We hebben een raar jaar achter de rug. Halverwege maart kwam alles er opeens heel anders uit te zien. Er kwamen allerlei beperkingen om een mysterieus virus tegen te houden. Wat er nu eigenlijk op ons af ging komen, wisten we niet. In het nieuws was er al wel enige tijd aandacht voor. Ik herinner me van het begin van het jaar dat ik een filmpje zag van Chinezen uit Wuhan die werkten op een kantoor, waarbij elke werkplek met plastic folie afgeschermd was waarbij ze zelf ook ook in plastic waren ingepakt. Toen was het nog iets van ver weg. Al vrij snel kwam het dichterbij en kwam het virus in Europa. Met name vanuit Italië kwamen verhalen die stil maakten: veel overlijdens, waardoor er geen tijd was voor een begrafenis. Een beetje onwennig werden kerkdiensten op een andere manier gehouden. was en wie moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Uiteindelijk kwam het virus ook in Nederland Er was even een tijd geweest waarin ik de paniek voelde: dit gaat maar door. Wanneer houdt het op? Wie gaan we nog meer kwijt raken? Ik denk dat iedereen wel een moment kan bedenken, waarbij je stil werd en niet meer wist wat je moest zeggen, omdat er zoveel gebeurde, dat je er niet onbewogen bij kon blijven. Een intensief jaar, een bewogen jaar.
Toch was in 2020 God er ook. In dat ingrijpende jaar met zoveel verlies en spanning en zorg. De ellende heeft niet het laatste woord. Er komt een andere tijd door God. Hij zal er zijn, zal redden en helpen en mij er nu doorheen helpen. God is sterker dan de dood en dan alle zorg en nood en zal er zijn en helpen en dragen. Dat is wat ook bijvoorbeeld een profeet uit het Oude Testament – Habakuk – zo diep raakte in wat hij zag en hoorde, wist. Dat is iets wat je in de Bijbel steeds weer tegenkomt: Juist als je heel diep zit en voor je gevoel niet dieper kan, kun je daar God ontmoeten, in de diepte. Het is een voorafschaduwing van Christus die zelf neerdaalde in de dood en in de hel, dieper kon Hij niet gaan en toch stond Hij op uit de dood en verbrak de macht van de dood.
Het is één van de grootste problemen die veel mensen ervaren tijdens deze coronacrisis: hoe houd ik afstand? Want dat is het dringende advies: Houd anderhalve meter afstand! We ervaren steeds meer afstand van veel dierbare medemensen, en de mens van oorsprong een sociaal wezen is dat behoefte heeft aan nabijheid. Die afstand kunnen mensen ook ervaren ten opzichte van God. Zeker in deze tijd. Hij is ver en hoog in de hemel. Afstand, verbijstering, verwijt. Waarom laat Hij dit alles toe! Het is een vaak gedeelde ervaring in de gemeente van nu. Afstand ervaren, ja tot elkaar en misschien daardoor ook tot God, minder beleving. ‘Ik beleef veel minder aan de dienst’. Maar je kunt ook los van de pandemie kun je geconfronteerd worden met je eigen moeheid om te geloven. Probeer die impasse voor je te zien. Iemand die merkt dat het niet meer werkt, die zichzelf ziet verharden. Dat is misschien een enkeling maar die heeft dan een signaalfunctie. Iemand die van zichzelf durft te zeggen: het is alsof er niets gebeurd is en alles is kwijt. Ik bid nog en ik hoor mezelf en tegelijk denk ik dat het niet helpt. Vroeger wel maar nu niet. Ik wen eraan, ik geniet nog van de kinderen in de kerk maar innerlijk word ik onbewogen, minder ontvankelijk. Die eenling toont misschien wat meer christenen vandaag ervaren. Waarom houdt God die als de Almachtige volop bezig is zich als de Genadige zo ver van mij, nu. Dat is spannend en het kan een valkuil zijn: opgaan in zelfbeklag, je hart toesluiten. Maar juist met Kerst komt deze God in Jezus naast ons staan. Hij bevrijdt van zonden, die geen fouten zijn maar een impasse waar je jezelf niet uit gelooft. Hij komt daarom zelf in een lichaam dat het onze is. Jezus is echt iets nieuws, iets onmogelijks (maagdelijke geboorte) voor mensen die met geen mogelijkheid nog bij God uitkomen. Dit is God. Immanuel. Het lichaam van Jezus is belangrijk. Hij brengt je op een lichamelijke manier bij de Vader. Zo mag dat iets los te maken, het verlangen naar een eerlijk leven aanwakkeren, een biecht die niet alleen oplucht maar die ons meer aan Christus verbindt. Zijn ogen op de mijne, zijn hart tegen het mijne aan. Zulke woorden mag je gebruiken omdat je ook met je lichaam Jezus Christus toebehoort? Jezus is de Bevrijder van zonden door zijn lichaam en bloed maar ook door de Geest die Hem geboren deed worden. Bevrijd zijn van zonden is vergeving hebben maar ook vrij zijn om nu, in dit heden, het goede te doen. Om een Jozef te zijn, die in een complexe realiteit doet wat zijn roeping is. Niet gemakkelijk, voor hem betekent het dat hij moet vertrekken, reizen, vluchten en een tijd in onthouding leven. Dat is gehoorzaamheid misschien ook voor ons nu. Dat je opgeroepen wordt het uit te houden met jezelf voor het aangezicht van God. Daarin blijven we adventsmensen. Mensen op weg, levend van verwachting!
Soms kan je een gevoel van somberheid bekruipen, als je het nieuws een beetje volgt. Coronadoden, gijzelingen, moord, corruptie geweld van allerlei aard. Het gaat maar door. Het ene slechte nieuws is nog niet gekomen of andere slecht nieuwsberichten staan al weer klaar. Crisis, problemen, tegenslagen, ze verdringen het goede en mooie dat er ook is zomaar naar de rand. En dat in de grote wereld, maar soms ook zo akelig dichtbij. De teleurstelling in je relatie, de lastige dingen op je werk, je gezondheid die zo ineens anders loopt. Je komt er niet los van. Een documentaire over oorlogsveteranen die voor de VN waren uitgezonden op missie kreeg als titel: oorlog in je hoofd. Deze mannen en vrouwen zijn teruggekeerd uit de strijd maar worden sindsdien geplaagd door PTSS: post traumatische stress stoornissen. Zij vieren weliswaar thuis kerst met geliefden rond de kerstboom. Maar in hun hoofd, hun hart, hun onderbewuste woedt de oorlog volop voort. Om moedeloos van te worden. We maken ons klaar om Kerst te vieren, maar is er sinds de komst van Jezus wel echt wat in deze wereld veranderd?
Je hoeft geen oorlogsveteraan te zijn om dit te herkennen. Die oorlog, die onvrede kun je tegenkomen in je eigen hart. De monnik en schrijver Anselm Grün schrijft ergens: we verlangen allemaal rusteloos naar iets, vooral naar rust, tevredenheid en acceptatie. Naar God dus. En, zegt Grün, steeds weer zoeken we onze eigenwaarde in bezit, geld, zekerheid, aandacht, erkenning, bewondering, seks, eer en macht. Maar, zegt hij, dat leidt tot ‘hebzucht, jaloezie, controledwang, geroddel, narcisme en geweld. Of altijd maar de lieve vrede willen bewaren. Of geen minuut zonder die smartphone kunnen. Eindeloos veel diploma’s willen halen. Altijd iets nuttigs willen doen. Door je werk geen tijd voor je gezin hebben. Voor alles een verzekering afsluiten. Piekeren over of je het wel goed genoeg doet.’ Aldus Grün
Wat zijn uw en mijn vijanden? Hebben wij vijanden? Van welke vijanden zouden we verlost willen worden? Misschien zegt iemand: voor zover ik weet heb ik geen vijanden en daar ben ik blij mee. In onze belevingswereld nu klinkt veelmeer de roep om verbinding. Het woord ‘verbinding’ is het woord, dat nu meteen referenties oproept, niet het woord vijandschap. Het woord ‘vijandschap’ lijkt ons terug te brengen in een wij-zij denken, waarvan de meeste mensen in het beschaafde Westen vinden, dat we daarvan af moeten.
Moeten we dan misschien veelmeer aan geestelijke machten denken, zoals vanouds de doodsvijanden, de duivel , de wereld en ons eigen vlees, beschreven werden. Of zouden we nog een andere kant op moeten denken: vijanden als samenvattend woord voor alle machten en krachten in de schepping en de geschiedenis, die het goede leven kapot willen maken? Dan komen we in onze tijd snel uit bij het Covid-19 virus. Vooral in het begin van de pandemie werd vaak oorlogsretoriek gebruikt om de strijd tegen dit virus aan te duiden. In de dagelijkse werkelijkheid hebben ook wij het er over, dat we samen het corona virus eronder zullen moeten krijgen. Maar wie hier publiek durft te spreken over een vijand waarvan we verlost moeten worden, wordt meewarig aangekeken of erger: ervan verdacht te behoren tot een gevaarlijke sekte. Dat geldt niet alleen het coronavirus. Wij moeten als mensen met en voor elkaar dingen oplossen: natuurwetenschap, medische wetenschap en techniek kunnen ons daarbij helpen. Ook de geesteswetenschappen, zoals psychologie en psychiatrie kunnen behulpzaam zijn. Het woord verlossen behoort tot het vocabulaire van de theologie, een wetenschap die buiten de christelijke bubbel geen enkele indruk lijkt te maken. Spreken wij niet vanuit een luxe positie? Wanneer wij het niet op een akkoordje willen gooien met de machten van het kwaad, krijgen we dan niet als vanzelf vijanden? Wanneer wij door het geloof, door de goede keuze te maken aan Gods kant komen te staan, dan begint de strijd allereerst al in ons eigen hart. ‘Het goede dat ik wil, doe ik niet, het kwade, dat ik niet wil, doe ik’. Vervolgens lopen we ook op tegen alles wat in strijd is met Gods wil in deze wereld: onrecht, vernietiging van Gods schepping, machtswellust, onderdrukking en al die andere dingen, waar onze wereld vol van is, vlakbij soms ook op ons werk, in onze kring van bekenden. Probeer er maar eens iets van te zeggen, probeer maar eens even het sluiten van compromissen te vermijden en je zult merken dat je vijanden hebt eer je er erg in hebt en soms helemaal in strijd met je vredelievende karakter.
Verkijk je dan niet op dat kind in de kribbe. Jezus Christus. Je eerste indruk is misschien: vertederend, schattig en een klein beetje zielig. Maar hier in de kribbe ligt iemand die als namen krijgt: Wonderbare Raadsman, Goddelijke held, Eeuwige vader, Vredevorst. Hij zal al snel deze kribbe en de doeken achter zich laten en op een heel eigen manier zijn heerschappij zichtbaar maken. Een vorst van de vrede zijn. Ja, vrede zal van zijn leven echt de kern zijn. Hij zal vrede mét God tot stand brengen en ook de vrede ván God realiseren.
Hij zal de strijd aanbinden met de diepere oorzaken van onze onvrede. De zonde die ons onze bestemming doet missen zal hij op zich nemen naar het kruis, het daar verzoenen en wegdragen. De boze machten die ons bezetten en binden. Ons van onze vreugde en vrede beroven zal hij onttronen en overwinnen.
Vrede op aarde, scanderen de engelen. Het Bijbelse woord vrede betekent meer dan afwezigheid van oorlog. Het Griekse woordje dat hier staat: ‘eirene’ gaat terug op het Hebreeuwse shalom. Het betekent zoiets als: op orde brengen, alles op zijn plaats zetten. Kerkvader Augustinus zei dat heel mooi: vrede is de kalmte die komt uit orde.
Vrede is daar waar evenwicht is, balans. Alle dingen de juiste plaats en proporties hebben. Deze vrede zorgt ervoor dat je als mens in al je relaties tot je volle bestemming mag komen. In verhouding tot God, tot jezelf en de ander. Hoor hoe de hemelse strijders het uitroepen. Eer aan God in de hoge, vrede op aarde. Eerst: eer aan God. En dan en op die manier ook: vrede.
In deze periode begint voor christenen de tijd van Advent: verwachtingsvol uitzien naar de herdenking van de komst van Jezus Christus in deze wereld. Zijn volgelingen – christenen – worden opgeroepen om juist dan na te denken over hoe zij Jezus Christus volgen en hoe ze Hem ingang in hun leven wil geven. Willen ze echt hun geloof hun leven laten bepalen? Dat vergt in deze tijd het een en ander van de christen.
Want zo bij tijd en wijle poppen er weer bepaalde discussies op waarbij de conclusie is dat religie – dus ook het christendom – misschien een mooie levensovertuiging is maar toch alleen beleden moet worden ‘achter de voordeur’. Wanneer dit soort discussies zich voor doen denk ik dat juist christenen de opdracht hebben zich uit te spreken. Zij moeten in een democratie leren het publieke debat niet schuwen. Dat is volgens mij een voorwaarde van christelijke ethiek die beraadt hoe men goed moet handelen. In navolging van de lijn van kerkvader Augustinus is het de opdracht van een christen op zoek te zijn naar de zuiverheid van het christelijk handelen en naar het compromis in een gemengde wereld. Dit zou een christelijke ethische levensoriëntatie moeten zijn. Hierbij is ethiek meer dan alleen reflectie op handelen. Christelijke ethiek zou zich rekenschap moeten geven van de vraag naar wezen en bestemming van de mens.
Over het algemeen veronderstelt ethisch handelen vrijheid om keuzes te maken. Maar waardoor wordt een keus voor het goede bepaald? Is het de rede die de toon aangeeft? En moet de wil de rede volgen, zoals ethici vanaf de oudheid tot en met Kant verdedigd hebben? Bij hem treedt de wil als bepalend element op de voorgrond. Niets anders kan in absolute zin voor Kant en de zijnen goed heten dan de redelijke wil. Een visie die nog altijd aanhangers heeft, maar tegelijk heftig bestreden is onder invloed van Schopenhauer, Nietzsche en Freud. Maar je behoeft geen christen te zijn om te erkennen dat de wil op drift is geraakt en mensen geneigd zijn tot kwaad.
Daarbij laat het christendom met haar belijdenis van zonde en genade wel een eigen geluid horen. Het kwaad schuilt in de wil zelf, de wil die zich van God heeft afgekeerd, de verdorven wil. Dat is geen tragiek, maar schuld. Daarom begint christelijke ethiek, zo leert Calvijn, niet met vrijheid, zij begint met bevrijding. Een mens behoeft zich niet zoals baron Von Münchhausen zelf uit het moeras op te trekken. De Tien Geboden beginnen met de proclamatie van God die bevrijdt. En het apostolisch getuigenis verkondigt de bevrijding van de wil uit de macht van de zonde tot de vrijheid van het leven als kinderen van God. Zo wordt de wil tot rede gebracht. Het goede is niet inherent aan de mens. Het is vrucht van de Geest. Geloof, hoop en liefde zijn geen te verwerven deugden, maar gaven van de Geest. Christelijke ethiek staat zo gezegd, in de schijnwerpers van Pasen en Pinksteren. Het vrije leven is het leven in gehoorzaamheid en liefde onder de tucht van de Geest die ons het gebod leert verstaan.
Maar wat betekent dat nu voor de concrete velden van de politiek, de sociale ethiek, de gezondheidszorg, de economische vragen? Wat is de christelijke boodschap voor leven en samenleving? En volgens mij zit ‘m daar de kneep. Immers, dwang is niet verenigbaar met het christelijk geloof. Kerkhervormer Maarten Luther verwoordde het eens zo: ‘Een christen is een vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan.’
Maar hoezeer christenen ook hun best moeten doen om via argumentatie verstaanbaar over te komen, uiteindelijk staat een ethische reflectie die zich de wet laat voorschrijven door de Geest die hem bepaalde gedragsregels voorhoudt; weer in de woorden van Luther: ‘Een christen is een dienstbare knecht van alle dingen en ieders onderdaan.’ Omzien naar elkaar, de ander belangrijker achten dan jezelf Dat maakt de christen weerloos in een wereld waar de autonomie van het Eigen Ik hoge ogen gooit. Nu is dat voor het christelijke geloof geen vreemde zaak. Een christen is, zo laat het Nieuw Testament zien, een vreemde eend in de bijt van de samenleving. Wat mensen doet ophoren en doet vragen naar de Weg is ten diepste niet de argumentatie, maar een getuigend leven in de navolging van Christus. Ik denk dat christenen juist nu moeten laten zien in woord en daad dat hun levensoriëntatie van barmhartigheid en solidariteit in een samenleving waar individualisme de heersende levensfilosofie is hét Verschil kan maken. Laten we daar in de periode van Advent verder over door denken.
Bijna niemand heeft hem gemist: de wilde theorie dat Bill Gates met hulp van het 5G-netwerk het coronavirus verspreidt, zodat iedereen zijn vaccin nodig heeft. Inmiddels vijf jaar geleden voorspelde miljardair Bill Gates dat er weleens een virus kon ontstaan dat de hele wereld zou ontwrichten. Nu is er het coronavirus. Dat kan geen toeval zijn, denken sommige mensen. Gates heeft het zelf in de wereld geholpen, zodat hij geld kan verdienen aan een vaccin, waarbij hij en passant een chip laat implanteren bij iedereen die dit vaccin ontvangt. Het teken van het beest uit het Bijbelboek Openbaring, vinden sommige christenen. (een soortgelijke gedachte deed trouwens ook de ronde bij de invoering van de streepjescode) Of deze: de anderhalvemetersamenleving is ingesteld zodat camera’s gezichten beter kunnen herkennen. Je hebt zulke complottheorieën waarschijnlijk wel gehoord. Misschien haal jij je schouders erover op en vind je zoiets lachwekkend. Hoe ga je om met zulke verontrustende berichten en met aanhangers van complottheorieën? Je merkt misschien dat zulke theorieën een kloof scheppen als je erover in gesprek bent met je buren of familieleden. Discussiëren of factchecken verkleint de kloof zelden. Integendeel, het lijkt of je alleen maar meer tegenover elkaar komt te staan. Hoe ga je daar nu mee om?
Allereerst: geruchten en complottheorieën zijn er altijd al geweest en waren voor de komst van journalistiek en internet nog veel sterker. Jesaja en Jeremia bijvoorbeeld leefden in zo’n tijd. Zij maanden tot kalmte: ‘Noem niet alles een samenzwering wat zij een samenzwering noemen. Wees niet bang voor wat hun angst aanjaagt’ (Jesaja 8:12). ‘Wees niet bang voor geruchten her en der. Dit jaar gaat er een bang gerucht, het volgend jaar gaat er een ander’ (Jeremia 51:46). En Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Jullie zullen berichten horen over oorlogen en oorlogsdreiging. Laat dat je dan niet verontrusten’ (Matteüs 24:6).
Een beetje nuchterheid kan dus geen kwaad. Er zijn voortdurend nieuwe geruchten of theorieën en die zijn echt niet allemaal waar. Maar het kan onbevredigend zijn om alleen nuchter naar ‘de feiten’ kijken. Is het coronavirus er alleen, omdat sommige mensen in China vleermuizen eten en een virus van dier op mens is overgegaan? Is het slechts stomme pech dat de globalisering er vervolgens voor zorgde dat het zo’n wereldwijde ramp is geworden? Hoewel dat misschien heel verstandig klinkt, is het ook nogal nihilistisch om te zeggen: dingen gebeuren nu eenmaal omdat ze gebeuren. Zo’n gedachtegang zit niet achter Jesaja’s, Jeremia’s en Jezus’ oproepen tot nuchterheid. Voor hen is de grootste reden om niet bang te zijn de overtuiging dat God zelf aan het werk is. ‘Alleen de HEER van de hemelse machten is heilig, voor Hem zijn angst en ontzag op hun plaats’ (Jesaja 8:13). Jeremia ziet in de rampen die plaatsvinden God zelf zijn oordeel uitvoeren (Jeremia 51:47). Jezus spoort de leerlingen aan vooral waakzaam te zijn voor de komst van de Mensenzoon. Alle rampen die plaatsvinden, zijn het begin van de weeën, de aankondiging van Jezus’ komst. (Matteüs 24:6-44). Ook elders in het Nieuwe Testament kun je lezen dat in alles wat er gebeurt God aan het werk is. Het meest uitgebreid wordt dat geschilderd in het Bijbelboek dat ‘Onthulling’ of ‘Openbaring’ heet. Daar wordt gesproken over dat de dingen zijn niet wat ze lijken: het altaar van Zeus in Pergamum is niet alleen een religieus bouwwerk, het is de troon van Satan zelf (Openbaring 2:12). Het Romeinse rijk is niet het rijk van vrede, maar het is een allesverslindend godslasterlijk beest en het geld met de afbeelding van de keizer is het teken van dat beest (Openbaring 13).
Het gevoel dat er ‘meer aan de hand is’, klopt dus volgens de Bijbel. God is aan het werk. Dat is zeker ook verontrustend. Angst en ontzag voor Hem zijn op hun plaats. God kijkt niet vanuit de hemel machteloos toe, terwijl mensen oorlog voeren, elkaar onderdrukken, bedriegen, aan de kant zetten of zwartmaken. God haat al dat kwaad en wil het vernietigen. Daarom gaan volgens Openbaring zijn oordelen nu al over de wereld. Je kunt in rampen die de wereld treffen iets proeven van Gods woede over het kwaad en van zijn verlangen het kwaad te vernietigen. Uiteraard mag je er niet simplistisch over spreken, alsof je het allemaal snapt. Bijvoorbeeld door te veronderstellen dat zij die het hardst getroffen worden, ook het meest gezondigd hebben. Juist het besef dat God aan het werk is, moet jou ook nederig maken. Wie zou kunnen overzien wat God allemaal doet en waarom? Aansluitend bij Jezus’ woorden en de beelden van Openbaring kun je in de rampen van deze wereld ook Gods oordeel zien en de aankondiging van Jezus’ komst om alles en iedereen te oordelen. Jezus is én de komende rechter én degene die Gods oordeel heeft ondergaan. Onbegrijpelijk genoeg kan Jezus tegelijkertijd aan de kant van het slachtoffer en van de schuldige dader staan. Als slachtoffer liet Hij zich doodmartelen aan het kruis om daar een misdadiger welkom te heten in het paradijs. Gods oordelen hoeven niet alleen maar beangstigend en verpletterend te zijn als je ziet dat God ons zelfs in het oordeel niet alleen laat. Juist ook dan is Hij Immanuel (Jesaja 8:8,10). God is ook aan het werk door hen die protesteren tegen onrecht, die zieken en slachtoffers genezen en hen niet aan hun lot overlaten.
Je hoeft het coronavirus en de verspreiding ervan dus niet alleen maar te zien als domme pech. Er zit meer achter. God is daarin het werk. Je kunt er zijn oordeel in zien: deze wereld kan zo niet blijven bestaan. Tegelijkertijd: Hij is aanwezig in ieder die er alles aan doet om er voor de ander te zijn. Hij toont Zijn liefde voor de mens.
Hoe ga je dus om met verontrustende berichten en met aanhangers van complottheorieën? Als je gelooft dat God aan het werk is, is het goed om een beetje bescheiden te blijven en niet te denken dat jij precies weet hoe het allemaal in elkaar zit. Neerkijken op mensen die bizarre theorieën aanhangen, past al helemaal niet. Hun intuïtie dat er (soms) meer aan de hand is, wordt in de Bijbel bevestigd. Maar daar krijgt dat ‘meer’ wel een heel andere invulling: God is aan het werk! Daarom hoef je ook niet bang te zijn voor wat er gebeurt of wat er verteld wordt. Wel is het terecht om ontzag te hebben voor God die met zijn oordelen en zijn goedheid toewerkt naar een nieuwe wereld vol gerechtigheid.
Eerder schreef ik over het idee dat een aangevochten geloof in de zin van dat je door vertwijfeling heen bent gegaan om het vertrouwen te krijgen dat je Gods kind bent, dat je daarmee in deze tijden van corona sterker staat in het geloof. Waarom schreef ik dit? Laat ik het anders stellen: Is een positief mensbeeld bestand tegen de machten en krachten van het kwaad? Een populair mensbeeld waarbij er alleen maar wordt gesteld dat God je aanvaard zoals je bent. Ik wil in deze blog dit verder uitwerken.
De zestiende-eeuwse kerkhervormers schreven in de Heidelbergse Catechismus dat de mens niet instaat was tot enig goed. ‘de mens is geneigd tot alle kwaad’ en ‘onbekwaam tot enig goed’. De zogenaamde leer van de erfzonde. Eigenlijk wilden ze daarmee een antwoord geven op de vraag: hoe gaan we om met de werkelijkheid van goed en kwaad? Want – zo zeiden ze – wij mensen kunnen niets in de weegschaal leggen, ons nergens op beroepen, om God ervan te overtuigen dat Hij ons lief zou moeten hebben. Dat is louter een kwestie van genade. Binnen de relatie van de mens met God kan ik niet zeggen: ik deug. In het licht van Gods heiligheid kan ik pas goed beseffen dat ik tekortschiet, maar tegelijkertijd staat daar die tekortkoming in de context van Gods genade. Dat helpt ook voor je relatie, je houding naar anderen toe: je kijkt er niet vreemd van op als anderen soms niet deugen, want je weet dat dat kwaad ook in jezelf zit. In die zin kan het idee dat de mens van nature is geneigd tot kwaad, juist een houding van mildheid opleveren.
Zeker als mensen onderling en in onze relatie met de natuur kunnen we zeker goede dingen doen. Iets wat je kunt omschrijven als een rechtvaardig leven. Maar zo’n leven vergt ook en in de eerste plaats het inzicht dat ik mezelf niet kan rechtvaardigen. Niemand leidt een volledig rechtvaardig leven. Als antwoord op dat idee, dat we altijd tekortschieten, wat we ook doen, brachten de zestiende-eeuwse kerkhervormers in: ‘God aanvaard mij, maar ik moet ook nog steeds zelf handelen. Dietrich Bonhoeffer vraagt in zijn gedicht ‘Wie ben ik?’ zich af of hij de sterke persoon is die anderen in hem zien of de zwakke, angstige mens die ik zelf zie. En dan eindigt hij met: ‘Wie ben ik? Wie ik ook ben, U kent mij’. Het verwoordt precies het besef geaccepteerd te zijn, ongeacht wie je bent. Het geeft je een realistische blik op het leven. God accepteert mij, hoezeer ik ook faal alle slechte dingen uit te bannen. Luther zegt het dan mooi: ‘in het geloof in Christus kan je geweten gerust slapen.’ Het beschuldigt je niet meer. Dit verandert je motivatie om het goede te doen: je doet het niet om geaccepteerd te worden, maar omdat je vorm wil geven aan het feit dat je geaccepteerd bent. Dus als je aanvaardt dat je van nature verloren bent, Ik geloof niet dat een heel optimistisch mensbeeld uiteindelijk bestand is tegen het kwaad in de wereld. Juist vanuit het besef van het eigen tekort, waarin je je wonderlijk genoeg aanvaard mag weten, ben je in staat om niet gelijk om te vallen door het tekort van een ander. De Engelse ethicus Theodore Dalrymple zei een jaar of tien geleden: ‘als je geen erfzondeleer hebt, heb je geen verweer tegen wat er allemaal aan kwaad kan gebeuren in je leven.’ Dat God je uit genade accepteert zoals je bent brengt dat uiteindelijk rust teweeg, zet je anders in relatie met je medemens en doet je sterker staan in aangevochten geloof.
Enige tijd geleden – ver voor de coronacrisis – publiceerde een aantal collega’s een artikel over het geloof onder kerkgangers. Ze ontmoetten vaak mensen die het geloof beu waren. Allerlei signalen wezen daarop: kerkgang zonder verlangen naar de ontmoeting met God, Bijbellezen zonder verwachting en verrassing, een kwijnend gebedsleven. Een belangrijke oorzaak daarvoor was volgens hen gelegen in het feit dat het geloof ongemerkt en sluipenderwijs tot ‘gemeengoed’ is geworden. Het is niet langer een gave van God, door twijfel, verwarring en aanvechting verworven.
Als je in een traditie staat waarin God niet automatisch jouw God was en jij niet vanzelfsprekend zijn kind is geloof zeker geen ‘gemeengoed’. God moet gezocht en gevonden worden. Sterker nog: het gaat erom dat jij door Hem gezocht en gevonden wordt. Je bent niet bij voorbaat gered, eerder van nature verloren. Intussen was je in de doop wel het beslissende toegezegd. Maar dat lag niet voor het oprapen. God is niets aan ons verplicht, maar wel alles verplicht aan zichzelf – en daarmee aan ons. In die beloftevolle spanning kwam het aan op een diepe doorleving. Het spande erom om van Hemzelf te vernemen en er zo van overtuigd te raken, dat Hij jou genadig is. In die strijd tussen hoop en vrees kon het er heftig aan toe gaan. God kon nabij komen en eindeloos ver weg zijn. Je kon in de ban zijn van de twijfel aan zijn bestaan als je dagen en nachten niks van Hem vernam. En er kon een diep vertrouwen geboren worden als Hij van zich liet horen. Het was een strijd met God, óm God.
Het gevolg was een geloof dat was verankerd in de Levende zelf. Wars van alle zelfverzekerdheid en tegelijk zekerder dan wat ook maar. Het was het geloof dat door de diepten van ‘verliezen en verloren zijn’ was heen gegaan; het geloof als vrucht van bange worsteling en verrassend geschenk van God. Kostbaar, omdat het je niet was komen aanwaaien of was aangepraat. Weerbaar, omdat het door allerlei innerlijke vertwijfeling was heen gegaan, gehard en gestaald in het gevecht: ‘ik laat U niet gaan, tenzij U mij zegent’.
Zou het kunnen zijn dat een opgroeiende generatie van kinds af aan inmiddels te veel wordt aangepraat dat Jezus op voorhand je beste vriend is? De gevolgen daarvan zie ik om me heen: geloof als het sluitstuk van een redenering, zonder daadwerkelijke bekering, zonder ‘goede strijd’ om met God in het reine te komen. Een geloof ‘van horen zeggen’, zonder zelf zijn overtuigende stem te hebben vernomen. Een geloof dat je jezelf voor een appel en een ei hebt eigengemaakt. Dat daarom ook voor de eerste de beste schotel linzen van de hand kan worden gedaan.
Daarmee zijn we bij de kern. Een geloof dat niet op leven en dood is verworven, wordt niet als een kostbaar geschenk gekoesterd. Het is niet bestand tegen de kritische vragen van een wereld die het zonder God ook prima voor elkaar heeft. Het is evenmin opgewassen tegen de harde werkelijkheid van alledag, waarin je vaak bitter weinig van God gewaar wordt. De twijfel zit bij velen maar net onder de oppervlakte. En zodra ze de kop opsteekt, blijkt ze veel dieper geworteld dan men zelf vermoedde. Geruisloos valt het geloof af, als een verdord blad van een boom. Geloof dat niet ontvonkt is aan de omgang met God, met alle verbijstering en verrukking vandien, wordt op den duur een saaie bedoening. Het wordt een riedel, die je steeds minder raakt en die je na verloop van tijd beu wordt. Bovendien – kijk om je heen! – zonder geloof kun je toch ook prima een goed mens zijn?
Deze overtuiging is tegenwoordig wijdverbreid. Mijn vraag is of zo’n geloof ook bestand is tegen de coronacrisis waarbij mensen voornamelijk op zich zelf zijn teruggeworpen. Kunnen we – juist in deze periode – het tij keren? Daar wil ik in een volgende blogpost verder op door gaan.
In deze periode beleggen veel kerken hun Startzondag: de aftrap van een nieuwe kerkelijk seizoen waar veel activiteiten op het kerkelijk erf weer opnieuw beginnen. Maar de eerlijk gebied te vragen ‘Wat starten we eigenlijk?’ Startzondag, dat is een woord uit een andere tijd, zo lijkt het wel. In de anderhalvemetersamenleving kan zo veel niet. De atmosfeer is nu anders. De wereldwijde coronacrisis heeft diepe sporen getrokken in onze samenleving. Het kerkelijk leven is op veel plaatsen ontwricht en het is de vraag hoe gemeenten uit de crisis tevoorschijn komen. We zitten immers helemaal niet in de cyclus van een jaarlijkse carrousel die we weer aan de gang proberen te krijgen. De coronacrisis versterkt daarmee het gevoel dat een gure, winterse kou veel kerken in haar greep heeft. We somberen met elkaar over lege kerkbanken, afnemende interesse in de Bijbel en het geloof dat verdwijnt naar de rand van de samenleving. Volgens sommige berichten versnelt de coronacrisis de neergang van de kerk. Men stelt dat de kerk qua ontvolking nu jaren eerder komt dan geprognosticeerd is voor een situatie van over een paar jaar. We zitten midden in een vreemde tijd, waarin we afvragen wie uit de gemeente waar zit, hoe mensen erbij zitten en met wie we amper nog contact krijgen. Een periode waarin je lange adem nodig hebt, wijsheid, gezamenlijke reflectie en gebed. Misschien ook iets van besef dat het in onze eigen recente kerkgeschiedenis het zonder precedent is dat de gemeente zo lang niet samen heeft kunnen komen. Ik merk in contacten met collega’s hoeveel er onder de oppervlakte speelt. De teleurstelling over wat ons ontvalt, de verzwakking die je om je heen ziet gebeuren, de geestelijke dynamiek van de liturgie en de prediking die zo verandert. Soms ook de mensen die de gemeente in de steek laten, door hun afwezigheid of hun onbereikbaarheid. Ook je eigen dorheid of onbestemdheid van binnen. En je bezorgde intuïtie hoe je er in deze omstandigheden eind oktober aan toe moet zijn. Ondertussen moet je flexibel zijn, mediageniek en vol nieuwe ideeën over kerkzijn.
Vanuit verschillende kanten worden aanbevelingen aangereikt. Bijvoorbeeld ‘Heb aandacht voor de sociale en spirituele functie van de kerk’ of ‘Neem ruimte om te bouwen vanuit de kern’.
Ten aanzien van het eerste legde ik in mijn vorige blog al de vinger op één punt dat mijns inziens best belangrijk is: namelijk dat er is eigenlijk heel weinig behoefte aan prediking want gemeenteleden willen vooral ontmoeting en sociaal contact. Uit een onderzoekje bleek namelijk als antwoord op de vraag naar wat mensen missen in het kerkzijn, preken behoorlijk laag te scoren. Ook werd ergens onlangs gesteld dat gemeenteleden eerder het gezellig samenzijn missen dan de gezamenlijke viering van het Heilig Avondmaal.
Ondanks dat ik dat herken en ik geloof dat het van belang is om daar heel aandachtig naar te kijken en ons op te bezinnen, speelt bij mij van binnen vooral sterk de gedachte op dat dat eigenlijk heel zorgwekkend is. Als ik het even ruwweg vertaal, doe ik dat zo: de kern van kerk zijn (dat het evangelie van Jezus Christus en zijn koninkrijk van Geest en liefde er klinkt en mensenlevens aanraakt en transformeert) is vervangen door verlangen naar sociaal contact. Nee, met sociale aandacht is niets mis. Maar die vinden we ook in het buurthuis en op de sportvereniging en de muziekband waarin we spelen. Als dan de kern van het kerkzijn verwordt tot een verlangen naar sociaal contact dan zie ik een tekort aan aandacht voor en ervaring met het werk van de Heilige Geest. Een spiritueel tekort gaat in wezen dus over iets wat nogal ernstig is: geen of te weinig ruimte voor de Geest die waait waar en wanneer hij wil; geen of te weinig aandacht voor het eigen werk van de heilige Geest die troost, vernieuwt, wijsheid schenkt, profetisch leert spreken en geneest; geen of te weinig focus op de gaven van de Geest en de vrucht van de Geest; geen of te weinig aandacht voor gebed en biddend leven, kortom voor spiritualiteit als leven in de Geest van Jezus.
Juist omdat ik het zo herken in het kerkelijke leven dat ‘gelovigen ontmoeting broodnodig hebben’, juist omdat ik zie hoezeer de kerk kan verworden tot een sociaal netwerk dat aan elkaar hangt van barbecues en andere ontmoetingen zonder veel inhoud, juist omdat het me raakt hoe groot de machteloosheid lijkt te zijn om in kleine groepen geloofsgesprekken te voeren, juist omdat ik merk dat de Woordverkondiging naar de marge van het kerkzijn wordt gedrongen door al die andere dingen die moeten gebeuren in kerkdiensten, juist omdat ik zoveel biddeloosheid lijkt het me dat gelovigen Jezus juist broodnodig hebben.
Ondanks al deze somberingen moet ik denk aan dat clubje van 12 doodsbange mannen op dat zolderkamertje meer dan twee duizend jaar geleden. Hun leider was dood, alle beloftes en voorspellingen waren in hun ogen niet uitgekomen en ze zagen alleen een boze wereld om hun heen die op z’n zachtst gezegd niet op hen zat te wachten. We weten wat er gebeurd is sinds die tijd. En meermalen is de kerk al doodverklaard en het christelijk geloof ten grave gedragen. Ik geloof dat de Geest nog steeds nieuwe kieren vindt om mensen te inspireren en te stimuleren om Gods vrederijk dichterbij te brengen en op een of andere manier proberen het Evangelie uit te dragen.
In deze coronatijd is de kerk naarstig op zoek naar hoe zij in en na deze tijd kerk kunnen zijn. Misschien scherper gesteld: Hoe kunnen de kerken zich ontworstelen aan het dilemma tussen verstarring en beleving? Moet zij zich onveranderlijk vasthouden aan haar oude dogmatische wortels, of geeft zij zich over aan grenzeloze vrijzinnigheid. In beide gevallen mist ze aansluiting bij de behoeften van de (post)moderne mens. In beide stromingen blijft de liturgie strak en conservatief terwijl de kern van het geloof en de essentie van het Evangelie worden verdrongen door respectievelijk krampachtig kerk-zijn of juist niet langer op een kerk willen lijken. Een kerk die zich openlijk afvraagt of God wel bestaat en de Bijbel tot een interessant literair verschijnsel maakt, reduceert God tot een menselijk bedenksel dat op den duur het opstaan op de vroege zondagmorgen niet meer waard is. Zij verliest haar angel, het mysterie van de opgestane Christus, de ongemakkelijke wrijving die het geloof in een God die niet te doorgronden valt, met zich meebrengt. Ondertussen dendert de wereld door en bereikt de kerk in haar verschijningsvorm in snel tempo haar uiterste houdbaarheidsdatum. Als er nu niets verandert, is het christendom in Nederland binnen enkele decennia op sterven na dood en verliest onze samenleving voor altijd haar diepste
We zijn zulke individualisten geworden, dat het eerste woord dat vier- of vijfjarige kinderen leren schrijven ik is: ik, een losstaand, eigen individu. Maar wie ben ik dan? Wat betekent die ik? Wie geeft er invulling aan de identiteit van onze jonge kinderen? Als onze ouders in niets geloven en niet weten waarvoor ze staan, hoe zouden onze kinderen dat dan moeten weten? Mensen gaan op zoek en nemen beslissingen die hen dichter brengt bij hun levensdoel – of niet. Dit is het twijfelachtige wonder van de vrije wil.
In die zoektocht kan een levende en betrokken kerk voeding geven aan de zoekende ziel en haar volgelingen helpen hun levensbestemming te vinden. Onze maatschappij is verweesd en schreeuwt om leiders met een verhaal. Het geloof biedt die noodzakelijke richting en houvast. De kerk kan het broodnodige sociale vangnet vormen in onze wankelende welvaartstaat, maar uitgerekend deze christelijke stem is verstomd. De christelijke stilte ten aanzien van de grote vragen van vandaag zoals milieuproblematiek, armoede en sociale ongelijkheid is een fluisterstem geworden. Gebrek aan een uitgesproken en principieel getuigenis heeft de rol van religie in de moderne maatschappij tot bijna nul gereduceerd.
In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam een ontkerkelijking op gang die tot op de dag van vandaag doorgaat. Maar al eerder is de kerk ontzield geraakt. Sprankelend geloof werd door papier en inkt verstoten. Levende ervaring door ratio verdreven. Niet God, maar religie is een heilige zaak geworden. Wat we vergeten is dat God ons niet nodig heeft om te bestaan. God is.
Willen we mensen weer terug de kerk in krijgen en voorkomen dat nog meer gemeenteleden vroeg of laat de kerk verlaten, dan moet zij geen geloof van angstig “gij zult niet” maar van opgewekt “u mag wel!” prediken. Hierin ligt vooral een uitdaging voor de kerken.
Van gebrokenheid naar heelheid, van scheiding naar eenheid, dat is de grote uitdaging voor de postmoderne christen anno nu. Dit nieuwe christen-zijn vereist een grote ommezwaai in ons denken. Het zal geen eenvoudige weg zijn, de kerk zal verkeerde afslagen blijven nemen (zoals christenen door de eeuwen heen zo vaak hebben gedaan) maar stil zijn is geen optie meer. En dus moeten we op zoek naar een nieuwe manier van christen zijn – het christen 2.0 zoals ik dat noem. Levend en overtuigend, maar ook transparant en eerlijk.
De eerste stap op weg naar dit nieuwe christendom is een terugkeer naar de kern van het Evangelie. Het goede nieuws van de dood en opstanding van Jezus Christus is radicaal en zal altijd op weerstand stuiten. Zij is echter ook een boodschap van oneindige inclusieve liefde en genade. De grenzeloze liefde van God en Zijn genade voor ons feilbare mensen is wat het christelijk geloof van andere religies onderscheidt, en wat ons in staat stelt bruggen te slaan. Wat voor mij onvervreemdbaar is dat ik Jezus Christus belijd als mijn Opgestane Heer. Over de invulling van kerkelijke dogma’s en theologische zienswijzen valt te discussiëren, over de essentie van het Evangelie niet.
De tweede stap is het erkennen van de diepe pijn die de kerk haar volgelingen door de eeuwen heen heeft berokkend – en blijft toebrengen. Het wordt tijd dat de kerk op de knieën gaan en haar zonden belijden: het onrecht dat zwarten is aangedaan, kleurlingen, vrouwen en kinderen, andersdenkenden en andersgelovigen.
De derde stap is niet langer kijken naar dat wat verdeelt, maar wat samenbindt – als kerken onderling, maar ook als kerk en alles wat daarbuiten ligt. We zijn allen schepselen van God die mogen rekenen op Zijn onvoorwaardelijke liefde.
Het wordt tijd dat de kerk leiderschap toont. Dat wij leiderschap gaan tonen. Iedereen die zich christen noemt is gewild of ongewild de kerk. Ik als gelovige ben deel van de gemeente van God en zal dus als gelovige mijn verantwoordelijkheid moeten nemen en leiderschap moeten tonen op de plaats en plek die God mij heeft toebedeeld. Het is zoals de vrouwelijke pastor Bridget Willard schreef: “Kerk is niet waar je samenkomt, kerk is geen gebouw, kerk is wat je bent. Laten we niet naar de kerk gaan, laten we de kerk zijn.”
(Na twintig afleveringen van ‘meditaties in tijden van corona’ heb ik besloten dat dit de voorlopig laatste meditatie is in deze reeks. Niet dat ik ophoud met bloggen, maar er zijn ook nog andere vormen en onderwerpen die aandacht verdienen. Ik hoop van harte dat veel mensen iets gehad hebben aan de meditaties en dat onze Here God mag werken via deze woorden.)
Verwondering, verrassing dat God die zo verheven is, tegelijk zo nabij kan zijn, zo betrokken op ons, op mij. Zo nabij dat ik voor hem een woning kan zijn. Deze psalm gaat over Gods grootheid én nabijheid. Over een God die ver is én tegelijk nabij. Maar liefst zeventien keer staat in dit lied het Hebreeuwse woordje kol: heel, al, alles. Vers na vers benadrukt dit lied dat God goed is voor alles en voor allen. Voor heel zijn schepping en al zijn schepselen. Voor alle geslachten en in alles wat hij doet.
En deze God die het geheel overziet en draagt is tegelijk betrokken op de enkeling, die ene mens. Die gevallen is, die gebukt gaat, die honger heeft, die hem aanroept. Ja onder miljoenen, heeft hij ook mij op het oog. En andersom: de ogen van allen wachten op U (vers 15a) Want voor velen was het geen makkelijke tijd. Een aantal weken geen kinderen of kleinkinderen zien. Zorgen over het werk. De angst om ziek te worden. Degenen die ziek geworden zijn en daar nog lang niet van zijn hersteld. De vraag hoe lang we nog in deze situatie zitten en wanneer het weer normaal wordt. Ogen die wachten. Dat zeggen we niet zo snel. Het gaat om het wachten op de Heer. Daar gaat vers 16 verder op in: Gij doet uw hand open en verzadigt al wat leeft naar uw welbehagen God opent zijn handen door mensen die hun handen openen. In een Joods midrasj – uitleg – wordt dit vers 16 daarom als volgt vertaalt: Hij verzadigt al wat leeft met wil. Hij verzadigt al wat leeft met wil…. En de uitleg van de rabbijnen hierbij is dan: aan ieder mens die voor God openstaat geeft God het verlangen om de dingen te willen die bij God horen. En zo kan God hen dan ook gaan geven wat ze willen. Zo lezen zij ook vers 19 waar in onze vertaling staat: Hij vervult het verlangen van wie hem eren. De Joodse uitleg van dit vers is: de wil van die hem vrezen vormt hij. In deze psalm wordt bezongen hoe de schepselen beseffen dat zij het voedsel uit Gods hand ontvangen. Zoals een jonge vogel wacht op het eten dat vader of moeder vogel komt brengen. Zo kijkt de gelovige uit naar de Vaderlijke zorg van onze Schepper. Jezus Christus zegt in Johannes 15: wat je de vader in mijn naam vraagt zal hij je geven. Het is kennelijk mogelijk om zo te groeien in je omgang met God, zo gekneed en gevormd te worden en met Hem één van geest te zijn, dat je steeds beter aanvoelt hoe God de dingen ziet en waar Hij aan het werk is of aan het werk wil gaan. En dat je eigen denken en doen en met name ook je gebedsleven steeds meer in lijn komt met de wil van de Vader. Wachtende ogen: Ogen die vol verlangen uitkijken. Ogen die willen zien wat God doet. Die daar niet aan voorbij willen kijken, maar willen zien dat die zorg er inderdaad is. Wachten is in de Bijbel nooit afwachten. Maar wel het besef dat alles wat we hebben van de Heer komt. Gegeven wordt door God. En dat Hij zal geven wat we nodig hebben. De ogen van allen wachten op de Heer, totdat Hij geeft. Niet uit onzekerheid, maar uit geloof dat God zal geven. Als mens zijn we altijd in alles van de Heere afhankelijk. Nu in deze tijd beseffen we des te meer dat we van Hem afhankelijk zijn. We kunnen niet anders dan ons leven in Zijn hand leggen. We kunnen niet anders dan met onze ogen ‘wachten’. Dat betekent niet niets doen. Dat betekent actief zijn. In het zoeken van de Heer. In het zien hoe God ook in een moeilijke tijd doorhelpt. In het ervaren dat God kracht geeft om bezig te zijn. Wijsheid geeft om beslissingen te nemen. Dat kunnen wij niet uit onszelf. De Heer geeft dat. Daarom wachten we op Hem.