Wij protestanten zijn hebben het zo op met heiligen,
maar de Engelsman William Wilberforce zou je wel zomaar een ‘protestantse heilige’ kunnen noemen.
Nee, hij stierf geen marteldood, maar kreeg een praalgraf en een staatsbegrafenis!
William werd in 1759 geboren in een rijk Engels gezin,
en was al op zijn 21e lid van het parlement.
Hij was algemeen bekend vanwege zijn scherpzinnigheid en debatteerkunst.
In 1785 had hij een bekeringservaring, waardoor hij zijn leven aan God toewijdde.
Hij vroeg zich af of hij nog wel in de politiek moest blijven met al haar gekonkel.
Op advies van vrienden bleef hij echter, om dáár God en mensen te dienen.
William werd al snel een groot voorvechter van de afschaffing van de slavernij.
In zijn dagboek schrijft hij dat hij dit ervoer als Gods speciale roeping voor hem.
Hij organiseerde met anderen de eerste mensenrechtencampagne ter wereld,
waarin bijvoorbeeld het plaatje van hiernaast werd ingezet.
De Engelsen werden zelfs opgeroepen om af te zien van hun geliefde ‘cup of tea’
omdat die ongetwijfeld door slaven was geproduceerd!
William hield zich vooral bezig met de politieke strijd.
Maar liefst 20 jaar moest hij strijden om alleen de hándel in slaven afgeschaft te zien.
Maar nooit gaf hij op, want God had hem doen inzien dat het verkeerd is
om een mens als een ding te behandelen.
Een maand na zijn dood werd de slavernij helemaal afgeschaft.
Zijn levenswerk was geslaagd!
Hij is begraven in Westminster Abbey in Londen, bij andere beroemde Engelsen.
In de film Amazing Grace is zijn levensverhaal en strijd prachtig verbeeld.
In Nederland waren Nicolaas Beets en Julien Wolbers
voorbeelden van de strijd voor afschaffing van de slavernij.
Wolbers vond hiertoe inspiratie in het Reveil,
een internationale christelijke beweging die hulp gaf aan armen,
prostituees en de ontspoorde jeugd.
Wolbers was ook diep onder de indruk van De hut van oom Tom van de Amerikaanse schrijfster en abolitioniste
Harriet Beecher Stowe uit 1852.
Dit boek speelde een belangrijke rol
bij de afschaffing van de slavernij in de Verenigde Staten.
In de jaren daarna publiceerde Wolbers twee brochures:
In 1853 De slavernij in Suriname, of dezelfde gruwelen der slavernij die in de ‘Negerhut’ geschetst zijn, bestaan ook in onze West-Indische Koloniën!
En in 1854 De Surinaamse Negerslaaf.
Wolbers toonde daarin aan dat slavernij in strijd is
met de waardigheid en de rechten van de mens.
In zijn grote werk De geschiedenis van Suriname uit 1860
geeft Wolbers de volgende kritische beschrijving
van de achttiende-eeuwse planters en slavenhouders: Ruw, slecht onderwezen, door hartstochtelijke neigingen vervoerd, zich meermalen aan twist, spel en onzedelijkheid overgevende, terwijl wreedheid, laatdunkendheid en domme trots in ruime mate onder die bevolking gevonden werden, ja hunne hoofdgebreken uitmaakten.
Ook zo kun je dus een ‘heilige’ zijn,
iemand die iets laat zien van God en zijn bedoelingen.
Geloof is niet alleen iets diep in je hart,
maar geeft ook motivatie om onrecht te lijf te gaan.
Jezus volgen geeft kracht om vol te houden
voor iets waar je zelf niet beter van wordt.
Ik hoop van harte dat er ook vandaag de dag zulke gelovigen opstaan!
Wie wil er nou een baan die een zware wissel trekt op je gezin? Met onchristelijke werktijden en hoge stressniveaus. Wie wil er nou een baan waarbij iedereen een mening over je heeft? Waar de morele fouten uit je werk- of privéleven in de media kunnen worden uitvergroot. Wie wil er een baan die wantrouwen oproept onder een groot deel van de Nederlandse bevolking? Een baan die in het verleden enig gezag met zich meedroeg, maar tegenwoordig vooral een lege huls lijkt geworden. Ik merk dat om mij heen veel – vooral jongere – dominees afhaken. Ze geven er soms na een korte tijd de brui aan. Vaak hebben ze een nieuwe uitdaging gevonden: directeur van een christelijke stichting, docent of noem het maar op. Veel jonge collega’s verwachten dat hun predikantschap een beperkte houdbaarheidsdatum heeft. Hun toekomst ligt bij maatschappelijke organisaties, het kerkelijke bestuursapparaat, de academie of een niet-ambtelijke carrière in het bedrijfsleven. Deze veranderingen worden vaak toegejuicht. ‘Wat mooi dat je je hart volgt!’
En natuurlijk, er kan sprake zijn van een nieuwe roeping die op je pad komt. Maar voor het predikantentekort is deze uitstroom slecht nieuws, en soms lijkt een carrière switch een makkelijke uitweg uit de sleur van het ambt. Aan de andere kant heeft ‘de kerk’ ook een gave om predikanten die soms door omstandigheden tijdelijk geen vaste gemeente hebben het extreem lastig te maken om gemotiveerd te blijven. Ook kunnen gemeenteleden zich als een wolf gaan gedragen en willen ze de herder verslinden. Je voelt de last van de onmogelijke verwachtingen van gemeenteleden, bijvoorbeeld dat de dominee ‘de jeugd weer in de kerk brengt.’ Gemeenteleden willen dat de dominee in elke eredienst aandacht besteedt aan de dertigers en de jongeren en de ouderen. De conclusie kan dan zijn dat als ik mijn roeping wil volgen, de gemeente misschien niet de plek is waar je die roeping kan ontwikkelen. In een enquête die gehouden werd 50 procent (!) van de ondervraagde voorgangers aan te hebben overwogen om te stoppen met het predikantschap.
Maar de kerk heeft echter baat bij honkvastheid. Predikanten die volhouden, niet voor even, maar – ondanks alles – voor het leven. Die het ‘gewone’ werk doen: preken, bezoeken, bouwen aan gemeenschappen van Christus.
Laatst las ik een column in de NRC (02082023) van de hand van Nicolien Mizee.
Eerst even een korte samenvatting van deze column
‘Een hindoeïstische mevrouw gaat uit eten in een hip, vegan restaurant in Amsterdam. In de wc van het restaurant staat een beeld van Ganesha naast het fonteintje. Ganesha, zoon van Shiva, is een god met een olifantskop. Dat heeft iets grappigs, dat begrijpt die mevrouw ook. Toch hindert het haar en als de ober komt vragen of alles naar wens is, zegt ze er iets over. De ober stelt voor Ganesha naar een respectvoller plek te verplaatsen. Naast de plantenbak in de hoek?’ (…) Op een gegeven moment gaat de columniste naar een pizzeria. Ik laat Mizee weer aan het woord: ‘ik ga met mijn twee zusjes naar onze favoriete pizzeria. Na een uurtje ga ik naar de wc en wat zie ik? Een kruisbeeld is tot wc-rolhouder gemaakt: Jezus heeft aan elke arm een wc rol en een derde rol over zijn hoofd. Terug aan tafel, overleg ik fluisterend met mijn beide zusjes. Wat moeten we doen? Een foto op Instagram zetten? Maar we zitten niet op Instagram. Mijn jongste zusje haalt haar schouders op. „Ik snap niet waar jullie je druk om maken. Ik wil een dame blanche en daarna koffie.” “Het kan Jezus natuurlijk niks schelen”, zegt mijn oudste zus. “Die is wel erger bespotting gewend. Ik wil een sorbet.” “Nog iets toe, dames?” Daar is de ober. “Een dame blanche, twee sorbets”, begin ik, „iets anders: dat kruisbeeld op de wc…” “Dat heeft mijn vader gemaakt! Ik vind het zó geinig! Altijd aan het knutselen, die ouwe! Een dame blanche, twee sorbets.” We zijn direct verzoend.’
Waar ik met deze blog naar toe wil? Ik vraag mij oprecht af in hoeverre iets ons als christenen nog kan shockeren als het om onze godsdienst en symbolen gaat? Natuurlijk weet ik niet of de hier boven aangehaalde columniste christelijk is, maar dat doet er ook niet toe. In een tijd dat moslims in bepaalde landen de straat op gaan als een stel radicalen in een ander land misschien de koran dreigen te verbranden, vraag ik me af waar de grens bij christenen ligt. En moeten we ergens een grens trekken? Is het de vrijheid van een ander mensen te beledigen? Tot mijn verbazing zie dat cabaretiers zichzelf bevragen en beperken als het gaat om over de islam, omdat er dan misschien bedreigingen kunnen worden geuit. Dat geldt meestal niet als christenen of het christendom worden beledigd. Dan is vaak prijsschieten met de meest gevatte ‘opmerkingen’. Heeft dit te maken met het feit dat ook wij westerse christenen door de wasmachine van de Verlichting zijn gegaan waarbij grote ideologieën en godsdienstige overtuigingen niet meer ‘onkwetsbaar’ zijn.
‘De brutalen hebben de halve wereld’, zegt een spreekwoord. Mondigheid wordt hoog aangeslagen, en wie zijn mond niet genoeg open doet laat over zich heenlopen, vindt men. Assertiviteit is in. Je kunt er trainingen in volgen. Maar is dat nu allemaal alleen positief? Het gevaar bestaat dat iedereen alle aandacht wil voor zijn of haar persoonlijke punt, terwijl het algemeen belang op de achtergrond verdwijnt. Veel christelijke deugden worden algemeen aanvaard als goed in onze maatschappij: eerlijkheid, trouw, liefde… Voor één ding geldt dat echter niet: de waardering die het christelijk geloof heeft voor nederigheid. Nederig, wie wil dat nu zijn? Het roept al snel negatieve associaties op. Dan heb je zeker een laag zelfbeeld – tijd om daar iets aan te doen! Wat is echter ware nederigheid? Dat is niet minder van jezelf denken, het is minder áán jezelf denken. Een leven leiden waarin niet alles ten diepste om jezelf draait. Aan nederige, bescheiden mensen is volgens mij grote behoefte in deze tijd van het ‘dikke ik’. Maar hoe word je zo? In veel hedendaags denken lijkt het een onmogelijke optie. Zelfs als je goed doet, zo wordt wel gezegd, is dat tenslotte verkapt eigenbelang, of een evolutionaire aanpassing die de kansen van onze soort vergroot. Ik denk dat je ten diepste God nodig hebt om voorbij eigenbelang te komen. Sowieso, als er iemand boven je is, ben je zelf niet meer de maat van alle dingen. Maar ook omdat de Allerhoogste zelf de allerminste werd in Jezus, gekruisigd als misdadiger. Hij doet het voor! Jezus zei eens: ‘gelukkig zijn de zachtmoedigen, zij zullen de aarde beërven’. Brutale mensen mogen de halve wereld hebben, maar wie Jezus volgt op de weg van nederigheid zal de héle wereld hebben!
Het is verkiezingstijd. En één van de grote onderwerpen die ook de komende strijd bepalen is het topic over de instroom van vluchtelingen. Het kabinet is er zelfs over gevallen. Mensen die wegvluchten voor de onveiligheid, onvrijheid of simpelweg een boterham willen verdienen. Wie zou in zo’n onzekerheid willen leven? Maar de ze mensen moeten we buiten de deur houden, want…
Een groot voorbeeld voor zo’n hardvochtige opstelling is dan de Hongaarse premier Orbán is een persoon die altijd als hardliner de harten van heel veel mensen wint. Hij zegt namelijk: we moeten geen vluchtelingen opnemen, want de grote toestroom van moslims bedreigt de christelijke identiteit van ons continent. En op 3 mei jl. stemde dus een overweldigende meerderheid van het Hongaarse parlement, gecontroleerd door de partij van premier Viktor Orbán, voor een resolutie met daarin klip-en-klaar de verklaring: ‘Wij willen geen immigratieland worden.’ De media sprongen er bovenop, gezagsdragers deden ronkende uitspraken op radio en tv. Inmiddels zijn deze woorden opgepikt door landen als Polen en Slowakije, die met zo’n redenering de asielzoekers weigeren die de EU hen wil toebedelen. Deze woorden maken mij echt boos en verdrietig. Want bedreigt deze instroom je identiteit, als er in Europa allang zo’n 50 miljoen moslims wonen? Weet u trouwens wat verbazend is? Op dezelfde dag nam hetzelfde Hongaarse parlement ook een wet aan die het stukken makkelijker moet maken om gastarbeiders van buiten de Europese Unie op tijdelijke arbeidscontracten naar Hongarije te halen. Dat gebeurde heel stilletjes en kreeg amper aandacht in de media. Want Hongarije heeft tussen 2010 en 2023 300.000 inwoners verloren door emigratie en lage geboortecijfers. En als lagelonenland waar veel westerse bedrijven afgelopen jaren fabrieken hebben gevestigd, is het land nu begonnen hoge aantallen Aziatische arbeidskrachten te importeren. Volgens het Hongaarse statistiekbureau waren dat er in 2022 86.000 – een stijging van 14 procent ten opzichte van het jaar ervoor.
Maar goed, het eerste nieuws is uitermate droevig en ik word er boos van. Vooral word ik boos en droevig, omdat uit deze woorden een totáál onbegrip blijkt van wat ‘christelijke identiteit’ inhoudt. Houdt dat niet in dat je een volgeling van Jezus bent, en zijn woorden serieus neemt? En wat, denkt u, zou Jezus doen als hij geconfronteerd werd met zoveel mensen in nood? Ik zal een paar woorden van Jezus aanhalen. ‘Wees barmhartig, zoals uw hemelse Vader barmhartig is’. ‘Ik had honger en jullie hebben mij te eten gegeven, dorst en jullie hebben mij te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling en jullie namen mij op… want alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan’.
Als een continent, een land of een premier zich ‘christelijk’ noemt en er komen vluchtelingen op zijn pad, dient dan niet de eerste gedachte te zijn hoe je kunt helpen? Daarná komen pas de moeilijke vragen over wat je samen aankunt en waar grenzen liggen. Het startpunt ligt geheel anders: niet bij ‘houden wat we hebben’ – want ik vrees dat Orbán ten diepste dat bedoelt – maar bij bewogenheid.