar iets anders?

Tegen de tollenaar doet Jezus
niet wat hem wordt opgedragen.
Hij doet het onverwachte.