Het is één van de grootste problemen die veel mensen ervaren tijdens deze coronacrisis: hoe houd ik afstand? Want dat is het dringende advies: Houd anderhalve meter afstand! We ervaren steeds meer afstand van veel dierbare medemensen, en de mens van oorsprong een sociaal wezen is dat behoefte heeft aan nabijheid. Die afstand kunnen mensen ook ervaren ten opzichte van God. Zeker in deze tijd. Hij is ver en hoog in de hemel. Afstand, verbijstering, verwijt. Waarom laat Hij dit alles toe! Het is een vaak gedeelde ervaring in de gemeente van nu. Afstand ervaren, ja tot elkaar en misschien daardoor ook tot God, minder beleving. ‘Ik beleef veel minder aan de dienst’. Maar je kunt ook los van de pandemie kun je geconfronteerd worden met je eigen moeheid om te geloven. Probeer die impasse voor je te zien. Iemand die merkt dat het niet meer werkt, die zichzelf ziet verharden. Dat is misschien een enkeling maar die heeft dan een signaalfunctie. Iemand die van zichzelf durft te zeggen: het is alsof er niets gebeurd is en alles is kwijt. Ik bid nog en ik hoor mezelf en tegelijk denk ik dat het niet helpt. Vroeger wel maar nu niet. Ik wen eraan, ik geniet nog van de kinderen in de kerk maar innerlijk word ik onbewogen, minder ontvankelijk. Die eenling toont misschien wat meer christenen vandaag ervaren. Waarom houdt God die als de Almachtige volop bezig is zich als de Genadige zo ver van mij, nu. Dat is spannend en het kan een valkuil zijn: opgaan in zelfbeklag, je hart toesluiten. Maar juist met Kerst komt deze God in Jezus naast ons staan. Hij bevrijdt van zonden, die geen fouten zijn maar een impasse waar je jezelf niet uit gelooft. Hij komt daarom zelf in een lichaam dat het onze is. Jezus is echt iets nieuws, iets onmogelijks (maagdelijke geboorte) voor mensen die met geen mogelijkheid nog bij God uitkomen. Dit is God. Immanuel. Het lichaam van Jezus is belangrijk. Hij brengt je op een lichamelijke manier bij de Vader. Zo mag dat iets los te maken, het verlangen naar een eerlijk leven aanwakkeren, een biecht die niet alleen oplucht maar die ons meer aan Christus verbindt. Zijn ogen op de mijne, zijn hart tegen het mijne aan. Zulke woorden mag je gebruiken omdat je ook met je lichaam Jezus Christus toebehoort? Jezus is de Bevrijder van zonden door zijn lichaam en bloed maar ook door de Geest die Hem geboren deed worden. Bevrijd zijn van zonden is vergeving hebben maar ook vrij zijn om nu, in dit heden, het goede te doen. Om een Jozef te zijn, die in een complexe realiteit doet wat zijn roeping is. Niet gemakkelijk, voor hem betekent het dat hij moet vertrekken, reizen, vluchten en een tijd in onthouding leven. Dat is gehoorzaamheid misschien ook voor ons nu. Dat je opgeroepen wordt het uit te houden met jezelf voor het aangezicht van God. Daarin blijven we adventsmensen. Mensen op weg, levend van verwachting!
Soms kan je een gevoel van somberheid bekruipen, als je het nieuws een beetje volgt. Coronadoden, gijzelingen, moord, corruptie geweld van allerlei aard. Het gaat maar door. Het ene slechte nieuws is nog niet gekomen of andere slecht nieuwsberichten staan al weer klaar. Crisis, problemen, tegenslagen, ze verdringen het goede en mooie dat er ook is zomaar naar de rand. En dat in de grote wereld, maar soms ook zo akelig dichtbij. De teleurstelling in je relatie, de lastige dingen op je werk, je gezondheid die zo ineens anders loopt. Je komt er niet los van. Een documentaire over oorlogsveteranen die voor de VN waren uitgezonden op missie kreeg als titel: oorlog in je hoofd. Deze mannen en vrouwen zijn teruggekeerd uit de strijd maar worden sindsdien geplaagd door PTSS: post traumatische stress stoornissen. Zij vieren weliswaar thuis kerst met geliefden rond de kerstboom. Maar in hun hoofd, hun hart, hun onderbewuste woedt de oorlog volop voort. Om moedeloos van te worden. We maken ons klaar om Kerst te vieren, maar is er sinds de komst van Jezus wel echt wat in deze wereld veranderd?
Je hoeft geen oorlogsveteraan te zijn om dit te herkennen. Die oorlog, die onvrede kun je tegenkomen in je eigen hart. De monnik en schrijver Anselm Grün schrijft ergens: we verlangen allemaal rusteloos naar iets, vooral naar rust, tevredenheid en acceptatie. Naar God dus. En, zegt Grün, steeds weer zoeken we onze eigenwaarde in bezit, geld, zekerheid, aandacht, erkenning, bewondering, seks, eer en macht. Maar, zegt hij, dat leidt tot ‘hebzucht, jaloezie, controledwang, geroddel, narcisme en geweld. Of altijd maar de lieve vrede willen bewaren. Of geen minuut zonder die smartphone kunnen. Eindeloos veel diploma’s willen halen. Altijd iets nuttigs willen doen. Door je werk geen tijd voor je gezin hebben. Voor alles een verzekering afsluiten. Piekeren over of je het wel goed genoeg doet.’ Aldus Grün
Wat zijn uw en mijn vijanden? Hebben wij vijanden? Van welke vijanden zouden we verlost willen worden? Misschien zegt iemand: voor zover ik weet heb ik geen vijanden en daar ben ik blij mee. In onze belevingswereld nu klinkt veelmeer de roep om verbinding. Het woord ‘verbinding’ is het woord, dat nu meteen referenties oproept, niet het woord vijandschap. Het woord ‘vijandschap’ lijkt ons terug te brengen in een wij-zij denken, waarvan de meeste mensen in het beschaafde Westen vinden, dat we daarvan af moeten.
Moeten we dan misschien veelmeer aan geestelijke machten denken, zoals vanouds de doodsvijanden, de duivel , de wereld en ons eigen vlees, beschreven werden. Of zouden we nog een andere kant op moeten denken: vijanden als samenvattend woord voor alle machten en krachten in de schepping en de geschiedenis, die het goede leven kapot willen maken? Dan komen we in onze tijd snel uit bij het Covid-19 virus. Vooral in het begin van de pandemie werd vaak oorlogsretoriek gebruikt om de strijd tegen dit virus aan te duiden. In de dagelijkse werkelijkheid hebben ook wij het er over, dat we samen het corona virus eronder zullen moeten krijgen. Maar wie hier publiek durft te spreken over een vijand waarvan we verlost moeten worden, wordt meewarig aangekeken of erger: ervan verdacht te behoren tot een gevaarlijke sekte. Dat geldt niet alleen het coronavirus. Wij moeten als mensen met en voor elkaar dingen oplossen: natuurwetenschap, medische wetenschap en techniek kunnen ons daarbij helpen. Ook de geesteswetenschappen, zoals psychologie en psychiatrie kunnen behulpzaam zijn. Het woord verlossen behoort tot het vocabulaire van de theologie, een wetenschap die buiten de christelijke bubbel geen enkele indruk lijkt te maken. Spreken wij niet vanuit een luxe positie? Wanneer wij het niet op een akkoordje willen gooien met de machten van het kwaad, krijgen we dan niet als vanzelf vijanden? Wanneer wij door het geloof, door de goede keuze te maken aan Gods kant komen te staan, dan begint de strijd allereerst al in ons eigen hart. ‘Het goede dat ik wil, doe ik niet, het kwade, dat ik niet wil, doe ik’. Vervolgens lopen we ook op tegen alles wat in strijd is met Gods wil in deze wereld: onrecht, vernietiging van Gods schepping, machtswellust, onderdrukking en al die andere dingen, waar onze wereld vol van is, vlakbij soms ook op ons werk, in onze kring van bekenden. Probeer er maar eens iets van te zeggen, probeer maar eens even het sluiten van compromissen te vermijden en je zult merken dat je vijanden hebt eer je er erg in hebt en soms helemaal in strijd met je vredelievende karakter.
Verkijk je dan niet op dat kind in de kribbe. Jezus Christus. Je eerste indruk is misschien: vertederend, schattig en een klein beetje zielig. Maar hier in de kribbe ligt iemand die als namen krijgt: Wonderbare Raadsman, Goddelijke held, Eeuwige vader, Vredevorst. Hij zal al snel deze kribbe en de doeken achter zich laten en op een heel eigen manier zijn heerschappij zichtbaar maken. Een vorst van de vrede zijn. Ja, vrede zal van zijn leven echt de kern zijn. Hij zal vrede mét God tot stand brengen en ook de vrede ván God realiseren.
Hij zal de strijd aanbinden met de diepere oorzaken van onze onvrede. De zonde die ons onze bestemming doet missen zal hij op zich nemen naar het kruis, het daar verzoenen en wegdragen. De boze machten die ons bezetten en binden. Ons van onze vreugde en vrede beroven zal hij onttronen en overwinnen.
Vrede op aarde, scanderen de engelen. Het Bijbelse woord vrede betekent meer dan afwezigheid van oorlog. Het Griekse woordje dat hier staat: ‘eirene’ gaat terug op het Hebreeuwse shalom. Het betekent zoiets als: op orde brengen, alles op zijn plaats zetten. Kerkvader Augustinus zei dat heel mooi: vrede is de kalmte die komt uit orde.
Vrede is daar waar evenwicht is, balans. Alle dingen de juiste plaats en proporties hebben. Deze vrede zorgt ervoor dat je als mens in al je relaties tot je volle bestemming mag komen. In verhouding tot God, tot jezelf en de ander. Hoor hoe de hemelse strijders het uitroepen. Eer aan God in de hoge, vrede op aarde. Eerst: eer aan God. En dan en op die manier ook: vrede.
We moeten het dit jaar ook zonder die typische kerstsfeer doen.
Dit jaar even niet met elkaar in een volgestopte kerk,
met lichtjes en een uitbundig Ere zij God.
Ook dat zal behoorlijk gemist worden.
Kerst is normaliter een feest van eensgezindheid en warmte,
maar nu zit iedereen ergens anders, in eigen huizen,
eigen bubbels, eigen zorgen.
We zijn verspreid en geestelijk is er ook verstrooiing.
‘Ik bespeur ook veel verlangen’,
zei één van de collega’s uit de werkgemeenschap van predikanten.
Dat herken ik wel.
Ook ik proef verlangen naar een betere tijd.
Verlangen naar de fysieke ontmoeting van de geloofsgemeenschap.
Verlangen ook naar gedeeld geloof, misschien?
Zou dat verlangen, hoe diffuus ook,
een aanknopingspunt bij Maria kunnen zijn?
Die verwachting komt dan tot klinken wanneer Maria gaat zingen.
Daarbij treedt Maria toe tot een rijtje zingende vrouwen in de Bijbel: Mirjam, Debora, Hanna, en Judith.
Het is belangrijk om hier oog voor te hebben,
want hieruit blijkt dat Maria’s lied niet voortkomt
uit haar persoonlijke gemoedstoestand of bevinding.
Het gaat om het juiste perspectief.
God heeft niet zozeer een rol gekregen in Maria’s leven,
maar Maria heeft een rol gekregen in Gods plan met Israël.
Maria zingt mee in het koor van de verdrukten.
Haar Magnificat is een regelrecht protestlied.
Alles wordt op losse schroeven gezet en omgekeerd.
Dat ‘alles’ heeft vooral betrekking op macht en vermogen,
politiek en economie. God neigt naar berooide mensen.
In dit lied, dit gebed kiest Maria positie voor de vromen,
de nederigen en de hongerigen.
De gelovige staat samen met berooide mens tegenover de hoogmoedigen, de machtigen en de rijken.
Het jaar 2020 was een jaar van verstrooiing en versloffing.
We zijn moe en snakken naar de aanraking van boven,
want die ervaren we minder nu de volle kerk ontbreekt,
nu we geen daverend slot– of morgenlied zingen.
God kan ver weg voelen en we verlangen nu juist Zijn nabijheid.
Maar dit verlangen – als we het hebben – vraagt om gebed,
en veel spirituele toewijding.
Het evangelie komt niet zomaar ons leven binnenfietsen.
Er moet wel plek zijn om te landen.
Geloven wij wel werkelijk dat God zich in ons leven zal melden
als wij ons net als Maria toeleggen op het gebed?
In het spoor van kerkvader Augustinus kun je zeggen
dat mensen niet gevormd worden door kennis, maar door verlangen.
Niet ‘wat wij weten’ vormt en verandert ons, maar wat wij liefhebben.
Niet het hoofd, maar het hart maakt wie wij zijn.
Maria zingt in het koor van de verdrukten.
Wie hoog en droog zit, valt naar beneden, en wie laag
bij de grond stond, wordt verhoogd.
Dat is heel radicaal en bij Lucas is armoede ook echt armoede.
Ik denk dat het goed is om het appel van Maria’s protestlied te laten staan: ‘Wees maar niet al te verknocht aan je mooie, geïsoleerde huis met visgraatvloer, want God keert alles om.’
Hoe ik deze tijd beleef? Ik ervaar wat denk ik iedereen van ons ervaart. Een verlangen naar verlossing. Verlost te worden van de angst op besmettingen en van protocollen die alle spontaniteit noodgedwongen wegdrukken. Verlost te worden van de constante stroom aan berichten over besmettingen, ziekenhuisopnames, overlijdens, maatregelen en overtredingen. Verlost te worden van de eenzaamheid. Verlost te worden van het afstand houden. Verlost te worden van een kerk waarin je maar een beperkt aantal mensen ziet en niet mag zingen. Het valt me op hoe vatbaar wij mensen zijn, ook wij kerkmensen. Vatbaar voor berichten over nepverlossing. Vatbaar voor complotdenken, ook in de kerk. Ook mensen die hoogopgeleid zijn, een prima baan hebben en een fijn sociaal netwerk. Ze hebben grootste kritiek op de regering, op de maatregelen, op nieuwe vaccins en ontwikkelaars daarvan. Ze prediken een ‘verlossing’, nog met een christelijk sausje ook.
Maar wat is de boodschap die verlost? Deze weken en deze dagen staan bol van gesprekken over Kerst: hoe gaan we Kerst vieren? Hoeveel mensen mogen aanschuiven bij het Kerstdiner? De gesprekken domineren persconferenties en talkshows. En ik begrijp het, maar ervaar het ook als bevreemdend, nog meer dan vorige jaren. Wat me opvalt is dat ik weinig hoor over Advent. Oftewel: we willen snel doorspoelen, fast forward, naar ‘verlossing’ zonder eerst de tijd te beleven van wachten, stil worden, inkeer, en voorbereiding. Misschien omdat we denken dat we die al ruimschoots hebben gehad als samenleving. Toch wordt het geen Kerst zonder Advent. Geen feest zonder wachten, stil worden voor God en inkeer, en vergeving vragen voor wat scheef zit.
In het begin van de coronacrisis las ik een reactie op de situatie waar we in verkeren. Bisschop Steven Charleston schreef: ‘Nu is de tijd waarvoor ons geloof ons heeft voorbereid. Nu is het moment dat we alles wat we geloven, kunnen inzetten. (..) we zijn niet bang voor deze crisis want we zijn erop voorbereid. We hebben ons leven gewijd aan het geloof dat er iets is dat groter is dan angst en ziekte. We hebben geleerd en gebeden en zijn gegroeid in de Geest. Nu kunnen we in de praktijk brengen wat we geloven. Onze mensen hebben hoop nodig, vertrouwen, moed en compassie. Precies de dingen waar wij voor zijn getraind. Wij zijn de kalmte middenin de storm. Dus laat je licht schijnen zodat andere mensen het zien en ook vertrouwen krijgen.’ Toen ik het voor het eerst las vond ik het mooi. Het sprak me aan, want het is positief; het is hoopgevend. En dat hebben we nodig, juist nu.
Als je het Bijbelse verhaal van Zacharias uit Lukas 1 er naast legt wordt je is echter ontnuchterd. Daar aan moest ik denken bij de reactie van Charleston op de crisis. Zacharias behoorde tot de priesterorde. Hij was zijn leven lang betrokken op de dienst aan God. Je zou kunnen zeggen dat hij zijn leven lang had uitgekeken naar dit moment om dient te doen in de tempel, en het reukoffer te brengen. Dat hij zijn leven lang juist hierop voorbereid was. Maar op wat er dan gebeurt is hij juist niet voorbereid. Hij hapt naar adem. Hij kan de boodschap niet geloven. Hij wordt met stomheid geslagen. En na zijn tempeldienst zou hij buiten het volk de zegen geven. Na het moment van het reukoffer brengen, het andere moment suprême van zijn tempeldienst. Als er één moment is waarop hij zou moeten spreken, dan hier wel. En hij kan het niet. Hij, die zo was voorbereid.
Dat wij als gelovigen dus voorbereid zijn op de huidige crisis, dat wij erop getraind zijn, dat wij het nu in praktijk kunnen brengen. Dat wij de kalmte zijn in de storm. Dat is nogal een uitspraak. Ik vraag het me af of het waar is. Zacharias beleeft het grote moment waarop hij gewacht heeft, hij al die jaren voor klaargestoomd was. En dan… je valt door de mand… Is het erg dat we door de mand vallen? Nee, want juist dán komt het evangelie. Juist dan blijkt waar onze kracht vandaan komt. Juist dan blijkt wie werkelijk het verlossende woord spreekt: de gezant van God en daarmee God Zelf, niet ik.