Vandaag zoeken veel mensen naar hun identiteit.
Dat is van alle tijden, maar juist in onzekere tijden speelt dat sterker op.
Het is de paradox dat in onze welvarende samenleving
steeds meer mensen, en niet alleen jongeren,
kampen met depressies, burn-out
en er meer antidepressiva wordt geslikt dan ooit tevoren.
De Vlaamse psychiater Paul Verhaeghe ziet een belangrijke oorzaak
in de cultuur van neoliberalisme, waarin we steeds maar moeten presteren,
waarin hebzucht als iets goed wordt gezien,
succes een eigen verdienste en egoïsme als een deugd. Veel mensen hebben hooggestemde idealen, ook voor hun kinderen. Maar het kind stemt niet altijd overeen met de idealen van de ouders. In de film Fight Club zegt de persoon Tyler Durden iets over dit probleem

We’ve all been raised to believe that one day we all be millionaires and moviegods and rockstars. But we won’t, and we’re very, very pissed off.

Het zijn de demonen van onze tijd. Als een kind in zijn opvoeding meekrijgt dat alles, maar dan ook alles mogelijk is, vormt dit een uitstekende basis voor teleurstelling en faalangst.
In een maatschappij waarin mensen
steeds meer op zichzelf teruggeworpen worden, verkommert onze ziel.
Waar mensen bevrijd worden uit die verkrampende en verlammende angst
voor zichzelf en voor de ander, gaan we open, staan we op,
en krijgt het bevrijdend visioen van het Koninkrijk gestalte.

Als de christelijke kerk de test van de huidige veranderingen
in onze beschaving
en de overgang van het moderne naar het postmoderne tijdperk
wil doorstaan,
ben ik ervan overtuigd dat zij zich niet alleen kan bezighouden
met de schapen die keurig meelopen in haar kudde
of met het traditionele zendingswerk
dat tot doel heeft zoekers in bewoners te veranderen
en hen in de bestaande institutionele en mentale begrenzingen
van de kerken wil persen.
Zij moet buiten haar grenzen treden en proberen
de zoekers met wederzijds respect te ‘begeleiden’,
zonder daarmee per se zielen te willen winnen.
We lopen dan het risico dat niet alleen zij, maar ook wij zullen veranderen,
omdat de waarheid ons gemeenschappelijke doel is.
De waarheid die ons in Christus is gegeven,
is geen statisch object en geen reeks formules,
maar de weg en het leven, iets wat in beweging is
en ons voortdurend ertoe oproept ‘naar dieper water te varen’.

Het echte geluk is voor mensen die weten dat ze God nodig hebben.
Want voor hen is Gods nieuwe wereld. BGT Matteüs 5,3
Zalig zijn de armen van geest,
want van hen is het Koninkrijk der hemelen. HSV Matteüs 5,3

Arm zijn betekent accepteren dat we geen meester zijn over ons leven.
Een van de ziektes van het moderne Westen
is dat we alles onder controle willen houden, alles plannen,
kiezen en onderwerpen aan de menselijke wil.
Het is duidelijk dat dit onmogelijk is,
hoe groot de technische vooruitgang ook is.
Die pretentie van almacht kan slechts leiden tot teleurstelling en angst.
We moeten daarentegen geloven dat de omstandigheden
die ons het meest doen groeien,
juist die situaties zijn waar we geen zeggenschap over hebben.
Wanneer we de uiterlijke omstandigheden niet kunnen veranderen,
worden we uitgedaagd onszelf te veranderen.
Dat is waar het uiteindelijk om gaat.
‘Gelukkig wie nederig van hart zijn.’
Dat is de eerste gelukwens, de eerste zaligspreking.
Er volgen er nog zeven. Ze vormen samen een reeks.
Ze schetsen een geestelijk groeiproces voor een kind van God.
Ze vormen het profiel van een christen.
In Jezus’ mond klinkt het als een roeping. Die een duidelijke richting wijst. In zijn mond klinkt het ook als een belofte.
Dat je Hem als kind van God bent aangenomen.
En in zijn mond klinkt het als een zegen.
Dat Gods Geest je op deze weg leidt en verder brengt.
Als kind van God, aan de hand van Vader, midden in deze wereld.

Het evangelie van Jezus Christus,
het goede nieuws van het hemelrijk begint hier:
‘Gelukkig wie nederig van hart zijn,
want voor hen is het koninkrijk van de hemel.’

Heeft de mens het eigen geluk in de hand?
Als christenen vieren we met Pasen vieren we dat Jezus Christus
ons heeft bevrijd door Zijn dood en opstanding.
Daarin let hij zij zien dat wij niet meer van alles hoeven te doen
om ons geluk te bewerkstelligen of bij God in een goed blaadje te komen.
Ons eigen geluk hoeven we niet meer na te jagen en te perfectioneren
omdat we mogen weten dat het echte geluk er al lang is.
En nog beter: we hoeven ons zelf niet waardevol te maken,
want we zijn al waardevol in de ogen van God.
Hoe zit het dan met die waarde van een mens? Maak je je eigen geluk?
Vanuit de cultuur waarin we leven,
waarin reclames eindigen met zinnen als ‘omdat je het waard bent’,
word je van alle kanten opgeroepen om die waarde veilig te stellen!
Dan zeggen we: ik ben waardevol. Het past naadloos in onze cultuur.
Of als christelijke variant, zeggen we dan:
ik ben zo kostbaar in Gods ogen
dat Hij zijn eigen Zoon stuurde om mij te redden.
Beide kloppen niet met het evangelie.
Jezus wil ons juist bevrijden van de gedachte dat de wereld om ons draait.
Jezus doet dat door Zijn wereld om ons te laten draaien. Dat is bijzonder.
Als er één is die het recht heeft om de wereld om zichzelf te laten draaien
en zichzelf in het middelpunt te zetten, is het Jezus wel.
De wereld is immers van Hem en Hij staat in het middelpunt.
Maar wat doet Jezus? Hij laat zijn wereld, zijn leven om ons draaien.
Zo laat Hij zien wat liefde is.
Hij offert zichzelf op om onze wereld draaiende te houden.
Zo wil Hij je bevrijden van die eindeloze gerichtheid op jezelf.

De Amerikaanse filosoof Michael Sandel schrijft met
zijn boek De tirannie van verdienste
één grote kritiek op het meritocratische ideaal dat hoogtij viert.
Een meritocratische ideaal kun je als volgt samenvatten:
Je sociaaleconomische positie wordt bepaald door je verdienste (merites).
Iedereen krijgt wat hij verdient. Gericht zijn alleen op jezelf.
Iedereen – ongeacht afkomst, huidskleur, geaardheid, gender –
kan succesvol zijn en stijgen op de sociaaleconomische ladder.
Als je maar je best doet en hard werkt.
Volgens Sandel is precies dit ideaal een gif
dat onze samenleving en onszelf ziek maakt:
Jij maakt je geluk!
Het gevolg van het heilig geloof in deze op verdienste
gebaseerde verdeling in de maatschappij,
is dat degenen die onderaan de sociale ladder staan
niet alleen (kans)arm zijn,
maar bovendien denken dat dit komt omdat ze gefaald hebben.
Andersom staan de rijken of succesvollen niet alleen boven de rest,
maar denken ze vooral ook dat ze hier recht op hebben:
jij hebt immers je eigen geluk gemaakt.
Ze hebben immers hard gewerkt om te komen waar ze nu zijn,
hebben op een goede universiteit gezeten
waar ze alleen maar terecht konden
omdat ze nu eenmaal beter konden leren dan anderen.
Kortom: je sociaaleconomische plaats in de maatschappij
is het gevolg van jouw eigen handelen
en daarmee volledig jouw eigen verantwoordelijkheid.
Sandel constateert dat het meritocratische ideaal vaak in feite niet werkt:
word je geboren in een arm gezin,
dan is de kans klein dat je zelf ooit rijker wordt dan je ouders.
Het geloof dat iedereen die over aanleg beschikt
en hard werkt kan opklimmen, strookt vaak niet met de feiten.

Wat beslissend voor jouw leven is je verhouding met Jezus.
Hij beslist jouw waarde.
Want Hij heeft alles in handen, Hij heeft de Geest zonder maat,
Hij spreekt, en zijn woorden zijn woorden van God en dus eeuwig leven. Alles draait om Hem.
Ga dus leven naar je waarde. Die ontvangen waarde.
Je bent waardevol geworden omdat Jezus zich arm betaalde!

Hoe vrij zijn we eigenlijk? Er zit een diep verlangen in ons om vrij te zijn. Maar wie van u hier kan volmondig zeggen:
ik ben vrij, en daar leef ik elke dag weer uit?
Ik geniet van het leven zoals God het bedoeld heeft?

Ja, als christenen belijden we dat in het bloed van Christus
een diepe vrijheid verborgen ligt…
toch zie je daar in de praktijk van je leven soms weinig van terug.
We zijn gebonden door het leven en door onszelf.
Ik denk dat we dat allemaal wel herkennen,
dat ook als je Christus kent en als je Zijn naam belijdt,
je leven niet plots over rozen gaat.
En we weten soms niet zo goed hoe we daar mee om moeten gaan.
Want ergens verwacht je toch, dat als je God kent,
dat je leven makkelijker zal zijn dan daarvoor.
Je dacht vrijheid te hebben gevonden bij God – maar niets is minder waar.

‘Wees niet bang’, zegt God bij monde van Jesaja ‘want ik zal je vrijkopen,
ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij!
Moet je door het water gaan – ik ben bij je;
of door rivieren – je wordt niet meegesleurd.
Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren,
de vlammen zullen je niet verschroeien.’

God bevrijdde de Israëlieten uit de handen van de Egyptenaren,
Hij bevrijdde Daniël uit de leeuwenkuil,
Hij bevrijdde Christus uit de dood.
En zal jou bevrijden uit alles wat je maar gebonden houdt.

God doet geen half werk. Hij bevrijdt je uit Egypte
en neemt je aan als zijn kind op grond van het bloed van Jezus.
Daar wees het bloed aan de deurposten in Egypte al op.
Maar dan wil Hij u ook elke dag weer bevrijden
wanneer je in moeilijke situaties terecht komt.

Maar als je niet meer kan?
Wat als er geen droog pad door de Rietzee lijkt te komen?
Wat nou als je al zo lang gevangen zit in je eigen gevoelens
van angst of onzekerheid. Wat nou als ziekte het wint van mensen die je dierbaar zijn.

Moet je dan maar stil zijn?
Moet je dan maar vertrouwen?
Waar is God dan?

Want dan, dan blijft het van Gods kant soms zo stil.
Ja – Soms blijft het van Gods kan heel stil.
Maar God strijdt ook in die stilte wel voor ons.
Toen Jezus berecht en veroordeeld werd deed hij zijn mond niet open.
Hij stierf aan het kruis en nog nooit was het zo stil in de wereld,
als de dag dat God dood was.
Nog nooit was het zo stil als op stille zaterdag.
En nog nooit was de strijd van God voor ons zo groot.

Elke stilte in ons leven is betekenisvol, niet omdat we zwijgen.
Niet omdat we geen antwoorden weten
en ons verloren voelen in de wereld.
Maar omdat God gesproken heeft. God zei: Er zij licht.
Zo sprak Hij in Genesis
en zo sprak hij op die eerste dag van de week
toen Christus opstond uit de dood.
Als we nu stil zijn omdat we oog in oog staan
met ziekte, met druk, met stress,
dan weten wij dat het altijd slechts de stilte van Stille Zaterdag is.
Als we de overwinning nu nog niet zien, dan straks wel.
Want Christus leeft!!

En die waarheid, die waarheid maakt ons vrij.

We zijn er misschien wel zo’n een beetje aan gewend geraakt,
aan dat kruis. We schrikken er niet meer zo van.
We praten er soms over alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. ‘Jezus is aan het kruis gestorven voor mijn zonden.’
Maar het is zo ongewoon. Zo afzichtelijk ook.
Het kruis is niet mooi.
En tegelijk heeft dat kruis, dat lelijke kruis alles met het leven te maken. We kunnen er niet omheen. En we moeten dat ook niet willen.

Er hangt een bloedende Man aan het kruis. Man van smarten.
En dat opschrift aan het kruis, vat het heel kort samen:
‘Dit is de Koning der Joden.’
En je proeft nog de spot die erin doorklinkt,
je hoort nog de lach van de man die de letters in het bordje graveerde,
en je ziet nog de lol die de omstanders hadden.
Wat een Koning is die Man van smarten! Wat een Koning. Belachelijk. Eén brok zwakheid. Hij kan niet eens van het kruis afkomen.
Om je dood te lachen.

Wilt u dat wel? Zo’n koning?
Het antwoord op die vraag hangt ook een beetje af
van twee andere koningen.
Twee koningen die in deze wereld
ongelooflijk veel heerschappij uitoefenen.
Twee koningen die op aarde heersen.
Het gaat dan over de koningen
die Paulus noemt in de brief aan de Romeinen:
De zonde en de dood.
Hij noemt de zonde en de dood ook koningen.
Koningen met macht en veel invloed.

Ja, daar kun je ook anders tegenaan kijken.
De zonde, daarvan kun je zeggen:
‘ach mensen, dat valt toch allemaal wel wat mee;
zeur toch niet zo over zonde;
natuurlijk, we maken allemaal onze fouten, en dat is niet goed;
maar het kan toch niet zo zijn dat God
daarom zijn eigen Zoon de dood injaagt.’
Zo kun je omgaan met de zonde. Nauwelijks een vijand. Bijna geen macht. Hoezo: koning?
En van de dood geldt hetzelfde:
‘dood is dood, zeggen veel mensen;
we sterven nu eenmaal allemaal een keer; dat hoort bij het leven.’
Zo kun je omgaan met de dood: nauwelijks een vijand, geen echte macht. Hoezo: koning?

Maar de Bijbel leert ons om de zonde en de dood te zien
als koningen die niet thuishoren op aarde.
Dood en zonde horen niet bij het leven.
Het is een vreemd element in Gods goede schepping.
Dat is niet wat God wil.
Daarom laat Hij ons aan de enorme macht zien
die de zonde en de dood als koningen in ons leven hebben.
En daarom hebben we die andere Koning nodig.
Die Koning aan het kruis die de zonde uit de wereld wegdraagt
en die de dood de doodsteek toebrengt. Jezus Christus.
Een koning in nederigheid en zwakheid.
Alleen zo kan Hij de koningen zonde en dood overwinnen.

En dat vinden we allemaal samengebald terug in dat korte opschrift.
‘Dit is de Koning der Joden.’
In drie talen stond het er.
Want iedereen moet het kunnen lezen,
deze beschuldiging op grond waarvan Jezus is veroordeeld.
Iedereen moet kunnen begrijpen hoe belachelijk dit is.
Want wat is dat nou voor een koning!?
Hij kan niet eens zelf van het kruis af komen?
Hoofdschuddend kijken de mensen ernaar. ‘Mij niet gezien, zo’n koning!’

En toch wilde Jezus op en top zó Koning zijn.
Nederig, zwak, geen politieke power,
maar liefdevolle dienstbaarheid en nederige zelfverloochening.
Dat moeten we erin zien.
Een zwakke Koning, maar wat gaat juist daar veel kracht vanuit!
Wat is er een kracht voor nodig om zwak te durven zijn.
Wat is er een moed voor nodig om trouw te zijn tot in de dood.
Wat is er een liefde nodig om de zonden van de wereld
op je te willen nemen en aan het kruis te nagelen.
Zo is Christus onze Koning.

Op Witte Donderdag gedenken we hoe Jezus
voor de laatste keer met zijn leerlingen bijeen was.
Hoe hij met hen die maaltijd vierde die zo’n bijzondere betekenis kreeg. Want het was de laatste maaltijd en tegelijk niet de laatste.
De Heer maakte tijdens de maaltijd duidelijk
dat ze deze maaltijd moesten blijven houden:
‘doet dit tot mijn gedachtenis’.
Juist deze maaltijd moest voor hen en alle gelovigen
het teken zijn dat hij zelf in hun midden was.
Zij zouden hem steeds weer mogen herkennen
‘in het breken van het brood’.
In deze maaltijd schenkt Jezus zichzelf aan ons
voor ons leven als gelovige mensen:
‘Dit is mijn lichaam’ zegt hij bij het breken van het brood
en het uitdelen ervan. Het is heel belangrijk dat we dit voor ogen houden. Niet wíj zeggen bij het breken van het brood ‘we denken aan Jezus’
alsof wíj betekenis geven aan het brood.
Het is de Heer zelf die zegt: ‘dit is mijn lichaam’. Hij ís het zelf.
Wat hij zegt dat is hij. En wat hij is dat zegt hij.
Het is deze liefde voor de blijvende tegenwoordigheid van Christus
in brood en wijn die ons telkens van zijn nabijheid in ons leven
mag vervullen.
En hij voegt eraan toe dat wat hij gedaan heeft
in de voetwassing een voorbeeld is voor allemaal.
Respect en liefde voor de werkelijke tegenwoordigheid van de Heer
in ons midden kan niet zonder liefde en respect voor elkaar.
We moeten waardevol en kostbaar zijn in elkaar ogen.
Elkaars zwakheden verdragen, fouten vergeven,
en elkaars talenten herkennen en stimuleren,
en in elkaars noden zo mogelijk voorzien.
Dat is elkaar de voeten wassen, zoals Jezus ons heeft voorgedaan
en opgedragen, nog voor de maaltijd.
Met het offer van zijn leven door zijn lijden
en sterven aan het kruis dat we in deze dagen gedenken,
heeft Jezus ons de voeten gewassen,
onze zonden vergeven en tot nieuwe mensen gemaakt, mensen van God.

Ze zeiden tot Hem: ‘Rabbi – vertaald betekent dit: Meester – waar houdt Gij U op?’ Hij zei hun: ‘Gaat mee om het te zien.’
Johannes 1,38-39

Kan er uit Nazareth iets goed komen?
Misschien speelt mee dat Natanaël zelf uit Kana afkomstig is,
een plaatsje in de buurt van Nazareth.
Iemand uit het dorp verderop? Dat kan toch nooit iets bijzonders zijn?

Het is een opmerkelijk fragment, aan het begin van het Johannesevangelie. Zou je de moeite nemen om het helemaal uit te puzzelen,
dan verbaas je je steeds meer over wat er precies wordt verteld
en hoe er onderling wordt gereageerd.
De ene keer neemt Jezus het initiatief,
de andere keer komen de leerlingen op hem af.
En dan de uitspraken: de twijfel van Natanaël – uit Nazareth,
dat kan niks wezen – maar nog meer de uitspraken van Jezus.
Hij noemt die twijfelende, sceptische Natanaël
‘een echte Israëliet, een mens zonder bedrog’.
Waar is dat weer op gebaseerd?
En dan die uitspraak aan het einde,
als hij zijn verbazing over Natanaëls verbazing heeft uitgesproken:
‘jullie zullen nog grotere dingen zien:
de hemel open en de engelen van God omhooggaan
en neerdalen naar de Mensenzoon’, dat zijn toch wonderlijke uitspraken.

En let eens op met hoeveel verschillende namen en titels Jezus krijgt.
Lam van God, maar ook, Rabbi, Messias –
en dan ben ik nog niet compleet.
Er is veel meer over te zeggen, maar dat voert nu te ver.
Waar het mij om gaat is te laten zien dat het symbool van het lam van God meer is dan alleen een verwijzing naar het kruisoffer;
sterker, dat daar niet de belangrijkste betekenis
van het symbool in gelegen is. Wat dan wel?

Misschien moeten we het zoeken bij de eerste associatie die opkomt bij het beeld van een lam. Dat van de onschuld en de vredelievendheid.
Jezus is het lam van God, dat door zijn liefde de zonde van de wereld wegdraagt, wegvaagt. Lam van God.
Symbool van de zachte krachten, die het uiteindelijk winnen
van de macht en het geweld dat zich in de wereld zo breed maakt.
Het is opmerkelijk dat dit beeld van het lam van God
aan het begin van het evangelie voorkomt
en niet pas bij de kruisiging waar je het misschien zou verwachten.
Het evangelie begint als het ware in de hemel: In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.
Maar dan daalt het af, naar de aarde
Er is dan sprake van ontmoeting in het menselijke,
van het getuigenis van Johannes de Doper
en van de een die de ander overhaalt en overtuigt, kom en zie.
Daar begint het mee, mensen raken overtuigd, gaan meedoen,
herkennen in Jezus de Messias, enzovoort.

Zo vindt Jezus de mens op zijn pad, vinden mensen Jezus op hun weg,
en vinden mensen elkaar in dat vinden.
‘Vinden’ is een kernwoord in dit gedeelte. Vinden en gevonden worden. Zien en gezien worden. Het actieve en het passieve, inéén.
Geloof begint niet met een redenering,
je gaat niet geloven als je eerst alle opties hebt verkend
en alle verstandelijk twijfels hebt overwonnen,
maar geloven is, je mee laten nemen in een ontmoeting
die veelbelovend is, die verwachtingen wekt
van grotere dingen en nieuwe ervaringen,
geloven begint met de ervaring gevonden te worden.

Aan het begin van het evangelie wordt deze Jezus ons aangewezen.
Dat moet, anders zouden we hem niet opmerken,
in het geweld van de wereld, in de waan van de dag.
Je hebt andere mensen nodig om hem op het spoor te komen.
Je hebt de aanmoediging van anderen nodig, om te kunnen geloven,
te durven geloven, dat de weg van het lam,
van de weerloosheid en de geweldloosheid, de weg naar het leven is.

‘Kan er iets goeds komen uit Nazaret’, vraagt Natanaël zich af.
Is dat dwaze geloof in een lam dat de wereld regeert,
nog wel van deze tijd?
De reactie van Filippus is: Kom en zie’ ‘Ga zelf maar kijken…’.
Ja, waarom ook niet.
Ga zelf maar kijken…

Als kerk hebben we natuurlijk de tien geboden.
En we hebben het grote gebod:
heb de Heer uw God lief en je naaste als jezelf.
Maar, er is nog een belangrijk gebod.
Het meest voorkomende gebod in de Bijbel. Het staat er zo’n 400 keer in. Meer dan één keer voor elke dag.

En dat gebod is: Wees niet bang.

En als iets zo vaak in de Bijbel genoemd wordt,
betekent dat dat het heel belangrijk is.
Maar als ‘wees niet bang’ 400 keer in de Bijbel staat,
dan betekent dat ook dat wij het heel moeilijk vinden
om er naar te luisteren en er van overtuigd te raken.

En we hebben ook heel veel om bang voor te zijn.
Nu bijvoorbeeld dat coronavirus wat de hele wereld in haar ban houdt. De besmettingen dalen stijgen per dag.
Je bestaanszekerheid kan zomaar onder druk
We weten werkelijk niet waar we aan toe zijn.
Als je baan op de tocht staat of je bedrijf op omvallen staat.
Als je bang bent voor je financiële toekomst.

‘Ga maar vast met de boot naar de overkant,’
had Jezus tegen zijn discipelen gezegd.
Hijzelf zou de menigte, die daar was, wegsturen.
Jezus neemt afscheid van de menigte en dan wordt het eindelijk stil.
De avond valt, de mensen zijn vertrokken
en de discipelen zijn het water opgegaan.
Na een lange, drukke dag is stilte een zegen.
Even alleen zijn en tot rust komen.
Jezus gaat de berg op, schrijft Marcus,
en dat betekent dat Hij God opzoekt,
want ‘de berg’ is in de Bijbel niet zomaar een plaats.
De berg is de plaats van de nabijheid van God.
Een plek te zoeken waar je in alle rust samen kunt zijn
met God en verder niemand.

Intussen bevinden de discipelen zich in een totaal andere situatie:
midden op het meer van Galilea is de wind plots gaan waaien.
De golven worden steeds groter en het schip steeds kleiner.
Geen prettige toestand, maar deze mannen zijn wel wat gewend.
‘Als Jezus zegt dat ze naar de overkant moeten, dan
zullen ze er komen ook!’ – En ze geven niet op.
Maar het is al avond, en het begint nu toch donker te worden.
Bezorgde gezichten kijken elkaar aan.
De moeheid slaat toe en de wind gaat niet liggen.
De zee wordt onstuimiger, het water vliegt hen om de oren.

Het is goed om je te realiseren dat zulke plekken dus bestaan.
Plekken waar je onveilig bent, waar je machteloos staat,
overgeleverd aan de onvoorspelbare krachten van het kwaad,
overgeleverd aan de grillige deining van de golven.
Ik stel die vraag, omdat ik denk dat dit nog niet zo vanzelfsprekend is
om daar rekening mee te houden.
Onze westerse maatschappij is ver gekomen in het handhaven van de orde,
we alles goed voor elkaar lijken te hebben: verzekerd van wieg tot graf.
Het zijn allemaal dingen waar we dankbaar voor moeten zijn. Het maakt ons leven veiliger.
Maar we denken vaak ook dat we het risico van het leven
hebben afgekocht, dat we het kwaad onderschatten of weg relativeren.
De zee is in de Bijbel een beladen begrip.
De zee als domein van de chaos is er ook altijd,
en zal er ook altijd zijn tot op de jongste dag.
Er kunnen van die momenten in het leven zijn dat je uitroept:
‘Is God er werkelijk bij?’ Er staat te veel in de weg om dat mee te maken. Er is te veel om Jezus te herkennen op de golven van de zee.
Het is niet eenvoudig om God te herkennen
wanneer een stormwind opsteekt.
Het leven is zo verraderlijk als de zee.
En God verandert daar niets aan voor je gevoel, omdat je hem niet herkent, omdat alles wat gerust moet stellen je bevreemdend in de oren klinkt.

In het Bijbelgedeelte uit Marcus waait de wind waait nog steeds
en golven slaan tegen het schip
en in het geweld van de zee loopt Jezus de discipelen … voorbij.
Ze schreeuwen het uit. Jezus hoort zijn discipelen roepen.
Hij ziet dat ze in paniek raken van zijn verschijning.
Ze zien hem wel, maar ze herkennen hem niet.
Ze snappen niet dat ze nu veilig zijn, omdat Jezus hen voorgaat.
Jezus is er wel, maar het komt niet tot een werkelijke ontmoeting.

Dan doet Jezus iets, wat ik echt bijzonder vind. Ontroerend eigenlijk.
Hij loopt naar het schip en kalmeert zijn leerlingen.
Als Hij wandelend over de zee niet herkent wordt, dan komt Hij dichterbij. Als angst de kop opsteekt, klimt Hij aan boord.
Als God in de hoge te ver weg is, dan daalt Hij af naar beneden.
Jezus komt aan boord en dan zien ze het pas: het is hun Heer!
‘Wees niet bang’ zegt hij tegen zijn discipelen en ook tegen ons.

Ja, ook ons bootje wordt dan geteisterd door diezelfde golven.
En ja wij kunnen soms moeite hebben om onszelf drijvend te houden.
En ja soms raken we behoorlijk uit koers.
Maar Jezus belooft dat hij ons op deze weg niet alleen laat.
Hij draagt ons in zijn gebeden.
Hij is dichterbij dan wij vaak vermoeden of durven hopen.
Hij vraagt niet van mij om dan dat laatste stukje zelf te overbruggen.
Hij loopt helemaal door tot hij mij vindt waar ik ben.
En brengt daar iets van vrede, te midden van de golven.

Een begrip dat mij uit mijn vorige blog bleef bezighouden
is de term zelf-secularisatie.
De uitleg die er toen aan gegeven werd was:
jezelf zo aanpassen aan de normen en de waarden van de samenleving
dat je aanvaardbaar bent voor iedereen.
In mijn vorige blog legde Olivier Roy uit dat de kerk dit momenteel doet.
Laatste hoorde ik een meditatie over 1 Petrus 2.
Vers 11 van dat hoofdstuk begint met de constatering
dat christenen te vergelijken zijn met vreemdelingen die ver van huis zijn:
‘jullie zijn vreemdelingen geworden in de steden waar jullie wonen.
Jullie wonen tussen de ongelovigen.
Toch vraag ik jullie dringend om niet te leven zoals zij.
Want dan brengen jullie je nieuwe, christelijke leven in gevaar.’ (BGT)
Het lijkt mij dat de juist de Bijbel waarschuwt tegen
‘het verlangen (andere vertaling)’
om te leven zoals de samenleving waarin een christen leeft.
Christenen horen hoe dan ook niet meer bij deze samenleving.
Ze zijn vreemdelingen geworden.
‘Doe goede dingen, en laat de ongelovigen zien
dat jullie je goed gedragen.
Dan zullen de ongelovigen niet langer slecht over jullie spreken. Misschien veranderen ze zelfs hun eigen leven.
Dan zullen ook zij God eren als hij komt rechtspreken over de wereld.’ vervolgt het Bijbelgedeelte.
Als je dit Bijbelgedeelte als uitgangspunt neemt,
zou het dan niet goed zijn dat een christen een voorbeeldfunctie heeft
voor de mensen om zich heen,
of liever gezegd een christelijk leven te leiden.
Wat je doet, juist in crisissituaties toont iets van je diepste drijfveren.
Laat dat dan het goede zijn: de liefde.
Geef mensen geen reden om slecht van je te spreken.
Doe het goede in de hoop dat de vrucht van je leven
het verschil zal maken.
Wat lezen mensen in jouw leven,
in hoe je omgaat met het gezag van de overheid,
hoe je omgaat met andersdenkenden,
andersgelovigen of mensen uit andere culturen
en hoe reageert op praatjes over de kerk, geloof en God.
Op vooroordelen, pesterijen.
Die oproep van Petrus kan je misschien verlammen.
Ik ben immers Jezus niet.
Maar met Jezus in je en door de Geest,
wordt je in staat gesteld het goede te doen.
Dan is het geen gebod, maar een levenswijze.
De liefde van Christus stelt je in staat om werkelijk vrij te zijn.

Ten slotte volgt dan de fase van aanvaarding.
Aanvaarden dat de Nederlandse samenleving
sinds half maart 2020 niet meer gelijk is als daarvoor.

Aanvaarden dat heel de wereld veranderd is
en dat zaken niet meer gaan zoals we ze gewoon waren.
Dat een anderhalvemetersamenleving van deze tijd is.
Dat dit grote consequenties heeft voor evenementen
zoals concerten, festivals, sportwedstrijden en kerkdiensten.

Aanvaarden betekent loslaten van wat was
en het nieuwe normaal omarmen.
Al blijft het voelen als abnormaal.
Want aanvaarden en loslaten
is wat anders dan vergeten hoe het was.
Toch realiseer ik me dat ik
de nieuwe situatie niet aanvaard heb.
In deze fase ben ik niet beland.
Ik houd en wil teveel vasthouden aan mijn oude leven.
Ik vraag me zelfs af of ik de fase hiervoor al in ben gegaan. Veel meer ontdek ik bij mij zelf het marchanderen.
Want als dat medicijn er nu is
en mensen er tegen gevaccineerd kunnen worden,
dan is het toch klaar en dan gaan we toch gewoon verder
zoals we in 2019 gewend waren.
Ik hoop van harte dat er een moment komt
waarop we als samenleving opgelucht
en met vreugde in het hart kunnen zeggen:
‘Dit is zo 2019’. Ik verlang er naar.
Een normale samenleving waarin mensen
misschien op gepaste afstand dicht bij elkaar leven
en gevaar van besmetten of besmet worden geweken is.

Ik weet niet of die tijd komt.
Als het lukt om binnen een korte periode
met medicijnen mensen die besmet zijn te genezen
en door vaccinatie te voorkomen dat mensen ziek raken,
dan lijkt deze periode tijdelijk te zijn.
Dan hebben we ‘slechts’ het verlies te verwerken van geliefden die gestorven zijn door het coronavirus,
van bedrijven die omgevallen zijn
en van een tijd waarin we niet bij elkaar
over de vloer kwamen.
Dan rest het de samenleving slechts om dit te aanvaarden. Voor talloze mensen zal het persoonlijk moeilijk zijn
om tot aanvaarding te komen,
maar als samenleving zal deze stap niet zo groot zijn.
Er zal een nieuw ‘goed’ moeten komen.
In de kerk zal nagedacht moeten worden
over de invulling van kerk zijn in de komende jaren.
Voor kerkdiensten lijken online diensten een goed alternatief. Tegelijk is dit het doorgaan op oude voet.
Zal er een ander ‘normaal’ komen?
Zover zijn we nog niet,
maar ik laat me graag verleiden om verder te denken.
Bovenal wil ik me laten leiden door de Geest van God.
Want Hij die hemel en aarde geschapen heeft,
blijft dezelfde tot in alle eeuwigheid.
God verandert niet en is en blijft betrokken bij deze wereld
en in het bijzonder bij de kerk op aarde.
Voor een kerk die niet weet hoe het verder moet,
maar wel door heeft dat het niet bij het oude kan blijven,
is het gebed tot Hem en om leiding door de Heilige Geest
het enige wat rest.
Het brengt de gedachten bij de volgelingen van Jezus
die na de hemelvaart van de Here Jezus
eensgezind bijeen waren in bidden en smeken.
God vulde hen met Pinksteren met de Heilige Geest
en gaf en de mogelijkheden
om het Evangelie van Jezus Christus te delen
met allerlei mensen en in allerlei talen.
In dit vertrouwen wil ik leven.
Dat God ook nu door Zijn Geest geeft wat nodig is
om het Evangelie van Zijn Zoon te delen.
Zo mogen we te midden van een rouwproces
de Heer dienen met blijdschap.