maart 2020


jesaja-53-4

Sommige berichten zijn moeilijk om te geloven.
Toen ik in januari filmpjes zag van inwoners van de Chinese stad Wuhan,
die werkten in ruimtes die helemaal in plastic waren ingepakt,
kon ik niet geloven dat we later zelf met quarantaine te maken zouden krijgen.
Ook het RIVM kon dat nog niet geloven.
Eind januari las ik nog een bericht, waarin gemeld werd dat het virus niet besmettelijk was.
Ook deskundigen dachten dat het hier niet zo’n vaart zou gaan lopen.

Jesaja 53 begint ook met een bericht dat niet werd geloofd:
Wie heeft onze prediking geloofd?
Het antwoord is: er is niemand die destijds geloofde wat er werd gezegd.
Al werd het door een profeet aangekondigd als Gods eigen woord,
niemand hechtte er geloof aan,
niemand kon zich voorstellen dat die boodschap waar zou zijn.
Wat de profeet hier verwoordt is een belijdenis die hij namens het volk uitspreekt
en hij sluit zichzelf erbij in:
Ook al hebben wij van tevoren horen zeggen dat we God aan het werk konden gaan zien,
we hebben het niet gezien, we hebben het niet willen zien.

In deze dagen van crisis zien we hoe belangrijk het is
als een regeringsleider uitstraalt dat hij weet wat er gedaan moet worden in crisistijd,
dat hij verstand van zaken heeft, met kracht leiding kan geven,
het vertrouwen kan geven dat hij weet wat hij doet en dat het daardoor goed komt.
Maar voor de Messias die gekomen is, was het tegendeel het geval:
geen krachtige leider, die je als volk kon meenemen de crisis uit,
Die voorop ging met maatregelen nemen, die je ook opvolgde
omdat je wist dat je deze leider kon vertrouwen – dat straalde hij uit.
Maar nee, zo was deze Messias niet.
Geen leider, geen koning die leiding gaf en maatregelen afkondigde,
bij wie je wist dat het goed zou komen,
maar eerder een patiënt, die ziek geworden is, lijdend,
zoals een coronapatiënt ernstig ziek het ziekenhuis werd binnengedragen,
in eenzaamheid, zoals dat in Italië gebeurt,
Waar de mensen alleen worden binnengedragen in het ziekenhuis,
zonder familie, omdat ze bang zijn zelf ook ernstig ziek te worden.
een Man van smarten, bekend met ziekten.
Dat was niet de Messias waar ze op hadden gewacht.
Dat was niet de redder, die hen uit deze crisis kon redden en in veiligheid kon brengen.
In zo iemand kun je Gods werk toch niet zien.

Dat de mensen niet konden geloven, dat die lijdende Man de Messias was,
was niet omdat ze niet geloofden in Gods macht.
Ze geloofden in God, ze klampten zich vast aan Hem, juist in deze onzekere tijd,
maar ze konden zich niet voorstellen dat God zich op deze manier liet zien.
Zo in zo’n kwetsbare gestalte:
Had iemand Gods arm, die krachtig is om te redden, in deze Man gezien?
Dat verwachtte je toch niet? God werkt toch krachtdadig?
Voor niemand was het duidelijk dat juist Hij de Messias is die door God gezonden werd.
De eerste christenen hebben in deze Messias,
die te kwetsbaar zou zijn om Gods Knecht te zijn, Jezus herkend
en begrepen dat dit over Hem ging, hun Heer die aan het kruis ging,
en een weg van lijden ging, van Gethsemané waar Hij worstelde, streed, leed,
tot Hij aan het kruis Zijn einde vond en stierf.
Op dat moment keek je liever een andere kant op, omdat je het niet kunt aanzien,
zoals je nu niet teveel verhalen moet horen, van het enorme drama wat zich aan voltrekken is,
of niet te veel verhalen uit vluchtelingenkampen, omdat je er toch niets aan kunt doen,
zo was dat verhaal van die Jezus aan het kruis iets dat je niet kon aanzien,
Waar je voor weg moest lopen, het was te pijnlijk – je zag er zo weinig van God in.

Maar Hij werd door God verlaten, opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden.
Ook niet als wij getroffen worden door een virus, of als elders het virus slachtoffers maakt.
Bekend met ziekte, zegt Jesaja 53, op zich genomen, gedragen,
dat betekent dat God zich ermee inlaat,
zich in risicogebied begeeft en zich niet in quarantaine begeeft om pas op te duiken
als alles voorbij is en de quarantaine is opgegeven omdat het gevaar voorbij is.
Nee, dat Christus de ziekten draagt, zoals hier voorspeld en in Mattheüs vervuld,
laat zien dat God komt, ook waar de ziekten van deze wereld zijn,
of het nu het coronavirus is of in de vluchtelingenkampen op Lesbos,
of het nu de ebola of malaria is, die in Afrika zoveel slachtoffers kan eisen.
Heeft God ons dan in de steek gelaten? In de crisis, in de diepte?
Bij de onzekerheid of we er ooit nog uit zullen komen en of er nog een leven is.
De Man van Smarten, die ook onze smarten droeg.
Maar daar in dat lijden is Hij niet zomaar, niet alleen maar solidair – dat ook!
Maar ook om het te dragen en weg te dragen, zoals Hij dat kruis wegdroeg buiten de stad.
Dan is het een lofzang, al begrijp je wellicht Gods wegen nog niet
en toch een lofzang, omdat je in je ziekzijn, in je lijden niet alleen bent, maar Hij er is
en Hij draagt, jou, u draagt en ook jouw ziekten draagt:
Onze ziekten heeft Hij op Zich genomen en ons leed heeft Hij gedragen.

kaarsinhand

Psalm 91

1. Wie thuis is bij de hoogste Heer

en schuilt in zijn ontferming,

die zegt: ‘Bij U leg ik mij neer,

mijn toevlucht, mijn bescherming.’

De vogelvanger spant zijn net,

de pest zal zich verbreiden –

maar over jou zal God, die redt,

zijn sterke vleugels spreiden.

2. De nacht beangstigt je niet meer,

de pijl zal je niet raken.

Al gaan verderf en dood tekeer,

ze kunnen je niets maken.

Al sneuvelt er een legioen

en moeten slechten buigen,

geen onheil zal jou schade doen,

jij bent slechts ooggetuige.

3. God is voor jou een toevluchtsoord;

Hij opent wijd zijn deuren.

De Allerhoogste geeft zijn woord

dat niets jou zal gebeuren.

Zijn engelen bewaren jou,

de HEER zal op je letten.

Zelfs leeuwen drijf je in het nauw

en adders zul je pletten.

4. God zegt: ‘Omdat jij mij bemint

zal Ik je trouw bewaren.

Ik luister als je roept, mijn kind,

sta naast je in gevaren.

Ik ben het die je vrijheid geeft

en jou met eer wil kronen.

Ik zorg ervoor dat je lang leeft,

mijn redding zal Ik tonen.’

De Nieuwe Psalmberijming

Als je psalm 91 leest liegen de gevaren die de dichter omschrijft er niet om. Hij heeft het onder andere over de dood, een plotselinge ziekte en demonische machten, waartegen een mens geen verweer heeft. Het is de harde, soms verschrikkelijke realiteit van het leven die we ook nu met het coronavirus beleven!

In psalm 91 worden alle pijn en moeiten uitgebreid benoemd en beschreven. En er staat dan niet: Wie gelooft in God, de Allerhoogste en de Almachtige, overkomt niets.

De hoofdlijn van deze psalm verzekert ons echter wel dat God ons in al die omstandigheden zal vasthouden en bij ons zal zijn. Het menselijk bestaan wordt altijd bedreigd door ziekte en dood. Maar je bent in zo’n onzeker, fragiel bestaan gezegend met de belofte van een schuilplaats hebt waar je veilig bent. En psalm 91 voegt daar aan toe: je bent dubbel gezegend als je het wonderlijke geheim kent van schuilen bij God. Als je de schuilplaats van de Allerhoogste kent. De schaduw van de Almachtige. Een schuilplaats is geen eindstation. Maar een plek waar je even op adem kunt komen. Waar je kunt bijtanken, moed kunt verzamelen. Kracht en rust kunt vinden om daarna je reis weer te kunnen vervolgen.

Toch geeft de woordkeuze van deze psalmverzen ook iets aan van een blijvende toestand: Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige. Zetelen, overnachten, blijvend je intrek nemen, ze geven iets weer van het geheim dat je ook als je de veilige tempel weer achter je moet laten blijvend kunt vertoeven in de schaduw van de Almachtige. In die schuilplaats mag je overnachten in de beschermende schaduw van de Heere God Zelf.

Dat is het beeld, dat past bij de vertrouwelijke omgang die we met God mogen beleven: ook al is Hij de Allerhoogste en de Almachtige, Hij voelt zich niet te groot voor ons en heeft zelfs een schuilplaats voor je. Gods geborgenheid, dankzij de verzoenende werking van Christus, onze Heer! God heeft een schuilplaats en daar past u ook in! Het vertrouwen dat uit deze psalm spreekt is niet dogmatisch, ook niet magisch, geen hocus pocus maar door en door relationeel. Door juist ook deze woorden te zeggen, te zingen spreekt je dit wonderlijke vertrouwen niet alleen uit maar vaak vooral ook ín: mijn toevlucht, mijn burcht, mijn God op wie ik vertrouw.

Dat geheim hebben kwetsbare, gelovige mensen in alle tijden opnieuw ontdekt en ervaren. Dat geen ziekten, machten, duivel of dood je kan scheiden van de liefde van God in Christus Jezus. Dat je in dit alles, hoe verdrietig, hier verschrikkelijk ook, meer dan overwinnaar kunt zijn dankzij hem die ons heeft liefgehad. Dat je blijvend kunt zetelen in de schuilplaats van de Allerhoogste, in wisselende omstandigheden kunt overnachten, vertoeven in de schaduw van de Almachtige.