juni 2023


‘En toen Barnabas daar gekomen was en de genade van God zag,
werd hij verblijd en spoorde hij hen allen aan
om met een hartelijk voornemen bij de Heer te blijven.’
(Handelingen 11,23)

 

Hoe kijk je naar de dingen, de situaties, de mensen die je tegenkomt?

En welke woorden geef je eraan?

Barnabas heeft daarin een heel eigen stijl.

 

In Handelingen 11 lezen hoe het christendom zich verspreidt

vanuit Jeruzalem naar onder meer de stad Antiochië.

Daar ontstaat een gemeenschap van gelovigen

waaronder ook mensen met een niet-Joodse achtergrond.

Deze geruchten bereiken de moedergemeente in Jeruzalem.

Daar bevinden zich ook alle apostelen

die zelf met Jezus zijn opgetrokken en door Hem zijn aangesteld.

En vanuit het hoofdkwartier van de kerk

wordt iemand naar Antiochië gestuurd

om eens poolshoogte te namen en te zien wat daar gaande is.

 

En de man die gestuurd wordt is Barnabas.

Zelf is hij een Leviet, houdt zich strikt aan de wetten.

En dan ziet hij daar in Antiochië voor het eerst van zijn leven

niet-Joden, onbesnedenen, die zich laten dopen,

die Jezus willen volgen, een gemeente vormen.

Het ziet er allemaal zo anders uit, zo niet vertrouwd.

En je kunt je helemaal voorstellen dat bij Barnabas alle alarmbellen afgaan.

Dit is allemaal zo niet kosher, zo niet hoe hij het gewend is.

Hij had ze tot de orde kunnen roepen en

uit kunnen leggen hoe we dat in Jeruzalem doen.

Hij had kunnen wijzen op het hellend vlak.

Jullie weten toch:

van het een komt het ander en waar zal dit allemaal toch toe leiden.

 

Misschien kunnen we ons eens spiegelen aan iemand als Barnabas.

In hoeverre kijken wij op deze manier?

Zijn wij in de ander op zoek naar sporen van genade?

Kunnen wij ook oprecht blij zijn als we iets waarnemen van genade bij de ander?

En: durven we dat dan ook als zodanig te benoemen?

 

We leven in een tijd van secularisatie

waarin veel van wat te maken heeft met geloof

en God wordt verdrongen naar de marge van de samenleving.

Geloof wordt steeds meer gezien als iets wat thuishoort in de privésfeer.

Het gevolg er van kan zijn dat je je ontwent

om op een geestelijke manier naar de dingen te kijken

en op een geestelijke wijze erover te spreken.

 

Wat zeg je tegen elkaar in de gemeente: Succes? Zet hem op? Of: zegen van God.

Als je diep wordt aangesproken door woorden van God, zeg je:

fijne dienst, mooie preek, wat een spreker is dat.

Of: ik denk dat de Heer me vandaag iets wilde duidelijk maken.

 

Hoe vertel je over je genezing? Wat kunnen ze tegenwoordig toch veel hé?

Ja, ik ben echt een bijtertje, mij krijgen ze niet klein.

Of: het is de Heer die mij draagt, en heelt en geneest.

Slaan we elkaar bemoedigend op de schouder

of durven we ook eens de ander een hand op het hoofd om hem, haar

te zegenen in de naam van Jezus?

Zeg je tegen iemand die je de vrede van God brengt:

bedankt voor je bezoek, een beetje aandacht doet goed.

Of: ik heb in jou vandaag iets van Jezus gezien.

 

‘We leven niet in een tijdperk van verandering,

maar beleven de verandering van een tijdperk’, zegt paus Franciscus.

Daarbij veranderen ook de vormen van religie

en hun rol in de afzonderlijke samenlevingen en culturen.

De secularisatie heeft niet het einde van de religie gebracht,

maar een transformatie.

Terwijl sommige vormen van religie heftig door elkaar worden geschud,

zijn andere zo vitaal dat ze zich juist uitbreiden, over hun eerder grenzen heen.

Traditionele religieuze instellingen hebben hun monopolie op religie verloren.

In de geschiedenis openbaart God zich in het geloof,

de liefde en de hoop van mensen, ook van mensen in de marge van de kerken

en buiten de zichtbare grenzen daarvan.

De zoektocht naar God ‘in alle dingen’ en in alle historische situaties

bevrijdt ons leven van een ik-gerichtheid en leidt ons naar een openheid.

Hierin zie ik een teken van de tijd, een licht van hoop, zelfs in moeilijke tijden.

 

Deze wereld heeft en houdt Barnabassen nodig.

Mensen in wie de Geest van God woont en werkt.

Mensen die door de dingen heen kunnen kijken

en zien waar God zijn werk aan het doen is.

En die dat ook bij anderen opmerken, benoemen en versterken.

Je bent een gezegend mens als je iets hebt van Barnabas.

Dat als mensen jou ontmoeten en meemaken

ze zich gezien voelen en gekend, bemoedigd, versterkt.

En we zo bij elkaar verlangen oproepen

om samen nog veel meer te gaan zien en meemaken

van de genade en glorie van onze God.

 

Van toen af trokken velen van Zijn discipelen zich terug en gingen niet meer met Hem mee.
Jezus dan zei tegen de twaalf: Wilt u ook niet weggaan?
Johannes 6,66-67

De deur dichtslaan doen mensen die niet meer geloven, niet meer hopen.
Die gooien de deur dicht en gaan op z’n best naar het Museumplein of naar het Malieveld.
De vanzelfsprekende van het doorgeven van het geloof is,
zeker in een geseculariseerde maatschappij zoals de onze, verleden tijd.
Het geloof wordt, onder invloed van de verlichting,
tegenwoordig vooral gezien als een geheel van opvattingen
die sterk betwistbaar en bijzonder onwaarschijnlijk zijn,
in elk geval inferieur aan de wetenschap.
Tegelijk neemt de afkalving van religieuze praktijken
en van een hecht christelijk gemeenschapsleven dramatische proporties aan.
De moderne apologetiek
lijkt aan deze situatie niet echt iets te kunnen veranderen.
Integendeel, zij lijkt zelf onderdeel van de negatieve context en ontwikkeling.
Zij lijkt in elk geval, samen met het geloof, maatschappelijk irrelevant te worden.
Maar dat is paradoxaal genoeg ook het geval met het atheïsme,
dat eveneens in ongenade is gevallen.
We zijn collectief als het ware ‘voorbij geloof en ongeloof’:
ook al is vooral geloven helemaal not done.
Moeten gelovigen in deze situatie dan niet radicaal om gekeerde beweging maken
en terug (hun) geloof als vertrouwvolle manier van leven omarmen en verdiepen?
Eens startte de gemeente start klein. Werd zelfs vervolgd. Maar Jezus wint het tot in Rome.
Wat is dan de kracht?
Juist in deze tijd van Jezus’ schijnbare afwezigheid valt het op als iemand tot geloof komt.
Of op een andere manier wordt iemand onverwacht geraakt door Jezus.
Het gebeurt. Wat is dat een onvoorstelbare kracht. Dat komt echt uit het niets.
Efeze 1 vergelijkt het met de kracht van de opstanding van Jezus.
Je staat stomverbaasd te kijken. Jezus geeft het. God is er, Hij is betrouwbaar.

Wat dat betreft is deze tijd juist echt een heel hoopvolle tijd.
Je hebt in onze snelle cultuur een tegenbeweging van slow: bijvoorbeeld slowfood
In plaats van de snelle hap neem je de tijd voor je maaltijd.
Zo doet Jezus vandaag ook. Slow-believe;
dat leert Jezus ons.
Kijk in het detail van je leven. Merk jij dat Jezus er is?
In een situatie dat je zoveel ellende meemaakt,
merk je op: mensen staan echt om me heen. Ik word niet losgelaten.
Dan vergroot misschien ook de mogelijkheid van een eigentijdse reflectie.
Je wordt niet losgelaten

In de boeken van de profeten lijkt het heel normaal

dat ze de stem van God horen en vervolgens doen wat hun gezegd wordt.

Je kunt je afvragen:

sprak God alleen in die dagen tot mensen

en is dat op een gegeven moment opgehouden?

Of verkondigt een profeet zijn eigen visie en probeert hij die gezag te geven

door het een woord van God te noemen.

In de profetische boeken staat het duidelijk:

de profeet treedt op in naam van de Levende.

Ze zijn niet blij met die zending.

Voor alle profeten geldt dat ze met grote moeite en oprechte tegenzin het woord nemen.

Ze zijn niet uit op aanzien en erkenning, ze zijn niet voldaan over wat ze gezegd hebben,

ze gaan gebukt onder hun boodschap.

Ze worstelen met de grote vragen van het leven.

Vragen van lijden, pijn, onrecht en geweld.

Men roept het naar de Heer.

Waarom gebeurt dit Heer? Waarom handelt U zo, God?

Wat is hiervan de bedoeling?

Dit past toch niet bij U, die de Rechtvaardige en Liefdevolle bent?

Waar bent U, Heer? Het zijn grote vragen.

Geboren in verbijstering. Geboren in verdriet. Geboren in bewogenheid.

Bij mensen die getuige zijn van het kwaad.

Het maakt mensen boos. Soms bang. Of bezorgd.

Habakuk bijvoorbeeld roept het naar God.

En zegt dan: ‘Ik ga op mijn wachtpost staan.

Ik ga uitkijken naar het antwoord van de Heer.’

En hij kreeg antwoord. Een Godswoord.

‘Onrecht gaat te gronde, maar de rechtvaardige zal leven door zijn geloof.’

Is het een antwoord op onze vragen? Ja toch wel! Geloof betekent leven!

Dat is Gods reactie. Op bidders, smekers, klagers en huilers.

Daarmee worden de emoties niet gedempt.

Maar klinkt er tegelijk een ander geluid. Een andere stem. Een Godswoord.

Dat licht geeft in het donker.

De weg wijst in de verwarring.

Rust brengt in de worsteling.

Nee, nog steeds weten we niet waarom er zoveel onrecht en lijden is.

Nog steeds begrijpen we niet

waarom er zoveel pijn en spanning moet zijn.

Maar wel weten we: Gods recht zal zegevieren.

Jezus Christus nam het op zich. Hij bracht vrede, het herstel van Gods recht.

En ieder die gelooft, zal leven. LEVEN!

Van dit Godswoord staat de definitieve vervulling nog open.

Zeker als het gaat over de verwijdering van het kwaad.

Maar dit woord over later is een woord voor nu en hier.

Voor al Gods kinderen, die willen weten waar de Heer is.

Hoe God tegen de wereld aankijkt. Wat Hij gaat doen.

God opent de toekomst. In Jezus Christus.

In Hem ontvangen mensen het eeuwig leven.

Door zijn dood heeft Hij de vrede gebracht.

Die door de Geest over ons wordt afgekondigd:

Geloof betekent leven!

 

Iets bij die laatste Koningsdagviering schetste mij verbazing:

Na het gospelkoor dat God dankte en Happy Birthday zong,

wenste de burgemeester van Rotterdam

koning Willem-Alexander – ‘symbool van onze eenheid’ – en zijn familie een mooie, zonnige dag.

‘Want u bent onze majesteit, maar vandaag zijn we allemaal Kings & Queens’.

Dat laatste was precies het thema van koningsdag 2023 in Rotterdam.

Kinderkoor Zangexpress zong de koning toe:

‘Ja we vieren feest! Zing mee met ons lied. Wij zijn royalty. Wij zijn Kings & Queens.’

Hier staan we dus als samenleving:

‘Je bent een baas. Van je eigen koninkrijk. Doe je gouden kroon maar op.’

Neem het kinderen dan niet kwalijk als ze later aanwijzingen van een politieagent

niet meer verdragen, een verkeersregelaar uitschelden

of het betoog van een hoogleraar wegwuiven

omdat ze ‘een andere mening’ zijn toegedaan.

We zijn goden geworden, nadat we we God gedood hebben.

Friedrich Nietzsche schreef het in zijn De vrolijke wetenschap (1882):

Hebben jullie nog niet van die dolle mens gehoord, die op klaarlichte dag een lantaarn aanstak, de markt op liep en onophoudelijk riep: ‘Ik zoek God! Ik zoek God!’ Doordat er vele mensen samen stonden die niet in God geloofden, wekte dit groot gelach. ‘Is hij soms verloren gelopen gegaan?’ zei de ene. ‘Is hij verdwaald als een kind?’ vroeg de andere. ‘Of heeft hij zich verstopt? Is hij bang voor ons? Misschien is hij wel geëmigreerd?’ Zo schreeuwden ze door elkaar en vermaakten zich. De dolle man sprong midden tussen hen in en doorboorde hen met zijn blikken. ‘Waar God heen is?’ riep hij, ‘Ik zal het jullie eens zeggen! Wij hebben God vermoord, jullie en ik! Wij zijn allemaal zijn moordenaars!‘ […] Dwalen we niet als door een oneindig niets? Gaapt de holle ruimte ons niet aan? Is het niet kouder geworden? Komt de nacht niet voortdurend sneller en sneller? Moeten er ’s morgens geen lantaarns aangestoken worden? Horen we nog niets van het lawaai van de doodgravers, die God begraven? Ruiken we het goddelijk ontbindingsproces nog niet? Goden ontbinden ook! God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood!

Esther van Fenema schreef hier kortgeleden over in haar boek Het verlaten individu (2022):

‘Wij hebben onszelf tot God gemaakt, maar zijn niet bestand tegen die zelf ontworpen status’.

Ze richt haar pijlen dus op een maatschappij waarin het individu zich tot God heeft verklaard.

Het individu meet zich een vrijheid aan waaraan het zelf te gronde lijkt te gaan.

‘Onze menselijkheid is verkocht aan de hoogste bieder

en we zijn slechts nummers om het Beest te behagen.’ zijn haar woorden.

De problemen in onze samenleving stapelen zich op:

overprikkeling, verslavingen aan van alles en nog wat, depressies,

de graai- en bonuscultuur, grensoverschrijdend gedrag,

de affaires rond toeslagen en aardbevingsschade.

‘We voelen allemaal diep vanbinnen dat onze leefstijl niet strookt met de orde der dingen.

Het is het knagende schuldgevoel dat we ‘afgoden’ aanbidden in plaats van ‘God’,

zegt Van Fenema dan.

Maar wie die afgoden dan zijn? Wijzelf? De maatschappij?

‘Wie laat uiteindelijk wie in de steek?

Laat het individu de samenleving in de steek of is het juist andersom?’

Ze geeft er zelf geen direct antwoord op, maar het lijkt te wijzen op het individu.

Tenminste, als wij bestuurders en politici ook individuen mogen noemen.

Ze lijken soms de samenleving of het collectief te vertegenwoordigen,

maar ze krijgen er net zo van langs als de consumerende burger.

De ruimte – waar Nietzsche het al over had –

die de dood van God achterliet moet worden gevuld.

‘Want als de leegte waarin alleen God past, niet door God zelf gevuld

wordt, stroomt ze vol met rommel’, betoogde psychiater Jung al.

‘Vacuüm of leegte is de ultieme hoofdzonde van onze tijd omdat we de groep hebben losgelaten

en onszelf als middelpunt van het universum zijn gaan zien.

Het kreeg kreeg alle kansen om ons te ondermijnen omdat we kwetsbaar blijken als niemand ons beschermt.

We hebben opnieuw van de appel gegeten en riepen massaal dat goed en kwaad niet meer bestond

omdat we het als God immers zelf wilden bepalen. …

Vacuüm als onafwendbare eindtoestand wanneer verbinding
en betekenis vervliegt.

Wanneer verhoudingen en structuren verbleken.

Het rokende eindstadium als chaos en vernietiging hun werk hebben gedaan.
God creëerde de wereld vanuit de leegte en wij blijken het vermogen te hebben haar weer af te breken.

Gaan we als God ten onder of kunnen we nog samen een Ark bouwen

om de zondvloed te overleven?’ stelt Van Fenema dan.

Zo lijken de psychiaters dus de nieuwe profeten geworden.

Hun boodschap is niet altijd prettig,

maar worden alleen ten nadele van onszelf genegeerd.