juli 2021


De afgelopen weken werd er in de kerkdiensten
volop gebeden voor Peter R. de Vries.
Eerst om zijn genezing, later voor zijn familie.
In veel kerken zal na zijn dood ook voor zijn ziel zijn gebeden.
Mensen spiegelen zich aan elkaar.
Wij kunnen ons indenken in de schoenen van een ander te staan.
Dat is een menselijk vermogen.
Misschien kun je wel zeggen: dat máákt ons menselijk.
We kijken bij elkaar de kunst van het leven af.
Wie je bent, wat je vindt, hoe je moet leven,
het zijn allemaal zaken die we niet uit ons zelf opdiepen,
maar die je gaandeweg en met vallen en opstaan eigen maakt,
door je te oriënteren aan anderen. Niemand vaart alleen op eigen kompas. We zoeken richting bij elkaar.
Hoeveel van ons gedrag wordt niet bepaald door de vraag:
wat zou een ander daarvan vinden?
Waarbij die ander dan allerlei invullingen kan krijgen:
van je buurman tot je moeder, of je vader, ook al leven ze al lang niet meer, tot een persoon als Peter R. de Vries aan toe.

‘Peter R. de Vries was een iconisch figuur.’ zo zei één van de rouwenden, bij het herdenkingsmoment in Carré over hem.
‘Een onvermoeibaar strijder voor gerechtigheid.
Iemand die opkwam voor mensen waar niet meer naar werd omgekeken. Een moedig mens met een hart van goud’
‘Een heilige met messiaanse trekken is van ons heengegaan.’
waren enkele andere reacties.

Dat wij in ons rouwvertoon zo’n status aan hem toekennen,
zegt natuurlijk niet alleen iets over Peter R. De Vries.
Het zegt ook iets over ons verlangen.
Geseculariseerd als wij zijn
hebben wij blijkbaar toch een onuitroeibaar verlangen naar heiligen
die voor ons een weg bereiden.
Deze moderne ridders leggen het ongenoegen bloot
dat blijkbaar diep in de samenleving huist.
Dat vertegenwoordigers van de overheid en haar diensten schouderophalend zeggen: wij doen niets meer voor u.
Hun heiligheid als ‘der hulpelozen hulp’
staat in schril contrast met de onpersoonlijke onverschilligheid
van gerationaliseerde overheidsfunctionarissen.
In de cultus rond De Vries
uit een verweesde samenleving het verlangen
naar een overheid die zorgvuldig is, die recht doet,
dienstbaar en betrokken.

Christenen moeten oppassen met zo’n heiligencultus.
We kunnen er zo door meegesleurd worden.
Heilig verklaren is maar al te gauw mensenwerk.
Oriënteer je je liever aan Jezus, aan zijn levensweg.
En je zult in zijn spoor jouw eigen weg vinden.
Want als je nu de kunst van het leven wilt leren,
als je ergens de wijsheid kunt vinden om een goed leven te leiden,
moet je je spiegelen aan Jezus.
Als je wilt weten wat het ware leven is, moet je kijken naar Hem.
Als je je leven meer wil laten zijn
dan een stomme aaneenschakeling van dingen die je overkomen,
als je bewust, zelf, zoekt naar wat dan de kunst van het leven is,
kijk dan naar Jezus. Spiegel je aan hem.

Wij mensen kijken bij elkaar het leven af.
We leren hoe te leven door wat we meekrijgen van onze ouders,
van onze omgeving, we leren door te imiteren,
ons te spiegelen aan illustere voorbeelden, zoals een Peter R. de Vries. Mens zijn moet je leren.
Dat geldt ook voor het geloof. Niemand is van nature christen.
Maar als mens leer je steeds meer christen te wórden,
aan en door het beeld van Jezus zelf.
Zo mogen we ook zelf als beelddragers van God,
een iconische kwaliteit verkrijgen.
Dan kunnen mensen in hun beste ogenblikken voor elkaar worden, vensters tot op God, in Jezus’ naam.
Een levenslang leerproces.

De coronacrisis zie ik niet als een straf van God
maar wel als een alarmbel
die ons dwingt om over onze manier van leven na te denken,
naast al het lijden en verdriet dat deze epidemie teweegbrengt.
Het is een beslissende tijd die vraagt om radicaal andere keuzes
en – met een wat ouderwets woord – om bekering.
We worden bij de arm genomen
om na te denken over wat nu echt van waarde is in ons leven
en hoe wij omgaan met wat ons het meest lief is.
Wat lang als een vanzelfsprekendheid werd ervaren,
blijkt nu opeens heel kwetsbaar.
En datgene waar we ontzettend veel waarde aan hechtten
– een goede baan, een meeslepend leven, geld, aanzien –
lijkt nu opeens als los zand door ons vingers te glippen.
Juist op zo’n moment staan we voor de keuze
om de deur open te zetten en God in ons leven binnen te vragen.
In plaats van je af te vragen ‘hoe radicaal moet ik zijn als christen?’
stel ik voor dat we tegen elkaar zeggen: laten we radicaal zijn.
Geworteld in Gods Vaderliefde.
Stop met radicaal zijn vanuit een idee van de hemel verdienen
of vanuit angst voor de hel.
Radicaal word je door je zicht op Gods Vaderliefde.
Die liefde is de wortel van alles.
Het fundament voor je leven als christen, de grond waarop je staat.
Het is de oorsprong van alles en de geboorteplaats van je nieuwe leven.                                                                  Iemand die heel radicaal was is de apostel Paulus.
Hij maakt de radicale keuze om zijn leven compleet
in dienst te stellen van de verkondiging van het evangelie.
Weet je hoe Paulus zo radicaal is geworden?
Door de ontmoeting met Jezus op de weg naar Damascus.
Door de enorme, de overweldigende Vaderliefde
die Hij daarin ondervonden heeft.
Dat maakte Paulus bereid de aller diepste consequentie
van zijn christen zijn te ondergaan: sterven omwille van Christus.
En het was ook Christus zelf die zijn radicale gehoorzaamheid ontleende aan de liefde van zijn Vader.                      Jezus’ radicale gehoorzaamheid
wordt beschreven in Filippenzen 2:8:
‘als mens verschenen heeft hij zich vernederd
en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis.’
Ook Christus zelf ontleende zijn radicale gehoorzaamheid
aan de liefde van zijn Vader.
Die liefde van de Vader kende Hij zo goed, zo diep, zo van binnen uit,
zo van eeuwigheid af.
Vaders Geest maakte Hem bereid de uiterste consequentie te ondergaan:                                                              sterven, omwille van de mens.                                                                                                                                      Liefde maakt radicaal.                                                                                                                                                    Alleen liefde.
Deze tijd doet me meer dan ooit inzien
dat wanneer ik angstig of onrustig word,
ik me tot Hem moet richten in gebed.
Ik sta nog meer stil bij alles dan ervoor.

Als we voor Jezus kiezen, dan is dat niet zomaar iets.
Niet iets dat je doet in je vrije tijd of als je er zin in hebt.
Het is een ongewis avontuur. Het vraagt om een focus.
Je leven staat daar in dienst van.
Met scherpe woorden roept Jezus ons daartoe op:
‘Weet wat je doet als je voor mij kiest.’
Trouw zijn aan God gaat soms tegen de wereld in,
soms zelfs tegen je eigen familie of tegen je eigenbelang.
Het is geen gemakkelijke weg: je moet je kruis dragen.
Anderen verklaren je voor gek.
Want niet bouwen op mensen maar op God
is in onze tijd een vreemd fenomeen. We hebben de tijd niet mee.
De wetenschap komt met grootse inzichten,
terwijl religie als gevaarlijk wordt gezien.
De Kerk is regelmatig in opspraak.
Geloof wordt beschouwd als achterhaald.
We leren vooral in ons zelf geloven.

Iets van wat het betekent om te geloven
en dus achter Christus aan te gaan
laat Jezus nu zien in de woorden die Hij spreekt,
niet alleen tot Petrus maar tot alle discipelen en zo ook tot ons.
‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen,
zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen.’

‘Zelfverloochening’ betekent dat je nee zegt
tegen je eigen wil en nee tegen je eigen verlangens
en nee tegen je eigen dromen.
Want die eigen wil en die eigen verlangens
en die eigen dromen zijn op jezelf gericht.
Je wilt eer en geld en een plaats vooraan in de rij,
niet om er een ander blij mee te maken,
niet om God ermee te dienen maar om er zelf beter van te worden.
En dat zit er bij ons allemaal diep in.
Het is zo moeilijk om jezelf opzij te zetten voor een ander.
Het is zo moeilijk om iets van je tijd of je aandacht af te staan.
Het is zo moeilijk om te geven als je ook ontvangen kunt.
Maar als je achter Christus aangaat,
dan wordt dat een weg van zelfverloochening.
En op die weg zal er steeds weer een gebed klinken,
een gebed om het leren van de zelfverloochening :

Heer, laat mij leren,
niet om getroost te worden,
maar om te troosten.
Niet om begrepen te worden,
maar om te begrijpen.
Niet om geliefd te worden,
maar om lief te hebben.

(Franciscus van Assisi)

Zelfverloochening betekent: er zijn voor God en voor de naaste
en daarom je eigen verlangens opzij zetten.
En zo volg je Christus na: Zijn leven was één grote Zelfverloochening.
Hij zette Zichzelf opzij om ons bij God terug te brengen.
Hij heeft van Zichzelf afgezien om Zich over ons te ontfermen.

En die navolging omvat ook het kruisdragen.
‘Neem je kruis op’ zegt Jezus.
Dat is misschien wel een wat al te bekende uitdrukking geworden
die daarom geen indruk meer maakt.
Maar voor de discipelen was dat nog anders.
Kruis dragen betekende toen nog iets dat je heel concreet voor je kon zien.                                                                    Een veroordeelde misdadiger is op weg naar zijn terechtstelling.
Zelf draagt hij op zijn schouders het kruis waaraan hij straks zal sterven.                                                                    Rondom hem is er een grote menigte van mensen.
En die mensen staan maar niet wat te kijken,
nee, die schreeuwen en brullen en schelden en vloeken.
Kruisdragen is een verschrikkelijk vernedering:
de kruisdrager wordt uit de samenleving gestoten, uitgespuugd, weggegooid als een stuk vuil in de container.

Maar dat kruisdragen van Christus maken we niet mee.
Waar waar zien wij in ons eigen leven
de realiteit van het kruisdragen terug?
Dat zien we daar waar we heel concreet ondervinden
dat geloven ook pijn doet
en dat Christus navolgen ook diep verdriet met zich meebrengt.
En dat is voor ieder weer anders.
Kruisdragen, ja je kunt het proberen te ontlopen
door bijvoorbeeld God vaarwel te zeggen:
als je niet langer gelooft kan geloven immers ook geen pijn meer doen.
Je kunt dat kruisdragen ontlopen door bijvoorbeeld twijfel goed te praten: `daar doen wij niet moeilijk over’.
Je kunt dat kruisdragen ontlopen door bijvoorbeeld zonde
niet langer zonde te noemen. Dan is de strijd uit je leven weg.
Dan is het kruis uit je leven weg. Dan is Christus uit je leven weg.
De Christus die je voorging in het kruisdragen en die je verloste,
niet van het kruis, wel van de eeuwige dood.
Of wat deed Petrus deed toen hij tegen Jezus zei:
‘Dat verhoede God, Here! Dat zal U geenszins overkomen’?
Hij schopte het kruis aan de kant.
Misschien is het begrip ‘kruisdragen’ wel per definitie bedoeld
om de kloof tussen geloven en leven te signaleren
en behoort zo’n woord onrustig te maken,
zodat wij gedwongen worden onze veilige levensinstelling te verlaten
en met ons onrustige hart rust te zoeken bij God zelf.
Want het zit in ons allemaal:
het kruis aan de kant schoppen om het niet te hoeven dragen.
Dan wordt het leven een stuk gemakkelijker,
maar het loopt uit op de dood.
En juist dat hoeft niet omdat Christus die dood is ingegaan in onze plaats. En door zijn opstanding ontvangen wij de kracht om ons kruis te dragen.

Want als je je kruis draagt, zul je merken dat het kruis jou draagt
(Thomas à Kempis).

Wat zou jij willen?
Verlang jij naar een aarde die niet steeds meer kapot gaat, maar die heel is.                                                            Verlang jij ernaar dat mensen op aarde in vrede met elkaar leven?
Dat er geen oorlog en terreur meer is?
Zou jij graag weer mens willen zijn op de manier
waarvoor God mensen oorspronkelijk gemaakt heeft?
Wil je vol worden van de Geest van God?
Zodat God ook jou daarvoor kan gebruiken?

Maar hoe kun je die Geest van God krijgen?
De inwoners van Jeruzalem zien Jezus’ leerlingen
die vol zijn van Gods Geest.
En zij dan?
De profeet Joël beloofde ooit toch ook                                                                                                                            dat God zijn Geest zou uitgieten over heel het volk?

Petrus legt uit hoe mensen de Geest van God kunnen krijgen.
Wil jij door de Geest van God meewerken met God
in zijn goede zorg voor de aarde en de mensen die daarop wonen?
Ga dan naar Jezus toe. Jezus is de Zoon van God.
Jezus is vol van Gods Geest. Jezus is geen verleden tijd.
Hij is wel gekruisigd en gestorven en begraven.
De inwoners van Jeruzalem hebben daar zelf aan bijgedragen.
Maar God heeft Jezus opgewekt uit de dood.
God heeft daarna Jezus laten plaatsnemen naast zichzelf op Gods troon. God heeft aan Jezus de heilige Geest gegeven.
Niemand anders dan Jezus heeft de Geest van God op ons uitgegoten.

Petrus wijst de weg.
De weg die hij hen wijst is dezelfde weg die Joël aan de mensen wees.
Dit is de weg om Gods Geest te ontvangen: Keer om! Ga terug naar God. Als je met berouw bij God komt
en graag weer met God op aarde wilt leven,
dan zal God je dat leven volop geven.

Joël riep zijn volksgenoten tot omkeer: Keer terug tot de Heer jullie God. Alleen bij Hem vind je leven. Hij heeft de aarde gemaakt.
Hij maakte de aarde voor de mens om daar op te wonen.
Om het goed te hebben. Om te genieten van God.
Om te genieten van al Gods gaven.
Om daar als Gods mensen sámen van te genieten. Dat is het echte leven. Als je dat wilt, keer dan terug naar God.
Alleen Hij kan dat leven aan jullie geven.

Weet je nog van de nieuwe schepping, de nieuwe aarde, nieuwe mensen? Is dat geen toekomstmuziek?
Het is waar: de hemel op aarde is er nu nog niet. Dat komt nog.
Als Jezus terugkomt.
Maar in alles wat gebroken is wil God nu al iets daarvan laten zien.
De oude klanken van het paradijs waar alles goed was.
De nieuwe klanken van de nieuwe aarde.
Dat nieuwe leven wil God laten zien door jou en mij.
Als je naar Jezus gaat en je vraagt Hem om de Geest van God,
dan gaat Hij je dat leren.

Kijk maar naar de inwoners van Jeruzalem.
Rond de 3000 mensen vertrouwen zich toe aan Jezus.
Ze laten zich overschrijven op zijn Naam.
Ze ontvangen de heilige Geest. Ze horen bij de groep leerlingen van Jezus. Dit is wat hen kenmerkt:
1 Ze blijven trouw aan het onderricht van de apostelen.
Over Jezus die voor ons is gestorven en voor ons is opgestaan uit de dood.                                                                      2 Ze vormen met elkaar een hechte groep.
Ze zorgen voor elkaar en nemen het op voor elkaar.
3 Ze breken het brood. Ze vieren trouw het heilig avondmaal.
Om hun Heer Jezus Christus in zijn zelfovergave voor hen te gedenken.
4 Ze wijden zich aan het aanbidden van God de Vader en Jezus zijn Zoon.

De kring van Jezus groeide snel.
Er werd overal over hen gepraat.
Er waren veel waarderende opmerkingen:
‘Die mensen van Jezus, die gaan tenminste ergens voor.
Ze hebben toekomst in huis.’

Veel mensen zeggen: elk mens heeft een kiem van geloof, een klein begin. Dat kleine begin heeft de Heilige Geest buiten de Bijbel om
in het hart van elk mens gelegd.
Door de verkondiging wordt die kiem tot leven gewekt.
Ik zie dat echter anders: God breekt ons hart open.
Theologisch gezegd: God werkt het verstand in ons hart.
Het geloof is niet alleen een zaak van verstand,
maar raakt ons hart, ons diepste zelf.
Terwijl in heel de maatschappij wordt geleerd
dat je leven een
project is wat je zelf vorm moet zien te geven,
wat je naar je eigen voorkeuren en passies mag invullen…,
waar je iets van moet maken waar je trots op kunt zijn,
waar je van kunt genieten…,
leert Jezus ons om ons leven te zien als een offer, een geschenk voor God. Je leeft allereerst voor Hem.
Kijk zo naar je eigen leven.
Probeer niet het ene met het andere te combineren:
zoiets als: mijn leven als mijn eigen project,
waarin ik dan ook nog wat offer aan God?
Ik merk ook bij mijzelf dat ik het soms zo lastig vind
als al die mensen om me heen gewoon bezig zijn
met hun eigen leven en hun eigen idealen
– van een mooi huisje tot een glansrijke carrière,
een uitgegroeide hobby, of gewoon allerlei leuke dingen doen,
wat leuks van het leven te maken – om dan toch zelf te zeggen:
‘maar ik kies eerst voor God.
Ik wil Hem grootmaken met mijn leven, dat is het allerbelangrijkste.
Ik buig niet om, ja, ik buig alleen voor God.’

Thomas a Kempis zei het – met hele oude woorden – eens als volgt:
Vol vertrouwen op uw goedheid, Heer,
en uw grote barmhartigheid kom ik tot U,
een zieke bij zijn arts, een hongerige
en dorstige bij de bronnen van het leven,
een bezitloze bij de koning van de hemel, een dienaar bij zijn Heer,
een schepsel bij zijn schepper, een ontredderd mens bij zijn milde trooster. Maar hoe bestaat het dat U tot mij komt?
Wie ben ik, dat U uzelf aan mij geeft?
Hoe waagt een zondaar het voor U te verschijnen?
En U, hoe verwaardigt U zich tot een zondaar te komen?
U kent uw dienaar en weet dat er niets goeds in hem steekt
en dat er geen enkele reden is om hem dit te geven.
Ik belijd dus mijn nietswaardigheid, ik erken uw goedheid,
ik prijs uw mildheid en breng U dank om uw grote liefde.